Bekijk het origineel

Omdat ik Meestal Lach en Zing…Ziet Niemand dat ik Huil en Schreeuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Omdat ik Meestal Lach en Zing…Ziet Niemand dat ik Huil en Schreeuw

13 minuten leestijd

Met deze kop begint de Hervormde Zending het jaarverslag over 1973. Waarna een situatie-schets volgt van de zending in de Wereld van vandaag. Daarbij wordt uiteraard teruggezien op “Bangkok” en vooruitgezien naar de “nieuwe zendingsperiode” waarvoor we nu staan.

1973: het jaar van de 9e wereldzendingsconferentie, ditmaal in Azië in Bangkok, de hoofdstad van Thailand. Een conferentie, die op vele terreinen heftige discussies heeft ontketend. Deels omdat de conferentie zoveel wél maar veel meer niét gemeen had met wat gewoonlijk een wereldconferentie heet. Deels ook omdat deze bijeenkomst diepgaande, scherp insnijdende en verstrekkende gezamenlijke bijbelstudies ten grondslag legde aan hevige discussies vol spanning tussen werelddelen en conflicten tussen christelijke kerken. Maar als belangrijkste kenmerk zal in de herinnering blijven, dat Afrika, Azië en Latijns-Amerika luidop aan het woord kwamen en daarmee stemmen uit het Westen – Amerika en Europa – tot zwijgen en gevestigde kerken en zendingsinstanties tot diep nadenken brachten. Reeds aan het begin van de conferentie, in zijn rapport over de afgelopen 10 jaren, wees dr. Philip Potter *) op een nieuwe fase van gezamenlijkheid, waarin de volkeren der aarde zijn geraakt. In zijn rede zei hij o.a. het volgende:

„We leven nu in één wereld, waarin in een versneld tempo volkeren met elkaar in contact worden gebracht door de wetenschap en de technologie, door zeer snelle onderlinge verbindingsmogelijkheden en door de massa-media radio en televisie. Het grote nieuwe feit van onze tijd is inderdaad de verschijning voor ieders aangezicht van miljoenen mensen, die tot nu toe onder de oppervlakte van de wereldgeschiedenis bleven. Zij horen thuis in de streken, die tot dusverre „zendingslanden” werden genoemd – Azië, de eilanden in de Stille Zuidzee, Afrika, Latijns-Amerika en het Caraibische gebied – (…). Sommigen noemen dit „de wereldse (seculiere) vorm van de oecumene”. Dat wil zeggen, dat de hele bewoonde aarde tegen wil en dank in de tijd en in de ruimte bijeen en op elkaar gedreven wordt” (Bangkok Assemblee 1973, Appendix B, blz. 51).

Volken komen elkaar wel tegen wil en dank maar bepaald niet zonder slag of stoot tegen! Want overal op aarde zoekt men vanuit een eigen geschiedenis met een eigensoortig verleden en beheerst door een eigen cultuur naar een samenleving, waarin mensen kunnen uitgroeien en opbloeien tot volwaardige en door anderen gerespecteerde aardbewoners. Men neemt bij deze ontwikkelingsprocessen de woorden „volwaardig” en „door anderen gerespecteerd” echter niet zomaar in de mond. Waar mensen en hun samenlevingen op zoek zijn naar een hogere kwaliteit van mens-zijn en een weldadiger graad van samenleven, daar zijn onvermijdelijk de meest wezenlijke noties van het Evangelie aan de orde en in het geding. Het Evangelie roept op tot zeer bepaalde beslissingen, drijft mensen uit hun sloppen en vestingen, maakt hen creatief, daagt hun samenleving uit tot andere vormgeving, pleit voor degenen, die er nauwelijks een plaats in hebben. Het valt de machthebbers hard en de zwakken bij. Het valt ook aan! De geest van heersen en overmeesteren krijgt het hard te verduren van een „kracht van dienend en bevrijdend Heer- en Meesterschap”.

Dr. M. M. Thomas uit India*) bewees de conferentie een grote dienst door direct aan het begin op deze samenhangen te wijzen. „Geen geschiedschrijver”, zo zei hij, „zal en kan ontkennen, dat het Evangelie een beslissende rol speelde (nl. in de ontwikkelingen in India). Dat wil zeggen, dat de geestelijke scheppingskracht achter het rusteloze en alles omploegende zoeken in onze tijd naar een samenleving, die de natuur onderwerpt door wetenschap en technologie om de welvaart te bevorderen voor een belangrijk deel zijn oorsprong vindt in de bevrijding van de menselijke geest door Jezus Christus de Heer. Uit deze zelfde bron spruit de creativiteit voort, die armoe en onderdrukking verdrijft, die voor tot nu toe verdrukte groepen mogelijkheden schept voor deelname in de machtsstructuren. Het is dezelfde stuwkracht die beweegt in de richting van een broederschap van vrije, gelijkwaardige mensen. Men zou in dit verband kunnen spreken van een nieuwe fase in het proces van Gods Scheppingswerk.” (zie ook prof. dr. J. Verkuyl „Jezus Christus, de bevrijder”, blz. 45).


Stem Uit Afrika

Omdat ik meestal lach en zing
ziet niemand dat ik
huil en schreeuw
en al heel lang
mijn pijn verberg …

Omdat ik meestal lach en zing
hoort niemand
dat ik schreeuw
van binnen …

omdat mijn voeten vrolijk dansen weet niemand dat ik stervend ben.

Aan dit gedichtje uit Afrika, waarin de angst en de zorg om het verlies van eigen identiteit lot uitdrukking komt, is de kop op de vorige pagina ontleend.


Uit Afrika roepen wij

We willen ons hier beperken tot Afrika, een continent waar zich op dit ogenblik in alle hevigheid veranderingen voltrekken, waarvan slechts Afrikanen ten volle de draagwijdte zullen beseffen. Men heeft wel eens het vermoeden, dat het met de aantallen westerse zendelingen in Afrika nogal mee moet vallen. In 1774 waren er in Afrika geen westerse zendelingen te vinden. Pas in het late einde van de 18e en in de 19e eeuw kregen Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Duitsland belangstelling voor zending in Afrika. En van een ontplooiing van de rooms-katholieke missie-activiteiten mag eigenlijk pas na 1840 gesproken worden.

Een eerste inventarisatie van zendelingen en missionarissen dateert van de eerste Wereldzendingsconferentie in Edinburgh in 1910. Het bleek toen dat er 10.846 westerse zendingsarbeiders in Afrika waren (4534 protestanten en 6312 roomskathplieken).

Wie sindsdien de cijfers bestudeert komt tot de conclusie, dat er een doorlopende en gestadige groei van buitenlandse zendingsarbeiders plaats vond. In 1938 noteren we 8.447 protestantse en 13.578 katholieke zendings- en missie-arbeiders. Uit latere inventarisatie kan men concluderen, dat de ontwikkeling de afgelopen ¾ van de 20e eeuw een groei te zien heeft gegeven van het aantal buitenlandse (westerse) zendings- en missie-arbeiders van 10.846 (1910) via 22.025 (1938) naar ruim 37.000 (rond 1973).

Weliswaar moet bedacht worden dat vooral na de tweede wereldoorlog de arbeidsperioden véél korter waren (2 à 3 jaar) dan voordien en dat vrijwel geen zendingsarbeider meer voor zijn of haar hele leven naar Afrika trok, zoals dat vroeger gebruikelijk was. Bovendien zitten zendingsarbeiders in de meeste gevallen niet meer in de topleiding en zo min mogelijk in overige leidende functies. Zij worden door Europese en Amerikaanse zendingsorganisaties ter beschikking gesteld aan en zij werken in dienst van de Afrikaanse kerken, die om hun deskundigheid vragen.

Verder blijkt bij bestudering van de cijfers, dat de kerkelijke zendingsorganen en de grote gevestigde zendingsgenootschappen langzamerhand minder zendingsarbeiders naar Afrika zenden. Deze aantallen worden echter gecompenseerd door een groter personeelsbestand van de z.g. geloofs-zendingen, afkomstig uit Noord-Amerika (het grootste aantal) en elders vandaan. Desondanks viel in Bangkok vooral uit Afrika te beluisteren hoe juist door de intensieve bearbeiding door de zendingen en de daaruit voortvloeiende kennismaking met en brede verbreiding van het Evangelie Afrikanen tegelijkertijd terecht waren gekomen in een stroom van westerse beïnvloeding, waarin ze hun eigen identiteit niet of nauwelijks konden behouden. Daarover was nu opstandigheid en protest, maar ook verdriet en pijn.

De westerse beïnvloeding is niet alleen door zendelingen veroorzaakt. Weliswaar hebben de meeste leidinggevende personen in Afrika bezuiden de Sahara op zendings- en missiescholen hun vorming ontvangen, maar handel, industrie en techniek drongen vanuit het Westen tot een nog veel groter deel van de bevolking door.

Toch was het soms alsof mede door dit zendingswerk, nu bovendien samengaand met een steeds toenemende hoeveelheid ontwikkelingsactiviteiten, een zekere angst merkbaar was. „Kunnen we onder deze druk – in mankracht, in technologisch en wetenschappelijk overwicht, in geld en in tempo – nog Afrikaan blijven?


„De levensstandaard van de mens en die van de samenleving worden gewoonlijk gemeten naar de maatstaven van de economische groei en materiële welvaart of naar de technologie en de productie. Op basis van dit materialistische westerse ontwikkelingsdenkbeeld en in een poging een oplossing te vinden zijn op z’n minst twee aspecten over het hoofd gezien, nl.:

a) dat er waarden in het leven zijn die boven die van de moderne technologie en economische verbetering uitgaan zonder welke de ontwikkeling van de mens nooit waardevol en duurzaam zal zijn;

b) dat de mens niet alleen een lijdend (in nood verkerend) schepsel is die hulp nodig heeft, maar dat hij ook de belangrijkste bewerkstelliger van ontwikkeling is.

Naar onze mening is een eenzijdige materiële ontplooiing niet alleen voor de gek houderij in die zin, dat de mens méér nodig heeft dan dat. Ze is ook een bedreiging voor de vele waarden die het leven de moeite waard maken, als deze materiële ontplooiing plaatsvindt zonder de nodige aandacht voor een gelijktijdige voorziening in de geestelijke noden.”

Even verder schrijft de EKMY:

„Als we naar de z.g. ontwikkelde samenlevingen kijken, beseffen we dat temidden van zijn overvloed de mens nog steeds lijdt aan allerlei soorten kwaad. De waarden, die het leven inhoud geven, lijken in deze samenlevingen gevaar te lopen verloren te gaan. Het lijkt ons, dat – wat nu gebeurt in het deel van de wereld dat in overvloed leeft – er op wijst dat technologie en economische groei, die uitstijgen boven het menselijk vermogen om ze in de hand te houden en er een verantwoord gebruik van te maken, leiden tot een averechtse ontwikkeling, waarin de mens nieuw onheil krijgt te verduren. De huidige ecologische of milieucrisis in de vorm van lichamelijke en morele verontreiniging wijst op het gevaar van deze „gekortwiekte” ontwikkeling.

Wij zien daarom de geestelijke ontwikkeling van de mens als een eerste vereiste voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van onze samenleving. Als ons volk niet wordt geholpen om de geestelijke vrijheid en rijpheid te verkrijgen die hen in staat stelt om verantwoordelijk met de materiële ontwikkeling om te gaan, zijn we bang dat wat bedoeld was als een middel om het welzijn van de mens te verhogen, het tegengestelde effect zal hebben en nieuwe vormen zal scheppen om hem te vernietigen.”

De EKMY gaat dan in op twee „onevenwichtigheden” die ze bij de zusterkerken in het westen constateert:

a) vroeger – en ook nu nog in de kringen van de „evangelicals” (geloofszendingen) – legde men alle nadruk op de woordverkondiging en waren alle „ontwikkelingsactiviteiten” (educatief, medisch en technisch) slechts springplanken tot de Evangelieverkondiging;

b) tegenwoordig bespeurt men veelal een grote nadruk op sociale activiteit en gemeenschapsopbouw, op bevrijding van structuren die verontmenselijken, terwijl de verkondiging van het Evangelie een nevenactiviteit is, die los staat van de maatschappelijke ontwikkeling.

„Het is onze vaste overtuiging dat christelijk dienstbetoon noch een „springplank” noch een „doel op zichzelf” is, maar een onvervreemdbaar deel van de totale verantwoordelijkheid van de kerk.

De scheiding tussen getuigenis en dienstverlening of tussen verkondiging en ontwikkeling, die ons is opgelegd, is naar onze mening schadelijk voor de kerk en zal uiteindelijk uitlopen op een verwrongen christendom.”

Het lijkt soms of men ons – vaak zonder het te weten – onze Afrikaanse huid afstroopt en vergeet, dat wij zonder die huid niet kunnen leven.”

Een dergelijke uitlating, genoteerd in een gesprek in een van de gespreksgroepen in Bangkok, wijst op meer dan protest. Het verraadt de nood van hen die – uitdrukkelijk a/s christen – willen leven in de eigen situatie en temidden van diegenen die God hén schonk.

Afrikaanse identiteit

De verkondiging van het Evangelie heeft pas werkelijk vrucht gedragen als de inhoud het geestelijk eigendom geworden is van hen tot wie de verkondiging zich richtte. Dat kan alleen tot stand komen vanuit de eigen leefsituatie. De blijde boodschap aangaande Gods Zoon, de Heer van deze wereld sluit geen volk uit en is van universele betekenis. Mensen echter hebben hun geografische en culturele bindingen en beperkingen. Zij worden door het Evangelie opgeroepen tot het volgen van Christus, maar moeten daaraan gehoor en gestalte geven in hun eigen Afrikaanse, Aziatische dan wel Europese situatie. Wij verloochenen het Evangelie niet wanneer wij meehelpen bevorderen dat het – zo nodig ontdaan van Europese elementen – in Afrika gestalte krijgt in voor Afrikanen verstaanbare taal en vormen. Niet om de angel van de ergernis en de doorn van de dwaasheid uit het Evangelie te verwijderen. Dat kan niemand. Ook Afrikanen niet! En zeker niet, wanneer via eigen taal en eigen stijl de „vreemdheid van Gods boodschap” dieper in hun levens kan doordringen.

Dr. Emilio Castro, de nieuwe directeur van de CWME, sprak in Bangkok van „het begin van wereldzending”, waarmee hij bedoelde dat christenen in een proces van zorgvuldig samendenken en zeer gevoelig samen-werken nieuwe dimensies van het getuigenis van het Evangelie van Jezus Christus dienen te vinden, waarbij niet de ene theologie of missiologie zal heersen over de andere noch de ontwikkelingsopvatting van de één over die van de ander.

Nieuwe zendingsperiode

De transformatie van de wereld – zie ook de hierboven aangehaalde uitspraken van Ph. Potter en M, M. Thomas – is bezig ook op missionair gebied nieuwe situaties in te luiden. Emilio Castro zei in Bangkok: „Wij zijn aan het eind van een bepaalde zendingsperiode gekomen, nl. die, waarin zending zich voltrok in een éénrichtingsverkeer. Wij staan nu werkelijk aan het begin van wereldzending.” (Verkuyl a.w., blz. 109). In het Westen wordt gezien dat ook dáár ontwikkeling een proces is, dat de traditie doorploegt, gevestigde waarden op scherp stelt, gewonnen inzichten relativeert en mensen voor nieuwe keuzen en beslissingen stelt. Het besef begint te groeien, dat er in deze wereld geen „onderontwikkelde” landen zijn (waarbij alleen de technisch/ economische maatstaf wordt gehanteerd), maar dat de mate van ontwikkeling wel eens kon blijken uit de wijze waarop mens en maatschappij reageren op oer-evangelische vragen als bv.: .

Welke ruimte en levensmogelijkheid geeft U aan de minsten en kwetsbaarsten? Kent U de vreemdeling binnen uw poorten en zo ja, hoe heeft hij U leren kennen? Welke beperkingen legt U zich op terwille van hen die zich een leven met iets ruimere mogelijkheden nauwelijks (meer) kunnen voorstellen? Wat denkt U eigenlijk van macht? Is U een soort macht bekend, die in zwakheid wordt volbracht?

Vragen, die vanuit Jezus Christus aan iedere samenleving worden gesteld. Vragen, die kunnen onthullen dat de technisch hoog ontwikkelde samenlevingsvormen bepaald niet uitmunten door hun antwoorden en de wijze, waarop ze er maatschappelijke vorm aan hebben gegeven, noch nationaal noch internationaal.

Het dunkt ons, dat al deze vragen voeren naar de kernvraag van het Evangelie: „Wie denkt U dat ik ben?” Of om de spits op de christenen te richten, zoals Sectie III van de Wereldzendingsconferentie in Bangkok deed: „Wat de zending van de plaatselijke gemeente in hoge mate verhindert is, dat de gewone christen de overtuiging mist, dat Jezus Christus relevant zou zijn voor het leven van de wereld. Dit vraagt om niets minder dan een bekering van gemeentelijke zelfgenoegzaamheid tot een bewustzijn van wat God voor het heil van mensen doet in het leven van de wereld.”


*) Dr. Philip Potter volgde dr. Eugene Carson Blake op als Secretaris-Generaal van de Wereldraad van Kerken. In Bangkok sprak hij als aftredend directeur van de Afdeling voor Wereldzending en Evangelisatie (CWME).

*) Dr. M. M. Thomas is voorzitter van het Uitvoerend Comité van de Wereldraad van Kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

Omdat ik Meestal Lach en Zing…Ziet Niemand dat ik Huil en Schreeuw

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

PDF Bekijken