Bekijk het origineel

Diakonale identiteit en discriminatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Diakonale identiteit en discriminatie

11 minuten leestijd

De vraag aan het diakonaat

Zijt weldadig, gij rijken, geeft mild en deelt gaarne mede. En gij armen, zijt arm van geest en gedraagt u jegens uw verzorgers in alle eerbied; weest dankbaar jegens hen en murmureert niet … Die gestolen heeft of zijn naaste tot last is geweest, stele niet meer.

Formulier bevestiging van diakenen, dienstboek N. H. Kerk, p. 164

Wellicht voor de eerste maal worden diakenen en diakonale werkers breder georiënteerd omtrent vragen van vooroordeel en discriminatie. Een verheugende ontwikkeling! Tegelijk moet het een vraag inhouden, die het diakonaat aan zichzelf stelt, namelijk wat het zelf waard is, wat het voorstelt, kortom de vraag naar de diakonale identiteit.

Nog in 1951 werd het diakonaat officiëel omschreven als ‘dienst der barmhartigheid’ (kerkorde art. XIX). Bovenstaande zinnen uit het dienstboek werden wel in een voetnoot geplaatst en daarmee facultatief gesteld, maar niet weggeradeerd. Maar het besef is groeiend, dat de omschrijving van hef diakonaat als dienst der barmhartigheid, zeker voor ons taalgevoel, misleidend is, wanneer het zicherbarmen niet in volle spanning gezet is met het betrachten van gerechtigheid. De samenhang van beide leren wij opnieuw van bijbelwoorden zoals:

tot ogen was ik voor de blinde,
en tot voeten voor de kreupele;
een vader was ik voor de armen,
en het rechtsgeding van mij onbekenden
onderzocht ik;
ik verbrijzelde het gebit van de verkeer
de en rukte de prooi uit zijn tanden.

Job. 29:15 en 16

Ook de kerk heeft gediscrimineerd

De vraag naar het doen van recht aan verdrukten staat in nauw verband met de vraag naar wat het diakonaat zelf waard is. In het verleden is onze kerk niet minder dan de nationale samenleving het leefklimaat geweest van hardnekkige vooroordelen en daaruit voortvloeiende discriminatie. Volgens de socioloog W. F. Wertheim is de gods-dienst vele eeuwen een instelling geweest, bij uitstek geschikt om de massa tevreden en kalm te houden 1). Verhelderend is het, in de leer te gaan bij de kerk en haar diakonaat in de vorige eeuw. Er was weinig oog voor de religieuze verlangens van de ‘kleine luyden’ van afscheiding en doleantie, en evenmin voor de maatschappelijke wortels van de nood van sociaal, cultureel en economisch onterfden. Diakenen waren vaak angstvallige bewakers van het bestaande normenpakket. Discriminatie zette zich voort in de toelating tot ambten en funkties.

Dit gold ook de schare van de loonarbeiders. Gingen afscheiding en doleantie met veel gerucht gepaard — het ging immers om theologische vragen! —, meer geluidloos voltrok zich de discriminatie en daarna de afval van de arbeiders. In alle gevallen moesten de achtergestelden zich aan eigen haren uit het moeras trekken. Slaagden zij erin, dan volgde geleidelijk aan erkenning door andere bevolkingsdelen en tenslotte — in deze eeuw — erkenning van tekortkoming vanwege de kerken 2).

Nieuwe minderheden

Zij, die ooit als ‘afgescheidenen’ en ‘arbeidersklasse’ waren geëtiketteerd, zijn door eigen inspanning nu geen voorwerp meer van discriminatie. In onze dagen ziet het diakonaat zich echter geconfronteerd met andere typen van ‘minderheden’, waarbij vaak vanuit verzwegen vooroordelen uitsluiting plaatsvindt. Voor hen is de weg naar volledige emancipatie moeilijker begaanbaar dan voor genoemde categorieën.

Denken wij aan de in dit nummer ter sprake gebrachte groepen met hun specifieke problemen: gehandicapten, ex gedetineerden, psychisch kwetsbaren, vereenzaamden en anderen, dan stuiten wij op lichamelijke, psychologische en sociale barrières, die via een emancipatieprces niet zo maar zijn weg te nemen. Zal eens over het diakonaat van onze tijd het oordeel vallen dat het, ondanks allerlei programma’s, aan een klaar appèl op gerechtigheid en partijganger zijn der onderdrukten heeft ontbroken? Houden wij ons, ook als wij proberen nood te lenigen en ruimte te bieden, toch de werkelijke problemen van het lijf? Vinden wij personen en groepen, die ten behoeve van bepaalde medereizigers in de trein van 1975 aan de noodrem trekken, alleen maar hinderlijk voor het eigen reisschema?

Ook de jongste geschiedenis spreekt boekdelen:

— de ‘arbeiders’ werden opstandig bevonden;

— de ‘gevangenen’ vermaand of getroost;

— de ‘gebroken huwelijken’ veroordeeld;

— de afhankelijke ‘bejaarden’ opgeborgen;

— de ‘voogdijkinderen’ uitbesteed;

— de ‘gehandicapten’ apart gezet;

— de ‘buitenlandse arbeiders’ meer geïsoleerd gelaten dan aanvaard.

Laten wij bovendien niet vergeten dat ons voorgeslacht ook het diakonale voorgeslacht — op het persoonlijke vlak vaak beter door vooroordeel en discriminatie wist heen te breken (soms zelfs met een pannetje soep) dan wij met onze bureaucratische, administratieve, op anderen afschuivende vormen van ‘hulp verlening’. Onze eigen vooroordelen en discriminatie worden door onze sociale wetgeving en maatregelen versluierd.

Achteruitzetting: een voordeel?

Als wij in de bijbel gediscrimineerden op het toneel zien verschijnen, clan blijkt hun achteruitzetting vaak als een motor tot nieuwe menswaardige verhoudingen te werken. Denk maar aan wat Jezus zegt over tollenaars en zondaars. Daarentegen kan het bekleden van een ereplaats remmend werken op de weg naar echt welzijn. Men lette slechts op de plaatsen, waar Samaritanen in het evangelie verschijnen. Ook de gelijkenis van Lucas 10 laat ons een gediscrimineerde zien, die het initiatief neemt tot diakonaal handelen, namelijk door de ander ‘op weg te helpen’.

In onze geschiedenis heeft achteruitzetting, onder allerlei historische omstandigheden èn dwaze vooroordelen ontstaan, als een voordeel en een motor tot krachtsinspanning gewerkt. Wij noemden de ‘kleine luyden’ en de arbeiders. Zien wij naar de bijbel, dan valt op dat bij gerechtigheid niet gedacht wordt aan een abstract ideaal van ‘ieder het zijne’, maar aan een voorkeursrecht voor de onderliggende partij. De liefdedaad is nauw verbonden aan het doen van recht: ‘bewaar liefde en recht’ (Hosea 12:7). Volgens de joodse wijze Maimonides is de hoogste trap van rechtvaardigheid ‘het vooruitlopen op de liefde, door het voorkómen van armoede’. Hij citeert Lev. 25:35: ‘En als uw broeder verarmd zal zijn en zijn hand bij u zal wankelen, zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling of een gast, opdat hij bij u leve’. Men denke aan de grote invloed, die joden vooral in ons land hebben gehad op de humanisering van het recht, bijv. de rechtsgeleerden Asser en Meyers.

Hoe kunnen wij wat zijn voor de ander?

De vraag, die wij moeten beginnen aan onszelf te stellen, is niet: wat kunnen wij nu allemaaal gaan ondernemen?, maar: waar staan wij en wat kunnen wij zijn? Hoe worden wij goede instrumenten in allerlei situaties van openbare of verborgen discriminatie?

Niet zo maar beginnen met bepaalde aktiviteiten te organiseren en te delegeren ten behoeve van bepaalde groepen. Alleen een echt engagement en een heldere blik op eigen en andere situatie kan iets opleveren. Er zijn enkele voorbeelden van diakenencolleges, waar men begint de vraag naar de diakonale identiteit te stellen en op zichzelf te betrekken. Waar men om de tafel gaat zitten zonder papieren, maar met de vraag: hoe gaan wij met elkaar om en hoe funktioneren wij in gemeente en samenleving?

Al te vaak gaan ook diakenen om de tafel zitten met de verzwegen vraag: hoe houden wij ons bedrijf in stand? Maar alleen wie zichzelf en de eigen zaak verliest, kan door vooroordeel en discriminatie heenbreken.

Is het zo vanzelfsprekend, dat juist wij diakenen zijn, en missen wij onder ons de werkloze, de ex gevangene, de gescheiden man of vrouw, de homofiel, de gehandicapte? Gaan wij na hoe groot het percentage middenstanders is onder diakenen, dan blijkt hoe wij — met de allerbeste bedoelingen — in feite discriminerend met elkaar omgaan. Het is mij opgevallen dat sedert de ‘toelating’ (wat een uitdrukking uit de mannenwereld!) van de vrouw tot het ambt, ook weer binnen diakenencolleges een zekere rangorde een rol blijft spelen. De vrouw is vaak meer op uitvoerende taken gericht en minder in de besluitvorming betrokken.

Daarmee is de vraag, hoe het diakonaat gestalte kan geven aan de gerechtigheid, tot onszelf teruggebracht, en zullen wij verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen nodig hebben om in een gemeente met een bepaald stempel — en welke gemeente heeft zo’n stempel niet? — toch kampioenen te zijn van hen, die géén stem hebben. Dat is diakonaal, dat is antidiscriminatorisch.

Hoe kunnen wij wat doen?

De Laak van het diakonaat kan niet opgaan in zelfonderzoek, al is het goed altijd weer de hand in eigen boezem te steken. Het breekpunt is doorgaans de relatie tot de ander, tot de bedreigde groep of andere hulpverlenenden. Vragen wij wal wij concreet in eigen omgeving kunnen doen, dan zijn wij vooral aangewezen op wal ‘andere hulp’ wordt genoemd. In feite moet elke gespecialiseerde, op deskundigheid berustende hulp aan slachtoffers van vooroordeel en discriminatie tekortschieten, als ze niet gedragen en aangevuld wordt door maatschappelijke groepen. Bovendien loopt zulke hulp het gevaar, weer nieuwe vooroordelen bij de betrokkenen op te roepen en tot in de organisatie discriminerend te werken. Daarmee is deskundige hulp niet veroordeeld, maar wel gesitueerd binnen de grenzen van eigen mogelijkheden.

Wat ‘alternatieve hulpverlening’ of (wat mij betreft liever) ‘andere hulp’ wordt genoemd — vanwege het eigen karakter ervan —, gaat uit van hel oergegeven, dat èlk mensenkind als een levend lid van de samenleving en niet als behorend tot een minderheidsgroep moet worden beschouwd. ‘Andere hulp’ wil vooral de participatie-kanalen naar alle kanten Loe open houden. Ik beperk mij tot een korte bespreking van andere hulp mogelijkheden aan de hand van drie categorieën van mensen, waarmee ik zelf relatie heb (gehad).

1. De omgang met de gehandicapte mens staat volgens mij model voor elke omgang met de ander. Uns wordt a.h.w. voorgetekend hoe het niet moet zijn en hoe het toch anders kan. Elke revalidatie, elk isolement in de groep, elke afzonderlijke aktiviteit, hoe heilzaam ook vanuit een bepaald gezichtspunt, loopt het gevaar discriminerend te werken. In de recreatie van gehandicapten mét niet gehandicapten zijn vruchtbare uitgangspunten gegeven voor een onderlinge omgang, waarbij helper’ en ‘op hulp aangewezene’ vaak van plaats verwisselen, en waarin zij elkaar dingen aanreiken, die voor ieder onmisbaar zijn.

Eén vakantieweek loopt echter het gevaar, de gehandicapte in een isolement van 51 weken in de sfeer van inrichting of gezin terug te stoten. Er ligt een grote uitdaging aan het diakonaat, ook in het gewone leven de gehandicapten in allerlei aktiviteiten te betrekken, kerkelijke ruimten ook voor hen leefbaar en toegankelijk te maken, het ontmoetingsklimaat in de gemeente te verbeteren.

2. Uit eigen pastorale praktijk in de dr. H. van der Hoevenkliniek weet ik hoe uiterst moeilijk het is, door vooroordeel en discriminatie t.o.v. (ex-) gedetineerden heen te breken. Voor goedwillenden is de kans op mislukking zeer groot.

Er liggen hier, in relatie met reclassering of personeel van de kliniek, bepaalde mogelijkheden voor diakenen en gemeenteleden. Ik noem allereerst het zich beschikbaar stellen als gezin om regelmatig een in behandeling zijnde ex-gedetineerde thuis te ontvangen, en met hem of haar zo mogelijk een blijvende relatie op te bouwen. Verder het vormen van een gespreksgroep met (ex-)gedetineerden in overleg met een pastor van de inrichting. Tenslotte het tewerkstellen van ex-gedetineerden in fabriek of onderneming, in overleg met de deskundige instanties.

Bijzondere aandacht vraagt het gezin van de delinquent. Heel schrijnend kan ook de nood zijn van de (familie van de) benadeelde partij. Uit eigen ervaring weet ik dat ouders van een aangerand kind in een volslagen en wanhopig isolement terecht dreigen te komen.

3. Onze huisvestingspolitiek werkt discriminerend, ondanks bepaalde voordelen voor een aantal ouderen, die anders in een nog groter isolement dreigen terecht te komen. Een pensiontehuis voor ouderen zal, zeker ook als het vanwege de diakonie gerund wordt, álles moeten doen om onnodige discriminatie en isolement te doorbreken. Op elke bestuursvergadering zal aan de orde moeten komen de vraag hoe een open deur-politiek naar twee zijden kan worden bevorderd: het levend medemenselijk contact met kerkelijke gemeente en samenleving èn het scheppen van een sfeer in het huis, die niet-bewoners ook aanspreekt. Met name vraagt voor vereenzaamde en zwakkere bewoners aandacht de viering van kerkelijke feestdagen en oud-en-nieuw, het regelmatig bezoek aan hen door diakenen en gemeenteleden. Normale kerkgang door middel van autodiensten en deelname van niet-bewoners aan kerkdiensten in het huis moeten worden bevorderd. In elk nieuw te bouwen tehuis behoort een afdeling te zijn voor ernstig gehandicapte (niet: chronisch zieke) ouderen, die daar eventueel met hun huwelijkspartner kunnen wonen. Het verpleegtehuis moet als uiterste redmiddel worden beschouwd.

Binnen het bestek van dit artikel is het niet mogelijk andere gediscrimineerde groepen met het oog op de noodzakelijke ‘andere hulp’ te bespreken. Wel zal men ook in gevallen, die hier niet aan de orde zijn geweest, de gewenste informatie kunnen verkrijgen en naar nieuwe wegen kunnen zoeken.


1) W. F. Wertheim, Evolutie en Revolutie, 1972, p. 406

2) Zie hierover vooral: J. Hendriks, De emancipatie van de Gereformeerden, 1972

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Diakonia | 36 Pagina's

Diakonale identiteit en discriminatie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken