Bekijk het origineel

Teleurstelling en hoop bij brief van dr. Wiersinga

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Teleurstelling en hoop bij brief van dr. Wiersinga

13 minuten leestijd

Ook de nieuwe synode van Maastricht zal weer rapporten te bespreken krijgen over de omstreden opvattingen van de Amsterdamse studentenpredikant dr. H. Wiersinga inzake de leer van de verzoening. De in maart geëindigde synode van Haarlem besloot namelijk een brief, die zij ontving van dr. H. Wiersinga (en die wij in dit nummer van Kerkinformatie volledig publiceren) ter behandeling over te dragen aan de volgende synode. Deputaten werden benoemd om deze synode van advies te dienen.
De brief van dr. Wiersinga is een antwoord op de brief, die hij in november 1974 van de generale synode kreeg (en die wij publiceerden in Kerkinformatie nr. 42). De synode constateerde dat in dr. Wiersinga's antwoord passages voorkomen die haar teleurstelden, dat echter andere haar hoopvol stemden en dat de brief de synode voor vragen stelde, die nadere opheldering vereisen. De Haarlemse synode had echter geen tijd meer om tot een bezonken beoordeling van de brief te komen.
Dit tijdsgebrek gold ook voor het rapport dat de synode van Haarlem een paar dagen voor de sluiting nog ontving van de commissie, die in opdracht van de synode, met dr. Wiersinga sprak. Deze commissie werd gevormd door dr. H. N. Ridderbos, dr. J. Verkuyl en dr. A. Kruyswijk. Deze commissie vroeg, na haar gesprekken, aan dr. Wiersinga de volgende verklaring te willen ondertekenen:
'Ik ben voorshands niet overtuigd geworden, dat naar de boodschap van het evangelie Christus in onze plaats het gericht van God heeft gedragen, zodat Ik mij op grond daarvan zou moeten onderwerpen aan het oordeel van de kerk.
Anderzijds ben ik, mede met het oog op hetgeen ik bij mijn ambtsaanvaarding beloofd heb, van harte bereid de belijdenis van de kerk en het daarin uitgedrukte geloof van de gemeente ten volle te eerbiedigen, in die zin, dat Ik mij in mijn ambtelijke arbeid niet alleen strikt onthouden zal van iedere opzettelijke bestrijding van hetgeen de synode als haar belijdenis van de verzoening heeft uitgesproken en die laatstelijk in het Eenparig Geloofsgetuigenis met haar instemming is vertolkt, maar dat ik ook, zoveel als mij In goede conscientle mogelijk is, in mijn prediking en leer aansluiting zal zoeken tussen hetgeen voor de kerk en hetgeen voor mij de kern en het hart van de boodschap der verzoening is. En ik verklaar dit met te meer vrijmoedigheid als ik al datgene in aanmerking neem, waarin de synode verklaard heeft met mij inzake de leer der verzoening samen te stemmen.
Mijnerzijds ben ik gaarne bereid mee te werken aan een diepere studie van de exegetische en dogmatische vragen die rondom de leer van de verzoening om nadere overweging vragen.'
Tegen deze verklaring had dr. Wiersinga echter bezwaren. Hij was namelijk van mening (en hij schrijft dat ook in zijn brief) dat zijn opvattingen niet ingaan tegen de wezenlijke inhoud van de belijdenis, maar dat er slechts sprake is van een andere voorstelling van de realisering der verzoening, dan die welke in de belijdenisgeschriften wordt aangetroffen. Ook kon hij niet toezeggen dat hij in z'n ambtsbediening zich strikt zou onthouden van iedere opzettelijke bestrijding van wat hem door de synode mede als de onopgeefbare inhoud van de belijdenis der verzoening is voorgehouden. Hij wil (zie de brief) zijn visie niet 'door-drijven', maar wil er ook niet zonder meer over zwijgen.
bevrijdend en vernieuwend aan ons mee. Noch voor het gerust inslapen bij de dood, noch voor de 'lange adem' die wij voor dit leven met zijn haast hopeloze inspanningen behoeven, zijn we aangewezen op eigen, op zichzelf staande kracht. We zijn aangewezen op het ons genadig geschonken verbond met de Heer. Met een deel van de gemeente ben ik bezorgd voor een voortgaande 'horizontalisering' van onze activiteiten. Ik zou onze christelijke dienst graag in het kader zien van de blijvende, voortgaande relatie tussen Christus' Geest en ons.
4. Uiteraard dient ook het gerezen en gebleken verschil te worden genoemd; Alleen is niemand gediend met een te zware accentuering daarvan.
Het verschil tussen de synode en mij ligt in de manier waarop wij ons de verzoening door Christus moeten voorstellen. De verzoening-zelf bleek niet in geding, maar de wijze waarop deze tot stand komt (vergelijk overweging 5 van 7 juni 1974).
De belijdenisgeschriften leggen er de nadruk op dat Christus door God beladen werd met diens toorn tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht, dat God van Hem volkomen 'genoegdoening' vroeg voor de door de mensheid gemaakte schuld en straf, en dat Hij door God getroffen werd met het gericht dat ons zondaars behoorde te treffen. In deze visie keert de Vader zich tegen de Zoon in de duisternis van Golgotha. Zoals ik het nu zie, meen ik de noodzaak en de werkelijkheid van deze wijze-van-verzoenen te moeten ontkennen. En dat op grond van argumenten die ik met een goed geweten aan de Heilige Schrift ontleen. Bovendien werpt deze voorstelling van de belijdenisgeschriften (de Vader keert zich tegen de Zoon) m.i. een onnodige en gevaarlijke schaduw op het bijbelse beeld van God, hoezeer men ook uit wil gaan van de liefde van de Vader die alles overkoepelt.
5. Naast mijn zorg over het beeld dat wij van God hebben en overdragen speelt een andere zorg een rol in het verschil van visie. De zorg namelijk dat de verzoening tussen mens en God gemakkelijk afgehaakt wordt van de verzoening die zich vandaag moet realiseren. Ik denk hierbij zowel aan onze feitelijke verzoening met God (die zich realiseert in onze persoonlijke en gemeenschappelijke omgang met God, in genadeverkondiging en schuldbelijdenis) als aan onze feitelijke verzoening tussen medemensen en samenlevingsgroepen (die zich realiseert via onze persoonlijke inzet en gezamenlijke inspanning). Dat onze verzoening zijn grond vindt in het werk van Christus betekent niet dat het toen allemaal afgesloten was, maar wel dat de verzoening-vandaag reeds op die datum, in dat gegeven van Jezus de Bevrijder voorbereid, bedoeld en in gang gezet werd. Hiermee heb ik niet alleen de vanzelfsprekendheid van een effectieve verzoening beklemtoond, maar deze ook willen beschermen tegen een terecht zorgwekkende oppervlakkigheid.
In uw brief legt u eenzelfde nadruk op het nauw met elkaar verbonden zijn van de twee zijden van de verzoening: de plaatsbekledende kracht van Christus' werk en het vernieuwend effect ervan in heel het leven. Nu veronderstelt u dat ik de nadruk slechts op één van beide aspecten zou leggen, en wel op het aspect van de 'uitwerking'. Voor die 'uitwerking' lijkt mij echter van bijzonder belang hoe wij ons het eerstgenoemde aspect Christus' verzoenend werk, voorstellen. Zien we zijn werk als de overwinningsweg van de liefde van God, dan kunnen onze werken in het verlengde daarvan gezien worden, door Hem voorbereid en in zijn Geest gemodelleerd.
6. Hoe het genoemde verschil naar mijn inzicht gewaardeerd moet worden, en wat voor
sóórt verschil het betreft? Ik kan uw beoordeling niet delen als zou hiermee een 'essentieel bestanddeel' van het belijden der kerk aangetast zijn, of de rechte prediking van het evangelie 'verkort'. Behalve dat ik mij door de Schrift wil laten gezeggen, meen ik ook trouw te blijven aan het belijden van de kerk.
Immers, naar mijn mening moet in de belijdenisgeschriften van onze kerken onderscheid gemaakt worden tussen datgene wat de grond van ons geloof uitmaakt (in dit geval: het geloof in Christus' verlossend werk) en de voorstelling waarin de opstellers dit geloof vorm gaven (zoals ik hiervoor onder nr. 4 aangaf). M.a.w. het gaat om een verschil, niet over het 'wat', maar over het 'hoe', de 'wijze waarop'. Ik stem in met het geloof in deze geschriften uitgedrukt, maar deel niet de vormgeving die dit geloof hierin gekregen heeft. De tróóst van de boodschap 'Christus droeg de schuld en het gericht in mijn plaats' is ook de mijne, al zou ik deze troost anders formuleren. Bijvoorbeeld door de verkondiging: Hij nam de schuld en het gericht voor mij weg.
Dit besef van fundamentele trouw aan het belijden van de kerk hield mij er indertijd van terug een 'gravamen In dit verband denk ik aan het ook in het gesprek met uw commissie genoemde feit dat de uitdrukking 'dat Christus het gericht van God gedragen heeft' verschillend kan worden uitgelegd en als zodanig niet geschikt is om als het breekpunt te functioneren. Verschillende artikelen van de laatste tijd lijken in dezelfde richting te gaan als mijn eigen gedachten, namelijk dat Christus wel leed onder de menselijke situatie van de vloek of het gericht, ook al werd Hij niet rechtstreeks door het oordeel van de Vader getroffen. ' tegen de belijdenis in te dienen, zoals ik in mijn brief aan de Amsterdamse In dit verband denk ik aan het ook in het gesprek met uw commissie genoemde feit dat de uitdrukking 'dat Christus het gericht van God gedragen heeft' verschillend kan worden uitgelegd en als zodanig niet geschikt is om als het breekpunt te functioneren. Verschillende artikelen van de laatste tijd lijken in dezelfde richting te gaan als mijn eigen gedachten, namelijk dat Christus wel leed onder de menselijke situatie van de vloek of het gericht, ook al werd Hij niet rechtstreeks door het oordeel van de Vader getroffen. kerkeraad8. Na deze uiteenzetting van mijn visie, zowel op de verzoening door Christus als op de mij gevraagde en door mij beloofde trouw aan het belijden van de kerk, ga ik nu nader in op uw brief. In deze brief doet u een klemmend beroep op mij de belijdenis van de kerk en het daarin vertolkte geloof van de gemeente te willen eerbiedigen en ontzien, op zulk een wijze als van een dienaar des Woords in de Gereformeerde Kerken mag worden verwacht. U vraagt dit vanuit uw verantwoordelijkheid voor de eenheid van de kerk, die door mijn visie ernstig in gevaar zou gebracht zijn. van 7 mei 1971 uiteenzette.
7. Daar komt nog bij dat ik niet pretendeer dat mijn huidige mening niet voor nader gesprek en nadere bezinning of herziening vatbaar zou zijn. Het lijkt mij echter nodig dat deze voortgaande bezinning niet geblokkeerd wordt door een overhaast beëindigen van de openbare meningsvorming. Van mijn kant zou ik (mét9. Van mijn kant vraagt deze eenheid van de gemeente dat ik bereid blijf tot nader de synode-uitspraken van juni 1974) nadere studie en nadere discussie toejuichen, vooral wanneer deze plaatsvinden in een sfeer van openheid en vrijheid.
In dit verband denk ik aan het ook in het gesprek met uw commissie genoemde feit dat de uitdrukking 'dat Christus het gericht van God gedragen heeft' verschillend kan worden uitgelegd en als zodanig niet geschikt is om als het breekpunt te functioneren. Verschillende artikelen van de laatste tijd lijken in dezelfde richting te gaan als mijn eigen gedachten, namelijk dat Christus wel leed onder de menselijke situatie van de vloek of het gericht, ook al werd Hij niet rechtstreeks door het oordeel van de Vader getroffen.
Zonder te willen claimen dat de opstellers van het 'Eenparig Geloofsgetuigenis' deze visie op het gericht ook zouden aanhangen, wil ik in dit verband toch wel noemen dat zij zich op dit punt op m.i. voorzichtige wijze hebben beperkt tot de zinsnede dat Christus aan het kruis het gericht van God gedragen heeft.
8. Na deze uiteenzetting van mijn visie, zowel op de verzoening door Christus als op de mij gevraagde en door mij beloofde trouw aan het belijden van de kerk, ga ik nader in op uw brief.
In deze brief doet u een klemmend beroep op mij de belijdenis van de kerk en het daarin vertolkte geloof van de gemeente te willen eerbiedigen en ontzien, op zulk een wijze als van een dienaar des Woords in de Gereformeerde Kerken mag worden verwacht. U vraagt dit vanuit uw verantwoordelijkheid voor de eenheid van de kerk, die door mijn visie ernstig in gevaar zou gebracht zijn.
Deze verantwoordelijkheid voor de gemeente ligt uiteraard óók aan mijn kant, en ik zal deze zeker niet onderschatten. Wel vraag ik aandacht voor het feit dat 'de gemeente' er heel verschillend uitziet, en ook voor een deel gelukkig is met nieuwe visies op, en nieuwe vertalingen van, het 10. Blijft enerzijds staan dat mijn huidige opvatting ook maar een 'voorstelling' is (en geenszins definitief), anderzijds is de zaak van de 'voorstelling' van te veel gewicht voor het doorgeven van de boodschap dan dat zij gebagatelliseerd of voor een tijd in de ijskast gezet kan worden. geloofsgeheim, ook al zijn ze nog tastend en staan ze ter diskussie. Kennelijk vreest de één het ergste, daar waar voor de ander zich nieuwe perspectieven openen. In deze situatie zie ik de eenheid van de kerk, die ook mijn zorg is, hierin dat groepen elkaar de ruimte gunnen, met elkaar in gesprek wensen te blijven, en bereid zijn over en weer rekenschap te geven van de hoop die in hen is.
9. Van mijn kant vraagt deze eenheid van de gemeente dat ik bereid blijf tot nader H. Wiersinga gesprek en nadere bezinning.
Verder: dat ik mijn visie op de verzoening niet 'drijf'.
Ik wil u graag beloven dat ik tot beide bereid ben, en zal doen wat in mijn vermogen ligt om de tegenstellingen niet onnodig te verscherpen. Dat betekent dat ik in prediking, catechese en pastoraat geen 'aktie' zal voeren voor mijn opvattingen, zoals ik naar mijn, maar ook anderer besef (bijvoorbeeld hier in Amsterdam) ook niet dééd. Eerbiediging van de belijdenis en ontzien van het 'geloof van de gemeente' zal ik zoveel mogelijk realiseren door de noodzakelijke bescheidenheid, pastorale houding, en het noemen en honoreren van de voorshands niet door mij gedeelde opvatting. Als u met 'niet weerspreken' en 'niet bestrijden' deze houding bedoelt, wil ik beloven mij van zulk een weerspreken of bestrijden te onthouden.
U legt mij echter, naar mijn besef, een 'te zware last' op als u mij zoudt vragen over het punt van verschil in mijn ambtelijk werk zonder meer te zwijgen.
Allereerst, omdat het verschil de 'voorstelling' van een centraal thema van de boodschap betreft, waarover moeilijk te zwijgen valt. In de tweede plaats zou zwijgen verdergaande studie en bezinning blokkeren. Bij deze studie en bezinning zijn niet alleen vak-theologen betrokken, maar lijkt mij ook de hulp van gemeenteleden noodzakelijk.
10. Blijft enerzijds staan dat mijn huidige opvatting ook maar een 'voorstelling' is (en geenszins definitief), anderzijds is de zaak van de 'voorstelling' van te veel gewicht voor het doorgeven van de boodschap dan dat zij gebagatelliseerd of voor een tijd in de ijskast gezet kan worden.
Ik ben er mij van bewust dat er een gewichtig verschil bestaat. Maar ik ben er evenzeer van overtuigd, evenals uw deputaten voor het gesprek met mij (rapport maart 1974), dat het gaat om een verschil binnen een fundamentele overeenstemming.
Ik meen de 'niet prijs te geven inhoud van het christelijk geloof', namelijk: de betekenis en kracht van de verzoening, beleden door de kerk 'van de vroegste tijden af', niet prijs te geven, en zou dat ook voor geen prijs willen.
In de hoop dat uw vergadering begrip kan opbrengen voor mijn houding, en dat u met mij kunt aannemen dat de eenheid van de kerk niet wérkelijk in geding is, zodat wij de gemeenschap kunnen blijven onderhouden met allen die de Heer Christus liefhebben en willen toebehoren, teken ik, in Zijn naam, met broederlijke groet,

H. Wiersinga

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Kerkinformatie | 20 Pagina's

Teleurstelling en hoop bij brief van dr. Wiersinga

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Kerkinformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken