Bekijk het origineel

Ombuiging van de economie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ombuiging van de economie

17 minuten leestijd

Reeds is ter sprake gekomen hoe mens en schepping, hoe wij en de aarde door God op elkaar zijn aangewezen. De mens die zelf uit de aarde genomen is — de aardman — wordt tegelijkertijd er door zijn Maker op aangesproken, hoe hij met deze aarde, deze wereld omgaat. Van een grenzeloze uitputting van de aarde kan geen sprake zijn. Als God tegen de mens zegt, dat hij van alle vruchten van de aardbodem eten mag dan ligt daar tevens een wenk aan de mens in besloten, om dat wat vruchten voortbrengt, te respekteren. De God van de mens is ook de God van de bomen, de vissen, van de jonge zeehonden en van de lieveheersbeestjes.
Zijn regenboog staat over hen allemaal. En wat Hij aan grondstoffen in de aarde heeft neergelegd — dat moet voor de mens als een kapitaal zijn, waaraan hij de zorg van een rentmeester besteedt. Met talenten moet je zorgvuldig omgaan — vooral wanneer het talenten van een Ander zijn. Ook hebben wij gezien, wat er van de vervulling van die taken terecht gekomen is. De stijl, waarmee wij als westerse mensen met de aarde zijn omgegaan, is veeleer die van de grenzeloze uitputting dan die van het zorgvuldig beheer. Daarachter schuilt iets van de hoogmoed van ons, westerse mensen; de hoogmoed namelijk van het streven om onszelf en onze samenleving omhoog te stuwen door strijd te leveren tegen de natuur en tegen alle natuurlijke barrières. Zo komt de aarde, de natuur, niet naast ons, maar tegenover ons te staan; zo gaat ze dienen als voorwerp, als oefenmateriaal om door ons bij de verwerkelijking van onze vooruitgangsidealen te worden gebruikt. Zo vecht zich de mens een weg terug naar het verloren paradijs — wat hij op die manier echter nooit bereiken zal.
Wij zijn bezig stuk te lopen in ons grondstoffenbeheer — of liever in ons gebrek aan grondstoffenbeheer. Hetzelfde kan gezegd worden van onze omgang met het levensmilieu. Wat Paulus eens schreef aan de Romeinen, nl. dat de gehele schepping vanwege ons zucht en steunt, en reikhalzend uitziet naar het openbaar worden van de zonen Gods (wie worden hier anders aangesproken dan wij?), krijgt in onze hedendaagse milieuvernietiging een van zijn meest schrille illustraties. Wanneer door ons toedoen vele diersoorten uitsterven, is dat een al of niet bewuste vorm van wanbeheer, een niet genoeg willen hebben aan de vruchten van deze schepping. De wereldoceanen zijn nu reeds bedekt met een vliesje olie van 0,1 mm dik; biologen vertellen, dat een olielaag van 1 mm ruimschoots voldoende is om de levensketens in de oceanen fundamenteel bij de zwakste schakel te verbreken.
Er zijn veel mensen, ook wetenschapsmensen, die deze problemen met een luchtig gebaar wegwuiven. Hun stelling is, dat heus wel tijdig de noodzakelijke technische of wetenschappelijke uitwegen gevonden zullen worden. Maar hun aantal is slinkend. Dat is ook niet verwonderlijk, wanneer we bedenken, dat al deze problemen in een direkt onderling verband tot elkaar staan. Willen we b.v. het grondstoffenprobleem nu eens stevig gaan aanpakken, zowel door nieuwe ontginningen als door de aanmaak van nieuwe vervangende kunststoffen — dan kan dat, maar dan moeten we ons niet erover verbazen, dat dit langs indirekte weg zowel het energieprobleem als dat van de milieuverontreiniging vergroot. En wanneer we aan de 'milieukant' beginnen, wordt onherroepelijk in bepaalde opzichten het grondstoffen- en energievraagstuk weer nijpender. De grondstoffen-, energie- en milieuproblemen grijpen op elkaar in. Als natuurontginnende mensen stoten we ons a.h.w. tegelijkertijd aan diverse randen en barrières. Deze wereld lijkt voor ons, aardbestormers, te beperkt te zijn.

Twee reacties
In zo'n situatie zijn met name twee reacties mogelijk. De eerste — die ons ook het meest na ligt — is die van het ondanks alles toch maar dóórzetten; de reactie van het er op wagen dat alles toch nog wel op z'n pootjes terecht zal komen. En als dat niet gebeurt? Wel, dat is een mogelijkheid waarin wij, beperkte mensen, nu eenmaal niet kunnen voorzien. Dan ligt dat aan de wereld, die in feite te begrensd is, die in feite te weinig naar onze maat is gesneden. Een gevaarlijk argument is dat wel: het ligt maar één duimbreed af van een verwijt aan de Maker van deze wereld. Het doet denken aan het verwijt, dat het volk Israël eens aan Mozes toe schreeuwde, toen het zich aan alle zijden ingesloten wist: Heb jij ons misschien hier gebracht om ons te laten omkomen? Heeft God misschien een wereld geschapen om ons er doelbewust op te laten vastlopen? Een schijnvariant van deze denkkrant is deze, dat we er op rekenen, dat onze Schepper het met ons niet zo ver zal laten komen — en dat dan vervolgens terugvertalen naar het heden: we kunnen rustig voortgaan met wat we doen, want Gods voorzzienlgheid zal niet toestaan dat we in een situatie terechtkomen, waarin alles is opgebruikt en wij in ons eigen afval omkomen. Er zullen heus wel tijdig nieuwe oplossingen dagen; laten we daarom onbezorgd voortgaan.

Er is echter ook een andere, een tweede reactie mogelijk. Dat is de reactie die toe wil naar de wortels van de problemen, die teruggaat naar het pijnlijke punt van het mogelijk-foute begin. Met name van christenen mag deze reactie worden verwacht. Want God heeft geen wereld gemaakt die zo begrensd is, dat wij er wel op móeten vastlopen. Hij heeft een goede wereld geschapen — dat wil zeggen: een wereld waarin het goed te leven is voor mensen en volkeren, die verantwoordelijk willen zijn. Zijn schepping is als het ware afgestemd op een wijze van beheer als van rentmeesters. Zij is er niet op afgestemd om een voorwerp van grenzeloze uitbuiting te zijn. Daarom is het ook niet zo bijster verwonderlijk, dat wij nu blijken of lijken op verschillende punten te gaan vastlopen. Dat ligt namelijk niet aan de begrensde wereld, maar aan onze onbegrensde onderwerpingsdrang. De wortel van het probleem schuilt niet hierin, dat deze begrensde wereld niet naar onze maat is gesneden, maar dat wij onvoldoende in deze wereld aan onze eigen maat, aan de maat van het rentmeesterschap, toegekomen zijn.
Uiteraard heeft dit ook z'n betekenis voor onze visie op het bevolkingsvraagstuk. Evenmin als de aarde er op is afgestemd om een voorwerp te zijn voor een onbegrensde economische exploitatie, is ze er op afgestemd om een onbegrensde voortplanting van het menselijk geslacht mogelijk te maken. In het boek Genesis wordt dan ook door de Heer de menselijke voorplanting (als mandaat aan de mens) gebonden aan een grens en een zin, namelijk het vervullen van de aarde. Anders gezegd: evenals de economische en technische mogelijkheden van deze schepping geheel en al zijn aangelegd op hun verantwoord beheer en gebruik, geldt dat ook van de gave van de sexualiteit. En gelet op het geleidelijk vervuld raken van de aarde, wijst een verantwoord gebruik van die gave eerder op de opdracht, het menselijk geslacht in stand te houden dan het nog aanmerkelijk uit te breiden.

Wijzelf verantwoordelijk
Vanuit de gedachte van het rentmeesterschap valt bij de hedendaagse grondstoffen- en milieucrisis dan ook allereerst af te leiden, dat de God van deze aarde ons ook vandaag voor het beheer daarvan tot en met verantwoordelijk houdt. Zo gezien zijn de crises evenzovele signalen, dat wij kennelijk op deze wereld op een verkeerde manier aan het huishouden zijn. Dan zullen we op weg moeten naar een andere levensstijl. Niet omdat de bestaande stijl om 'redenen van buiten' niet langer op deze beperkte wereld te handhaven is, maar omdat er zich in de kern van die levensstijl-zèlf verkeerde, niet-verantwoorde trekken hebben vastgezet.
Dat wijzelf inderdaad hieraan schuldig zijn, blijkt onder meer uit de waardering van zowel arbeid als goederenbezit, die in onze westerse wereld gemeengoed is. In dit westen hebben we sinds jaar en dag het economisch leven geplaatst in het perspectief van het verkrijgen van een zo groot mogelijk nut voor een zo groot mogelijk aantal mensen. En dan wel zo, dat daarbij de menselijke arbeid veelal is gezien als een vorm van onnut, dus van een zoveel mogelijk te vermijden inspanning, terwijl het nut Is vereenzelvigd met het verkrijgen van een zo groot mogelijke hoeveelheid van consumptiegoederen.
Daaruit is een samenlevingsstructuur gegroeid waarin we a) pogen arbeid zoveel mogelijk te laten overnemen door machines, óók wanneer de arbeid zelf daardoor steeds meer ontmenselijkt — en b) arbeid en machines zó kiezen, dat een maximale stroom van consumptiegoederen er het gevolg van is. Zo, op die manier, wordt immers het grootst mogelijke 'nut' voor ons allen bereikt? En als iets 'nuttig' is, is het immers ook 'goed'?
Nu we echter thans in onze westerse samenleving met de gevolgen van deze levenshouding te maken hebben — zowel in de vorm van vaak onmenselijke arbeidsmethoden, als in de vorm van milieuverstoring en grondstoffenuitputting — is er eens te meer reden om ons af te vragen, of het niet onze eigen levenshouding is, die ons mede dit oordeel bezorgt. Zullen we niet opnieuw moeten leren, dat het ook in het economisch leven niet om nut, maar om sjaloom zal moeten gaan? Want sjaloom wijst heen naar vrede, en naar een verzadigd worden met goederen, in plaats van de eeuwige honger naar meer. Het wijst ook heen naar arbeid die zinvol is, omdat er iets van het verantwoordelijk mee-scheppen en mee-vormen met de Schepper van hemel en aarde in is opgenomen. Ons echte geluk en dat is wat anders dan nut — is meer gediend met een genoeg aan goederen dan met een teveel, en is meer gediend met arbeidverrijkende dan puur arbeidbesparende technieken.
Wat voor de menselijke arbeid geldt, geldt ook voor onze stijl van consumeren en distribueren. In al deze levensvormen hebben zich ongetwijfeld elementen van wanbeheer, verkwisting onbarmhartigheid genesteld; elementen, die ons eerder van het persoonlijk levensgeluk verwijderen dan dat zij er toe bijdragen.
Het zijn elementen, die — dit moet er onmiddellijk bij worden vermeld — door ons op het eerste gezicht vaak niet of nauwelijks als een tekortkoming van onszelf worden ervaren. Wij zien het als tekortkomingen van b.v. het maatschappijsysteem, waartoe wij allen behoren. Wij zijn namelijk steeds geneigd onszelf zo veel mogelijk buiten schot te laten, en het kwaad geconcentreerd te zien in iets, wat toch ten diepste buiten ons hart en onze eigen levenskeuze omgaat.

Economische dwang en economische vrijheid
Nu moet stellig worden gezegd, dat in bestaande maatschappelijke systemen een wezenlijke barrière ligt voor het komen tot verantwoorde gedragingen. Toegespitst op de economische orde waarin wij leven kan worden gezegd, dat die orde inderdaad in veel opzichten dichter staat bij de éérste reaktie waarover wij spraken — die van het onbeperkte voortgaan met economische expansie en technologische exploitatie — dan bij de tweede reaktie, die van het verantwoord rentmeesterschap van elkeen die in en bij deze economische orde betrokken is. Rentmeesterschap wil immers zeggen: eerst dat doen, wat je schuldig bent aan je naaste, wat nodig is voor het behoud van de natuur en dan pas toekomen aan de vraag, wat er voor onszelf aan economische groei en omzetvergroting, en dan pas toekomen aan de vraag, of we nog wat voor ontwikkelingshulp willen missen, inhoeverre we nog wat kunnen doen aan de schade die daardoor aan de natuur om ons heen is aangericht.
In die stijl zijn wij gewend geraakt te consumeren en te produceren; en vele reclame-uitingen gaan ons in die stijl ook voor. In die stijl streven ook veelal ondernemingen naar afzetgroei, vakorganisaties naar inkomensgroei, en consumenten naar welstandgroei. Daarom staat de economische orde, waarnaar wij zo graag met een scheef hoofd verwijzen, dichter bij onszelf en wat ons ten diepste beweegt dan wij vaak onszelf en elkaar willen toegeven. Maar die economische orde is er, en ze leeft als het ware vanuit haar eigen bezieling, nu wij onze geest op haar hebben gelegd. En dat betekent, dat een omkeer naar een andere economische werk- en levensstijl allerminst een sinecure is. Het vliegwiel werkt als het ware in de andere richting. Toch zal dat ons niet moedeloos mogen maken. Want evenals de huidige economische orde met haar drang tot uitbreiding geest is van onze geest — kan het niet anders, of bij een andere gerichtheid van onze eigen werken levensstijl gaan zich ook wijzigingen in de economische orde voltrekken en/of in de economische processen, die zich in die orde afspelen.
Een enkel simpel voorbeeld kan dat duidelijk maken, aansluitend bij wat ook praktische ervaring is. Van consumenten wordt verondersteld, dat zij bij de vergelijking van de aangeboden producten alleen letten op de prijs, en op de kwaliteit zoals die hen wordt aangeprezen. Maar wanneer nu een deel van de consument, en daartoe voorgelicht door b.v. consumentenorganisaties of vrouwenorganisaties, andere faktoren mee een rol laten spelen in hun consumptiegedrag — en er b.v. blijk van geven, iets meer te willen betalen voor produkten, die met minder milieuverontreiniging zijn voortgebracht, en waarbij is gemikt op zo lang mogelijke levensduur? Wel, dan kan het niet anders, of dat gaat het aanzijn geven voor de opkomst en uitbouw van een deel van het bedrijfsleven, dat daarop inspeelt. Want die vorm van bedrijvigheid is ineens meer rendabel geworden. Consumeren en verantwoordelijkheid dragen horen bij elkaar — ook al lijkt heden ten dagen vaak het omgekeerde tot de hoogste wijsheid te behoren. Wanneer 10% van de Nederlandse consumenten 2 cent per ei over heeft voor het waarmerk, dat de eieren afkomstig zijn van kippen die niet zijn opgesloten in legbatterijen — wel, dan ontstaat ook bij diverse boeren de animo, om dienovereenkomstig op een andere produktiewijze om te schakelen. En wanneer 20% van de Nederlandse huisvrouwen er blijk van geeft, fosfaatvrije wasmiddelen duidelijk te verkiezen boven niet fosfaatvrije, ook al wordt de was daar iets minder wit door — dan stimuleert dat wasmiddelenfabrikanten hun research wat minder te richten op de aanmaak van milieuvervuilende superwitmakers superwitmakers, en wat meer op de productie van een milieuvriendelijk product. En denkt u, dat de inkoopafdelingen van de grootwinkelbedrijven het zich niet aan zouden trekken, wanneer diezelfde 20% van de Nederlandse consumenten blijk zouden geven rekening te houden met de vraag, in welk deel van de wereld en onder welke omstandigheden hun koffie, thee en bananen zijn geproduceerd?
Consumeren — dat is het gebruiken van een onvermoed krachtig wapen, waarvan het een sport zou kunnen zijn, het zo goed en verantwoord mogelijk te hanteren. Consumeren — dat betekent de ene vorm van bedrijvigheid aanwakkeren, en de andere afremmen. Zou het zo hanteren van dit wapen ons niet veel meer voldoening geven dan onze afgeplatte consumptiestijl dat op dit ogenblik doet? Waarom zouden wij b.v. wél in het politieke leven van onze stem gebruik maken om mee richting aan te geven, en dat met onze economische stem — ons besteedbaar inkomen, niet doen, maar klakkeloos de steeds suggestiever wordende reclame volgen? Misschien zou een afschaffing van de STER-reklame op de televisie een van de wegen kunnen zijn, waarlangs onze hedendaagse consumptiestijl althans gedeeltelijk van afgeplat ondoordacht handelen zou worden bevrijd.

Het argument van de onmogelijkheid
Een argument, dat het in het algemeen goed doet, is dat van de onmogelijkheid nieuwe, andere wegen in te slaan. Een bekend betoog is bv. het volgende: wanneer een belangrijk deel van de consumenten eenvoudiger zouden gaan leven, bewuster zouden consumeren, wegwerpgoederen meer zouden mijden, enz. — dan zou de onmiddellijke weerslag daarvan een toenemende werkloosheid zijn. Want ons maatschappelijk bestel is nu eenmaal ingesteld op zowel een jaarlijks stijgend inkomen als een jaarlijks toenemende consumptie. Zakt die in, dan verliezen bedrijven hun afzet, en treedt onherroepelijk een vergroting van de werkloosheid in. Met andere woorden: U kunt het wel willen, maar het gaat niet. Het is een redenering, waarop wel het een en ander aan te merken is, maar die toch een reëel probleem oproept. Want, zoals reeds is opgemerkt: het vliegwiel van onze samenlevingsorde werkt inderdaad in de richting van een onverkorte toeneming van onze expansie. Er zullen dus ongetwijfeld bepaalde moeilijkheden ontstaan. En die moeilijkheden zullen des te groter zijn, naarmate de veranderingen in onze stijl van produceren, consumeren en distribueren fundamenteler zijn en zich in korte tijd zouden voltrekken. Een eenvoudiger en critischer consumptiestijl, gepaard gaande met een productiestijl, die anders gericht is t.a.v. milieu en grondstoffenverbruik, en waarin kwaliteitsproduktie het gaat winnen van kwantiteitsproduktie — dat zijn zaken, die wèl het een en ander in beweging zetten. Toch moet worden gezegd, dat de zorg voor een scherpe toeneming van de werkloosheid hier stellig niet de boventoon behoeft te voeren.

Veeleer is het zo, dat de huidige hoge werkloosheidscijfers er bv. een teken van zijn, dat wij juist niet op de oude voet kunnen doorgaan! Want die hoge werkloosheid komt met name voort uit een te snelle vervanging van arbeid door kapitaal (onze machines), en die te snelle vervangging is op haar beurt weer in de hand gewerkt door zeer snelle loonkostenstijgingen. Het is derhalve onze 'oude' levensstijl, in de zin van een voortdurende jacht naar meer, die aan de huidige werkloosheid wel eens mede schuldig zou kunnen staan.

Maar bovendien mag niet worden vergeten, dat die eventueel nadelige effekten van een eenvoudiger levensstijl aanmerkelijk minder kans hebben naarmate de overheid beter op deze veranderingen inspeelt. Indien er bv, een stuk 'consumptie-uitval' plaats vindt, omdat de consumenten tot een milieu-kritischer en eenvoudiger consumptiepatroon overgaan — wat ligt er dan meer voor de hand dan dat de op deze wijze vrijkomende productiemogelijkheden worden aangewend voor voorzieningen op het gebied van milieuzuivering en het opnieuw igebruiken (terugwinning) van grondstoffen? Wat aan 'werk' wegvalt in de ene sector van het bedrijfsleven, ontstaat zo in de andere, in de 'milieu'- sector. En indien de productiestijl een scherper accent verkrijgt in de richting van kwaliteitsproductie, zouden ook wel eens arbeidsmogelijkheden in het productieproces kunnen terugkomen, die wij niet meer voor mogelijk hielden; arbeidsmogelijkheden die niet alleen de zorg voor werkloosheid verminderen, maar bovendien een vorm van arbeid inhouden, die meer menswaardig is dan van veel arbeid in sterk gemechaniseerde productieprocessen kan worden gezegd.

Maar hiermee komt in plaats van de zorg voor toenemende werkloosheid wel een andere zorg meer centraal te staan. Want indien inderdaad een groter deel van onze productieve mogelijkheden besteed gaat worden aan milieuzuivering, en indien daarnaast in de productieprocessen — zélf de kwaliteitsproductie meer accent krijgt, en hier en daar zelfs een stuk ontmechanisering gestalte krijgt — dan zijn dat allemaal ontwikkelingen, die maken dat er in totaal minder verkoopbare producten worden voortgebracht dan anders te voorzien zou zijn geweest. Maar zullen wij dat wel nemen — arbeiders, beambten, ondernemers? Of handhaven we dan de eis, dat ons 'reële' inkomen tenminste even snel moet blijven doorgroeien als tot nu toe het geval is geweest?

Willen wijzelf?
Indien dat laatste zich voltrekt — dus dat wij allen niet van ons financieel vooruitzicht op een stijgend inkomen willen afstappen — dan is de slag verloren nog voordat die eigenlijk begonnen is. Want u begrijpt wat er dan gebeurt: dan worden in de winkels en op de markten minder produkten aangevoerd, maar dan komt daartegenover een op geen enkele wijze verminderde vraag naar die produkten te staan. En als de vraag groter is dan het aanbod, gaan zoals u weet de prijzen stijgen. Een versterkte neiging tot inflatie — dat is, wat ons hier met name, en meer dan een mogelijke werkloosheidsdreiging, met zorg vervullen moet.
Maar uit de beschrijving van de manier, waarop die inflatie, die extra prijsstijging, kan ontstaan, is hopelijk tegelijkertijd duidelijk geworden, dat die niet als een onontkoombaar noodlot op ons valt. Nee, die extra inflatie ontstaat pas, wanneer wij als inkomenstrekkers niet de consequenties willen trekken uit wat we als consument begonnen zijn; of, met andere woorden, wanneer we wél wat kritischer en soberder willen consumeren, maar toch eigenlijk daaruit niet de conclusie willen trekken, dat we dan ook wel wat minder behoeven te verdienen. Inflatie ontstaat, wanneer mensen en samenlevingen onder de consequenties van hun eigen handelen uit willen. Zo komt ook hier weer tot uiting, dat het onze eigen levensstijl is, die beslist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 1975

Kerkinformatie | 28 Pagina's

Ombuiging van de economie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 1975

Kerkinformatie | 28 Pagina's

PDF Bekijken