Bekijk het origineel

Vandaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vandaar

8 minuten leestijd

December 1974 – het laatste nummer van de 57e jaargang van ons Zendingsblad.

En daarmee sluiten we meteen de laatste jaargang af.

Vanaf 1975 worden de zendingsbladen van de Hervormde en de Gereformeerde kerken samen uitgegeven onder de naam VANDAAR.

Ik heb er al die oude jaargangen vanaf 1918 eens op nagebladerd. Het begon al direct met een samenwerking, getuige de eerste titel:

„Maandblad der Samenwerkende Zendingscorporaties” en later:

„Nederlandsch Zendingsblad - Maandblad van de Vereenigde Nederlandsche Zendingscorporaties” wat later:

„… waarin opgenomen het Vrouwen-Zendingsblad” en tenslotte, in 1951:

„Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk”.

Een paar titelpagina’s uit al die jaren ziet u op pagina 5 afgebeeld. Jammer dat ik er niet ook foto’s bij kan afdrukken, waarop je verschillende bezadigde en gezeten burgers van nu als jonge blommen tegenkomt.

Uit het allereerste Zendingsblad:

„Ons nieuwe maandblad. Zeggen we daarmee niet teveel? Nieuw is het niet, in zoover het slechts de voortzetting is van het Maandbericht van het Nederlandsch Zendelinggenootschap en de Berichten der Utrechtsche Zendings-Vereeniging. Het wil die beide tot één geheel maken. Het zal dan ook bevatten, wat men vroeger gewoon was in die beide bekend te maken.”

Een dergelijke opmerking vindt u straks terug in het eerste nummer van „ons nieuwe maandblad”.

Werving van abonnees was ook in 1918 al aan de orde:

„Een Friesche landarbeider heeft zich geabonneerd op het Maandblad. De drie dochters, dienstboden, flinke meiden, die het goede voorbeeld der ouders volgen en gaarne naar moeder’s raad luisteren, hebben eveneens alle drie het Maandblad aangevraagd. Voor de moeders is ’t een kleinigheid ons zendingsmaandblad aan te bevelen en kwamen dan alle dienstboden zoo flink voor den dag, het getal abonné’s zou met den dag vermeerderen.”

Als in jaargang 1919 geschreven wordt:

’Het probleem’

Het is een moeilijke tijd. Alles wordt duurder, ook het leven in Indië. De uitgaven stijgen voortdurend.

Toch nemen de inkomsten niet in gelijke mate toe. Wij kunnen het zoo niet langer volhouden. Aan uitbreiden denken wij niet. Maar het bestaande in stand te houden, eischt de grootste inspanning.”

dan denk je – er is niet veel veranderd in die 56 jaar. Maar van die gedachte kom je gauw terug als je oog valt op het bericht dat

„… een vorstelijke gift van een halve ton gouds …”!! ontvangen werd, waarmee de helft van het tekort over het jaar 1918 was gedekt! Ons gironummer 6074 werd overigens al in 1918 bekendgemaakt, waarbij een hele bladzijde gebruikt werd om uit te leggen hoe men via de postcheque- en girodienst te werk moest gaan bij het overmaken van giften.

En dan de berichten vanuit het Zendingshuis, b.v. over: „de dagindeeling

Kwart over zeven wordt de opstaanbel geluid … om elf uur tikt het klokje van gehoorzaamheid. Dan moeten alle lichten worden gedoofd! Dan worden degenen, die nog aan het werk zijn, door den ordecommissaris opgeschrikt en naar bed gedreven.”

Of over

„De eerste Zondag der maand, de Zondag met den salon-avond, waarbij de verloofden van de leerlingen aanwezig waren.”

Of over de reünie van oud-zendingsarbeiders in 1960 toen Jules de Corte met piano en al op het terras speelde en zong.

Hoe werd in die jaren over de zending gedacht?

Dr. N. Adriani schrijft in 1918:

„In den tijd der Compagnies-Zending is er over Zendingsmethode niet veel nagedacht. Men wist wat de Inlanders noodig hadden: prediking van het Evangelie en onderwijs, om hen te brengen tot kennis van de leer der Zaligheid. En zooals die in het vaderland werd verkondigd, zoo moest het ook in Indië geschieden.

Bij de opleiding der zendelingen stond de theologie zeer op den voorgrond, maar werden land- en volkenkunde, nietchristelijke godsdiensten en Indische talen veel te weinig beoefend. Er was trouwens in de eerste tijden der nieuwere Zending in de eerste helft der 19e eeuw, voor deze wetenschappen nog weinig animo, en de wijze, waarop men de Inlanders beschouwde, was nog, met meerdere of mindere welwillendheid, steeds uit de hoogte, vanwaar een hoogere menschensoort een lager-staande beziet.

Langzamerhand is daarin verandering gekomen.”

En dr. F. J. Fokkema drie jaar laterj:

„Moeten wij er dan niet toe medewerken, dat de Indonesische grondslag van het onderwijs zoo spoedig mogelijk wordt verkregen? En is het niet onze plicht een vrij en zelfstandig Indië te helpen vormen, wijl wij voorstanders zijn van „de ontvoogding” der Indonesische volken? Geen zendeling verlangt bij het aanbreken van zijn verlof meer naar zijn vaderland dan een Jong-Indiër naar den dag, waarop hij den vrijen vaderlandschen bodem kan betreden, bewoond en bearbeid door een volk, dat tot in de hoogste rangen zelfregeering verwierf.”

Weer twee jaar later in 1923:

„Indien Zending de natuurlijke levensuiting van den Christen is, dan is zij het vanzelfsprekend ook van de Kerk. Het terrein der Zending ligt niet naast de Kerk.”

In 1945 tenslotte:

„Eindelijk is het zover gekomen: de zending is niet meer de zaak van enkele belangstellende christenen, „zendingsvrienden”, maar van de Kerk als Kerk.”

1940-’45. Geen contact met Indië – toch doorgaan.

„Er was van den aanvang der bezetting natuurlijk geen sprake van toetreden tot de cultuurkamer,”

Maar de zendingsvrienden bleven voor de zending geven; de drukker had een grote partij papier uit handen van de Duitsers weten te houden; het Nederlandsch Zendingsblad bleef verschijnen. Tot 1942, toen werd door de bezetter gesteld:

„… dat publicatie van berichten over Indonesië onnoodig werd, omdat immers Nederland van Indonesië gescheiden was en onze overzeesche gebiedsdeelen waren ingeschakeld in den strijd tegen Japan. Als nieuw zendingsterrein werd Sovjet Rusland genoemd en cliché’s werden beschikbaar gesteld met door de perscommissie vastgestelde onderschriften om in de Zendingsbladen geplaatst te worden.

Begrijpelijk, maar toen toch gewaagd, sloeg onze vertegenwoordiger dit aanbod af. Wij moesten ons tot die terreinen van de Wereldzending bepalen, die nog niet in de oorlog waren betrokken.”

Eskimo’s, Kameroen, Latijns-Amerika en China verschenen in de oorlogsjaargangen.

1945 – „Indië vrij!” – Lange lijsten van zendingsarbeiders die niet meer zouden terugkeren; berichten over vervolgingen van de gemeenten in Indonesië. Weer nieuwe mensen staan klaar om uit te gaan. Maar…

„… ook als de reis mogelijk zal zijn, blijven er nog genoeg moeilijkheden over. Eén daarvan is de uitrusting. Langs den gewonen weg is het niet mogelijk Indonesische boven- of onderkleeding te krijgen. Maar misschien zijn er onder degenen, die dit lezen, die zelf in Indonesië geweest zijn en uit dien tijd nog kleeding hebben, welke zij zouden willen afstaan op nader overeen te komen voorwaarden.”

In 1945 schrijft ds. C. W. Nortier:

„In de moeilijke politieke verhouding, waarin Nederland en Indonesië op elkaar zijn aangewezen, wordt Nederland als christelijke natie op zware proef gesteld. De Indonesiër weet met een scherp onderscheidingsvermogen ons te houden aan de doorvoering van onze christelijke levenshouding tegenover hem. Daarom houdt hij er zoo volhardend op aan, dat hem door Christenen recht gedaan worde, wetende, dat de Neder lander zijn bevochten vrijheid en zelfstandigheid krachtens zijn christelijk geweten vanzelfsprekend ook voor Indonesië wenschen moet.”

En de Hoofdbesturen der Samenwerkende Zendingscorporaties te Oegstgeest verklaren officieel

„… dat zij, gehoorzamende aan het gebod Gods, op grond van gerechtigheid en naastenliefde voor hun deel ondubbelzinnig en onbekrompen hebben op te komen voor een liquidatie van de koloniale verhouding en voor een royale honorering van het Koninklijk woord van 7 December 1942, dat Indonesië een gelijkwaardig en gelijkberechtigd deelgenootschap in een vrijwillig aanvaard rijksverband toezegde.”

Ik moet ophouden – er zou nog veel te memoreren zijn uit al die 57 jaargangen, maar er valt ook nog wat te vertellen over 1975:

„Vandaar” zal dus met ingang van 1 februari 1975 verschijnen als het gezamenlijke Hervormde-Gereformeerde zendingsblad. Van de 24 pagina’s zullen er 16 gezamenlijk gevuld worden, terwijl er 8 bestemd zijn òf voor specifiek hervormde berichten („van Oegstgeest”, of van kerkenoverzee waar de Hervormde wel, maar de Gereformeerde kerk geen contacten mee heeft), òf voor specifiek gereformeerde berichten. Er zullen dus twee versies van hetzelfde blad zijn: een „hervormde” en een „gereformeerde” editie. De abonnementsprijs moet verhoogd worden van ƒ 5,– naar ƒ 6,–, hetgeen ons – gezien de enorme stijgingen van de papierprijs – nog erg meevalt.

Bovendien krijgt u daarvoor 10 nummers (i.p.v. tot nu toe 7), van ieder 24 pagina’s (i.p.v. tot nu toe 20).

Nieuwe abonnees kunt u opgeven bij het Zendingsbureau, Leidsestraatweg 11, Oegstgeest.

Zoals gezegd – ons zendingsblad is altijd al een product van samenwerking geweest. Wij zetten die traditie voort. De kring wordt wijder getrokken. Wij verheugen ons daarop en wij hopen U met ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

Vandaar

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1974

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

PDF Bekijken