Bekijk het origineel

Naast verdrukten gaan staan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naast verdrukten gaan staan

8 minuten leestijd

De Gereformeerde Kerken hebben zich officieel achter het Programma ter Bestrijding van het Racisme gesteld en gaan bijdragen aan het fonds dat door de Wereldsraad in het leven is geroepen. Deze kerken zullen voor dat doel een eigen fonds instellen, zodat geen kerkeraad of kerklid automatisch, via bijdragen aan zending of werelddiakonaat aan het PCR-fonds betaalt. Dit besluit werd allerminst lichtvaardig genomen. De synode bezon zich een morgen, een middag en twee lange avonden op de consequenties van deze uitspraak.

Het Programma ter Bestrijding van het Racisme of zoals het in het Engels wordt genoemd „Program to Combat Racism” afgekort tot PCR, is een schibboleth geworden in de wereld van kerken en christenen. De een ziet er een daadwerkelijke poging in om „naast de verdrukten te gaan staan”, de ander spreekt laatdunkend over „steun aan terroristen”.

Hoewel de Gereformeerde Kerken als eerste een bedrag aan dit nieuwe fonds toezegden, braken er felle afwijzende stemmen los van bepaalde kanten en groeide er een gevoel van onzekerheid bij anderen, toen bleek dat door de Wereldraad ook steun gegeven werd aan vrijheidsbewegingen in Mozambique en Angola om er maar enkele te noemen.

De gereformeerde synode zette de deputaten voor zending, werelddiakonaat en oecumene bij elkaar om zich grondig te bezinnen op wat het standpunt zou moeten zijn van de Gereformeerde Kerken. Deze mammoet-commissie (zestig leden en dus bijna zo groot als de gehele synode) publiceerde een mammoetrapport van niet minder dan 170 pagina’s. „De beste studie,” zei ds R.J. van der Veen, „die tot nu toe ergens in de wereld door kerken is ondernomen.” Het rapport werd zo goed geacht dat het, nog eer het op de synode ter sprake kwam, door prof. dr. N. Algra aan zijn Utrechtse studenten werd gegeven die zich moesten bezinnen op vormen van discriminatie.

Hoezeer steun aan dit fonds van de Wereldraad de gemoederen bezig hield, bleek uit de overvolle tribune, toen dit rapport op De Blije Werelt ter sprake kwam; uit het grote aantal kranten dat verslaggevers had gezonden; uit het feit dat niet minder dan zes omroepinstanties hun microfoons in de zaal hadden opgesteld. Dat het debat tot ver over de grenzen de aandacht trok, bleek uit het feit dat de zuidafrikaanse kerken vier afgevaardigden hadden gezonden en dat van de Wereldraad de angolese balling José Chipenda (zie Profiel op pagina 19) aanwezig was, om niet te spreken van de schotse dominee die in de drukte niet eens de aandacht heeft getrokken. Hoezeer de zending bij dit onderwerp betrokken was bleek niet alleen uit het feit dat een groot aantal stafleden aanwezig was, maar dat zich onder het luisterende publiek ook tal van oud-zendingsmensen bevonden.

Toen de voorzitter, dr A. Kruyswijk het onderwerp aan de orde stelde, was het reeds duidelijk dat op een snelle be slissing niet gerekend moest worden. Naast een meerderheidsadvies van de synodale commissie, die het rapport en zijn aanbevelingen grondig had bestudeerd, lagen er drie minderheidsadviezen. Tijdens het debat diende prof. dr. K. Runia van Kampen een ingrijpend amendement in, namelijk om niet via dit programma bevrijdingsbewegingen te gaan steunen, maar om rechtstreeks steun te geven aan kerken in de bevrijde gebieden. En dr. A. Wind, een van de opstellers van het rapport, kwam er eerlijk voor uit dat de keus moeilijk was, dat er geen sprake kon zijn van een ongenuanceerd „ja” of „neen”.

En om het de synode nog moeilijker te maken hing als een zwaard van Damocles boven haar hoofd de uitspraak van de Zuidafrikaan dr. G.P.C. van der Linde dat de Dopperkerk haar banden met de Gereformeerde Kerken zou verbreken, als ze het waagden steun aan het Wereldraadprogramma ter Bestrijding van het Racisme te geven. De voorzitter gaf hem en zijn drie landgenoten, dr J.S. Gericke en dr F. O’Brien Geldenhuis van de Nederduits Gereformeerde Kerk en prof. dr. Tj. van der Walt van de Dopperkerk, ruimschoots gelegenheid om hun afwijzende visie te geven. Het rapport spreekt over verdrukking, zei ds Gericke, maar wij besteden enorm veel geld aan onderwijs, aan medische verzorging, aan huizenbouw. De zwarte werknemers verdienen meer dan ergens elders in Afrika. Prof. Van der Walt zei dat het rapport veel te generaliserend sprak, dat de cijfers voor een groot deel achterhaald waren. Hij vond dat de commissie veel te weinig contact had gehad met de zuidafrikaanse medechristenen. Indien nu ons (apartheids)stelsel immoreel is, is het dan ook immoreel dat over een paar jaar de politieke leiders van de zogenaamde thuislanden (de afzonderlijke, nieuwe zelfstandige negerstaten binnen Zuid-Afrika) afgevaardigden zullen kunnen zenden naar de Verenigde Naties? vroeg dr Geldenhuis.

Ds. J. Drost ook één van de opstellers van het rapport van deputaten sprenkelde koud water op de op warme toon gemaakte opmerkingen. „Het is niet meer dan de plicht van uw regering dat ze iets doet voor de zwarte bevolking voor wie zij zich ook verantwoordelijk weet,” zei hij. Heel zijn antwoord aan de Zuidafrikanen kon samengevat worden met de woorden: „Het gaat er niet om wat uw regering allemaal doet, maar om wat zij niet doet.”


De gereformeerde synode bezon zich op haar medeverantwoordelijkheid voor het Programma ter Bestrijding van het Racisme van de Wereldraad van Kerken. Een verslag van Jan J. van Capelleveen


Ds Chipenda, delend in het lot van zoveel verdrukte zwarten in Zuidelijk Afrika (hij werd verbannen) zei: „Mijn vader geloofde in de mogelijkheid van verzoening tussen zwart en blank,” maar hij kwam om in een portugees concentratiekamp. Volgens deze Angolees is er geen andere weg. De kerken hebben wel over „bevrijding” gesproken, maar geen vrijheid geschonken. „De bevrijdingsbewegingen zijn de vrucht van deze nalatigheid.” Thans echter geeft het fonds ter bestrijding van het racisme de kerken een nieuwe kans om op gelijk niveau met deze bewegingen – en niet boven haar in geestelijke hoogheid gezeten – zich in te zetten voor de verdrukten. Maar, dook telkens weer de vraag op, deze bewegingen gebruiken toch geweld? Mag de kerk geweld steunen? „Onzin,” zeiden sommigen. „Het geld wordt niet gebruikt om wapens te kopen, maar om ziekenhuizen te stichten die er anders niet komen. Het geld wordt juist gebruikt om ook onder hen het lijden te verzachten.” Maar anderen, waaronder prof. Runia bleven vragen: Is er geen andere weg om toch wezenlijk te helpen, om toch naast de verdrukten te gaan staan? Kunnen we niet kerken steunen in plaats van bewegingen? Chipenda zei: „Dat kan niet, die bewegingen doen het werk van de kerken en hebben daarom onze steun verdiend.”

Zo doken er ook andere wensen op. Prof. dr J. Verkuyl richtte zich speciaal tot de Zuidafrikanen en vroeg: Waarom steunt u het Christelijk Instituut niet? Waarom hebt u niet geprotesteerd tegen de Schlebusch-commissie die alle regels van het recht vertrapt? Waar was uw kerk toen dr Manas Buthelezi verbannen werd? Meent u werkelijk dat de structuren bij u geen verdrukkende structuren zijn? Is het niet waar dat de apartheidswetten machtsmonopolies zijn om de macht in blanke handen te houden? Vragen waarop nauwelijks een antwoord is gekomen. Weer anderen vroegen: Is het niet mogelijk om de vrijheidsbewegingen en de blanke machten om één tafel te krijgen en met elkaar te verzoenen? De Wereldraad van Kerken heeft toch ook de partijen in Soedan tot elkaar kunnen brengen? „Als we aan dit programma van de Wereldraad meewerken,” zei prof. Verkuyl, „dan kunnen wij rechtens invloed doen gelden op de wijze waarop het wordt uitgevoerd en dan kunnen we aandringen op verzoeningsbesprekingen.”

Na de bespreking van een volle dag was er één ding duidelijk: dit is een „hachelijk programma” (woorden van ds Van der Veen, bestuurslid van dit programma). Het was ook duidelijk dat de Gereformeerde Kerken tot een besluit zouden moeten komen waarin openlijk tot uitdrukking wordt gebracht dat zij zich het lot van de verdrukten aantrekken. Het was duidelijk dat de kerk het niet kon laten bij een woord alleen, dat er een daad moest volgen, dat daadwerkelijk de hand moest worden uitgestoken naar de verdrukten.

„Kunnen we niet de wijze raad van mijn vader opvolgen en er een nachtje over slapen?” vroeg een synodelid. „Terwijl de hele leiding van een kerk in de gevangenis zit en vier leden al zelfmoord hebben gepleegd, omdat zij de martelingen niet langer konden dragen?” vroeg prof. Honig: „Er is geen tijd meer.” De synode reageerde hierop met te besluiten: „Zich te stellen achter het Programma ter Bestrijding van het Racisme wat betreft het speciale fonds” (tot steun aan bewegingen die bevrijding zoeken). Daarom werden de deputaten van zending en algemene diakonale arbeid verzocht kerken, diaconieën, andere instanties en individuele kerkleden op te wekken giften en bijdragen voor het speciale fonds van het PCR te storten in het door de synode van Dordrecht ingestelde „fonds ter bestrijding van de gevolgen van het racisme”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

Naast verdrukten gaan staan

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken