Bekijk het origineel

Oriëntatie in beleid en werk van de zending

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Oriëntatie in beleid en werk van de zending

17 minuten leestijd

Om de twee jaar verschijnt bij het zendingscentrum het boekje 'Oriëntatie', dat informeert over de actuele beleidsvragen die bij de zending aan de orde zijn en over de voortgang van het werk in de verschillende werelddelen. Deze informatie wordt samengesteld voor de synode, maar is ook bedoeld om te worden mee-gelezen door de kerkleden. Daarom vermelden we meteen dat het boekje, waarvan de nieuwe editie heet 'Oriëntatie 1975-1976' voor f 5,— verkrijgbaar is bij het Zendingscentrum te Baarn.Voor Kerkinformatie knipten we uit Oriëntatie enige opmerkingen, die betrekking hebben op belangrijke beleidsvragen. Hier volgen ze:

Jarenlang heeft de zending van onze kerken gewerkt binnen een min of meer afgerond kader. We richtten ons op één of meer landen.

Toch is vooral in de laatste jaren de sterke behoefte gegroeid naar meer flexibiliteit. Immers de geografische beperking tot één bepaald land kan door allerlei omstandigheden leiden tot een onverwachte beëindiging of plotselinge inkrimping van de aldaar opgenomen taak met alle gevolgen van dien. We hebben dat gezien in de vijftiger jaren toen door de politieke verwikkelingen tussen Indonesië en Nederland een eind dreigde te komen aan de missionaire inzet vanuit Nederland, al is deze verwachting dan ook grotendeels beschaarnd geworden. Onze kerken hebben toen nieuwe werkterreinen gezocht en gevonden.
In het licht van dergelijke onvoorziene omstandigheden is dan ook de vraag opgekomen of een minder geografisch bepaalde en meer flexibele opzet van het zendingsbeleid niet ernstig onder ogen moet worden gezien. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld het Pakistan Orgaan zich beschikbaar wil houden voor contacten in heel de Islam-wereld van Marokko tot Bangladesj. Dat orgaan zou zich dan met name moeten bezig houden met de verhouding moslims-christenen en allerlei deeltaken op zich kunnen nemen, die buiten Pakistan vallen, bijvoorbeeld medewerking aan de Theologische School voor het Nabije Oosten in Beiroet en aan het Henry Martyn Instituut in India. Maar ook zou het zich op Nederland moeten richten als het orgaan, dat zich bezig houdt met de problematiek rondom de ontmoeting tussen moslims en christenen in eigen land en dat de gemeenten daarin behulpzaam wil zijn door voorlichting en toerusting.
Voor het Afrika Orgaan betekent dit dat het niet zonder meer voortzet wat nu eenmaal begonnen is, zodat alle aandacht alleen gericht blijft op Rwanda, maar dat het zich beschikbaar stelt voor die landen en posten, die missionair wellicht nog van meer belang zijn.

Zoals in het verleden de theologische faculteit van de Vrije Universiteit in Zaire incidenteel steun ontving, zo zijn de kerken in Afrika in het algemeen misschien het meest gebaat door onze medewerking aan zulke Instellingen, die kernpunten vormen in de huidige situatie op het gebied van kerk en samenleving. De flexibeler houding ten opzichte van Afrika kwam al tot uiting door onze inzet op medisch gebied in Zambia, de steun aan theologisch onderwijs van de Onafhankelijke Kerken in Rhodesië en aan de faculteit voor godsdienstwetenschappen van de universiteit in Botswana.
Voor Zuid-Amerika betekent flexibiliteit wellicht niet in de eerste plaats het uitwaaieren naar andere landen als wel het beschikbaar zijn van ons dienstbetoon aan kerken van verschillende achtergrond en aan taken van verschillend karakter, die van belang zijn voor de doorwerking van het Evangelie in de ingewikkelde samenleving en het zoeken van het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid op een niet beperkt maar uitgebreid levensterrein.
Bij een zodanige meer flexibele opzet kunnen niet alleen impasses in het werk bij eventuele politieke of andere verwikkelingen worden voorkomen. Op die manier is er ook sprake van een beleid dat niet het eerst voor de hand liggende kiest, maar dat nauwkeurig afweegt waar de meest strategische posten liggen. Een beleid dat ook nagaat waar medewerking van onze kant het meest vruchtbaar kan zijn en het meest gewenst is.

Volwassen verhouding
'Oriëntatie' gaat ook in op onze verhouding met de 'Jonge kerken': In hoeverre staan wij werkelijk open voor invloeden van onze partners en die van anderen? Deze vraag wordt ons onomwonden gesteld uit verschillende delen van de wereld.
Een europacentrische visie op de bijbelse gegevens is nog nooit geheel overwonnen. Centraal staat in de zending: het gezonden zijn (Joh. 20:21) . . . het heengaan (Matth. 28:19) . . . tot aan de uitersten der aarde (Hand. 1:8). Maar ondanks het ontstaan, de groei, de zelfstandigheid en volwassenheid van kerken in andere werelddelen, denken wij bij 'zendende kerken' onmiddellijk aan het Westen zonder voldoende te beseffen dat kerken in andere continenten dit niet minder zijn en behoren te wezen.
Die europacentrische visie blijkt ook uit het feit dat 'westerse' kerken nog te weinig beseffen hoezeer zij zelf leven in een wereld, die vreemd (geworden) is aan het Evangelie van Christus. En ook hoezeer missionaire hulp van elders nodig kan zijn zowel vanwege het grote zendingsveld in eigen werelddeel alsook met het oog op de missionaire hulp van elders nodig kan zijn zowel vanwege het grote zendingsveld in eigen werelddeel alsook met het oog op de missionaire bewustmaking en toerusting van de plaatselijke kerk van haar taak In de eigen samenleving. Kenmerkend voor het geringe besef is de gangbare opvatting dat 'zending' gericht zou zijn op het buitenland en 'evangelisatie' op het binnenland, waarbij evangelisatie dan nog wordt gezien als het werk onder hen die 'slechts' vervreemd zijn aan het Evangelie.
En tenslotte blijkt die visie ook uit het feit dat een 'westerse' overheersing, hoezeer die na de koloniale tijd ook in principe afgewezen is, nog altijd vaak tegen onze wil in ons is overgebleven. Dat komt uit in de missionaire samenwerking met de kerken overzee, alsook in de overmacht aan geld en mankracht.
Het zal onze ernstige zorg moeten zijn om van deze europacentrische instelling af te komen. Dat zal vooral moeten gebeuren door de kritiek van partnerkerken daarop, ook al is die soms onbillijk, zorgvuldig te behandelen. Maar ook zullen we de sporen van deze instelling in het denken en handelen van de plaatselijke gemeente moeten zien weg te nemen, net zo goed als in onze organisatorische vormen als die een sta-in-de-weg zouden zijn tot groei naar werkelijk volwassen verhoudingen.
Bij het opnieuw bezien van de verhoudingen tussen kerken uit het Westen en die uit de andere delen van de wereld is de laatste jaren enkele malen het woord 'moratorium' gevallen. In zendingskringen betekent dit het tijdelijk terugtrekken van zendingsmedewerkers en financiële bijdragen om de nationale kerken de gelegenheid te geven een eigen weg te vinden en een eigen vorm te zoeken voor hun christelijk geloof. Op de wereldzendingsconferentie in Bangkok rondom de jaarwisseling van 1972/1973 is dit onderwerp ter sprake geweest. Maar de stormtekens waren er al voordat deze conferentie begon. In de Filippijnen liet dr. Nacpil, werkelijk niet de eerste de beste, allang voor Bangkok zijn dreigend: 'missionaries go home!' — zendelingen, ga naar huis! — horen. Hij bedoelde: wij hier in onze kerken hebben genoeg van jullie westerse aanpak van de dingen, van jullie theologische problemen, waarmee wij hier niet uit de voeten kunnen en die geen bijdrage leveren aan onze worsteling om op onze vragen een antwoord te geven, dat bij onze situatie past. Wij willen nu zelf eindelijk eens de koers bepalen.
We behandelen het 'moratorium' met opzet onder het hoofdstukje 'volwassen verhoudingen'. Want daar gaat het ten diepste om. Niet om het wegzenden van buitenlandse zendingsmensen of het weigeren van financiële hulp, maar om eigen zelfstandigheid.

Meer openheid
In het kader van de volwassen verhouding moet ook ter sprake komen de openheid ten aanzien van de salariëring van zendingsarbeiders. Immers, wij stellen onze mensen beschikbaar aan de kerken, waarvoor zij komen te werken. Wij zijn wel verantwoordelijk voor hun salaris en hun toelagen, zowel overzee als in Nederland. Maar hun eerste werkgever is toch de kerk of de instantie, waarvoor zij werken. Tot dusver was het zo — althans in de meeste gevallen — dat over het salaris niet met de overzeese partner werd gesproken. Het werd als een vanzelfsprekende zaak beschouwd dat Nederland daarvoor zorgde en dus ook de hoogte daarvan vaststelde. Echte moeilijkheden heeft dat nooit gegeven, behalve in die gevallen, waar problemen in de persoonlijke of werk-verhouding ontstaan waren. In dat geval kwam een enkele keer het verschil in betaling van plaatselijke en buitenlandse krachten ter sprake.
Toch komt de laatste tijd de vraag steeds weer aan de orde of dit wel een goede verhouding is. Een aantal zendingsarbeiders heeft uitdrukkelijke bezwaren tegen openheid en betaling van de salarissen via de partnerkerk. Anderen daarentegen achten het betrekken van de partner bij salariëring nodig en vanzelfsprekend. Bij de partnerkerken ligt het verschillend. In sommige gevallen worden de zogenaamde veldsalarissen rechtstreeks vanuit Nederland uitbetaald zonder dat de partner officieel op de hoogte is van de omvang en samenstelling hiervan. In andere gevallen worden die salarissen uitbetaald via de partner, hoewel Nederland de hoogte en de samenstelling bepaalt.

Wederzijdse assistentie
In 'Oriëntatie 1972-1974' hebben we vrij uitvoerig over dit onderwerp geschreven. In die tussentijd heeft een studiegroep zich bezig gehouden met de opdracht na te gaan bij welke taken de kerken, de christelijke instellingen en kerkleden in ons land verlegen zitten om assistentie van kerken elders in de wereld. Deze studiegroep is ingesteld door deputaten voor de evangelisatie en het Centraal Orgaan voor de zending van onze kerken. Uiteraard zijn de aan de studiegroep gestelde vragen niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Al studerende kwam men met allerlei vragen naar ons kerk-zijn zelf in aanraking, dus met een stuk zelf-analyse van ons als kerk.
Intussen hebben we echter al wel enige ervaring opgedaan met een enkele vorm van wederzijdse assistentie. In het najaar van 1973 hebben wij bezoek gehad van een grote delegatie uit de Indonesische kerken en in het voorjaar van 1974 waren in ons land enkele vertegenwoordigers van kerken in Zuid-Amerika, vooral uitgenodigd voor het Zuid-Amerika beraad, dat de Beleidsraad voor Zending en Werelddiakonaat in Lunteren belegde. Zowel de Indonesische als de zuid-amerikaanse delegatie heeft niet alleen besprekingen gevoerd over het werk ginds maar ook kennis gemaakt met de situatie van onze kerken hier. Zij zijn ook in de gelegenheid gesteld hun kritisch oordeel over ons uit te spreken. De beide bezoeken hebben goede resultaten opgeleverd. We vragen ons nu af hoe dit begin kan worden voortgezet. In de Nederlandse Hervormde Kerk werkt sinds eind 1974 ds Lukito Handojo uit Indonesië. Het is de bedoeling dat hij enkele jaren als missionair vormingswerker de gemeenten dient.
Zwitserland werkte een evangelisatie-team bestaande uit een Zwitser, een Ghanees en een Indonesiër.

Voor onze kerken denken wij aan een iets andere vorm, wat tot voordeel kan hebben dat verschillende experimenten later kunnen worden vergeleken.
Waar gaat het om? Om de assistentie die onze kerken nodig hebben van christenen uit andere delen van de wereld. Drie problemen doen zich daarbij voor:
— de behoefte aan dergelijke assistentie moet in het algemeen in onze kerken nog worden opgewekt.
— er is bezwaar tegen om mensen uit te nodigen die ginds heel moeilijk kunnen worden gemist.
— het is nog onduidelijk of het zin heeft dergelijke gastwerkers voor een periode van vele jaren uit te nodigen.
Vandaar dat in onze kringen wordt overwogen om voor de komende paar jaren te experimenteren met het uitnodigen van per jaar drie of vier bezoekers uit de derde wereld. Bij een dergelijk bezoek kan men denken aan drie aspecten:
1. de bezoekers stellen ons op de hoogte van hun situatie en doen ons delen in hun ervaringen;
2. zij assisteren ons op bepaalde gebieden, met name ook door hun kritische bijdrage;
3. zij doen bepaalde ervaringen en kennis op die ze na terugkeer ginds kunnen gebruiken.
Bij het eerste en tweede aspect is er sprake van eigenlijke assistentie, maar dat betekent niet dat het derde aspect niet zou mogen voorkomen. Nagegaan wordt of het mogelijk is om personen uit Azië of Afrika, die al enige tijd in ons land verblijven, uit te nodigen vóór terugkeer naar eigen land nog enige maanden hier te blijven om ergens ingezet te worden. Het voordeel hiervan is dat zulke personen niet eerst een geruime tijd van acclimatiseren behoeven door te maken en reeds de gelegenheid gehad hebben de situatie in Nederland te observeren.

De dialoog
De dialoog is de laatste jaren vaak onderwerp van discussie, vooral als het - zoals dan meestal gebeurt - in verband gebracht wordt met zending. De kerkelijke zending wordt er wel eens van beschuldigd verraad aan de zendingsopdracht te plegen door in de dialoog te treden met aanhangers van andere godsdiensten.
Als we onder 'zending' verstaan het gezonden zijn door Jezus Christus om van Gods Koninkrijk te getuigen, hoe is dan de verhouding tussen dialoog en zending?

Bij de dialoog gaat het erom dat wij als medemensen in deze wereld moeten leren samenleven. In de zending gaat het erom dat we ons allen moeten bekeren en op weg moeten gaan naar het Koninkrijk.
Maar dan moeten ze meteen weer bij elkaar gebracht worden. Omdat dialoog luisteren én spreken is, geeft zij de gelegenheid om over de Heer te spreken.
In een wetenschappelijke dialoog moet er de bereidheid zijn om eigen gedachten te laten wijken voor die van een ander.
In een politieke dialoog wordt dat moeilijker. Kan men bijvoorbeeld bereid zijn bezwaren tegen de apartheidspolitiek te laten varen? In een dialoog van mensen die elkaar ontmoeten vanuit hun diepste overtuiging kan en mag men die overtuiging niet onder stoelen of banken steken. En de diepste overtuiging voor een christen is dat God Zich in Jezus Christus het diepst in zijn hart heeft laten zien. Dan kan men wel eens moeten uitspreken dat men het erover eens is dat men het niet eens is met elkaar ('agree to disagree'), maar tegelijk toch een gemeenschappelijke visie hebben op b.v. de waardigheid van de mens.

Zending is niet mogelijk zonder een dialogische instelling. In vele gevallen is de dialoog de enige manier om 'zich de gelegenheid ten nutte te maken' (Colossenzen 4:5).

Doel van de dialoog
Het meest dichtbije doel van de dialoog is om muren af te breken, het puin van talloze misverstanden te ruimen en elkaar eindelijk te ontmoeten zoals we werkelijk zijn. Dat vergt al jaren werk. Een verder doel is het leren samenleven, niet meer langs elkaar heen, maar samenwerken aan een leefbare samenleving en ervoor zorgen dat religie niet meer misbruikt wordt om anderen te discrimineren. Ook een lange weg.

Wereldraad
De vijfde Assemblee van de Wereldraad van Kerken komt eind 1975 bijeen te Nairobi onder het thema: Jezus Christus bevrijdt en vereent. Ten behoeve van de discussie in sectie 3 heeft het Centraal Orgaan op grond van bovenstaande overwegingen de volgende tekst namens onze kerken aan de Wereldraad in Genève gezonden die wij vertaald uit het engels weergeven:

'Enkele opmerkingen over de dialoog met mensen van levende godsdiensten.

1. God heeft de mens geschapen naar zijn beeld en gelijkenis en Hij heeft alle mensen de opdracht gegeven de aarde te regeren en een rechtvaardige en verantwoorde samenleving op te bouwen. Daarom zijn we als christenen overtuigd van de daarmee samenhangende waardigheid van de mens, een waardigheid die niet afhankelijk is van zijn of haar geloof in bepaalde overtuigingen of een bepaalde leer.
Deze overtuiging betekent dat we onze medemensen van een ander geloof en een andere ideologie niet mogen beschouwen als minderwaardig of als onwaardig om hun eigen plaats in de menselijke samenleving in te nemen.
In onze tijd is deze samenleving steeds meer pluralistisch geworden. Sommige delen van de wereld zijn reeds lang pluralistisch, andere zijn het sinds kort, bijvoorbeeld als gevolg van christelijke (en andere) missionaire activiteit of als een gevolg van migratie.
We zullen thans moeten leren samen te leven met mensen van een ander geloof (of van geen geloof) in een geest van dialoog. Een dialogische houding betekent:
a. dat we proberen de ander te verstaan zoals hij verstaan wil worden;
b. dat we niet de praktijk van de ander met onze idealen vergelijken, maar òf idealen met idealen vergelijken òf praktijk met praktijk;
c. dat we bereid zijn zowel te spreken als te luisteren en zowel te luisteren als te spreken.

2. We mogen ook de mogelijkheid niet uitsluiten dat de Geest van God werkzaam geweest is en nog is buiten Israël en de kerk van het Nieuwe Testament. God heeft Zichzelf niet onbetuigd gelaten onder de volken en Hij was niet ver van ieder van de mensen. De mens, van zijn kant, heeft God gezocht, of hij Hem al tastende vinden mocht. Hij heeft dikwijls de waarheid van God ten onder gehouden en Zijn heerlijkheid ingeruild voor eigengemaakte beelden maar ook heeft hij, ofschoon hij de wet van God niet kende, van nature gedaan wat de wet gebiedt.
Christenen kunnen geen onvoorwaardelijk 'ja' zeggen tegen de religies - evenmin als zij dit kunnn tegen hun eigen christendom -, maar zij kunnen door te luisteren en te oordelen in het licht van het Evangelie wellicht het werk van de Geest van God herkennen in de religies der mensen (en soms ook in dit verband in de rebellie tegen religie en in de niet-religieuze ideologieën). Dit is opnieuw een reden om een dialogische houding aan te namen.

3. De noodzaak van de weg van de dialoog bij het zoeken van gemeenschap met mensen van verschillende godsdiensten, culturen en ideologieën is niet in tegenspraak met de roeping van christenen om te getuigen van het Evangelie. De mensheid is geschapen als één broederschap, maar de mens is ook geroepen op weg te gaan naar Koninkrijk dat is gekomen en zal komen in Jezus Christus. Christenen behoren zichzelf en anderen op te roepen op weg te gaan naar dat Koninkrijk.
Het is echter duidelijk dat deze opdracht om te getuigen van het Koninkrijk van God niet kan worden uitgevoerd zonder een dialogische houding. Het Evangelie kan niet worden afgeschoten als een granaat. In feite kan zendingswerk alleen worden gedaan in een geest van dialoog. En de dialoog, juist omdat ze zowel luisteren als spreken betekent, schept telkens en telkens weer de mogelijkheid om 'zich de gelegenheid ten nutte maken' (Colossenzen 4:5).'

Een missionaire gemeente
Sinds de wereldzendingsconferentie van Mexico City (1963) zich zo nadrukkelijk bezig hield met het saecularisatie-proces, is er met toenemende aandrang op gewezen hoe aanvechtbaar de scheiding is tussen wat meestal 'foreign mission and home mission', zending in het buitenland en zending in het binnenland, is genoemd. Uit reacties van het buitenland blijkt vaak dat men zich afvraagt waarom wij zoveel aandacht aan andere landen besteden terwijl in eigen land zoveel terrein braak ligt.
En waarom, kan men vragen, zijn in Nederland zending en evangelisatie nog gescheiden? Historisch is hiervoor wel een verklaring te geven. Vanuit de dringende vragen uit het buitenland echter moeilijker.
De 'zending is zes continenten'-gedachte zal niet alleen geaccepteerd en gereciteerd moeten worden, maar ook gehanteerd. De structuur van de 'geloofszendingen', die niet alleen overzee maar ook hier 'fel missionair' optreden en geen onderscheid kennen tussen buitenlands en binnenlands apostolaat, is voor velen overtuigender dan een structuur van zendingsinstanties voor het missionaire werk overzee en evangelisatie- instellingen voor eigen land. De zendingsarbeiders klagen soms over het spanningsveld, waarin zij staan, tussen het beeld dat de gemeente heeft van de 'zending' en de realiteit van het werk dat hen dagelijks bezig houdt.

Er zal dan ook — aldus sommigen — iets gedaan moeten worden aan wat de gemeenten zich denken bij het woord 'zending'. Aan de ene kant komt men dan te staan tegenover een nog altijd min of meer romantisch getint beeld, waarin zendingswerk gezien wordt als iets geheel andersoortigs t.o.v. dat waar de 'evangelisatie' in eigen land mee te maken heeft. Aan de andere kant zal men hardnekkig heen moeten blijven prikken door de vanzelfsprekendheid waarmee vele gemeenten de hulpbehoevendheid van kerken overzee tegenover een 'wereld in nood' erkennen, terwijl zij vaak zo weinig verlegen staan met eigen hulpbehoevendheid tegenover diezelfde wereld in eigen land en naaste omgeving. Als de gemeente zou weten — zo is er gezegd — wat 'zending in zes continenten' werkelijk inhoudt, zou worden voorkomen dat 'zending' beschouwd wordt als iets dat 'ginds' gebeurt, zonder dat dit ingebed is in het geheel van het kerkelijk leven 'hier'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1975

Kerkinformatie | 16 Pagina's

Oriëntatie in beleid en werk van de zending

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1975

Kerkinformatie | 16 Pagina's

PDF Bekijken