Bekijk het origineel

Van synode tot synode

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van synode tot synode

12 minuten leestijd

Even uit de school geklapt: een kroniek voor Kerkinformatie moet in het begin van de maand geschreven zijn om de lezers aan het eind van de maand onder ogen te komen. Dat levert soms moeilijkheden op. Zo begin maart. De synode van Haarlem vergaderde nog de eerste week van die maand, daar kun je ook niet onvoorbereid naar toe. Vandaar: geen tijd voor een kroniek, 't Is nu een maand later. Ik kan nu tijd vrijmaken voor een kroniek. Maar als die straks verschijnt, is het al weer bijna synode! De synode van Maastricht.

Spreiding
Zo gaan wij voort van synode tot synode. Het is allemaal goed bedoeld geweest. Tot voor kort was de regel: een generale synode mag niet langer vergaderen dan tot de tijd waarop de particuliere synoden weer gaan vergaderen. Dat kwam hierop neer: van mei van het éne tot begin maart van het volgende jaar. De regel hebben wij een paar jaar geleden veranderd. De generale synode mag nu haar zittingen spreiden over een periode van bijna twéé jaar.
Waarom die oude regel gewijzigd werd? Omdat er telkens inbreuk op gemaakt werd. De synoden kwamen niet klaar met haar agenda en vroegen dan aan de particuliere synoden: mogen wij nog een poosje doorgaan? Het is niet goed als een uitzondering regel wordt. Als dat dreigt, kan men (als er tenminste geen principiële zaken in geding zijn en dat was hier niet het geval) beter de uitzondering verheffen tot regel. Nu, dat is gebeurd.

Erg zwaar
Maar de nieuwe methode is ook niet 'alles' gebleken. Ik noem een paar bezwaren tegen dat (met tussenpozen gelukkig!) gedurende haast twee jaar vergaderen. In de eerste plaats: ook al zijn de 'zittingsblokken' verspreid, wie lid is van de synode is er bij dit systeem voortdurend mee bezig. In meer dan één zin. Hij (of zij) moet er altijd iets voor dóen: stukken lezen, stukken opstellen, nadenken, studeren, commissievergaderingen bijwonen, maar wordt er ook voortdurend geestelijk (in een nog wat diepere zin) door in beslag genomen, ook psychisch en emotioneel. Een tweede bezwaar (maar dat tegen het eerste aanleunt) is het volgende: de meeste synodeleden hebben ook nog iets anders te doen en dat is maar goed ook.
Maar de combinatie van het synodewerk met dat andere — in gezin, bedrijf, universiteit, hogeschool of waar ook — is moeilijk en wordt moeilijker naarmate de synode langer duurt. Op den duur moet of het één of het ander eronder lijden.

Besturenkerk?
Een derde bezwaar vind ik dat, wanneer de éne synode zó nauw aansluit bij de andere, gemakkelijk de gedachte opkomt van een permanente synode, een synode die er altijd is en waar je altijd bij kunt aankloppen (net als bij de Tweede Kamer en de regering): een permanent college. Terwijl ze naar klassiek gereformeerd kerkrecht een vergadering is, die op een zeker moment bijeenkomt, haar agenda afwerkt om vervolgens weer uiteen te gaan. Ik blijf voor die klassieke opvatting voelen, niet omdat ze klassiek is, maar omdat ik terugdeins voor de consequenties die ik van de andere opvatting vermoed. Houd dan de besturenkerk maar eens buiten de deur. Ik noem nóg iets: zo'n voortgaan van synode tot synode wekt ook veel te veel de indruk dat het kerkelijk leven zich daar voltrekt, op de synoden. Terwijl het zich in feite veel meer afspeelt — móet afspelen althans — in de plaatselijke gemeenten en de mindere vergaderingen. Men gaat dan ook van de synode veel te veel verwachten. Wij beleven het toch: allerlei vragen, klachten en oproepen worden rechtstreeks naar de synode gezonden; zelfs de eigen kerkeraad loopt men voorbij. Mag die ook nog iets doen?
Kortom, ik ben blij dat er goede verwachting is dat de synode van Maastricht de tijd waarover ze kerkordelijk mag beschikken, niet helemaal zal gebruiken. Eén van de laatste uitspraken van de synode van Haarlem was immers: laat 'Maastricht' het wat anders doen, laat het (na de opening in mei a.s.) vergaderen in het najaar van 1975, dan in het voorjaar van 1976 en tenslotte in het najaar van 1976. Dan kan het land daarna ten minste een half jaar 'stil zijn', stil van synodaal gerucht. Dat lijkt mij goed. Ook zo'n tijd van 'stil zijn' kan voor de kerk weldadig zijn.

Dominees naar artikel 6
In de laatste zittingsweek van de synode van Haarlem kwam bij verschillende gelegenheden het predikantenambt ter sprake. Allereerst naar aanleiding van een onderzoek dat was ingesteld naar de gang van zaken gedurende de jaren 1965-70 bij het toelaten tot het ambt van dienaar des Woords naar artikel 6 van de kerkorde, en een daaraan toegevoegd voorstel.
Laat ik eerst iets vertellen over de resultaten van dat onderzoek. In 30 classes werden 37 personen naar artikel 6 geëxamineerd van wie er 27 werden toegelaten. Volgens een 'van bevoegde zijde' verkregen aanvullende inlichtingen zijn in de periode 1969-74 in het gehéél van onze kerken 30 personen toegelaten en zijn er momenteel 74 predikanten die langs de weg van artikel 6 tot het ambt zijn gekomen. (Dat is niet minder dan 7% van het totaal!) Nog een paar gegevens die voor de dag kwamen: voordat men zich wendt tot de particuliere synode die moet beslissen of men door de classis mag worden geëxamineerd, heeft men in veel gevallen al 'voor artikel 6 gestudeerd'. In menig geval ging aan de poging predikant naar artikel 6 te worden vooraf een werkzaamheid als oefenaar, 'lerend ouderling' of 'ouderling-voorganger'. In een aantal gevallen meldde Iemand die in het éne ressort was afgewezen, zich aan in een ander èn: met succes!
Men kan zich voorstellen dat de deputaten die het onderzoek hadden ingesteld, op de gang van zaken nogal wat kritiek hadden.
En de synode deelde die. Er werd opgemerkt dat de bijzondere begaafdheden duidelijk moeten blijken zónder dat er tevoren een cursus gevolgd is; dat preekconsenten niet mogen worden beschouwd of gebruikt als eerste opstapje tot het predikambt en dat het helemaal fout is als in het ene ressort iemand wordt toegelaten die eerder in een ander was afgewezen.

Uniformiteit
De algemene conclusie was: er moet meer uniformiteit komen. En die zàl er wel komen. Want de synode besloot tot de benoeming van een aantal generale deputaten die in voorkomende gevallen door de particuliere synoden moeten worden geraadpleegd. De particuliere synode blijft wel de instantie die beslist of iemand mag 'doorgaan naar de classis', maar die synode mag deze beslissing alleen nemen 'met medewerking en goedvinden' van de generale deputaten. Natuurlijk is van die beslissing beroep mogelijk op de generale synode. Maar wat niet meer kan, is dat men na in het ene ressort te zijn afgewezen, in een ander zijn geluk nog eens beproeft.
De bedoeling is duidelijk. Niet: de weg van artikel 6 blokkeren. Maar wel: dat artikel laten functioneren zoals het behoort. En dat kan alleen wanneer als criterium van beoordeling geldt — en nu citeer ik de deputaten even letterlijk — 'dat de in artikel 6 K.O. genoemde gaven, welke voor elke dienaar des Woords onmisbaar zijn, in die mate aanwezig zijn dat het te betreuren ware wanneer deze begaafdheden, indien aangeboden, niet zouden worden benut, en dat ieder die volgens de normale regel, via een theologische opleiding, tot het ambt kwam, met respect opziet naar hem die langs andere weg deze gaven heeft ontvangen'. Volkomen juist, dacht ik.

Predikantsplaatsen opheffen?
Goed opgeleide predikanten zijn altijd nonodig geweest — goede opleiding werd in de reformatorische traditie zo iets als een beginsel —, rnaar in onze tijd met zijn vele problemen zijn zij dat zeker. De kerk maakt het, uiterlijk bekeken, niet zo goed. Vooral in de steden en andere bevolkingsconcentraties maakt ze een crisis of — misschien is dat beter gezegd — malaise door. Waarmee ik beslist niet wil voorbijzien aan veel geloof, betuigd en beleefd, ook daar. Maar feit is; de verwereldlijking grijpt om zich heen, overal maar vooral daar. En nu zien wij juist daar het aantal predikantsplaatsen verminderen!
Hoe komt dat? Daarover kon op de synode nog niet voldoende uitsluitsel worden gegeven. Wel werd de vrees geuit dat zeker in een aantal gevallen redenen van financiële aard bij de opheffing van een predikantsplaats de doorslag hadden gegeven. En dit kan bij het te verwachten toenemend aantal afgestudeerde theologen!
Op de synode is terecht gezegd: als de werkloosheid toeneemt onder alle academici, hoeven wij toch niet alles te doen om alleen de theologen daartegen te vrijwaren. Maar het wordt wèl anders als blijken zou dat die theologen — en dan vooral 'in de vorm van' ambtsdragers — broodnodig zijn. Dan mag de kerk zich wel tienmaal bedenken voordat ze zegt; zij zijn wel hard nodig, maar er is geen geld en dus: wij beroepen niet meer.
Nu, daarover zal worden nagedacht. Door deputaten, die dat natuurlijk wel grondig moeten doen maar er niet zo veel tijd voor gekregen hebben; op de volgende synode worden al voorstellen van hen verwacht. Terecht. De zaak is urgent. Laten wij hopen dat de volgende synode inderdaad een passend antwoord vindt op de uitdaging die uitgaat van het dat dubbele verschijnsel; veel werk èn veel — binnenkort misschien wel tè veel — werkers.

Hoe lang nog zó?
Van twee kanten werd ik weer eens bepaald bij een vraag die mij al veel jaren bezig houdt; hoe lang nog kunnen wij doorgaan met het oude vertrouwde systeem: elke gemeente zoekt en beroept haar eigen predikant en houdt hem totdat een andere gemeente hem zoekt en beroept en hij dat beroep aanneemt. Eerst maakte het hervormde blad Woord en Dienst mij er op attent. Daarin had een poosje geleden een predikant-functionaris beweerd dat er dominees waren die zichzelf als zendeling beschouwden en hun gemeente als zendingsgebied. Maar dat was er naast. Want een geméénte heeft de dominee beroepen en brengt zijn salaris bijeen en het één noch het ander pleegt een zendingsgebied te doen. Een dominee die het bestaan van zijn gemeente betwijfelt, heeft geen 'poot' meer om op te staan. En zo ging de dominee-functionaris nog wat voort.
Een dominee in het veld is daartegen onlangs in het geweer gekomen. Hij geeft eerst een korte beschrijving van zijn gemeente; 'Als tien procent van de ingeschreven 'zielen' meelevend is, valt het nog niet tegen. Meelevend gerekend van trouwe kerkgangers tot degene die eens per jaar komt of een kleine bijdrage aan de kerk geeft. Nog eens 10 tot 20 procent geeft nog wel eens een gulden voor het zondagsschool-kerstfeest of leest het kerkblad. Van al de overigen weet je, bij wijze van spreken, alleen dat ze bij de Burgerlijke Stand 'NH' achter de naam hebben — wat ze zelf vaak niet weten'. In deze trant gaat hij nog wat verder. En zou hij zich dan geen zendeling mogen voelen?

Verfrissing
Hij komt van het een op het ander (zoals dat gaat) en aan het eind van zijn contra-stukje schrijft hij: 'Je moest er op kunnen rekenen, dat je na 5, 7 of 10 jaar desgewenst wordt afgelost. Het zou iets goeds voor de kerk kunnen zijn als dat dan, bijvoorbeeld, gebeurde door leden van de 'generale staf', die soms 10, 20 jaar of nog langer eenzelfde post bezetten. Zij zouden dan weer eens uit eigen ondervinding weten wat er zich momenteel op het grondvlak afspeelt. Zo'n verandering kon ook voor de betrokken gemeenten een verfrissing betekenen'. (Ik noem maar geen namen. Die zijn in dit verband onbelangrijk. Wie er meer van wil weten, raadplege de nrs. van 25 januari en 5 april van Woord en Dienst).
Iets dergelijks had ik kort tevoren in een duits maandblad gelezen (Ev. Kommentare, december 1974). Alleen de Invalshoek was daar wat anders. Vreemd, schrijft daar een predikant, in de maatschappij — het zakenleven en zo — kennen wij allang 'job rotation', voortdurend veranderen van baan. Op grond van verschillende overwegingen, vooral van efficiency. Maar in de kerk blijft men maar vasthouden aan de 'stabilitas loci'. Dat betekent, populair vertaald: blijf in je standplaats! Oorspronkelijk een uitstekende regel; hij richtte zich tegen geestelijken die uit hun parochie wegliepen. Maar nu zou je wel willen dat de regel werd; laat ze op tijd weggaan. Er zou veel meer doorstroming moeten zijn. Vooral jonge dominees zouden veel meer kansen moeten krijgen om ervaring op te doen. In het stuk wordt gepleit voor verandering van werkkring na hoogstens zeven jaar. En geef gemeentedominees dan ook eens de kans om specialistenwerk te doen. Waarom zouden zij dat niet kunnen? Wie zich op het ene terrein heeft weten te redden, zal dat allicht ook op een ander doen.

'Levensmidden'
Er moet ook veel meer op de leeftijd worden gelet. In dit verband vertelt de schrijver wetenswaardige dingen. Op 45-jarige leeftijd (ongeveer) begint de 'Leistungsknick', 'knik' in de prestaties, die de psychologen de 'crisis van het levensmidden' noemen. Maar wat doet de kèrk? Die maakt juist op die leeftijd iemand — wij zijn in Duitsland — tot superintendent! Ook dit is interessant: in het leger van Israël zijn er wel kapiteins van 60 jaar, maar de generaals worden met 40 gepensioneerd.

Ik ga op dit alles nu maar niet in, ook niet op dat laatste en dat niet alleen vanwege mijn eigen leeftijd. Misschien dat sommigen zouden willen aankomen met namen als Churchill, Adenauer, De Gaulle (ik beperk mij nu maar tot een paar kranige oude politici). Waarop dan anderen weer zouden kunnen zeggen: ja, maar dat zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. Voor mij is de hoofdzaak; er zijn in de kerk posten waarop het werk zonder overdrijving slopend moet worden genoemd. En er zijn andere waarop de man die er staat, moet oppassen voor slaperigheid en erger. Noch hier noch daar kan het goed gaan. Maar hoe wordt het anders? Alleen als kerkeraden en dominees afstand zouden willen doen van een stukje autonomie. Tot heil van het gehéél van de kerk, maar niet onwaarschijnlijk ook tot dat van henzelf en hun eigen gemeente of 'job'. Zal het ooit zover komen? Ik blijf hopen.


Kroniek door prof. dr. J. Plomp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1975

Kerkinformatie | 16 Pagina's

Van synode tot synode

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 april 1975

Kerkinformatie | 16 Pagina's

PDF Bekijken