Bekijk het origineel

het is avond en de nacht zal komen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

het is avond en de nacht zal komen

15 minuten leestijd

Nu de redaktie mij verzocht heeft iets te schrijven over de belangrijkheid van stervensbegeleiding zou ik graag het volgende voorop willen stellen. Er zijn mensen, die uit hoofde van hun beroep voortdurend contact hebben met zieken; ik denk aan verpleegsters, artsen, ziekenhuispredikanten. Als een patiënt ernstig ziek wordt behouden zij hun natuurlijke vanzelfsprekende entree tot de ziekenkamer of -zaal. Wie thuis ziek ligt en daar kan sterven heeft als regel familieleden, althans bekenden om zich heen, die op grond van reeds bestaande relaties regelmatig aanwezig zijn en blijven. Het genoemde entree hebben ook diakenen en predikanten, die al voordat de persoon in kwestie zo ziek werd geregeld contact met hem of haar hadden.

Maar wie via anderen gehoord heeft, dat iemand er ernstig aan toe is, kan niet zomaar erop afstappen. We zullen dan — en dat ligt voor predikanten en kerkelijke vrijwilligers precies zo als voor ieder ander — eerst moeten nagaan of de zieke onze steun wel nodig heeft, of hij onze aanwezigheid op prijs stelt. Het kan namelijk gibeuren, dat iemand, die thuis of elders ziek komt te liggen, uit ons onverhoeds verschijnen de conclusie trekt, dat zijn toestand wel ernstig zal zijn. Bovendien hebben velen, die van hun snel naderend einde op de hoogte zijn, werkelijk niet de minste behoefte aan uw of mijn hulp. Aan de andere kant zijn er velen, die zich eenzaam en verlaten voelen, die hunkeren naar een menselijk contact, maar dat niet aangeboden kregen. De noodsignalen, die deze mensen uitzenden, mogen we niet negeren. Zij geven ons een aanvaardbaar, zelfs een gewenst entree.

Begeleiding

Stervensbegeleiding is „in” als onderwerp van gesprek en geschrijf. Maar is de belangstelling voor het zelf begeleiden van stervenden even groot als die voor het betreffende onderwerp? Blijkbaar niet, gezien bovenbedoeld verzoek anderen te stimuleren tul het niet voorbijgaan aan deze vorm van hulpverlening. Nu is het ook niet bepaald iets, dat je zonder loden schoenen doet: stilstaan, letterlijk en figuurlijk, bij iemand die met vreze en beven én pijn het eindstation van het leven nadert, die vlakbij de grenspaal gekomen is, waar alles wat onze gedachten en gevoelens kunnen bevatten ophoudt en waar de dood ieder schepsel alléén opwacht.

Toch zou ik best naar zo iemand toe willen gaan, zullen sommigen van u zeggen, — je mag een stervende immers niet alleen laten? —, maar ik kan het niet, want ik ben zelf als de dood voor de dood. O …, gelukkig! Ik bedoel: dat u bang bent is doodgewoon en als u het weet en er openlijk voor uitkomt behoeft u zich niet krampachtig groot te houden. Het enige dat wij van de dood weten, is, dat het géén leven is en die wetenschap kan uitermate benauwend zijn voor een wezen dat slechts het leven kent Nu wordt die benauwenis natuurlijk door elk mens verschillend beleefd en, in het gunstigste geval, verwerkt. Maar wie zich deze gemoedstoestand met bewust is of die beklemming met alle geweld uit zijn leven gebannen heeft zal zich nauwelijks kunnen voorstellen wat een stervende soms heeft door te maken.

Wie bij de gedachte aan of zelfs bij de confrontatie met het mogelijk op handen zijnde levenseinde van wie dan ook nog nooit een lichte huiver heeft ervaren kan niet met een ernstig zieke meevoelen en dus ook niet met hem of haar mee-leven, inclusief mee-lijden. En daarom sprak ik van geluk in verband met de erkenning van onze eigen angst; zonder deze zijn wij „nergens” en ik wilde u juist aanmoedigen ergens”, namelijk bij die zieke medemens te zijn en daar te blijven tot het einde, hoe bitter dat ook zij. Het zelf bang zijn is niet alleen normaal, maar het is tot op zekere hoogte ook een voorwaarde bij het vergezellen van een mens in doodsnood.

Tot op zekere hoogte. Iemand met hoogtevrees moet geen glazenwasser worden, want de spanning, die hij heeft te verduren om alleen maar op die ladder of m dat hoge raamkozijn te kunnen staan, zal zoveel psychische energie vergen dat hij aan het eigenlijke „glazen wassen” niet toekomt. De ruiten blijven dan vuil, hoe graag hij ze ook schoon zou maken. Hier is de angst zo groot, dat hij het werk verhindert, althans ernstig belemmert. Evenmin moet iemand, die al op de stoep voor de hoofdingang van een ziekenhuis wit om zijn neus wordt, proberen een stervende te begeleiden. Ook hier zal de eigen spanning te groot zijn om aandacht en energie vrij te kunnen maken voor het contact met de ander.

Uit deze voorbeelden moge blijken, dat ook een tweede voorwaarde op zichzelf niet voldoende is. Ik bedoel een toegewijd hart, hartelijke liefde. Daarbij moet je nog bloed kunnen zien”. Dat is geen verdienste (laat niemand zeggen, dat degene, die dreigt flauw te vallen, tekortschiet in naastenliefde); het is gewoon „meegenomen” voor wie met inzet van zijn hele persoon hulp wil bieden. Je kunt dan doen wat je graag wilt en dat is alleen maar een bevredigende ervaring, zowel voor de zieke als voor de gezonde mens (als ik het zo even mag stellen, in het besef dat „de gezonde” en „de zieke” niet bestaan). Ook het zelf al veel te dragen hebben kan soms een hinderpaal zijn voor het zich begeven en verdiepen in andermans zorgen. Soms, dikwijls doet het tegendeel zich voor. Maar het is mogelijk, dat iemand „genoeg aan zichzelf” heeft; we hebben nu eenmaal slechts één lichaam en één geest om weerstand en/of hulp te bieden.

Wat we dan helemaal kunnen doen voor een mens in het laatste levensstadium is de volgende vraag. Ervan uitgaande, dat de lichamelijke verzorging gewaarborgd is (het werkelijk met zorg uitvoeren hiervan is uiteraard een stuk stervensbegeleiding op zichzelf) en alle zaken geregeld zijn, zou je kunnen zeggen: niets meer. Tenminste, als we onder „doen” verstaan: het organiserend en praktisch met iemand bezig zijn, het handelend optreden.

Dit is een wezenlijk probleem van de stervensbegeleiding. Er is schijnbaar niets te doen. De medicus heeft tot taak het leven in stand te houden, sterker nog: het gezond te maken. Maar het werk van zijn handen is mislukt. Hij heeft de patient „opgegeven” en voelt zich machteloos; hij heeft niets meer te „doen”. De verpleegster heeft tot taak de zieke te helpen op velerlei manier, maar vooral door het lichaam te geven wat het nodig heeft. Maar „het helpt” niet meer en zij voelt zich machteloos; zij heeft niets meer te „doen”.

Het gevolg is nogal eens, dat medicus én verpleegkundige hun contacten met de „hopeloos” zieke tot het uiterste beperken. In hun machteloosheid durven zij het uitzichtsloze lijden van de medemens niet open en eerlijk onder ogen te zien. Zij kunnen het niet aanzien, vaak in de beste betekenis van deze uitdrukking, laat staan, dat zij bij machte zouden zijn hem op de lijdensweg te vergezellen. Een enkele arts en vele verzorgsters deinzen overigens niet terug voor deze opgave, gelukkig. En met hen kunt ook u, die dit leest, als familielid, als vriend, als kennis, als goede buur, als „geestelijke”, een steentje bijdragen aan de stervensbegeleiding. Want het hulpvaardig met de ander bezig zijn zondei te kunnen handelen mag moeilijk zijn, onmogelijk is het niet.

Degene, die binnen afzienbare tijd gaat sterven moet vaak ondragelijk lijden. Sommigen, vooral medici (begrijpelijk), maar ook theologen en ethici beweren, als het gesprek op euthanasie of suïcide komt, dat in onze tijd lichamelijk en psychisch ondragelijk lijden niet meer behoeft voor te komen. De angst- en pijnbestrijding zou bij de juiste strategie afdoende zijn. Jawel, bij de juiste strategie. Maar die kan zelden ten einde toe gevoerd worden, want het daartoe noodzakelijke van uur tot uur doseren van medicamenten en andere op verlichting van hel lijden gerichte middelen vereist een intensief samenspel van velen (eventueel ook familieleden), dat in de praktijk nauwelijks is te realiseren. Het voorbijgaan aan deze pijnlijke realiteit zal wel samenhangen met het hierboven gesignaleerde weglopen voor de ongeneeslijk zieke; in beide gevallen een ontkenning tegen beter weten in van menselijke onmacht.

Een dergelijke instelling is niet ongevaarlijk, alleen al uit psychologisch oogpunt tegenover degene, die lijdt; om van de ten onrechte geruststellende mededelingen aan de naasten, die nabestaanden worden, maar te zwijgen. Deze houding heeft namelijk tot gevolg, dat de ander in zijn lijden, in zijn hele bestaan niet serieus genomen wordt en daardoor dan ook nog de last van schuldgevoelens (er zou geen reden zijn zich zo ellendig en radeloos te voelen!) krijgt te torsen.

Ik ga hier nog even op door, omdat sommigen van ons zijn grootgebracht met de zinspreuk „God geeft kracht naar kruis”. Neemt u me niet kwalijk, maar ik moet u zeggen, dat dit niet opgaat. Het is een vrome wens, waarmee christenen elkaar voor de gek houden en een doodziek mens in de kou laten… liggen. Van meer gevoel voor realiteit getuigt de volgende zin uit een liturgisch gebed. „Kaal ons de Heer om ontferming aanroepen voor hen, wier kruis zwaarder is dan hun kracht toelaat te dragen.” Hierbij aansluitend is het goed zich te realiseren, dat ook niet alle mensen de tijd en de gelegenheid krijgen of de kracht opbrengen, die noodzakelijk zijn om uiteindelijk, eventueel na protest en innerlijke strijd, tot het aanvaarden van de dood te komen. Er zijn mensen, die werkelijk „rustig en vredig ontslapen”, maar anderen die lol hun laatste ademtocht volstrekt opstandig blijven. De laatsten hebben uw hulp en bijstand vaak het hardst nodig, al zullen zij die opstandigheid, de woede om hun onbegrijpelijke lot ook koelen op u, die hen met alle liefde en zorg blijft omringen.

Meesterven

U moet zich met huid en haar, zonder aan zichzelf te denken (voor zover mogelijk) begeven in het lijden van de ander, dat soms uitmondt in panische angst en absolute eenzaamheid, in een donkere nacht van verschrikking, een eindeloze doolhof zonder uitzicht op enige verlichting. Ik ben mij ervan bewust, dat woorden tekortschieten om zo’n situatie te beschrijven. Dat ik toch woorden gebruik en ze zelfs heb neergeschreven, dat ik dit artikel tenslotte toch heb samengesteld, berust op mijn hartstochtelijke wens dat u ernstig zieken niet aan hun lot overlaat enerzijds, en op de noodzaak u te waarschuwen dat stervensbegeleiding geen kleinigheid is, maar een zware wissel trekt op onze persoonlijke, geestelijke draagkracht, anderzijds.

Als het goed is sterven wij een beetje mee. Een beetje; want wie hierin te ver gaat en zich volledig met de zieke identificeert kan niet meer begeleiden, kan de ander op weg niet meer ondersteunen en evenmin een eventueel nog begaanbaar pad wijzen. Hij of zij „ziet het dan immers zelf niet meer”. Zo ergens, dan is hier het vinden van het gulden midden een voorwaarde, waaraan slechts al zoekende, samen met de ander, kan worden voldaan.

Persoonlijk gesprek

Dit stel ik zo nadrukkelijk, omdat christenen in Woord en Sacrament een houvast bezitten, dat ze mijns inziens niet altijd adequaat gebruiken. Het „een stukje lezen” en het ritueel kunnen overal, maar zeker aan een sterfbed een vlucht betekenen. Het is namelijk veel gemakkelijker naar „Gods Woord” (u mag en „moet” dan zwijgen) te grijpen en een religieuze handeling (dan bent u tenminste ergens mee „doende”) te verrichten dan het persoonlijke gesprek met de vragende zieke aan te gaan en vol te houden en zijn rusteloos zoekende hand in de uwe te nemen en vast te houden.

Maar wanneer we eenmaal een goed contact met de zieke hebben en deze geeft al dan met met zoveel woorden (misschien kan hij allang niet meer spreken; des te scherper hebben wij te „luisteren”!) te kennen, dat hij behoefte heeft aan een troostrijk Bijbelgedeelte of aan een enkele bemoedigende tekst, aan een gemeenschappelijk gebed, aan de viering van het Avondmaal, dan voldoen we vanzelfsprekend aan zijn verzoek. Voor alle zekerheid zoudt u zonder enige nadruk (door een enkele vraag of toespeling) kunnen peilen of de zieke wensen in die richting heeft, maar ze niet uit, omdat hij van u het initiatief verwacht.

Mocht u enige ontvankelijkheid voor religieuze troost bij de ander menen op te merken, dan kunt u — maar dat weet u waarschijnlijk zelf wel — op veel plaatsen in de Bijbel terecht. Ik noem in dit verband alleen maar de volgende zin uit die bekende z.g. psalm van David. „Zelfs al ga ik door een dat van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.” Dat kunnen we dan rustig lezen, mits we zelf ook bij de ander blijven, in het donker. God werkt mogelijk door mensen heen. Maar laten we ons, als de ander „geen boodschap” aan het Evangelie, de „goede boodschap”, heeft of zich door een op zijn verzoek uitgesproken gebed toch niet getroost weet, niet gekwetst voelen in onze oprecht christelijke bedoelingen. We kunnen en mogen de ander niets opdringen, ook niet iels, dat wij persoonlijk tot nu toeals een positieve kracht in ons leven hebben ervaren. We gaan niet zomaar mee op weg, nee, we passen ons onderweg ook aan bij tempo en wijze van „lopen” van de ander. Dat is toch wezenlijk begeleiden? Het voornaamste is attent te blijven op wat de ander wil en dienovereenkomstig te handelen. Dan zullen we bemerken hoeveel verschillende mogelijkheden er zijn om zich met elkaar op het afscheid in te stellen. Het kan betekenen, dat u een kopje thee gaat zetten in het holst van de nacht, omdat de zieke er op dat moment Irek in heeft en hoewel het u op dat tijdstip allerminst gelegen komt.

Rusten

Voortzwoegend door de hete woestijn kan de zieke zo af en toe, zo hier en daar een kleine oase ontdekken, waar hij een ogenblik wil rusten in de schaduw van het rondom opgeschoten, frisse, levende groen. Zo’n oase kan 5 december zijn, Sinterklaas. Jaren achtereen heeft de zieke de verjaardag van de goedheiligman met vrouw en kroost gevierd. Hij wil dat feest ook deze keer, de laatste keer voor hen samen, niet zonder meer voorbij laten gaan en schept er een genoegen in nog eens te bedenken waarmee hij familie en vrienden een plezier zou kunnen doen.

Wie anders dan hij die sterven gaat zal de betekenis kennen van het samen plukken van de dag? Laten wij het dan niet beter willen weten dan hijzelf („wat goed voor hem is”), maar met een lach en een traan het feest meevieren, hoe waanzinnig moeilijk dat ook is met een geliefde, die van ons heengaat. Dus niet toegeven aan de neiging de ander reeds uit het vertrouwde land der levenden weg te denken. Gewóón doen, zoveel en zolang mogelijk. Meeleven in de nood, maar daarbij niet de door de ander aangegeven en aangegrepen lichtpuntjes over het hoofd willen zien, opdat we niet zijn eenzaamheid nog groter maken dan deze, gezien de omstandigheden, al is. Luisteren, met het oor en met het hart, naar wat de zieke medemens nog van ons verwacht en vraagt. Volstrekt dienstbaar zijn aan de ander.

Wees attent

In aansluiting hierop nog het volgende. Het is mijn bedoeling geweest in eerste instantie aandacht te vragen voor mensen, die een moeilijke dood sterven, maar er zijn ook anderen. Naast het gevaar, dat men degenen, die veel te lijden hebben, ontwijkt, is er nu het gevaar, dat men degenen, die betrekkelijk gemakkelijk sterven, die maar sporadisch door de woestijn trekken, alleen laat. De zieke ligt er zo rustig bij en is helemaal niet lastig. Je hebt er geen omkijken naar, zeggen de familieleden bij zichzelf. Ze kijken dan ook niet meer naar hem om, uit pure onachtzaamheid. Ze hebben hem allang afgeschreven óf ze negeren het feit, dat hij zal sterven.

Diakenen en anderen met een open oog voor zo’n problematische toestand kunnen de zieke uit zijn isolement verlossen door hierover met de betrokkenen te spreken. Stervensbegeleiding zal meer dan eens gepaard moeten gaan met een stuk hulp aan de familie, ook nog nadat de zieke is overleden.

In het voorgaande heb ik gezegd, dat er schijnbaar niets te doen valt voor hen, die in plaats van het verlenen van eerste hulp (dat soms zo heerlijk snel en blijvend effect sorteert) het verlenen van laatste hulp op zich genomen hebben. Dat de schijn ook hier bedriegt, moet ons nu wel duidelijk zijn. Er is wel degelijk werk aan de winkel, maar het zal zelden of nooit een voor u zichtbaar resultaat opleveren. Laat dat u niet ontmoedigen. U weet niet wat u met uw stug volgehouden beschikbaarheid, uw niet verslappende aandacht, uw persoonlijke betrokkenheid nog kunt betekenen voor iemand, die angstig en eenzaam de dood tegemoet leeft. Het accepteren van uw aanwezigheid op zichzelf kan al een aanwijzing zijn, dat u niet tevergeefs bezig bent de smart van uw naaste te delen; en daarmee moeten we het dan maar doen.

Wij blijven op onze post, sprekend (soms), luisterend (altijd) en ten slotte alleen nog maar wakend, d.w.z. scherp lettend op de ander, die wellicht geen besef meer heeft van onze nabijheid (maar dat weten we niet, voordat de dood is ingetreden), met een hand zachtjes hem of haar aanrakend (misschien kan de stervende dat nog voelen).

Daarbij moge ons allen de volgende smeekbede, die deel uitmaakt van een oorspronkelijk Scandinavisch avondgebed, geleiden.

Heer, blijf bij ons,
want het is avond
en de nacht zal komen.

Blijf bij ons
met uw genade en goedheid,
met uw troost en zegen,
met uw Woord en Sacrament.

Blijf bij ons
wanneer over ons komt
de nacht van beproeving en angst,
de nacht van twijfel en aanvechting
en de nacht van de strenge, bittere dood.

Blijf bij ons
in leven en in sterven,
in tijd en eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

Diakonia | 40 Pagina's

het is avond en de nacht zal komen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

Diakonia | 40 Pagina's

PDF Bekijken