Bekijk het origineel

De onroerend goed-belasting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De onroerend goed-belasting

4 minuten leestijd

Zo langzamerhand is de onroerend goedbelasting wellicht een voor ieder bekende zaak. Al in 1970 werd een wet van kracht, die wijzigingen bevatte voor wat betreft de gemeentelijke belastingen.

De oude vertrouwde personele belasting en de grondbelasting gaan verdwijnen of zijn verdwenen. De straat- en rioolbelasting, om twee belangrijke te noemen, zullen niet meer geheven worden.

Al de genoemde belastingen zullen straks geheel opgegaan zijn in de belasting op onroerend goed.

Per 1 januari 1979 moet al het oude voorbij gegaan zijn en zullen de gemeenten opdracht hebben de nieuwe belasting in te voeren. De gemeenten leggen ook de aanslagen op. De invordering van de onroerend goed-belasting geschiedt door de rijksbelastingdienst.

Hoe er wordt geheven

Uiteraard is aan de gemeenten geen vrijbrief gegeven om in alle vrijheid aanslagen op te leggen. Zij zijn gebonden aan duidelijke regels. Het zou te ver voeren, op deze plaats in te gaan op de ingewikkelde berekeningen, die nodig zijn om enerzijds vast te stellen welk bedrag per jaar per gemeente in totaal mag worden geïnd, en om anderzijds de individuele aanslagen vast te stellen.

Om toch een beeld te geven, merk ik op dat de gemeenten gebonden zijn aan een percentage van de algemene uitkering uit het gemeentefonds.

Waarop wordt geheven

De belasting is verschuldigd door gebruikers van onroerend goed, en door de eigenaren daarvan. De belasting wordt niet geheven op cultuurgrond, die bedrijfsmatig wordt gebruikt ten behoeve van de land- en tuinbouw. Ook vallen onder deze belasting geen gebouwen en daarbij behorende bijgebouwen, bestemd voor de eredienst of bezinningssamenkomsten.

Pastorieën vallen niet automatisch onder de vrijstelling, maar de (burgerlijke) gemeenten hebben de bevoegdheid het aantal vrijstellingen uit te breiden.

Wat er kan gebeuren

Het verdient nu aanbeveling dat kerkelijke organen de gemeentebesturen verzoeken, de vrijstellingen zodanig uit te breiden dat daar bijvoorbeeld onder kunnen vallen:

pastorieën, verenigingslokalen, catechisatielokalen en daarmee gelijk te stellen gebouwde goederen. Bij de argumentatie voor deze vrijstelling zou erop gewezen kunnen worden dat pastorieën reeds meer dan 100 jaar vrijgesteld zijn van grondbelasting;

— aan de kerk toebehorende begraafplaatsen, indien in een gemeente ook een verordening wordt ingesteld voor onbebouwd onroerend goed;

— openbare wegen en paden, waterschapswerken en dergelijke, ook als deze in particuliere eigendom zijn. Veel kerkelijke instellingen, en we denken dan in de eerste plaats aan het platteland, zijn in het bezit van openbare wegen en paden;

— gebouwde eigendommen, die op de monumentenlijst staan. Het is niet zo dat deze monumenten zonder meer belast zullen worden. Wel is het van belang er bij het ontvangen van een aanslag attent op te zijn.

Bezwaarschriften tegen een heffing moeten gericht worden aan burgemeester en wethouders. Van hun beslissing kan men binnen twee maanden in beroep gaan bij het gerechtshof (belastingkamer), en tenslotte is nog beroep mogelijk op de Hoge Raad.

Enkele opmerkingen

Hoewel in het algemeen deze nieuwe belasting de belastingdruk niet zal verzwaren, is wel te verwachten dat de landbouwersbevolking meer zal gaan betalen. Dit vooral omdat belasting geheven gaat worden van woningen en bedrijfsgebouwen.

Zoals reeds opgemerkt, wordt de onroerend goed-belasting berekend naar een percentage van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Deze uitkeringen stijgen trendmatig met de toeneming van de belastingontvangsten van het rijk. De individuele aanslagen zullen dus zeker jaarlijks een stijging in guldens laten zien.

In gemeenten, waarbinnen veel bedrijfspanden, scholen, kantoorgebouwen en dergelijke aanwezig zijn, zijn de burgers voordelig uit. Deze gebouwen vertegenwoordigen immers veelal een hoge waarde en dragen in belangrijke mate bij in de onroerend goed-belasting.

De onroerend goed-belasting zal, als het aantal vrijstellingen niet uit ge breid wordt, voor vele instanties, waaronder ook de kerken en daarmee in vele gevallen de diakonieën, verzwarend werken. Het is daarom van het grootste belang tijdig vrijstellingen aan te vragen.

Een model hiertoe is opgesteld door het Kantoor der geestelijke goederen van de Nederlandse Hervormde Kerk te Eindhoven, Poirterslaan 5. Op verzoek wordt dat model gaarne verkrijgbaar gesteld.

In dit nummer schreven.

P. M. Dekker, diaken te Goes.

Dr.J. C. van Dongen, oud-medewerker Generale Diakonale Raad.

Drs. L. J. Hogebrink, medewerker Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving van de Nederlandse Hervormde Kerk en namens deze kerk lid van het Interkerkelijk Vredesberaad.

Drs.J. B. Opschoor, voorzitter werkgroep ‘Nieuwe levensstijl van de Raad van Kerken in Nederland.

Ds. P. B. W. Polvliet, hervormd predikant te Zaamdam.

P. W.A. de Wit, oud-medewerker Generale Diakonale Raad.

Ds. L. Alons, Mr. E. Gerritsen, D. B. van der Waals, medewerkers Generale Diakonale Raad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

Diakonia | 52 Pagina's

De onroerend goed-belasting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

Diakonia | 52 Pagina's

PDF Bekijken