Bekijk het origineel

Indonesië

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Indonesië

19 minuten leestijd

NATIONALE RAAD VAN KERKEN (DGI)

Voor de Nationale Raad van Kerken van Indonesië was het hoogtepunt van het jaar de van 4 tot 11 October in Malang gehouden vergadering van het Centrale Comité. Behalve de afgevaardigden van de aangesloten 44 kerken, woonden ook vertegenwoordigers van de regionale raden en enkele representanten van de jongeren uit de kerken deze vergadering bij. Het streven naar eenheid was het belangrijkste gesprekspunt. Zocht men in vroeger jaren deze eenheid vooral in een poging om te komen tot één belijden, één liturgie en, zo mogelijk, tot één kerkorde; nu werd nadruk gelegd op het samenleven en samenwerken van de kerken in de regio’s als de eerste stap om te komen tot een landelijke eenheid.

Voorafgaand aan deze vergadering vonden nog een beraad plaats over een gemeenschappelijke strategie voor het ontwikkelingswerk en een beraad over het theologisch onderwijs. Omdat in beide takken van werk van de Indonesische kerken de buitenlandse partners vaak sterk participeren, waren deze partners dan ook nadrukkelijk uitgenodigd aan het overleg deel te nemen.

Tijdens het beraad over het ontwikkelingswerk werden uiterst waardevolle theologische bijdragen geleverd. In het concept voor de ontwikkeling werd alle nadruk gelegd op gerechtigheid. Dat ondanks dat tijdens dit eerste beraad niet direct een door de kerken en buitenlandse partners samen te volgen duidelijke strategie kon worden vastgesteld, behoeft echter geen verwondering te wekken, gezien de gecompliceerdheid van de problemen op dit gebied.

In het jaar 1973 werd verder uitvoering gegeven aan de besluiten van de algemene assemblee van de DGI in 1971 wat betreft de regionale raden van kerken. Volgens dat besluit zullen de regionale raden (DGW’s) niet fungeren als plaatselijke verlengstukken van de DGI, maar als de regionale ontmoetingsplaats van kerken, die per regio staan voor gelijke vragen en opdrachten. Het samen-zijn en samen-werken in de DGW zal de groei naar het één-zijn kunnen bevorderen. Naast het contact met de DGI achtte de Raad voor de Zending het dan ook van groot belang contacten te onderhouden met die regionale raden, die reeds volgens de nieuwe denkwijze functioneerden.

Met name kunnen hier genoemd worden:

1. De Regionale Raad van Kerken in Noord-Sumatra en Aceh;

2. de Regionale Raad van Kerken in Oost-Java, Bali en Lombok. Door deze raad is destijds het vormingscentrum te Malang opgezet, dat ook een afdeling heeft op het eiland Bali in Denpasar waaraan onze zendingsarbeiders ds. A. de Jong (gedeeltelijk) en de heer J. H. Versluis (geheel) zijn verbonden.

3 de Regionale Raad van Kerken in Zuid- en Zuidoost-Celebes;

4 De Regionale Raad van Kerken in Noord- en Midden-Celebes. Het was deze raad, die – in vergelijking met de andere regionale raden – al zeer ver gevorderd is met de verwezenlijking van de doelstelling van de regionale raden. De kerken, die samen deze raad vormen zijn stuk voor stuk zeer geïsoleerd en voor hen is het van levensbelang, dat communicatie met andere kerken in stand gehouden blijft.

De steun, die de Raad voor de Zending in het verslagjaar gaf aan deze raad was dan ook om bezoeken van het bestuur aan de kerken mogelijk te maken en ontmoetingen van de vertegenwoordigers van deze kerken met elkaar.

Onze partner-kerken

De Raad voor de Zending had contact met en participeerde in een deel van het werk van de hieronder te noemen kerken. De intensiteit van het contact en de participatie was verschillend van kerk tot kerk. Met een enkele kerk onderhielden wij alleen correspondentie en gaven wij alleen incidenteel steun bij een bepaald programma van die kerk. Aan andere kerken werd een geregelde financiële steun gegeven voor bepaalde takken van werk. Weer andere ontvingen, op hun verzoek, naast financiële ook personele steun, in de vorm van één of meer zendingsarbeiders. (Het cijfer verwijst naar de kaart op blz. 9).

1. de Indonesische Protestantse Kerk in Westelijk Indonesië;

2. de Karobatakse Protestantse Kerk.

Aan deze kerk was ds. D. van Bodengraven verbonden t.b.v. de opleiding van evangelisten en godsdienstonderwijzers aan de theologische school „Abdi Sabda” te Medan.

3 de Soendanese Christelijke Kerk.

In het Immanuel-ziekenhuis te Bandung waren werkzaam jkvr. dr. C. M. de Ranitz, dokter Z. A. Sassen en dokter G. M. van ’t Land.

4. de Indonesische Christelijke Kerk in West-Java.

Medio 1973 kon ds. J. van de Wal hier beginnen met zijn werk aan het nieuw gebouwde vormingscentrum te Cipayung.

5. de Oostjavaanse Christelijke Kerk.

Ds. W. Huisman bleef dit jaar werkzaam aan het theologisch instituut „Bale Wyoto”, welk instituut zijn functie als theologische school beëindigde en nu fungeert als trainingscentrum voor dienstdoende gemeentevoorgangers.

6. de Indonesische Christelijke Kerk in Oost-Java.

Aan deze kerk waren verbonden:

ds. A. de Jong te Surabaya, die zich intensief bezig hield op het terrein van kadertraining;

en ds. A. Sevenster, die voor deze kerk doceerde aan de theologische hogeschool „Duta Wacana” te Yogyakarta.

7. de Protestantse Christelijke Kerk in Bali.

8. de Evangelisch Christelijke Kerk in Timor.

In October kwam ds. A. Th. Kramer met zijn gezin op Timor aan, waar hij zou gaan doceren aan de theologische academie te Kupang; hiermede vervulde hij de vacature, die ontstaan was door het vertrek van ds. C. W. Oppelaar, die in 1972 naar Nederland terugkeerde.

9. de Christelijke Kerk in Zuid-Celebes.

10. de Protestantse Kerk in Zuidoost-Celebes.

11. de Christelijke Kerk in Midden-Celebes.

In deze kerk was ds. J. Visser werkzaam o.a. in het gemeenteopbouwwerk en bij de opleiding van gemeentevoorgangers.

12. de Christelijke Kerk in Luwuk-Banggai.

Ondanks alle inspanning daartoe gelukte het nog niet aan het verzoek te voldoen een zendingspredikant voor deze kerk ter beschikking te stellen.

13. de Indonesische Protestantse Kerk in Donggala.

Dt kerk van Donggala, voortgekomen uit missionaire activiteiten van de kerken in de Minahassa en Midden-Celebes, heeft dit jaar voor het eerst de Raad voor de Zending benaderd met de vraag om aandacht en steun voor het zendingswerk in Donggala.

14. de Evangelisch Christelijke Kerk in Bolaäng Mongondow.

Ook aan het verzoek van deze kerk om een zendingspredikant ter vervulling van de vacature, ontstaan door het vertrek in 1972 van ds. R. Schipper, kon nog niet worden voldaan.

15. de Minahassische Evangelisch Christelijke Kerk.

Aan de theologische faculteit te Tomohon waren ds. S. Runia en ds. Y. Bekker werkzaam. Een predikant ter vervanging van ds. P. Bons, die in 1972 vertrok, werd nog niet gevonden.

16. de Evangelisch Christelijke Kerk in Sangihe en Talaud.

Hier werkte ds. W. Kramer (uitgezonden in samenwerking met de Samosir-zending); zijn taak was zowel te doceren aan de school voor godsdienstonderwijzers als vooral cursussen te organiseren in het kader van het gemeente-opbouwwerk, in het ressort Siau-Tagulandang.

17. de Evangelisch Christelijke Kerk in Halmahera.

Aan deze kerk was dokter L. Stroband verbonden t.b.v. het ziekenhuis in Tobelo.

18. de Molukse Protestantse Kerk.

Aan de theologische hogeschool van de MPK te Ambon doceerde dr. E. W. Tuinstra.

19. de Evangelisch Christelijke Kerk in Irian Jaya.

Deze kerk staat voor een geweldig grote opdracht en heeft vele taken tegelijk te vervullen, zowel ter opbouw van de bestaande gemeenten, als voor de verkondiging onder hen, die het evangelie nog niet kennen. Ook zet zij zich in op sociaal-economisch en medisch terrein. De volgende zendingsarbeiders zijn aan deze kerk verbonden:

1. ds. H. J. Visch, voor het gemeente-opbouwwerk;

2. dr. J. Blommendaal, docent aan de theologische school te Abepura;

3. mejuffrouw M. D. Bakker en

4. mejuffrouw A. Meijer, beiden ten behoeve van het sociale vormingscentrum voor meisjes te Abepura, terwijl mejuffrouw Meijer bovendien de oprichting van een meisjesinternaat voorbereidde;

5. mejuffrouw zuster B. Folkerts, voor het gezondheidswerk rond het Sentanimeer, te Joka;

6. dokter W. H. Vriend en

7. mejuffrouw zuster T. Huistra, voor het medische werk in het Yalimo-gebied;

8. de heer G. Sinke, als landbouwkundige voor de classis Baliem-Yalimo;

9. bovendien werkte hier de heer P. C. Goozen als technicus voor het Yalimo-gebied (uitgezonden door Dienste in Uebersee). Van één van onze partnerkerken geven wij nu een door twee van hun eigen predikanten geschreven „visitekaartje” af.

PROFIEL VAN EEN KERK

De GKI Oost-Java (gewoonlijk zo aangeduid met de initialen van Gereja Kristen Indonesia Jawa Timur) is een jonge kerk, zoals de andere inheemse kerken op Java. Reeds vanaf het begin van de 19e eeuw waren er verspreide pogingen tot zendingswerk onder de Chinezen op Java geweest, maar pas sinds het begin van deze eeuw gebeurde dat in meer georganiseerde vorm door Amerikaanse methodisten. Zij verlieten echter het land in 1928. Toen was er intussen een zelfstandige Chinese christengemeente gevormd te Surabaya, de tot nu toe bestaande Sambongan-gemeente, bestaande uit Chineessprekende immigranten. Daarnaast waren er rond 1930 kleine groepjes Maleis-sprekende Chinese christenen verspreid over Oost-Java, waaronder de man, die de geestelijke vader van de latere Chinese Kerk op Oost-Java mag heten, Oei Soei Tiong. (Jarenlang heeft deze pendeta als een ware „bisschop” onvermoeid over Oost-Java rondreizend de kerk gediend tot aan zijn dood in 1946.) Die situatie trof ds. H. A. O Hildering aan, toen hij in 1932 te Surabaya zich vestigde om gedurende twintig jaar van daaruit te werken voor de „Chinezen Zending Oost-Java”, eerst vanwege de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, later vanwege „Oegstgeest”. Zo werd in 1934 de Chinese Christelijke Kerk van Oost-Java gevormd, die zowel de Chinees-sprekende Sambongangemeente als de verspreide Maleis-sprekende groepjes omvatte. Het waren niet meer dan een paar honderd christenen.

In deze van toen af langzaam maar zeker groeiende kerk heeft het taal- en cultuurverschil tussen de vreemdeling-Chinezen (grotendeels Chinees-sprekende immigranten uit China) en de inheemse Chinezen (Maleis-sprekend en vaak al generaties lang op Java gevestigd) steeds een rol gespeeld. Pas in het onafhankelijke Indonesië van na de oorlog echter leidde dit tot een dusdanige spanning, dat beide groepen besloten als twee afzonderlijke kerken verder te gaan (1954). Op dat ogenblik bestond het Indonesisch-sprekende deel uit ongeveer 2.000 leden. In 1958 werd ook de Chinese naam daarvan veranderd in Indonesische Christelijke Kerk van Oost-Java (GKI-Jatim), hetgeen later ook de andere kerk deed, die nu Gereja Kristus Tuhan heet.

No ongeveer twintig jaar later telt de GKI Oost-Java ongeveer 10.000 leden, voor ongeveer 80 procent Indonesische staatsbargers van Chinese herkomst en 20 procent mensen van andere bevolkingsgroepen, voornamelijk Javanen. Er zijn elf geinstitueerde plaatselijke kerken en vijftien gemeenten in wording, bijna uitsluitend in de grote en kleinere steden van Oost-Java (alleen al in Surabaya bevindt zich meer dan de helft van het totaal aantal leden). De GKI is een echte stadskerk. Het aantal gemeentepredikanten is zestien, predikanten met een speciale opdracht zijn er zes en ouderlingen met een speciale opdracht (dus ook volledige krachten) zeven. Onder deze aantallen zijn meegerekend vier zendingsarbeiders, twee van de Raad voor de Zending (ds. A. Sevenster, sinds 1966 werkzaam als docent aan de theologische hogeschool van Yogyakarta en ds. A. de Jong, sinds 1968 predikant voor kader- en toerustingswerk in Surabaya) en twee van de Overseas Missionary Fellowship (OMF, de vroegere China Inland Mission).

Sociaal is de GKI Oost-Java getypeerd doordat haar leden overwegend van Chinese herkomst zijn. De grote Chinese bevolkingsgroep in Indonesië, die in de koloniale tijd een tamelijk bevoorrechte positie genoot, kwam na de onafhankelijkheid in een heel andere en moeilijker situatie te verkeren. Vooral de van generatie op generatie hier wonende Indonesisch sprekende Chinezen moesten zich als Indonesische staatsburgers waarmaken. Dit moeilijke proces van aanpassing en assimilatie is niet zonder schokken verlopen. Met name in de steden op Java, waar de meeste Indonesiërs van Chinese herkomst wonen en werken, kwam het enkele malen tot felle anti-Chinese uitbarstingen. Er zijn diep gewortelde gevoeligheden zowel bij Chinezen als Javanen. Alle pogingen om dit probleem, dat raciale trekken vertoont, aan te vatten hebben niet kunnen voorkomen, dat tot nu toe de Chinese bevolkingsgroep apart staat en een eigen gezicht heeft. Een van de oorzaken is dat de mensen van Chinese herkomst voor een belangrijk deel de handel en industrie in handen hebben en verder naar verhouding ook sterk vertegenwoordigd zijn in vooraanstaande, dienstverlenende beroepen als dat van arts, tandarts, apotheker, advocaat.

De christelijke gemeenschap op Oost-Java vormt een notedopje (1%) op de zee van de 25 miljoen inwoners, die officieel in de provincie Oost-Java, inclusief Madura, wonen (oppervlakte ongeveer zo groot als Nederland). De twee eigenlijke inheemse kerken zijn de Oostjavaanse Christelijke Kerk met ongeveer 130.000 leden en de GKI met 10.000 leden. De GKI gemeenten zijn verspreid over alle grotere plaatsen, van Madiun in het westen tot Banyuwangi in de uiterste oosthoek, met in het midden de grote gemeenten van Surabaya en Malang. Deze omgeving, waarin de kerk getuigenis heeft af te leggen van Christus en Zijn Rijk, is overwegend moslim, maar ook met grote groepen aanhangers van hindoeisme, boeddhisme en nieuwere Javaanse mystieke stromingen. Het blijkt steeds weer dat de sterkste aantrekkingskracht uitgaat van het vaak onopzettelijke, persoonlijke dienen en getuigen van de leden van de kerk. Dus niet van grootscheepse campagnes. Juist op dit punt hebben zich verschillende malen ernstige conflicten voorgedaan in de GKI, vooral met sterk op de voorgrond tredende evangelisatiebewegingen, zoals de agressieve stichting voor evangelisatie te Batu (Malang) en „Pniël” in Surabaya, die elk graag samenwerken met conservatieve zendingsorganisaties in het buitenland.

De GKI heeft geen eigen christelijke scholen, maar enkele schoolverenigingen zijn nauw met haar verbonden door persoonlijke deelname, zoals de grote christelijke scholengemeenschap „Petra” in Surabaya met instituten van kleuteronderwijs tot en met universiteit. Scholen zijn en worden nog steeds gezien als een goed middel tot christelijk getuigenis.

Er is, zij het nog aarzelend, een begin van evangelisatiewerk onder de Javaanse bevolking hier en daar in de dessa, waarbij geprobeerd wordt tot samenwerking daarin te geraken met de Oostjavaanse kerk.

Diaconaal werk

Waar de Nederlandse kerken ook nog niet zo lang tot een beter besef zijn gekomen van de werkelijke dienende taak van de kerk in de wereld, hoeft het geen verbazing te wekken dat een jonge kerk als de GKI Oost-Java, zoals trouwens de andere Indonesische kerken, pas begint zich te realiseren, dat diaconie meer is dan alleen het hulpbetoon aan de eigen „diaconiepatiënten”. Overigens zijn degenen, die zo van de „bedeling” moeten leven, aanzienlijk groter in aantal dan in een welvaartsmaatschappij als de Nederlandse. De vragen en uitdagingen voor een dienende kerk, die een kleine minoriteit is, in een ontwikkelingsland als Indonesië zijn immers groot. De GKI heeft geen eigen medisch of sociaal werk, maar participeert o.a. naast het meer traditionele hulpbetoon in eigen kerk, in het bestuur van een christelijk ziekenhuis (het bekende „Mardi Santosa” te Surabaya), in de kerkelijke „gaarkeuken” van Surabaya, die dagelijks porties eten verstrekt aan de allerarmsten, en in het sociaal centrum van de kerken te Surabaya. Aan dit centrum voor gezinswelzijn neemt de GKI actief deel door arbeidskracht en financiële bijdragen. In de korte tijd dat het bestaat, heeft dit sociale werk een wijde vlucht genomen, vooral geconcentreerd in het complex van het voormalige, oorspronkelijke GKI kerkgebouw aan de Joharlaan 2-4. Het werk omvat o.a. een kindercrèche, arbeidsbureau, opleiding tot kinderverzorgster, speelgoedindustrietje, naaicursus, hulp aan gezinnen van politieke gevangenen, consultatiebureau voor family-planning, sociale voorlichting op wijde schaal, begeleiding van en financiële hulp aan honderden minvermogende schoolkinderen en hun gezinnen. In ontwikkeling is een community-developmentproject aan de rand van de stad en uitbouw van het sociale werk naar andere plaatsen op Oost-Java.

Sinds 1973 exploiteert de diaconie van de GKI Surabaya een bejaardentehuis.

Het theologisch onderwijs

Voor de kerken in Indonesië blijft een goede theologische opleiding voor de aanstaande predikanten van groot belang. Een goede opleiding is, volgens de uitspraak van één van de kerkelijke leiders in Indonesië, die opleiding, die predikanten klaarmaakt, die „missionair élan” bezitten en voorbereid zijn op de taak, die zij in hun eigen gebied met zijn eigen problematiek te vervullen hebben. Er blijft dan ook behoefte bestaan aan scholen van verschillend niveau: lagere, middelbare en hogere theologische scholen. Weliswaar doet het verschijnsel zich voor, dat steeds meer lagere opleidingen verheven worden tot middelbare en deze tot hogere, wat op den duur moest leiden tot een niet te verantwoorden groei van het aantal scholen. Dit probleem werd besproken tijdens het beraad over het theologisch onderwijs, gehouden te Malang van 1 tot 3 October 1973.

De steun, die de Raad voor de Zending aan het theologisch onderwijs gaf, viel – zoals ook in de voorafgaande jaren – uiteen in twee hoofdzaken:

1. steun aan de kerken, die behoefte hebben aan goed opgeleide predikanten. Deze steun werd gegeven in de vorm van beurzen aan hen, die door de kerken aan de raad hiervoor werden voorgedragen.

2. steun aan de inrichtingen voor theologisch onderwijs. Deze had de vorm van bijdrage in de exploitatie en in de salariëring van Indonesische docenten, die aan de scholen verbonden waren; en bovendien in de vorm van het ter beschikking stellen van docenten voor verschillende scholen. De theologische scholen waaraan wij steun verleenden of waaraan studenten studeerden, voor wie wij een beurs gaven, waren:

1. theologische hogeschool te Jakarta;

2 theologische hogeschool „Duta Wacana” te Yogyakarta. Hier was ds. A. Sevenster als docent werkzaam;

3. theologische hogeschool te Ujung Pandang. Hier doceerden dr. J. A. B. Jongeneel en mevrouw M. Jongeneel-Touw;

4. theologische faculteit van de christelijke universiteit te Tomohon, waaraan ds. S. Runia en ds. Y. Bekker als docenten verbonden waren;

5 theologische hogeschool van de Molukse Protestantse Kerk te Ambon. Dr. E. W. Tuinstra was hier één van de docenten;

6. school voor godsdienstonderwijzers en evangelisten „Abdi Sabda” te Medan. Aan deze school doceerde ds. D. van Bodengraven;

7. theologische school „Bale Wyoto” te Malang, waaraan Ds. W. Huisman verbonden was;

8. Theologische Academie te Kupang, Timor. Voor deze school werd ds. A.Th. Kramer uitgezonden;

9. Theologische Hogeschool te Abepura in Irian Jaya, waaraan tijdelijk verbonden de evangelistenschool, die vroeger in Ransiki geplaatst was. Hier doceerde dr.

J. Blommendaal.

Beurzen

Evenals in voorgaande jaren werden kerken in Indonesië in staat gesteld jonge mensen te laten studeren, door het toekennen van beurzen (in totaal 321) aan door de kerken voorgedragen studenten.

Het jaarverslag noemt verder wat Indonesië betreft nog speciaal do medewerking aan het christelijk onderwijs (universitair, middelbaar en lager), het Studentenwerk (ds. Van Lelyveld in Yogyakarta), de Stichting „Kerkmuziek” (ds. Van Dop in Jakarta) en het medische werk.

Nauwere samenwerking en coördinatie

De coördinator medisch werk van de Raad van Kerken in Indonesië, dr. L. Hendrata, heeft inmiddels duidelijk zijn plaats in de samenwerking tussen kerken in Indonesië en hun partners-overzee gevonden.

Het is duidelijk, dat er in kerkelijke kring, mede onder zijn invloed, een verschuiving aan de gang is van ziekenhuis- en kliniekwerk naar preventieve gezondheidszorg.

De Raad voor de Zending stimuleert deze tendens, omdat uit ervaring in Azië zowel als Afrika blijkt dat de ziekenhuizen (die niet overbodig worden, dit voor goed begrip) van de kerk op den duur qua mankracht en middelen niet te handhaven zijn. De preventieve zorg echter, de volksgezondheidsvoorzorg, speelt zich dicht bij de mensen af, vraagt veel minder investeringen, is minder veel-eisend in de exploitatie en kan op den duur wel eens veel meer rendement opbrengen. Daarom steunt „Oegstgeest” dit soort werk op o.a. Irian Jaya.

Hier werkte zuster B. Folkerts. Zij was in staat het moeder- en kindwerk verder uit te breiden rondom het Sentanimeer. Er is een goede samenwerking met de regeringsvolksgezondheidsdienst, die zo veel mogelijk medicijnen en melkproducten ter beschikking stelt. Zuster Folkerts was in staat weer contact te leggen met de „dukuns” (dorpsbakers). Deze vrouwen hadden in het verleden onderricht ontvangen voor hulp bij eenvoudige bevallingen. Daarvoor was hun een speciale uitrusting van Unicef, in een aluminium koffer verpakt, ter Deschikking gesteld. De vrouwen hadden sinds 1962 zonder enige leiding rustig doorgewerkt en in het algemeen bleek de uitrusting goed onderhouden! Voor 1963 was dit een onderdeel van de volksgezondheidsdienst. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1963 is de belangstelling hiervoor verloren gegaan. Dank zij het initiatief van zuster Folkerts is de belangstelling van de Indonesische Dienst voor Volksgezondheid weer gewekt.

Het nieuw gebouwde centrum in Yoka functioneert goed.

Zuster Folkerts kwam in november 1973 met verlof.

Ook hier steunde SIMAVI het werk, o.a. met medicijnen, de bouw van het centrum en het ter beschikking stellen van een Volkswagen.

Ook van Midden-Celebes bericht het jaarverslag over dit soort werk.

Een team onder leiding van een landbouwkundige, de heer Sangkoyo, kwam uit Midden-Java hier werken. In het dorp Tonusu werd een proefproject gestart waarbij men volledige samenwerking van de bevolking kreeg. Later werd deze samenwerking verstoord, omdat het dorpshoofd veel van zijn invloed verloren zag gaan. Het dorpshoofd was meer geïnteresseerd in hout kappen waarvoor de jonge mannen van het dorp geronseld worden. Winsten van de houtkap kwamen hoofdzakelijk bij het dorpshoofd terecht. Het gelukte dr. Wibowo echter na vele moeilijkheden de tegenstand van het dorpshoofd te overwinnen.

In overleg met een commissie van gemeenschapsontwikkeling waarin de meest initiatiefrijke en belangrijke figuren van het dorp Tonusu zitting hadden, werd het landbouwproject gestart. Verbeterde rijstbouw werd begonnen door beter zaaigoed, insectenbestrijding, betere irrigatie en bemesting. De proeven slaagden, de opbrengst werd in drieën verdeeld, één deel voor de mensen die hadden deelgenomen, één deel voor een begin van een gemeenschapsontwikkelingsfonds en één deel voor het team dat van Java kwam, maar gedurende deze proefperiode geen salaris ontving.

Na afloop van de proefperiode besloot het team uit Java definitief te blijven.

Tevens werd in Tonusu begonnen met groenteteelt, stenen en pannen bakken voor de bouw van huizen en kalkaanvoer voor hetzelfde doel.

Voorlichting over family-planning had succes. Er was een groot aantal „acceptors” van „het spiraaltje”. Hierbij sloot aan voorlichting op het gebied van kinderzorg, hygiëne en voeding. De kerk van de Minahassa stelde een verpleegkundige ter beschikking die in een verafgelegen gebied, Wana, te werk werd gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

Indonesië

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

PDF Bekijken