Bekijk het origineel

op zoek naar een taak voor vrijwilligers in de reclassering

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

op zoek naar een taak voor vrijwilligers in de reclassering

8 minuten leestijd

In het april-nummer van Diakonia hebben wij aandacht besteed aan organisatorische ontwikkelingen in de reclassering. De fusie van vier grote instellingen was de voornaamste reden dat de buitenwereld enige tijd weinig hoorde vanuit de wereld van hulpverlening aan (ex) delinquenten. Nu hopen de samenwerkende instellingen (vereende krachten) spoedig antwoorden te vinden op een aantal klemmende vragen.

Vrij recent werd door de reclasserings-instellingen te Haarlem een vrijwilligers-experiment opgezet in de vorm van bezoek aan gedetineerden. De Haarlemse reclasseringsinstellingen verwachten goede resultaten van dit bezoek door vrijwilligers. Het gaat om het informele, sociale contact tussen gedeti-neerden en „zo maar” mensen uit de samenleving. De groep bezoekers is heel gevarieerd samengesteld en wordt, waar nodig, deskundig begeleid. Met klem wordt gesteld dat dit vrijwilligers-expe- riment niet meer te vergelijken is met het aloude „reclasseringsbezoek”.

Er is dus sprake van „vrijwilligers- nieuwe-stijl”. Zij komen praten over alledaagse dingen; spelletjes meespelen. Ze brengen de samenleving binnen de ge-vangenismuren en omgekeerd kunnen ze de gevangenis „open maken door wat ze daarbinnen ervaren weer in de samenleving te brengen. Zo brokkelen vrijwilligers iets van de hoge muren af die nog rond de meeste van onze penitentiaire inrichtingen staan, én rond alle „delinquent gedrag” in het algemeen.

Enkele uitspraken van gedetineerden omtrent hun verwachtingen van dit vrijwilligersbezoek:

— „Alles wat de sleur kan doorbreken is fijn. Met medegedetineerden draai je altijd maar in een kringetje rond en dit is iets om er eens uit te komen. Juist omdat het iemand is die erbuiten staat, een sociaal ambtenaar blijft een ambtenaar. Dat kan je nooit wegcijferen.”

— „Het fijnste lijkt me dat er niet over problemen wordt gepraat. Hier hoor je niet anders”.

— „Misschien dat de mensen dan weten waarom het gaat, en wat meer begrip zouden kunnen tonen. Ze kennen alleen begrippen „gevangen”, „delict”, verder niets.”

Het experiment in Haarlem wordt geflankeerd door groepsbezoeken van vrij-willigers aan gedetineerden in Esserheem en Norghaven (Veenhuizen) en ook elders in het land zijn soortgelijke projecten aan de gang.

We doen de waarheid niet al te veel geweld aan als we schrijven dat de vrij-williger nog altijd een plaats inneemt in het reclasseringswerk. Maar in omvang en intensiteit is het vrijwilligerswerk nu niet meer te vergelijken met wat het ooit geweest is.

Geschiedenis

Maatschappelijk werk en reclassering zijn ontstaan uit particulier initiatief. Een ieder die begaan was met de sociale nood van anderen kon inspringen en de maatregelen nemen of bevorderen die hij nodig achtte.

Veelal was de vrijwilliger van „toen” degeen die morele steun verleende en financiële hulpverlening bevorderde. Maar met het opkomen van de menswe-tenschappen werd geconstateerd dat déze soort van hulpverlening niet voldoende doordrong tot de werkelijk onderliggende problematiek waaruit delinquent gedrag voort kwam. Het ontdekken van die onderliggende problematiek (door psychiatrie, psychologie) leverde de nieuwe soort, de professionele hulpverlener op.

Met zijn „methodisch werken” heeft de beroeps-hulpverlener de vrijwilliger in snel tempo uit het reclasseringsveld verdreven. Want zonder pijn ging dat proces niet. Besturen van instellingen, vrijwilligers zelf en soms ook cliënten hadden het er moeilijk genoeg mee.


Ook u kunt zich
als vrijwilliger inzetten.

Wees attent
in uw wijk, in uw buurt,
in uw straat.

U kunt voorkomen dat
uw naaste voorkomt.


Kloof

Nu spreekt men van een „kloof” tussen beroepskracht en vrijwilliger in de reclassering. Ondanks het feit, dat beiden het betreuren dat de twee werksoorten zo ver uiteen gegroeid zijn:

De vrijwilligers zijn nog best bereid een taak te vervullen en de maatschappelijk werkers zijn veelal van mening dat er zeker een taak is voor de vrijwilligers. De grote vraag is alleen: wèlke taak is er voor vrijwilligers? Het experiment „Haarlem” en de andere projecten die aan de gang zijn richten zich vooral op de gevangenissen. Maar een overgroot deel van het reclasseringswerk speelt zich daarbuiten af. En welke taken daar van de beroepskracht overgeno-men kunnen worden, is nog geen duidelijkheid over.

Engeland

De taken van vrijwilligers kunnen zeer uiteenlopen. In Engeland is een experiment aan de gang onder het motto „niet zitten maar werken”. Delinquenten worden in dit systeem niet veroordeeld tot (gevangenis)straf maar tot het kosteloos uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. Mevr. H. Singer-Dekker uit Nijmegen schrijft hierover in het april nummer (’74) van het Maandblad voor berechting en reklassering. De gedetineerden moeten in groepjes van zes tot acht, werkzaamheden verrichten zoals: boodschappen doen voor bejaarden, schilderwerk, tuin verzorgen of gehandicapten bijstaan. De leiding van die werkzaamheden berust bij vrijwilligers. Meestal zijn dit jonge mensen, die tegen een geringe vergoeding met de gestraften meewerken en tussen de middag met hen lunchen.

Het denken dat in Nederland op gang komt over „alternatieve dwangmiddelen” en „andere” straffen zou ook tot gevolg kunnen hebben dat voor vrijwilligers nieuwe perspectieven opengaan.

Onzekerheden

Nog geen jaar geleden publiceerde het Leger des Heils (afd. reclassering) een rapport over de verwachting van vrijwil ligers. Op grond van dat rapport is toen sterk aangedrongen op onderzoek en experimenten.

Zonder er een antwoord op te geven stelt het rapport echter de vraag of de profes-sionele maatschappelijk werker niet te onzeker is van zijn eigen werken en functioneren om vrijwilligers daarin toe te laten, Praten over de eventuele taken van een vrijwilliger zou hij als „bedreigend” kunnen ervaren. Praten over taken van een vrijwilliger zou ook moeten betekenen: grondige analyse en evaluatie van de taken en aktiviteiten van de maatschappelijk werker.

En op dat punt heeft die maatschappelijk werker nog zijn twijfels.

Eigenschappen

De visie van de vrijwilliger op het reclasseringswerk wijkt nog wel eens af van dat van de beroepskracht. Zo noemden in het aangehaalde rapport veel ge-ïnterviewde vrijwilligers als taak „het controleren van misdadigers buiten de gevangenispoort”.

De nuances die de geïnterviewden aanbrachten bij deze visie komen meer overeen met de methodische visies van de reclasseringsmaatschappclijk werkers. De vrijwilliger zou „tolerant” en „niet bevoogdend” moeten zijn. Hij zou de delinquent moeten „aanvaarden zoals deze is”.

Deze visies, gecombineerd met een aantal andere eigenschappen maken het zinvol vrijwilligers bij het reclasseringswerk in te schakelen. De maatschappelijk werker „behandelt” de „problemen”. De vrijwilliger is de ongecompliceerde medemens uit de samenleving, die zonder dat er een schrijfbureau tussen hen in staat met de delinquent kan omgaan. De vrijwilliger is vrij van „deskundigheid” doet het werk in vrije tijd en zonder be taling. Hij hoeft zijn aandacht slechts te verdelen over een of twee cliënten. Hij vertegenwoordigt geen instelling of gezag. Hij is vrij in zijn opstelling, kan de dient nice naar huis nemen, als familielid beschouwen, of alleen af en toe een praatje maken.

De vele factoren die de vrijwilliger onderscheiden van de bcroepswerker ma-ken de eerste bruikbaar voor het werk. Een hernieuwde kennismaking tussen reclassering en vrijwilliger zal daarom zeker zijn nut hebben. En hoewel de reclassering dat erkent, aarzelt men nog de koe bij de horens te vatten zo lang er geen duidelijke gedragslijn is vastgesteld voor die nieuwe vrijwilliger.

De samenwerkende reclasseringsinstellingen hebben de zaak in studie; wanneer daar resultaten van op tafel komen is moeilijk te zeggen. Zeker is dat er spoedig meer duidelijkheid moet komen over hoe de kloof tussen vrijwilliger en beroepskracht overbrugd kan worden en op welke wijze die twee samen de andere kloof kunnen dichten: die tussen delinquent en samenleving.


150 jaar vrijwilligers in de reklassering


1823

Het Nederlands Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen werd in 1823 opgericht door drie vrijwilligers: gegoede kooplieden die een ernstige leemte zagen in de zorg voor gevangenen. Eén van de dingen die de oprichter, Hendrik Suringar, voorstond was het celsysteem, zodat gevangenen van alle soorten en gewicht niet langer bij elkaar zaten en elkaar beïnvloedden. Het celbezoek (later „reclasseringsbezoek” geheten) was vooral bedoeld de gevangene weer „zedelijke moraal en norm” bij te brengen.

1915

In 1910 kwam van overheidswege de eerste „reclasseringsregeling” tot stand. Dat betekende dat de reclassering officieel als taak kreeg „toezicht” te houden op delinquenten zo lang als de rechter bepaalt. Met de invoering van de voor-waardelijke invrijheidsstelling tn de daarop afgestemde reclasseringsregeling van 1915 werd het toezicht, in de vorm van hulp bij de „wederaanpassing” hoofdtaak van de reclassering.

Vanaf die momenten kwamen ook de professionele werkers in dienst van de instellingen die over het algemeen in die tijd van de grond kwamen. Het accent van het werk ligt dan nog bij de vrijwilliger. De ambtenaar begeleidt hen, coördineert, maar doet ook uitvoerend werk. Als in 1922 de wettelijke regeling voor het uitbrengen van voorlichtingsrapporten tot stand komt is het ook dikwijls de vrijwilliger die deze rapporten maakt.

1945

Na de tweede wereldoorlog komt de grote omwenteling naar het professionele reclasseringsmaatschappelijk werk. Na 1960 is het zo ver dat men niet meer als maatschappelijk werker kan beginnen zonder diploma Sociale Academie. Het voorlichten en het toezicht worden de vrijwilliger langzaam uit handen genomen.

De maatschappelijk werker wil de gedragsbeïnvloeding geheel zelf in de hand hebben: hij is immers geschoold voor dit werk.

1973

De vrijwilliger doet nog kleine deeltaken van het reclasseringswerk. Echter alleen die taken die de reclasseringsinstellingen (maatschappelijk werker) hem willen toe-delen.

Studie en experiment zullen nu moeten uitmaken wélke taken het meest succes vol aan vrijwilligers kunnen worden toebedeeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Diakonia | 44 Pagina's

op zoek naar een taak voor vrijwilligers in de reclassering

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1974

Diakonia | 44 Pagina's

PDF Bekijken