Bekijk het origineel

Van armenzorg tot dienstverlening (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van armenzorg tot dienstverlening (1)

9 minuten leestijd

Ze zeggen wel dat Delft, een stad is waar de kerkmuren hecht staan opgericht. Er mag aan worden toegevoegd, dat de wil, om op het vlak der maatschappelijke dienstverlening tot samenwerking te komen, in deze muren een bres heeft geslagen. Afgevaardigden van de Hervormde Gemeente, deGereformeerde Kerk, de Rooms-Katholieke Kerk en de Vereniging ‘Humanitas’ hebben langdurig overlegd teneinde te komen tot samenvoeging van hun bejaardenwerk, gezinsverzorging en algemeen maatschappelijk werk. Op 1 januari 1973 werden deze besprekingen bekroond met, de totstandkoming van de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Delft. Tengevolge van huisvestingsproblemen kwam het werk wat. moei zaani op gang, maar men had een veel belovend perspectief.

Op de hoek van de Schoolstraat werd in 1825 een Oude Mannen en Vrouwenhuis gesticht. Tot 1969 heeft de Hervormde Diakonie daar de scepter gezwaaid. In dat jaar werd het grootste deel van dat complex verkocht om te komen tot de bouw van een modern verzorgingshuis. Dit huis, ‘Marcushof’, ge bouwd in een nieuwe woonwijk, werd op 20 december 1969 geopend. Een deel van het oude complex bleef in diakonaal bezit. Na grondige restauratie kon het de Stichting Maatschappelijke Dienst verlening in huur worden aangeboden. Op 13 mei werd het officieel in gebruik genomen.

De opening van dit pand bleef nieteen op zichzelf staande zaak. Recht tegenover het bureau van de SMD ligt de regentenkamer van de voormalige Kamer van Charitaten binnen Delft. Tegen de tijd, dat de SMD haar deuren opende, dachten enkele diakenen: hoe kunnen wij daarop inhaken? Zo kwam in de Kamer van Charitaten een expositie tot stand onder de titel: ‘Van Armenzorg tot Dienstverlening’, waarop een deel van het rijke archief en tal van voorwerpen uit vervlogen tijden samen werden gebracht.

‘Kamer van Charitaten’

Van oude tijden af berustte in Delft de armenzorg bij de Heilige Geestkamer, een college waarvan de leden Heilige Geestmeesters werden genoemd. Met de komst van de Hervorming in 1572 kregen zij de naam Meesters van de armen. Naast hen traden in dat jaar nieuwe armenverzorgers op, namelijk de door burgemeesters van Delft aangestelde diaconen van de Gereformeerde (later Hervormde) gemeente.

Schout, Burgemeesters, Schepenen en Magistraten ‘van Godes wege opgeleyt ende bevoolen voor den regten armen en nootdruftige menschen sorge te dragen’ besloten in 1597 tot een nieuwe opzet van de armenzorg. De Heilige Geestgoederen werden overgedragen aan het Weeshuis der Gereformeerden, waarvan de Meesters van de armen werden aangesteld tot regenten. De diaconen ontvingen opdracht zich te beperken tot het bijeenbrengen van de gaven voor de armen tijdens de kerkdiensten en tot de zorg van armlastige gemeenteleden. De armenzorg voor de gehele stad werd in handen gelegd van de bij de ‘Ordonnantie op het onderhout der armen’ opgerichte Kamer van Charitaten, bestuurd door acht telgen uit Delftse regentenfamilies, de zogeheten Meesters van Charitaten.

De ordonnantie, gepubliceerd ‘met de groote kloeke van ’t Stadhuis op den 13e December A° 1597’, werd uitgevaardigd, omdat ondanks ‘verscheyde plakkaten het getal der bedelaren, vagebonden en lediggangers niet verminderde, maar dagelijks groter werd, niet alleen tot grooten last van de Burgeren ende inwoonders der voorsz. Steede, maar ook tot groot nadeel van den regten armen ende nooddruftige mensche dien de aelmoessen daardoor worden onttoogen’.

De meesters stonden voor een inmense opgave. De overheid, nauw betrokken bij de Kamer, zon op wegen om zowel mankracht als financiën te versterken. Zo werd op 25 februari 1614 besloten tot een combinatie van Kamer van Charitaten en Diakonie. De groep van acht regenten werd uitgebreid tot twaalf en aan deze twaalf werden acht diaconen toegevoegd.

De sfeer tussen meesters en diaconen was niet altijd prettig. Enerzijds was er de opgedrongen combinatie, anderzijds de nogal hooghartige houding der meesters tegenover de diaconen. De overheid hielp daaraan een handje mee, want men wilde graag de armenzorg aan zichzelf houden. De invloed der kerk, meende zij, moest zo klein mogelijk worden gehouden. Op 9 mei 1614 werd bepaald: ‘voortaan sullen uit de diaconen niet meer dan vier personen (tegen twaalf meesters) compareren op de vergadering van de Kamer van Charitaten’. Een jaar later bleek zelfs vier nog te veel en werd het getal op twee gesteld. In 1625 brak het licht enigszins door en werd bepaald dat. ‘het getal egaal sal zijn, dal is zes en zes’. Het.duurde echter nog tien jaar aleer er sprake was van vrede tussen de heren der barmhartig heid.

Inkomsten

De medewerking van deoverheid stelde do Kamer in staal om de financiën veilig te stellen. Tal van maatregelen werden getroffen om de inkomsten te vergroten. Zo kende men het recht van het opperste kleed, de opbrengst van de publieke verpachting van de stadsstille putten, marktgeld van aangevoerde beesten, accijns van de vleeshal, kosten voor het begraven in de kerk (‘ƒ 3,— voor elk lijk’), trouwen op het stadhuis, godspenningen van de koopmanschappen, jaarlijks drieduizend gulden van het Weeshuis en tweeduizend gulden van het Gasthuis, legaten en testamenten kortom, van alle kanten kwamen de guldens binnen. Daarbij kwam de aanzienlijke opbrengst van de jaarlijks te houden ‘collecte met de schaale’.

Recht van het opperste kleed

Eén van de bronnen van inkomsten van de Kamer van Charitaten was het door de stedelijke overheid bij decreet van 24 september 1613 ingestelde recht van het opperste kleed. Van alle binnen Delft en haar vrijheid overledenen moest het opperste kleed (beste kleding) worden overgedragen aan de Kamer. Deze klederen kwamen de bedeelden ten goede. De maatregel had niet de instemming van alle ingezetenen. Kort na het overlijden van een bloedverwant zag men diens kleding dragen door iemand wien het door de Kamer was geschonken. Erfgenamen, die het opperste kleed niet wilden al staan, konden liet. kleed redem leren (loskopen). De afkoopsom mocht de ƒ 100,— niet te boven gaan, hoewel er verscheidene redempties zijn gedaan met aanzienlijk hogere bedragen. De administratie geschiedde in de Opperste kleed boeken. Het recht werd in 1795 afgeschaft.

Kerstcollecte ‘met de schaale’

De eerste collecte ‘met de schaale’ werd gehouden op 30 november 1597. Tot 1613 geschiedde dat onregelmatig. Daarop bepaalde de Magistraat ‘dat er op verscheiden tijden, na den nood der armen soude vereisschen, aan de goede luijden haer deuren aelmisse met de schaak; soude werden versa melt’. Twee de Kerstdag, ‘Christdagh’, is in 1619 de collectedag geworden en dat is tot 1940 zo gebleven. De collecte door de gehele stad duurde een groot uur en werd ‘solemnelijck’ (plechtig) gedaan door 18 Veertig Raden (leden van de vroedschap), bijgestaan door kwartiermees ters, uit elke stadswijk één. Jongens uit het Weeshuis en later jongens uit het Charitaathuisgingen voorop om de klopper te laten vallen aan die huizen, waar een gift kon worden verwacht. De collecte werd wel genoemd ‘de bede met de belle’, omdat bij de aankondiging ervan een bel werd geluid. Bekend is, dat nog in 1857 deze collecte door leden van de vroedschap werd gehouden. Later namen diakenen, bijgestaan door het College van Collectanten en geholpen door schooljongens, dit werk over. De schooljongens, voor deze assistentie opgeroepen door de Vader van het Rusthuis, in welk gebouw de collecte werd geteld, ontvingen als beloning elk een kersttimp en een kwartje. Voor diakenen en collectanten had de Moeder van het huis een stevige erwtensoep bereid. In 1940 kwam een einde aan een traditie van ruim 300 jaar. Dat deze collecte aansloeg bewijst wel de lijst, der opbrengsten — met name in de 18e eeuw lag de opbrengstmeestalbovende ƒ 10.000, —.

Stadsstille putten

Stille putten waren plaatsen, gelegen buiten de Oostpoort, waar de burgers hun huisvuil konden deponeren. Op bepaalde tijden werden deze putten door de regenten van de Kamer van Charitaten verhuurd. De opbrengst kwam ten goede aan de armenzorg. Pachters, die wel een handeltje zagen in het afval, waren verplicht de putten en bakken goed te onderhouden.

De klachttafel

In de Regentenkamer staan nog steeds twee tafels. Eén daarvan is de klachttafel. Rond deze tafel zaten meesters en diaconen om de klacht der armen aan te horen. Op de eerste woensdag en zaterdag van de maand werden de ordinaire (gewone) klachtvergaderingen gehouden waartoe de bedeelden werden opgeroepen. Betrof het een gezin, dan moest het gehele gezin voor de tafel komen.

Voor menige arme is dat een zware gang geweest. Een deel van de poten van tafel en stoelen is afgezaagd. Dat geschiedde door enkele ‘progressieve’ diakenen in de beginjaren van de 20ste eeuw. Oorspronkelijk was het geheel hoger, zodat de bedeelden moesten opzien tot hun weldoeners, terwijl zij zodoende geen blik konden werpen op de administratieve bescheiden. Daaronder behoorde het bedienboek, waarin de namen van bedeelden en hun bedeling werden genoteerd. Men kende woensdagen zaterdag bedienboeken, die alle nog in het archief aanwezig zijn. Een blik langs de indrukwekkende rijen boeken doet ons beseffen, welk een groot deel van de Delftse bevolking voor de klachttafel heeft gestaan.

Bedeling

Delft was destijds verdeeld in zes kwartieren of wijken. In elke wijk droegen een meester en een diacoon de verantwoording voor minvermogenden. Behal ve de klachtvergaderingen kende men het gebruik van klachtdagen. Vóór de ordinaire vergadering der Kamer kon men zich vervoegen ten huize van de meester of diacoon in de betrokken wijk, alwaar men zijn nood kon klagen. Er was dus ruimte voor een persoonlijk gesprek. Was de regent voldoende geïnformeerd, dan bracht hij de zaak op de vergadering ter sprake, waarbij de verzoeker om hulp persoonlijk aanwezig diende te zijn. Was de nood zó hoog, dat niet kon worden gewacht tot de eerstvolgende vergadering, dan waren de regenten bevoegd ondersteuning te verlenen buiten de vergadering om. In het geval ‘datsommige alleen maar met een broot ofte twee geholpen zijn, zoo heeft ijder Regent des soomers alle weeken 16 ende des winters 32 brooden, omme daarvan na goedvinden sondereenige rekenschap te geven uijtdeelingh te doen’. Wekelijks ontvingen de armen het hun toegewezen deel. ’s Woensdags de ‘geineenearmen’, ’s zaterdags ‘deledematen, roomsgesinden als andere’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1975

Diakonia | 48 Pagina's

Van armenzorg tot dienstverlening (1)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1975

Diakonia | 48 Pagina's

PDF Bekijken