Bekijk het origineel

Dáár heb ik mijn best voor gedaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dáár heb ik mijn best voor gedaan

7 minuten leestijd

Toen dr J.C. Gilhuis, studiesecretaris van de Zending, in 1972 het feit herdacht dat hij veertig jaar predikant was, had hij op welver-diende lauweren kunnen gaan rusten. In plaats daarvan werd hij benoemd tot voorzitter van het nieuwe Centraal Orgaan van de Zen ding dat al de gemaakte plannen voor de organisatorische herstructurering moest gaan uitvoeren. Het was beslist geen ere-baantje, maar een taak die al zijn aandacht en al zijn tijd vroeg. Hij nam de benoeming voor twee jaar aan en op 31 oktober droeg hij de voorzit tershamer over aan prof. dr D.C. Mulder. Ook nu gaat hij nog niet geheel het leven van een geëmeri-teerde leiden. Gelukkig blijft hij redacteur van het zendingsblad. De redactie van ZD vond dat het tijd was om met hem een vraaggesprek te hebben.

U hebt 31 Oktober het voorzitterschap van het Centraal Orgaan voor de Zending overgedragen aan prof. Mulder. Maar hoe lang zat u toen al „in de Zending” met al die deputaatschappen en zo?

Nou, eigenlijk al sinds ik in Ooster-Nijkerk (Fr.), m’n eerste gemeente, kwam. Toen ik voor het eerst op de classisvergadering in Dokkum verscheen, kwam daar een oude dominee op me af met een gezicht van „dát komt goed uit”. Hij herinnerde zich kennelijk het friese spreekwoord: „de jongste bedelaar moet de korf dragen”, en zei dan ook: „ik heb een aardig deputaatschappie voor jou… de Zending!” Zo is het begonnen.

Dat was toen zeker wel een heel andere situatie dan vandaag?

Zeg dat wel, want ik herinner me nog dat ik via dit „friese” deputaatschap ook terecht kwam in het bestuur van een „Hollandsch-lnlandsche School” op Midden-Java. Dat bestuur zetelde in Friesland! Ja, ja…! Nou stelde dat niets voor… want we vergaderden sporadisch en nooit langer dan twee uur; kregen koffie met een enorm stuk „ald wief” (kantkoek) en een grote sigaar, en daar was het dan mee bekeken. Maar het idee alleen… een schoolvereniging op Java met een bestuur in Leeuwarden!

Dan zijn er sindsdien heel wat wissels gepasseerd! Wat is nu het scherpst getekend in uw herinnering achtergebleven? U hebt, meen ik, van meetaf na de oorlog deel uitgemaakt van de generale deputaten?

Ja… sinds ik door de synode van Zwolle-1946 benoemd werd, heb ik die hele ontwikkeling van dichtbij meegemaakt.

En wanneer je daar eens op terugziet, dan draait er een heel lange film af waar tal van markante dingen uitspringen. Maar dan toch altijd het scherpst uit de periode tussen 1946-1960: het Indonesië-conflict, de Nieuw-Guinea-kwestie, de geëmotioneerde besprekingen met de ar-politici… Dat was een moeilijke tijd.

In een kort interview valt dat natuurlijk niet allemaal na te gaan. Maar geeft u eens een momentopname.

Een momentopname… even denken… Ja, dan zie ik ineens die vergadering — begin 1947 — van de rotterdamse zendingsdeputaten weer voor me (daar heb ik ook nog een paar jaar in gezeten). Daar was ook ds Soedarmo aanwezig, de huidige dogmaticus van de Theologische Hogeschool in Djakarta, met wie ik al sinds z’n studententijd in Nederland bevriend ben. Hij zat hier voor z’n doctoraal en men had hem uitgenodigd om ook hem eens te horen over alles wat ons in de conflictsituatie tussen Nederland en Indonesië toen bezig hield. Daar werd hem dan ook gevraagd wat hij als christen nu dacht over het indonesisch nationalisme. Soedarmo zei toen dat men toch wel begrijpen kon dat hij als Indonesiër achter de rechtmatige verlangens van dit nationalisme stond en dat dit met de javaanse kerken niet anders was.

Nooit heb ik een ouderling zo zien ontploffen als de deputaat die na dit antwoord als een bulldog op Soedarmo afvloog en hem toebeet dat hij ook al met het communistische sop overgoten was.

Soedarmo verbleekte… en zweeg. Ongeveer in diezelfde tijd schreef deze wijze, integere Javaan een artikel voor ons zendingsblad over de ontmoeting tussen Oost en West, dat hij besloot met:

„De volkeren der wereld zijn bezig elkaar te ontmoeten in den strijd om het bestaan. Het is de heerlijke taak van kerk en zending om een gids te zijn naar de andere ontmoetingsplaats… bij Jezus.”

Maar die explosie is toch zeker wel een exces geweest?

Zeker, dat was het. Maar je voelt zo heel duidelijk de spanningen, die er toen leefden. Soedarmo was niet de enige, die dat „communistische” stempeltje opgedrukt kreeg. Verkuyl heeft er ook van geweten en velen met hem.

Lag het dan op de synode van Eindhoven 1948 niet heel anders? Daar is toch de zelfstandigheid van de kerken op Midden-Java unaniem erkend, en uitgesproken dat zij daar in het zendingswerk voorop moesten gaan en er de primaire verantwoordelijkheid voor hadden?

Inderdaad is dat erkend. Maar dat ging over kerkelijke zelfstandigheid. En ook dat bleek in Eindhoven nog een heet hangijzer te zijn! Dat unaniem genomen besluit was een gebedsverhoring. Want de spanningen die daar aan voorafgingen waren groot. Het verschil van politiek inzicht speelde daar ook sterk in mee. En nog jaren later (Nieuw-Guinea-kwestie, eind van de jaren 50) kwam je die spanningen steeds weer tegen. Ben van Kaam heeft dat in zijn „verhaal vooraf” bij het boek van Bruins Slot („…en ik was gelukkig”) heel knap weergegeven.

Dat was dus wel een van de zwaarste wissels die er gepasseerd zijn?

Stellig, hoewel… als ik denk aan de internationalisatie van de Zending, de knelpunten in de oecumenische samenwerking, het rassenvraagstuk, de ontwikkelingsproblematiek waarbij je betrokken raakt, dan heb je zo al een flink aantal hete hangijzers waar de zending niet omheen kan. Want die is nooit vrij-blijvend en nergens acceptabel als zij ook niet delen, niet meedenken en meelijden wil in de zorgen en spanningen van de partnerkerken met wie ze samenwerkt.

Maar laat ik daar nu verder maar niet over uitwijden, want dat zou misschien een heel verkeerde indruk kunnen wekken.

U denkt zeker aan wat Van Butselaar onlangs schreef in het zendingsblad over „zending met lange gezichten”?

Precies! Daar kreeg je bij Harrenstein trouwens de kans niet voor. Dat waren de meest blijmoedige vergaderingen die je kon meemaken. En dan met mensen er bij als Bavinck, Bakker (F.L.), Pos, Rullmann (sr), Meyerink, Wiersinga (H.A.) en Richters — om nu alleen enkele overledenen maar te noemen —. Dat leverde niet alleen discussies op van hoog niveau, maar ook een sfeer die je steeds weer deed denken aan dat woord uit de Psalmen: „het hart van wie de Heer zoeken, ver-heuge zich”. Zulke vergaderingen waren geen bezoeking, maar een bemoediging en een privilege om er in mee te mogen doen. En dat is ook in de samenwerking buiten eigen kring het geval geweest.

Hebt u daarom het laatste „missionair memorandum” dat u voor de gemeente schreef de titel „Over wonderen gesproken” meegegeven?

Ja, heel beslist. Ik ben er altijd van doordrongen geweest, dat de gemeente er recht op heeft, omdat zij er nu eenmaal niet dagelijks inzit zoals wij, dat je haar de problemen, waar we in de Zending mee te maken hebben, rustig en geduldig uiteenzet. Maar die gemeente mag nooit de indruk krijgen dat zij hiermee in een enorm proble-men-veld verzeild raakt, maar wel dat je met de Zending in een verrassend „wonderland” terecht komt. Dáár heb ik m’n best voor gedaan, juist omdat ik dat zelf altijd weer ondervonden heb. ¦

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

Dáár heb ik mijn best voor gedaan

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1974

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken