Bekijk het origineel

Von de hak op de tak

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Von de hak op de tak

6 minuten leestijd

De heer S. Oosterbeek, schrijver van dit artikel, komt uit het onderwijs. Hij was docent aan een pedagogische academie eer hij zijn huidige taak aanvaardde als secretaris onderwijs van de Nederlandse Zendingsraad.

Enige tijd geleden schreef prof. dr D. C. Mulder in ZD een boeiend artikel over de dialoog met de moslims. Een verdere bespreking laat ik graag over aan deskundigen. In ieder geval lijken de constateringen, conclusies en argumenten van prof. Mulder me een positief uitgangspunt voor een gesprek. Bijvoorbeeld op een gemeenteavond.

En toch, maar al te gemakkelijk verwijzen we, als het om zaken van gewicht gaat, naar de specialist. Het vloeit bijna vanzelf uit mijn pen: „Een verdere bespreking laat ik graag over aan…” Is dat wel de juiste weg?

Voor de zendingsweek wordt nogal eens een beroep gedaan op „zendingspredikanten” (een woord overigens dat me doet denken aan „ronde cirkels”, „houten bomen” en „witte sneeuw”). „Wilt u misschien in deze speciale week de catechisatie voor uw rekening nemen? Een inleidend praatje houden op de jeugdavond? Voorgaan in de dienst des Woords?” Onlangs was ik getuige van een spontane reactie op een dergelijk verzoek: „Nee, dat wil ik niet. Het is uw gemeente, uw jeugd, uw kerkdienst. Zullen we samen enkele mogelijkheden onder ogen zien? Misschien kan ik u van advies dienen. Maar u moet het zelf doen.”

Bij het onderwijs op de christelijke scholen gaat het soms net zo. Zeker, de zending krijgt aandacht. Met getrouwheid wordt iedere maandagmorgen zendingsgeld verzameld. Er wordt met het blad Marimba gewerkt. En bij de kerkgeschiedenis komt de zending ook wel eens „ter sprake”. Toch heb ik soms het gevoel dat je hiermee niet klaar bent. Je zou, om de kinderen er werkelijk bij te betrekken, een speciaal iemand van de zending moeten vragen.

Een speciale gast op school, die uit eigen ervaring kan vertellen, dat lijkt me een goede oplossing. Terecht, maar het kan ook een schijnoplossing betekenen. Want die „speciale gast” pakt na een paar uur zijn koffers weer. Hij heeft een levendige beschrijving gegeven uit de eerste hand. Hij heeft dia’s laten zien, zeer interessant. Hij heeft met de klas gepraat over zending, werelddiakonaat en ontwikkelingssamenwerking. Erg inspirerend. Maar hij vertrekt weer.

Met diep respect, voor de klas was hij misschien toch niet meer dan een ééndagsvlieg. Hij heeft de man of vrouw voor de klas niet wezenlijk geholpen. Hij heeft hem of haar even iets uit handen genomen. Maar morgen is het weer een-gewone-dag.

Tenzij er een handvat is gegeven. Een impuls om verder te gaan. Dan weten onderwijzer en klas wat ze hiermee moeten gaan doen.

Dat „hiermee” heeft rechtstreeks te maken met de tweede bede uit ’t Onze Vader: de komst van Gods Koninkrijk. Dat wil zeggen: een nieuwe orde waarin het rechte recht is, waarin de gemeenschap tussen God en mensen subliem is, waar vrede en gerechtigheid elkaar ontmoeten, waarin alles goed is. Zo ver zijn we nog lang niet. Het recht wordt krom gepraat. God wordt maar al te vaak naar een vergeten hoekje verwezen. En ter wille van de lieve vrede wordt er heel wat geschipperd. Deze status quo staat haaks op die andere status, die bij Jezus de hoogste prioriteit heeft: Zijn eerste woord is blijkens het oudste evangelie, dat het rijk Gods is gekomen (Marcus 1 : 15). Dit zijn, ik weet het, grotemensen-woorden. Toch zal juist dit moeten doorklinken in ons vormingsen opvoedingswerk. Ik geloof dan ook dat we hier de diepste zin raken van de christelijke school. Ook de Onderwijscommissie van de Nederlandse Zendingsraad wil hieraan dienstbaar zijn. Maar het is geen zaak die je kunt delegeren aan een specialist.

Ons uitgangspunt was de dialoog. Dat was slechts een hak om op de onderwijstak te springen.

Toch hebben die twee met elkaar te maken. Een enkel voorbeeld als illustratie: De protestantse stichting tot hulpverlening in Dakar, Senegal vatte enige tijd geleden het plan op om een buurthuisje te bouwen in de grote islamitische stadswijk Sicap Liberté III. Dit centrum zou een tehuis worden voor allerlei groeperingen, voor ieder die ten einde raad was.

Een aantal jongeren uit de stad heeft op dit terrein „eigen bomen” geplant. Ten teken van hun verbondenheid met dit buurthuis en met wat daarin zou gebeuren, sneed ieder zijn naam in de bast van zijn boom. Dankzij de goede verzorging van deze boompjes hebben ze inmiddels goed wortel geschoten. Bij de kleine openingsceremonie werd de wens uitgesproken, dat het werk zou groeien als deze bomen. Dat het ten goede zou komen aan heel Dakar. Dat het nuttig zou zijn als deze bomen, „omdat een boom in dagen van hitte zijn schaduw geeft aan ieder zonder onderscheid.”

Deze gebeurtenis was onlangs het onderwerp van een groepsgesprek op een havo in Nederland. Verrassend waren de reacties van de jongens en meisjes. Zij vonden dit in ieder geval zinvoller dan wat bij ons nog wel eens te doen gebruikelijk is, namelijk een bestuurslid, dat een lint moet doorknippen. Er was veel waardering voor dit afrikaanse initiatief. Misschien wat ongenuanceerd, maar recht uit het hart zei een van de leerlingen: „We zijn er gekomen om bomen te rooien. Het wordt nu tijd dat we van hen leren om bomen te planten, om bomen te zijn.” Toen de gespreksleider op deze opmerking inhaakte, vond niemand het gek dat hij een vergelijking trok met de boom uit Psalm 1: „Wiens loof de droogte niet behoeft te duchten; te goeder tijd geeft hij zijn rijpe vruchten.” En over die vruchten is nog lang en diepzinnig gepraat. Mede dank zij neen, niet deze les over Afrika, maar deze les uit Afrika.

Een andere opmerking was deze: Moet de staat niet zorgen voor opvangmogelijkheden voor onbehuisden en ontredderden? Een medeleerling reageerde zo: „Kijk, je kunt wel alles afschuiven op de regering, zodat die dan maar voor alles moet zorgen. Maar zo gemakkelijk kom je er niet af. Je kunt je naastenliefde niet via de belasting regelen…”

In de trein op weg naar huis dacht ik nog wat na over die laatste opmerking. Ik kon me niet voorstellen dat Jezus er genoegen mee zou nemen als we Hem eenmaal zouden zeggen: „Maar, Heer, de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen en de gevangenen, naar deze minste broeders hoefden we geen hand uit te steken. De staat zorgde immers voor hen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

Von de hak op de tak

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken