Bekijk het origineel

‘Dierte’ en diakonie in de Gouden Eeuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

‘Dierte’ en diakonie in de Gouden Eeuw

5 minuten leestijd

Prof. dr. J. Presser heeft zich in zijn boek ‘De tachtigjarige oorlog’1) met waardering uitgelaten over de inzet van diakenen in de tijd dat ‘het rijkste volk op aarde’ de opstand tegen Spanje ging winnen. Dit valt te meer op na lezing van het aangrijpende werk van deze schrijver ‘Ondergang’, waarin hij de diakonale inzet van onze kerk niet kan prijzen, toen ze zich in bezettingstijd alléén voor gedoopte Joden probeerde in te zetten.

Naar aanleiding hiervan en van uitvoerige mededelingen van dr. L. de Jong in het laatste deel van zijn ‘Tweede We reldoorlog’ hoop ik, zelf van zeer nabij getuige van de afslachting, hierop in Diakonia terug te komen.

Nu de diakonie in de 80-jarige oorlog. Bij de explosie van rijkdom, al vroeg in de zeventiende eeuw, was voor de armen de ellende onvoorstelbaar groot. Het stelsel van verbruiksbelastingen liet een groot deel van ’s lands lasten door de armen opbrengen. Door gebrekkige transportmogelijkheden en andere moeilijkheden van economische aard, traden dikwijls ‘dierten’ in, waarbij de prijzen tot zulk een hoogte stegen dat de armen ze niet konden betalen en van honger omkwamen. De ‘dierte’ van 1623/1625 sleepte vooral in de grote steden tallozen weg. Dat in het toen rijkste land van de wereld mensen van honger stierven, is moeilijk te betwijfelen.

De grote sterfte van 1601/1602, zo hevig dat men in Amsterdam met de bestaande kerkhoven niet uitkwam, was het gevolg van een ziekte, die ‘niemand der Burgemeesteren, Scheepenen, Thesaurieren, Regenten van ’t Weeshuis, Predikanten, Ouderlingen, Diaconen, Huiszittenmeesteren, Rectoren der Latijnsche scholen naar het graf sleepte’. De armen waren immers het slechtste behuisd en leefden het dichtst bij de huisrat.

Mot name in Leiden, met 20.000 bedeelden in 1638, waren de arbeidstoestanden wanhopig. De werktijden waren onbegrensd; in vele bedrijven werkte men ’s zondags door, en dat, zegt Presser, ‘in een land waar de Calvinistische kerk oppermachtig was!’. In de industriesteden heersten toestanden, die aan de Engelse ellende in de vorige eeuw doen denken. Vermeld wordt hoe vier en vijf jarige kinderen in de textielwerkplaatsen ‘op eerzame wijze’ hun brood verdienden.

‘Iedereen kent het liedje van Vlissinger Michiel, die ‘in zijn blauwgeruite kiel lustig draaide aan het grote wiel’ in de lijnbaan van de heren Lampsens; wij vrezen dat de Leidse en Utrechtse kinderen veel minder opgewekt, waren dan dit gezonde knaapje, dat trouwens al zijn best gedaan heeft aan de blauwgeruite idylle te ontkomen’.

De overheid stond in geval van conflict onvoorwaardelijk achter de patroon, met straffen als verbanning, geseling, tuchthuis en doodstraf voor weerspannigen.

Liefdadigheid

Presser heeft niet veel te prijzen in het betrachten van rechtvaardigheid. Van Leiden wordt verineld dat de overheid in 1636 inspecteurs aanstelde, die toezicht hielden op de kinderarbeid: mishandeling en uit bedelen sturen werden verboden. Wij hadden graag willen horen of er ook wel diakenen waren, die opkwamen voor ‘het recht der armen’. Of zaten die te veel vast aan de vermaning in het bevestigingsformulier: ‘Gij rijken, weest milddadig. Gij armen, weest dankbaar jegens uw weldoe uers’? Toch heeft dr. Presser waarde ring voor hetgeen diakenen — vermoedelijk zorgvuldig binnen de spelregels van de standen maatschappij — ver richtten:

Grote aandacht aan de liefdadigheid besteedde al van haar eerste begin de hervormde kerk: bij de hagepreken gingen al collecteurs rond ‘met seckere sackgens in die hant’ ten bate van de minder bedeelde broeders. Voor een wel zeer zware taak kwam die kerk te staan, toen in het begin van de Opstand veel kloosters verwoest werden, waaronder enkele, die meer dan duizend armen bedeelden. Zij was niet in staal, die taak in haar volle omvang over te nemen, hetgeen tot veel ellende geleid heeft; toen de organisatie eenmaal op gang kwam, functioneerde zij in het algemeen behoorlijk, niet het minst door de onverzwakte toewijding van talloze diakenen, die hun tijd en moeite dikwerf schonken voor anderen dan de eigen hulpbehoevenden, getuige de vele inzamelingen, gehouden voor tallozen die, om den gelove vervolgd, de gastvrije bodem der Nederlanden betraden, beroofd en berooid menigmaal.

Zonder de diakonie te noemen, vermeldt dr. Presser dat elders vervolgde Joden in dit gastvrije land een toevlucht vonden. Kort vóór 1600 verschenen de eerste Portugese joden in Amsterdam. Het siert de burgerlijke en kerkelijke overheid, dat zij een openbaar kerkgebouw, een synagoge, mochten stichten, wat aan protestantse dissenters slechts oogluikend vergund was.

De hervormde predikant dr. J. Koopmans, die als eerste publiekelijk waarschuwde tegen Jodenvervolging in de bezettingstijd met zijn moedige brochure ‘Bijna te laat’, heeft van de 17e-eeuwse diaken gezegd1):

De gemeente heeft haar organen, de ambtsdragers, die de daad van de christelijke liefde ‘vertonen’, zoals het oude woord voor vertegenwoordigen luidt. De diaken weet van de nood van de mens, die schepsel is. Hij kent de hardheid der sociale verhoudingen, maar is ook geroepen rechtvaardig te oordelen. Hij komt in de naam van Christus, en hij ‘vertoont’ de liefde der christelijke gemeente, die met hem de huizen der noodlijdenden binnenkomt.


1) ‘De tachtigjarige oorlog’. Elsevier, A’dam, 1975

1) ‘De Nederlandsche Geloofsbelijdenis’, Uitg. mij Holland, 1939

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1975

Diakonia | 44 Pagina's

‘Dierte’ en diakonie in de Gouden Eeuw

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1975

Diakonia | 44 Pagina's

PDF Bekijken