Bekijk het origineel

Zending en evangelisatie steeds meer identiek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zending en evangelisatie steeds meer identiek

6 minuten leestijd

Toen in 1900 enkele Witte Paters na dagen wachten eindelijk door de toenmalige koning van Rwanda in audiëntie ontvangen werden, waren zij eigenlijk nauwelijks welkom. Wat voor invloeden, ideeën en vreemde gewoontes zou hun komst wel niet met zich meebrengen in een land dat tot dan toe eigenlijk nog steeds van de buitenwereld was afgesloten? Zou het de machtige positie van de vorst niet danig aantasten, alsmede de nodige onrust en verdeeldheid onder de bevolking gaan brengen? Vandaar dat de missieactiviteit van deze paters maar niet in de directe omgeving van het hof moest gaan starten: hun werd een heuvel 30 km verder weg als eerste post aangewezen.

En toen in 1907 voor het eerst duitse zendingsmensen hun opwachting bij de koning maakten, was de reactie ten opzichte van deze protestanten eigenlijk precies dezelfde: zij konden zich ergens in het westen aan de overzijde van een grote rivier vestigen, eveneens een eind uit de buurt van de koning en diens adviseurs. Het zou het begin worden van Kirinda, thans een van de bekendste protestantse gemeenten in Rwanda en daarbuiten.

Gevolg van dit alles was wel dat het in de beginperiode ploegen was op harde rotsen: de notabelen bleven vooralsnog afkerig van deze „nieuwlichters” en hun boodschap; slechts bij de lagere klassen kon het evangelie hier en daar weerklank vinden. En daarmee leek de situatie identiek aan die in Corinthe in Paulus’ dagen (vgl. 1 Cor. 1 : 26).

Geen wonder dan ook dat van grootse uitbreiding nog nauwelijks sprake was toen de Belgische Zendingskerk in de jaren 20 haar missionaire werk begon in Rwanda.

De grote verandering kwam echter tussen 1930-1940, toen vele notabelen tot het christendom overgingen, hetgeen een zeer inspirerend voorbeeld bleek voor de hele bevolking. Het was alsof er een bekeringsvloed over Rwanda ging, zodat er overal te weinig personen waren om catechese te geven, sacramenten te bedienen, enz. En in het kielzog van deze massale overgang tot het katholicisme, werd dezelf de tendens waarneembaar in de protestantse sector.

Sindsdien is in Rwanda de blijde boodschap tot in de verste uithoeken van het land gebracht. Veel scholen werden gebouwd en ziekenhuizen gesticht; poliklinieken en kerkgebouwen volgden. Thans staat Rwanda dan ook geboekstaafd – gelijk Nederland – als een „christelijke natie”; geen wonder met ongeveer 60 procent katholieken en ruim 10 procent protestanten. De-kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders hebben een ereplaats op de tribunes tijdens de nationale feestdagen, en veel rwandese postzegels geven afbeeldingen te zien uit de kerkgeschiedenis.

Het zal duidelijk zijn dat in de voorbije decennia met ongelofelijke ijver, toewijding en veel opoffering gearbeid is door priesters en predikanten, artsen en verpleegsters, onderwijzers en bouwkundigen.

Toch dringt zich zo’n 75 jaar nadat de eerste missionarissen Rwanda binnen kwamen de vraag op, of het evangelie werkelijk als zuurdesem heeft gewerkt en nog werkt. O zeker, ’s zondags zul je zelfs in plant- en oogsttijd zelden mensen bezig zien op hun veld, en heel geleidelijk aan is er toch ook wel een zekere verbetering in de positie van de vrouw te bespeuren, ook al is haar rol nog (te) vaak tot de drie b’s beperkt: bewerken van de grond, baren van veel kinderen en bedienen in huis. Het is tevens waar dat godsdienstonderwijs een verplicht vak is in het leerprogramma van alle scholen en nog steeds jaarlijks velen gedoopt worden. Maar tegelijk neemt de kritiek op de kerk met name bij de jonge intelligentia steeds meer toe: import uit het westen, een instituut dat de nationale ontwikkeling van het land zou remmen, of een orgaan dat te weinig oog heeft voor de traditionele waarden op cultureel gebied. Was tot voor kort de kerk nog de enige mogelijkheid om verder te studeren en hogerop te komen en was zij dus uit dat oogpunt gevierd en gezien, thans valt dat allemaal weg.

Daarbij komt dan noodzakelijkerwijs ook de vraag op of velen vanwege eigenbelang wel tijdelijk de kerk hebben gevonden, maar niet of nauwelijks de Heiland hebben ontmoet. Want het is toch wel tekenend dat in een grote plattelandsgemeente driekwart van het kerkbezoek uit vrouwen bestaat, en in de stedelijke agglomeraties het kerkbezoek en het actief meewerken in de kerk nog steeds dalende zijn. Daarmee gaat Rwanda dan ook een duidelijke parallel vertonen met Nederland, en wordt het hoe langer hoe duidelijker dat zending en evangelisatie steeds meer in elkaar overvloeien.

Het gevaar is natuurlijk levensgroot dat we zouden gaan generaliseren, daarbij vergetend dat er gelukkig ook in Rwanda nog heel wat bloeiende gemeenten zijn, waar men zich met veel elan inzet voor jeugd- en gezinswerk, en alles gedaan wordt om de catechese een goede inhoud te geven.

Tegelijkertijd zullen we evenmin voorbij kunnen gaan aan het feit dat vele leiders van de verschillende kerken in Rwanda wel eens teleurgesteld worden, nu de bloeitijd van massale bekeringen definitief tot het verleden is gaan behoren en slechts kritiek en soms zelfs teruggang ervoor in de plaats zijn gekomen.Te meerdaarzijde eersten zijn die constateren hoe moeilijk het vaak is om als jonge kerk ook financieel het hoofd boven water te houden, te verbonden als men veelal nog is door de gouden koorden met de europese kerken. Wanneer hun reacties dan soms ook wat anders zijn dan wij verwacht hadden, zullen we daar alle begrip voor dienen te hebben.

Want in dit Afrika in beweging zal de kerk haar eigen identiteit moeten zoeken en vinden, luisterend naar alle – soms ook terecht – geuite kritiek en pogend op afrikaanse wijze het evangelie te verwoorden en vorm te geven, om het zodoende des te aanspreekbaarder te doen zijn in dit werelddeel. Daarbij kunnen allerlei plannen en projecten, hoe mooi ook op zichzelf, wel eens een belemmering zijn; en een teveel aan belangstelling fnuikend. Tevens blijkt uit dit alles dat „zending in zes continenten” steeds meer een realiteit gaat worden, gewoonweg omdat de problematiek en in Afrika en in Europa steeds meer dezelfde wordt.

Juist daarom hebben de kerken, waar ze zich ook bevinden en hoe oud of jong hun traditie ook is, elkaar steeds meer nodig. Mits men elkaar de tijd gunt om steeds meer zichzelf te worden, om van daaruit steeds beter naar elkaar te kunnen luisteren. De „wederzijdse assistentie” zal er uiteindelijk door verdiept worden. Zo zal de zending meer inhoud krijgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

Zending en evangelisatie steeds meer identiek

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken