Bekijk het origineel

Deputaten Kerk en Jeugd zeggen:

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Deputaten Kerk en Jeugd zeggen: "ONDERWEG ZORGEN VOOR ELKAAR"

14 minuten leestijd

Bij het zesentwintig pagina"s tellende rapport van de deputaten Kerk en Jeugd, dat in juni -zitting van de generale synode wel ter sprake kwam, maar dat pas in een volgende synodale vergadering behandeld zal worden, is een bijlage gevoegd met cijfers en tabellen.

Aan het slot daarvan worden een paar algemene conclusie getrokken. Hier zijn ze:

1 .Het aantal van hen die belijdenis doen, neemt af: van de doopleden zou 46 procent niet meer tot het doen van belijdenis komen.

2.Er is een versnelde uittocht van doopleden,

a. door het geruisloos verdwijnen (het aantal van hen die hun attestatie niet inleveren of bij vertrek niet meenemen, groeit) en

b. door een zich duidelijk aan de gemeenschap van de kerk onttrekken (wat eveneens veelvuldiger voorkomt). Uit deze gegevens valt af te lezen:

A.De gereformeerde kerken zijn onderworpen aan een snel verouderingsproces (gelijk aan het algemeen verschijnsel in de Nederiandse bevolking).

B.ln de gereformeerde kerken komen veel minder jongeren dan vroeger tot een eigen beslissing en tot het aanvaarden van een eigen verantwoordelijkheid in de kerk.

C. Een snelle vermindering van het ledental van de gereformeerde kerken moet worden verwacht.

Verwereldlijking

Deze conclusies komen natuurlijk niet uit de lucht vallen. Ze zijn gegrond op waarnemingen van de deputaten, die in het begin van hun rapport wijzen op het verschijnsel van de secularisatie, d.i.de verwereldlijking. Ze merken daarover onder - meer het volgende op:

. . . het verschijnsel, dat allerlei terreinen van het leven zich hoe langer hoe meer ontwikkelen los van de kerken en soms zelfs tegenover de kerken.

De wereld, waarin onze jongeren opgroeien draagt veel minder een christelijk stempel, dan de wereld,waarin hun ouders en grootouders opgroeiden. De kaders voor een christelijk handelen gaan steeds meer ontbreken, waardoor de jongeren veel sterker zijn aangewezen op een persoonlijke positie-keuze.

Het kernprobleem is,dat met het wegvallen van het christelijk stempel op de leefwereld van nu het duidelijke belang van een christelijke opvoeding voor de jeugd steeds meer verdwijnt.

Zelfs in de gemeente verliest de christelijke opvoeding een groot stuk van haar betekenis voor het besef van de jongeren, omdat de gemeente te diffuus geworden is; de onderlinge verhoudingen zijn uiteen gevallen. De gemeente Is niet meer het meest nabijliggende veld van de geloofsbeleving.

Het zal duidelijk zijn, dat hier zeer in het algemeen gesproken is. Deze constateringen gelden wellicht veel minder voor een nog vrij homogene plattelandsgemeente dan voor een grote stadskerk. Maar het laat zich aanzien,, dat deze ontwikkeling zich gaandeweg ook zal uitstrekken tot de plattelandsgemeenten. Deze ontwikkeling brengt met zich mee, dat de wijze waarop de kerken in het verleden hun zorg voor de jeugd hebben behartigd, aanvulling en wijziging behoeft. En het is de mening van deputaten,dat de kerken niet tijdig genoeg deze ontwikkeling hebben onderkend en dien ten gevolge niet de ge-eigende maatregelen hebben getroffen.'"

Welke jongeren?

Wie het heeft over de verantwoordelijkheid van de kerk jegens de jeugd,loopt tegen de vraag aan: om welke jongeren gaat het? Het deputatenrapport gaat daarop als volgt in:

"Bij de beantwoording van die vraag wordt in de regel in de eerste plaats en dikwijls ook uitsluitend gedacht aan de leeftijdsgroep van 1 6 - 2 5 jaar. Niet ontkend kan worden, dat in deze leeftijdsgroep zich de grootste problemen voordoen.

Maar bedacht dient te worden, dat voor de beslissing, die in deze leeftijdsfase vallen, de basis al gelegd wordt in de kleuteren latere kinderieeftijd. Wat de geloofsproblemen van de jongeren betreft:godsdienstig of anti-godsdienstig gedrag is meestal een reactie op wat ze thuis of op school gehoord en gemerkt hebben. In ieder geval heeft dat grote invloed I

De kerken zouden bepaald tekort schieten in hun zorg voor de jeugd, wanneer deze pas zou beginnen in de tienerleeftijd. Dan zou het wel eens te laat kunen zijn. In gesprekken met tieners over het geloof valt op, dat voor hen toch wel een kernpunt is de vereenzelviging van wat er in de wereld is en wat er in de natuur en door de mens gebeurt enerzijds met het handelen van God anderzijds. Dat is dan ook één van de redenen, waarom velen niet meer in God geloven of er althans grote moeite mee hebben. Het is een zeer emotionele reactie op de werkelijkheid, die ze elke dag om zich heen horen en zien en die ze niet kunnen verwerken, mede tengevolge van wat in de kinderjaren hen is ingeprent.

Daarom is het van het uiterste belang, dat de kerken hun zorg voor de jeugd reeds verwezenlijken in de kinderleefijd. Daarbij komt nog dat deputaten bij jonge gezinnen een toenemende behoefte signaleren aan hulp bij de godsdienstige opvoeding van de kinderen. U kent wellicht de discussies rondom de kinderbijbels. Dat heeft blijkbaar bij velen de ogen geopend voor de vraag:wat zijn we bezig te doen? En dat is dan nog in het gunstige geval.

Deoutaten hebben, zonder dat zij over concreet bewijsmateriaal beschikken, de indruk, dat er een grote verlegenheid bestaat in de gezinnen met betrekking tot de godsdienstige opvoeding van de kinderen. Veelal wordt dit overgelaten aan school en kerk. Maar hier moet gewezen worden op eigen verantwoordelijkheid van de gezinnen en het grote belang van de godsdienstige opvoeding in de warmte en de sfeer van het eigen gezin. Nog een derde punt willen deputaten noemen in dit verband. Er zijn vele vaders en moeders, die in alle ernst geprobeerd hebben hun kinderen op te voeden tot gelovige mensen, maar die tot hun grote verdriet hebben moeten ervaren, dat hun kinderen in sterke mate vervreemden van de bijbel en van de kerk. En de vraag moet gesteld worden of de kerk hen wel in voldoende mate geholpen heeft in het volbrengen van hun taak ten opzichte van de kinderen.

Om deze redenen bepleiten deputaten met klem, dat de zorg voor de jeugd van de kerk niet pas een aanvang neemt in de tienerleeftijd, maar reeds begint in een zeer vroeg stadium.

Maar ook naar de andere kant, naar de kant van de boven 25 - jarigen, zien deputaten een deel van hun werkterrein. De zogenaamde jong-volwassenen of midden-groep tot de leeftijd van 35 jaar. Deze groep rekent zichzelf eerder tot de jeugd van de kerk dan tot de ouderen. En ook hier zijn de problemen niet gering. Het mag als bekend worden verondersteld, dat in deze leeftijdsfase gesproken moet worden van een toenemende vervreemding ten opzichte van de kerk.

Deputaten zijn van mening,dat hun taak: het jongerenpastoraat, zich ook uitstrekt over deze leeftijdsgroep.

Dat betekent, dat het werkterrein van deputaten ligt in de leeftijd van 0 - 3 5 jaar.

Vervreemding

Nog een fragment uit het rapport ,,Maar al te dikwijls kan men de opmerking horen: de moeilijkheden van de jongeren horen nu eenmaal bij hun leeftijd; dat gaat wel weer voorbij. Wij zijn ook jong geweest en we kennen de houding van de jongeren maar al te goed. Het ebt allemaal wel weer weg als ze eenmaal hun positie in de maatschappij gevonden hebben.

Deputaten zijn echter van mening, dat op deze wijze men zich al te gemakkelijk van de problemen afmaakt. Wie zich zo opstelt gaat aan de ernst van de vraag van de jongeren voorbij; hij neemt in wezen de jongeren niet serieus.

Wij willen in dit verband wijzen op de vervreemding van de jongeren ten opzichte van de kerk, die ontstaat in vele gevallen doordat hun vragen niet als wérkelijke vragen worden toegelaten*.

Deze vervreemding is van zó diepgaande aard;gaat zozeer tot op de fundamenten van het geloof, dat hier onmogelijk meer gesproken kan worden van problemen van voorbijgaande aard. Deze problemen worden meegenomen in de volgende leeftijdsfase en bepalen de houding van de jong-volwassenen. Het is niet voor niets, dat zich ook in deze leeftijdsfase een groot probleemgebied heeft aangekondigd, waarmee de kerken in toenemende mate in aanraking komen. Het een hangt met het andere samen."

Onthutsend

Die vervreemding zien de deputaten ook in de moeite die jongeren hebben met het doen van de openbare belijdenis. Uit wat het rapport over deze zaak opmerkt, het volgende:

,,Het is onthutsend te moeten vernemen, dat de kerk met al haar inspanning aan catechese en verkondiging en pastoraat er niet in geslaagd is de bijbel dichter bij de mensen te brengen;dat de bijbel ondanks alles voor hen een vreemd boek is gebleven.

Of moet er misschien nog scherper gesproken worden: door de wijze van omgaan met de bijbel is zij voor velen een gesloten boek gebleven.

Deputaten menen, dat hier een van de diepere achtergronden ligt van de zorgen, die we hebben ten aanzien van de jeugd van de kerk.

Het beleid van de kerken zal er dan ook in de eerste plaats op gericht moeten zijn de bijbel te maken tot een open boek."

Uit dezelfde paragraaf nog dit citaat:

,,Een ander punt in dit verband, dat deputaten willen signaleren, is het feit, dat heel veel jongeren de functie, de betekenis van de openbare geloofsbelijdenis niet meer kunnen meemaken. De openbare belijdenis wordt dikwijls ervaren als het openen van een toegangspoort' eens voor altijd, waardoor de jongeren mogen binnentreden in de wereld van de kerk. Maar afgezien van die jongeren, die eigenlijk al met één been of met beide benen buiten de kerk staan en zich de vraag van al of niet belijdenisdoen niet meer stellen, voelen degenen, die er wél mee bezig zijn, zich bij de kerk betrokken en die aparte 'opening van de slagboom' ervaren ze als onwezenlijk."

Polarisatie

Hebben de jongeren een hekel aan de kerk als instituut?Nee, menen deputaten, maar de jeugd zoekt wel een kerk die werkelijk leeft uit wat zij gelooft. Het rapport gaat dan verder:

"Wij beleven een tijd van toenemende polarisatie in de kerk. En jongeren ervaren dat dikwijls als een diepe kloof tussen denken en doen; tussen zijn en handelen. De toenemende radicalisering van eigen standpunten van verschillende groeperingen in de kerk maakt op de jeugd de indruk, dat de kerk inneriijke overtuiging mist. En de wijze waarop die radicalisering hier en daar tot uiting komt versterkt nog eens dat besef. En waarom zouden ze zich aan deze innerlijk zwakke kerk binden?

Daarom is de wijze, waarop wij met elkaar kerk zijn van zo uitermate groot belang voor het geestelijke welzijn van onze jongeren. Werkt de kerk, zoals zij zij zich manifesteert in haar doen en laten inspirerend op onze jonge mensen? Deputaten hebben geenszins de bedoeling het belang van allerlei in de kerk gevoerde discussies te betwijfelen. Maar wel willen zij de kerken de vraag voorleggen of zij in hun wijze van kerk-zijn nu wel voldoende in het oog vatten het geestelijk welzijn van de jongeren. Een overtuiging die gemeenschapvormend werkt, daaraan hebben jonge mensen behoefte.

De jongeren zoeken een kerk, die met beide benen in de werkelijkheid staat en de problemen die die werkelijkheid stelt, niet uit de weg gaat; een kerk die probeert te ontdekken hoe zij de opdracht van het Evangelie in deze tijd kan waarmaken; een kerk die als een inspirerend voorbeeld werkt voor de jongeren.

Het recht om een beroep te doen op jonge mensen, om ze desnoods verwijten te maken, kan de kerk alleen ontlenen aan het feit dat ze zelf de toets van de waarachtigheid, de geleefde waarheid, kan doorstaan. Het bezitten van dit recht zal niet nalaten indruk te maken op de jongeren."

Onderweg

Tot zover een aantal fragmenten uit het rapport van de deputaten Kerk en Jeugd. Als het gaat om de koers van het beleid van de kerken in de zorg voor de jeugd zeggen deputaten samenvattend: "Onderweg zorgen voor elkaar".

Wij vragen aan ds. H. Hogenhuis, die sinds 1 januari 1973 studiesecretaris is van het deputaatschap Kerk en Jeugd en die ook het rapport geschreven heeft, hoe hij dit concreet bedoelt. Ds. Hogenhuis:

"Laat ik eerst dit zeggen. Wij hebben de zaak vooral bekeken vanuit de afstand, de kloof tussen ouderen en jongeren. De symptomen dóérvan liepen wij het vaakst tegen het lijf. Overigens beweren we niet dat hiermee het probleem van kerk en jeugd uitputtend is behandeld, ons rapport is het resultaat van een eerste verkenning. Dit houdt ook in dat wij niet met kant en klare conclusies en aanwijzingen komen. Maar nu kom ik bij de vraag, wat wij bedoelen met: onderweg zorgen voor elkaar. Ik zie de gemeente als het volk Gods onderweg. En wie onderweg is, ontmoet telkens nieuwe vragen en problemen. Nu moeten ouderen en jongeren elkaar opvangen en semen een antwoord zoeken. Het is heel vaak zo dat de ouderen de vragen van de jeugd niet begrijpen of zelfs niet zien. Het omgekeerde komt ook voor, dan vraagt een jongere: waar heeft een synode het over, zijn dat nou dingen om je vandaag mee bezig te houden? Maar ik geloof dat wanneer oud en jong samen bezig zijn met het zoeken naar antwoorden op de vragen, zoals die vanuit nieuwe èn vanuit gegeven situaties op je afkomen, dat ze dan met elkaar de waarde en de kracht van het evangelie zullen ervaren".

Gespreksgroepen

Op de vraag hoe je dit vorm zou kunnen geven, zegt ds. Hogenhuis:

""Via de leerhuis-gestalte. Oud en jong samen om de tafel, in gespreksgroepen. Dat wil niet zeggen dat we dan alleen de problemen van de dag op die tafel gooien, ik denk hier aan de catechese. Deze speelt zich nu af in een hoekje van de gemeente, het is iets van de dominee met een groepje catechisanten. Heel af en toe komt een ouderling kijken. Maar je zou de catechese moeten integreren in héél het doen en laten van de gemeente, je zou samen, oud en jong, ambtsdrager en niet-ambtsdrager, op zoek moeten gaan naar de inhoud van de catechese. Waar willen we mee bezig zijn en waarom? Ook pakken we de bijbel op om te kijken wat er werkelijk staat en niet om te bevestigen wat we denken dat er staat. Of je hierbij niet op weerstanden zult stuiten? Natuuriijk, die zullen er komen als iemands door de traditie geijkte kijk kritisch benaderd wordt. Maar je moet er ook de tijd voor nemen I We beginnen teslotte nog maar net. Het gaat er ook om dat we niet meer zo geïsoleerd met onze eigen geloofservaringen of met die van onze groep optrekken, maar dat we die met elkaar uitwisselen. Maar al te zeer en maar al te snel beoordelen we elkaar naar onze geloofsbeleving, we geven geen of nauwelijks ruimte voor verschillende geloofsbelevingen. Nu, al dit soort dingen spelen mee als je praat over dat onderweg voor elkaar zorgen."

Niet in wachtkamer

Ds. Hogenhuis vervolgt:

"'Het pastoraat in engere zin moet hiervoor ook vormen scheppen. Het is nog veel te veel afgestemd op de ouderen in de gemeente. O ja, de jeugd "mag" best eens wat, hier meer en daar minder, maar dat is geen kwestie van beleid maar van de invallen van de betrokken pastor. Een snoepje, uit goeiigheid aangereikt. Ook op deze manier werk je de vervreemding in de hand. Wie zei dat ook weer . . . was het dominee Kunst soms? . . . dat je de jeugd vandaag niet meer in de wachtkamer van de kerk kunt opsluiten. Je moet de jeugd mee verantwoordelijkheid geven voor wat in en door de kerk gebeurt. Je moet de jeugd evenmin opsluiten in één bepaalde vorm van geloofsbeleving."

Middenmoot

De publiciteitsman van het landelijk centrum voor gereformeerd jeugdwerk (LCGJ) Nico Schouten heeft eens gezegd dat de jongeren in de kerk aan de éne kant uitvliegen naar wereldwinkels en aan de andere kant op Youth for Christ afvliegen. Hebben de deputaten Kerk en Jeugd in hun rapport één bepaalde richting uitgekeken toen zij het hadden over vervreemding? Hebben ze de, wat men kan noemen, middenmoot niet uit het oog verloren?

Ds. Hogenhuis: "Als ik beginnen mag met de middenmoot. Daarover hoor je niet veel, dat lijkt zo op het oog de groep die gewoon meedraait, nog meedraait, in de bekende gang van het kerkelijk leven. We komen hier veel trouw tegen en dat valt te meer te waarderen naarmate trouw een schaarser goed wordt. Dat velen van de middenmoot . . . ik houd dat woord nu maar even aan . . . graag getroost worden in de kerk, mag men niet in hun nadeel uitleggen. Stel je voor dat de kerk niet meer troosten mocht en dat je daar geen troost meer mocht halen! Toch is hier ook het proces van vervreemding aan de gang. In deze zin dat men zich afsluit voor de vragen die van buiten af op de kerk afkomen. Dat vinden ze lastig, ze laten het liever afweten. Je treft ook verwereldlijking aan, een gemakkelijk meedoen aan wat de welvaart bieden kan. Vanzelfsprekend wordt dit aangeschaft en dat . . . maar laten we oppassen, doen we niet allemaal mee in deze zonde? Hoe dit zij, er treedt vervlakking in, de bijbelse boodschap maakt niet meer onrustig. Vervreemding dus. Minstens zo diep als daar waar luidkeels geprotesteerd wordt tegen de gangbare kerk.'"

Er zijn er die geestdriftig zijn over "Youth for Christ. Jongeren die erheen gaan en ouderen omdat de jeugd erheen gaat. Ds. Hogenhuis:

"Maar ook dèt duidt op vervreemding van de kerk. Je gaat naar Youth for Christ omdat je het in de kerk niet vinden kunt. Ik weet wel dat er mensen zijn die hier een hoopvol teken in zien en dan wijzen ze naar de drukbezochte samenkomsten van Youth for Christ. Nu heb ik altijd geleerd dat we niet op het getal mogen zien, maar los daarvan, ik durf met de honderden gereformeerde jongeren die op provinciale praatdagen of op landelijke bijeenkomsten bereid zijn samen wat te dóen rondom en vanuit een open bijbel, — ik durf met die honderden best voor de dag te komen tegeover duizenden bezoekers van een gloedvolle toogdag. Waarmee ik intussen niets wil afdoen van wat ze op zo'n toogdag ontvangen. Maar, het blijft vaak bij ontvangen".

Het gaat door

Mogen we concluderen dat ds. Hogenhuis om zo te zeggen links, rechts en in het midden het proces van vervreemding aan de gang ziet? Ds. Hogenhuis:

"Ja, hier sterker en daar minder sterk, maar dit proces is aan de gang en het gaat door. In de grote steden sneller en duidelijker dan op het platteland, maar ook daar. Ik weet het van nabij. Van kleine dorpen komen meisjes en jongens voor hun opleiding naar de (provincie)- stad. Ze horen en leren andere dingen dan ze thuis tegenkwamen, ze krijgen een andere kijk op de zaken en dit hoeft op zichzelf niet erg te zijn, maar het brengt meestal mee een kloof tussen hen en de ouders. En: tussen hen en de kerk van hun ouders. Ook: tussen hun geloofsbeleving en die van de ouders, — en over en weer verstaan ze elkaar steeds minder. Een uiterlijk symptoom hiervan is het teruglopen van het vertrouwde jeugdwerk in vereniging of club. Ik geloof niet dat je de zaak redt door het jeugdwerk als het ergens tegen de vlakte ligt in die vorm weer op te vijzelen. Ik meen dat je op die manier achter het net zou vissen. Wat dan? Nu kom ik weer terug op dat: onderweg zorgen voor elkaar. In dit verband kun je vertalen: zien waar de geestelijke behoeften van de jongeren liggen, in de gaten hebben waar hun vragen klinken en waar ze vandaan komen. Niet benauwd zijn als hun verwachtingspatroon anders is dan het jouwe. Enfin: zorgen voor elkaar. En onze opdracht, ik bedoel nu die van deputaten, is daarvoor wegen en vormen te helpen vinden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974

Kerkinformatie | 20 Pagina's

Deputaten Kerk en Jeugd zeggen:

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974

Kerkinformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken