Bekijk het origineel

Waarom het eigenlijk gaat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Waarom het eigenlijk gaat

10 minuten leestijd

De synode heeft in haar zitting van 27 maart jl. met 49 stemmen voor en 22 stemmen tegen het besluit genomen om deel te nemen aan het Programma tot bestrijding van het racisme van de Wereldraad van Kerken en om daartoe gelden te storten in het speciale fonds dat de Wereldraad daarvoor heeft gesticht.

Misschien is de gang van zaken op de dag, waarop het besluit genomen werd, verwarrend geweest. Het uitvoerige rapport van deputaten had sterke nadruk gelegd op de wereldwijde omvang van het programma. Met nadruk was uiteengezet, dat het niet alleen gaat over Zuid-Afrika, maar ook over Eskimo’s in Noord-, Indianen in Zuid-Amerika, over Maori’s in Nieuw-Zeeland, over Koreanen, die verdrukt worden in Japan en over de verdrukking van de ene stam door de andere in pas vrijgeworden staten. Met andere woorden: het gaat tegen elke vorm van verdrukking vanwege iemands afkomst.

Ten aanzien van Zuid-Afrika gaat het alleen om een bijdrage tot nu toe aan het Gedachtenis Fonds voor Luthuli, de man die dikwijls genoemd is de Martin Luther King van Zuid-Afrika. Het rapport van de synode-commissie, die het deputaten-rapport ter synode moest voorbereiden, had opnieuw op dit veel omvattende, op het mondiale van het programma met klem gewezen. Nu waren echter ter synode ook aanwezig afgevaardigden van de kerken uit Zuid-Afrika. De synode-voorzitter dr Kruyswijk gaf daarom ook van tijd tot tijd aan één van hen het woord. Zij spraken uit de aard der zaak uitsluitend over de situatie in hun eigen land, omdat hen zo dikwijls racisme verweten wordt door hun nederlandse geloofsgenoten.

Dit veroorzaakte een tegen elkaar indruisen van de gedachtengang van de rapporten en de gedachtengang van de discussies.

Bevrijding en geweld

Een moeilijk punt werd daardoor nog moeilijker. Omdat duidelijk bleek, dat de zuidafrikaanse broeders de Portugese koloniën en Rhodesia beschouwen als buffer-staten voor de Republiek van Zuid-Afrika tegen wat zij houden voor het gevaar van opdringend communisme, kreeg de steun van het programma van de Wereldraad aan de vrijheidsbeweging de schijn, van steun aan Zuid-Afrika bedreigende bewegingen. Daardoor kreeg de toch al zo moeilijke vraag, of deze bewegingen gesteund mogen worden een pijnlijk karakter. De vraag is op zichzelf al moeilijk genoeg, omdat deze bewegingen geweld gebruiken om hun volk vrij te vechten. Mogen kerken zulk geweld-gebruik steunen?

Bij de beantwoording van deze vraag moet er allereerst op gewezen worden, dat de Wereldraad uitdrukkelijk heeft vastgesteld, dat het geld van het Fonds alleen wordt gegeven voor humanitaire doeleinden. Dat betekent voor onderwijs hier en een ziekenhuis daar, voor dekens in het ene en voor levensmiddelen in het andere reeds bevrijde gebied. Zo heeft bijvoorbeeld het gezin Draisma, leden van onze kerken, een tijdlang gewerkt aan een school van de vrijheidsbeweging Frelimo in Mozambique.

Het lijkt mij een onzinnige tegenwerping als men zegt, dat er toch wei wapens voor dit geld van de kerken zullen worden gekocht, omdat de Wereldraad geen verantwoording over de besteding van de gelden vraagt. Wapens kan men in de hele wereld heel gemakkelijk krijgen als men van plan is ergens onrust te stichten. Dat geldt voor de IRA in Noord-lerland en de Rode Studentenbeweging in Japan, voor Palestijnse vliegtuigkapers en voor latijns-amerikaanse guerrilla’s. Daarvoor hebben de vrijheidsbewegingen in Afrika geen kerkgeld nodig. Voor het aanschaffen van wapens kunnen ze overal terecht. Maar kom er eens om in deze gebieden om een deken of een medicijn te krijgen, of hulp voor een ziekenhuis! Het bewijs hiervoor kunt u dan ook zo nu en dan in de pers lezen als er vanuit deze bevrijdingsbewegingen soms vragen komen: „Stuur ons maar geen geld, want we kunnen er niets voor kopen; stuur ons liever de gevraagde goederen.”


programma ter bestrijding van het racisme


Zeer terecht wees dan ook de angolese predikant, ds Chipenda, er op, dat de functie van het fonds van de Wereldraad het duidelijkst omschreven wordt als een poging om te doen, wat de barmhartige Samaritaan deed. Intussen kan men dan natuurlijk nog tegenwerpen, dat de mensen, die deze barmhartigheid ontvangen hebben, verfrist weer met geweldsgebruik verder kunnen vechten.

Ja, maar dat is voor hun verantwoordelijkheid. Zou de barmhartige Samaritaan erover getobt hebben wat de afgeranselde man zou gaan doen als hij weer genezen zou zijn? En bovendien heeft in de reformatorische traditie het recht tot opstand en gebruik van geweld goede papieren! Weliswaar als uiterste daad. Maar dat hebben mensen dan zelf voor Gods aangezicht te beslissen. Dat kunnen wij niet voor hen doen.

De ouderen onder de delegatie van de indonesische kerken, die de vorige synode-zitting (november 1973) bijwoonden, hebben geen ogenblik geaarzeld zich in 1945 te stellen achter de vrijheidsstrijd tegen Nederland.

Miljoenen christenen in andere landen die na 1945 zich vrijgevochten hebben, hebben hetzelfde gedaan, zoals wij het ook hebben gedaan tegen de duitse bezetting. En wat het verantwoording-vragen betreft, er is een speciale reden voor waarom de Wereldraad daarnaar niet vraagt. Er moet ook wel een goede reden voor zijn om dit goed kerkelijk gebruik te doorbreken. De reden wordt meestal aangeduid als de bereidheid tot overdracht van macht. Zodra het geld gegeven is, is het de verantwoording van de vrijheidsbeweging, hoe het besteed wordt. Voelt u mee, hoezeer deze mensen juist daarnaar verlangen. Dat is als een beker water aan een dorstige. Ze hebben niets, ze kunnen over niets beschikken, eigen verantwoordelijkheid is aan hen altijd en in alles onthouden. Daarom mag onze gave niet de zoveelste vorm worden om hen hun afhankelijkheid te laten voelen. Zo is dat nu in dit geval geen verantwoording vragen van de gelden, nu precies de manier waarop je als mensen in deze omstandigheden met elkaar behoort om te gaan.

Christus hier aanwezig?

Aan de Wereldraad wordt dikwijls verweten dat haar theologie de revolutie en de bevrijdingsbewegingen zou goedpraten met te zeggen, dat Christus er in aanwezig is. Daarom hebben velen onder ons een zekere afweer tegen het geven van de naam „Bevrijder” aan Christus. De titulatuur „Christus, de Bevrijder” zou inhouden, dat men Gods heilshandelen in Christus identificeert, met wat er in de revolutionaire vrijheidsstrijd overal gebeurt.

Nu meen ik me te herinneren, dat ook de synode van Dordrecht 1971-1973 eens heeft gezegd, dat overal waar het humanum, waar iets van menselijkheid zichtbaar wordt, Christus in enig opzicht aanwezig is. Dat is ook geen nieuwe gedachte. Vroeger spraken we over „algemene genade”.

In elk geval is het erg onbillijk aan „de” Wereldraad bovengenoemd verwijt te doen.

Christus is heel zeker in deze bewegingen aanwezig. Hij is Heer der geschiedenis, Matteüs 28.

Maar M.M. Thomas heeft in zijn openingsrede van de zendingsconferentie te Bangkok verleden jaar duidelijk uitgelegd, dat het er om gaat, dat Hij daarin tegenwoordig is als Bevrijder, Rechter en Verlosser. In het verband is het dan wel duidelijk wat hij bedoelt.

Zover er iets is in deze bewegingen van de strijd om het humanum, is Christus er in tegenwoordig als Bevrijder. Maar als ze ontsporen en vreselijke dingen doen is Hij er de Rechter, die ze oordeelt. En waar er van bekering sprake is, wordt Hij er de Verlosser.

Christenen erbij?

Omdat Christus als Bevrijder, Rechter en Verlosser in deze bevrijdingsbewegingen aanwezig wil zijn, dáárom behoren de christenen in Angola en Mozambique etc. in deze bewegingen te participeren; evenals de christenen in Canada moeten staan aan de kant van de Indianen, die opkomen voor de laatste hun overgelaten gebieden; en de christenen in Nederland aan de kant van de gastarbeiders, die opkomen voor menselijke levensmogelijkheden, ook in hun gezinsverband.

Christenen moeten in dit alles meedoen, omdat de strijd om vrijheid en recht anders niet leidt tot vrijheid, maar tot een nieuwe slavernij van een dictatuur of een totalitaire ideologie van welke aard dan ook. Niemand weet immers werkelijk, wat vrijheid en recht zijn buiten Christus om!

Als in de strijd om het humanum christenen dáárvan niet getuigen, wordt wat er in is van de nieuwe schepping, tot een nieuwe zondeval.

Dáárom ook moeten wij in het fonds van de Wereldraad participeren en moeten wij allen daarvoor bijdragen.

Want alleen als wij daarvoor bijdragen krijgen de christenen, b.v. in Angola, de kans om van Christus’ aanwezigheid te getuigen. Als onze synode deze bijdrage geweigerd zou hebben, zouden de vrijheidsstrijders tegen hun christen-combattanten zeggen: „Praat me niet over Christus, want jullie mede-christenen laten onze onderdrukkers hun gang gaan”.

Dit besluit tot bijdragen houdt dus de weg open voor het Woord, voor Christus. Met een besluit niet bij te dragen zouden we deuren voor het evangelie hebben dichtgeslagen. Om te beseffen hoe wij door mensen van ander geloof bekeken worden al naar gelang van onze positie-keuze in zulke zaken weet iedereen die in de zending of evangelisatie gewerkt heeft. Ik zou daar een dik boek over kunnen schrijven met voorbeelden.

Vandaar dan ook dat van de oud-zendingsarbeiders zovelen op deze dag op de synode aanwezig waren, ook de zeer ouden van de voor-oorlogse-zendingsgeneratie. Ze wisten, dat er iets heel belangrijks ging gebeuren; dat er iets ging gebeuren, waarbij iets op het spel stond van datgene, waaraan zij hun leven hadden gewijd: de verkondiging van Christus in de wereld! Hun aanwezigheid gaf een speciale dimensie aan de ernst van de beslissing. Hun komen alleen al maakte duidelijk, dat het niet ging om een terugdringen van de verkondiging door activisme, niet om een gebrekaan geloof in de kracht van het Woord en een eenzijdige nadruk op de dienst. Hoe zou het ook anders kunnen dan dat het ging om de openbrekende, vernieuwende kracht van Christus’ Woord: om daarvoor een geopende deur te geven.

Vaste bijdragen gevraagd

Daarom mag nu ook deze kas niet leeg blijven.

Opdat de weinige Indianen die aan de blanke uitmoording ontkomen zijn, niet nog meer vanwege ons zich afkeren van Christus.

Opdat niet nog meer gastarbeiders vanwege ons de naam van Christus lasteren.

Opdat niet nog meer vrijheidsstrijders gejaagd worden in de armen van een of andere anti-christelijke macht.

Maar: opdat alle verdrukten vanwege ons een geopend oor en hart krijgen voor de stem van de goede Herder.

In elke gemeente zal nu een instantie of een groep of persoon aan het werk moeten gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

Waarom het eigenlijk gaat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken