Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kroniek

10 minuten leestijd

De maatschappelijke dienstverlening, wat doen we er nog aan?

Op het terrein van de maatschappelijke dienstverlening (het maatschappelijk werk, de gezinsverzorging, het bejaardenwerk enz.) is er de laatste jaren in snel tempo erg veel veranderd. Drie van de belangrijkste zaken zijn ongetwijfeld:

— de toegenomen professionalisering (het werk werd steeds meer een beroep, een vak);

— de schaalvergroting, waarbij verschillende werksoorten binnen één instelling werden ondergebracht en/of ruimtelijk een groter gebied werd bestreken;

— de veralgemenisering, waarbij instellingen van heel verschillende levensbeschouwing tot fusie, d.w.z. tot één nieuwe organisatie kwamen.

Daar komt nog bij dat de plaats van de dienstverlening aan het veranderen is. Men gaat zichzelf meer en meer zien als onderdeel van het algemeen welzijnsbeleid, waarbinnen ook andere instellingen aktief zijn: opbouwwerk, gezondheidszorg enz. Wat heel goed aansluit bij het langzamerhand toch wel algemeen aanvaarde standpunt dat het in de dienstverlening niet in eerste instantie moet gaan om ‘symptoombestrijding’, maar vooral ook om een zoeken naar (en zo mogelijk wegnemen van) de oorzaken van de problematiek.

Een direct individueel probleem kan heel andere, indirecte moeilijkheden tot oorzaak hebben: gezinsproblemen, slechte huisvesting, lichamelijke klachten, angst voor werkloosheid enz.

Tenslotte is de vrijwilliger weer in het blikveld gekomen. Niet alleen als bestuurder, maar ook als uitvoerder. Bij hulpdiensten, in het bejaardenwerk, bij aktiegroepen en dergelijke.

Deze zaken bij elkaar hebben de vier samenwerkingsorganen in de provincie Groningen er toe gebracht een gezamenlijke nota ter tafel te brengen over de vraag, hoe zij aan hun belangrijkste huidige taak, een bijdrage te leveren aan de opbouw van de samenleving, gestalte kunnen geven.

Tot voor kort hielden deze organen (hervormd, gereformeerd, rooms-katholiek en Humanitas) zich bezig met het uitvoerende werk. Die tijd is voorbij, en nu staat men voor de vraag: ‘Hoe kunnen de diverse bevolkingsgroepen betrokken worden bij de maatschappelijke dienstverlening?’

Wij zijn benieuwd naar het antwoord en lezen nog even verder.

Waar gaat het om?

In Groningen werd men vooral geconfronteerd met de volgende zaken:

1. Participatie-problemen. De nieuwe grote instellingen staan vaak ver van de bevolking af, terwijl de vertrouwde dorpsgrenzen en de levensbeschouwelijke scheidsmuren doorbroken werden. Bovendien: ‘Men had bijv. niet gedacht dat het zó centraal geregeld, zó uniform en zó duur zou worden.’ Participeren is aan-iets-deelnemen, er persoonlijk bij betrokken zijn. Hoe kan een bevolking dat bij zo’n ‘afstand’?

2. Vrijwilligersproblemen. Bestuursleden moeten plotseling leiding gaan geven aan een miljoenenbedrijf. Dat stelt andere eisen dan het vroegere bureautje op het eigen dorp. Hoe zit het verder met hun ‘referentiekader’, d.w.z. met het contact, dat zij hebben met hun achterland? Ook hier het participatie-probleem. En dan de weggevallen bestuurders van vroeger. Hun wordt gevraagd vrijwilligersaktiviteiten op te zetten, wat zeker niet iedereen als een zinvolle taak ziet. Tenslotte zijn er de nog altijd gebruikelijke spanningen tussen de beroepskracht en de klassieke vrijwillige medewerker.

3. Levensbeschouwelijke problemen. Hierover wil ik het gezamenlijke stuk woordelijk citeren:

‘Op enkele plaatsen in onze provincie speelt de levensbeschouwing een rol bij de structurering van de maatschappelijke dienstverlening. Soms wil men bewust de dienstverlening binnen het eigen levensbeschouwelijk kader houden, elders eist men een correcte naleving van de afspraken, die bij de oprichting van een algemene instelling over de levensbeschouwelijke samenstelling van het team van medewerkers zijn gemaakt. Men zou hier de normale verschijnselen van een overgangsfase in kunnen zien. Toch geven zij aanleiding tot discussies, die een bredere betekenis kunnen krijgen.

Hier en daar wordt n.l. het taboe, dat vaak op een discussie over levensbeschouwing rust (…), doorbroken. Soms naar aanleiding van organisatorische banden met een levensbeschouwelijk achterland, die men niet meer naar de praktijk van het werk toe weet te vertalen, soms naar aanleiding van een provocerende opstelling van medewerkers met een zeer uitgesproken levensovertuiging. Zoals in ons land vaker het geval is, kan men discussies over levensbeschouwing moeilijk in de hand houden. Om ze niet te laten ontaarden in een gevecht, waarin tenslotte de zwakste partij de aftocht moet blazen, ontwijkt men ze liever.

Wij achten dit niet in het belang van de dienstverlening. Niet alleen worden in de omgang met mensen onderling — ook binnen de instelling — drempels opgeworpen, wanneer elementaire kanten van het leven niet aan de orde kunnen of mogen komen, maar omdat de dienstverlening zich op mensen richt en daarmee een menswaardige relatie wil opbouwen, kan zij zich ook niet aan vragen rondom mens- en wereldbeschouwing onttrekken.

Wanneer zij denkt zichzelf als ‘waardevrij’ te kunnen presenteren, voert zij een valse pretentie. Is zij zich niet van haar eigen waarden bewust, dan kan zij gemakkelijk gebruikt worden als modieuze dekmantel voor levensbeschouwelijke indoctrinatie van welke zijde dan ook. De vrijheid van de cliënt is bij dit alles direct in het geding: die vrijheid is tegenover de dienstverlener alleen dan gewaarborgd, wanneer deze niet alleen van zijn methodiek, maar ook van zijn waarden rekenschap weet te geven.’

Een heel stuk, maar m.i. de moeite waard er eens over na te denken.

Wat kunnen wij doen?

Tenslotte komt het rapport met een aantal aanbevelingen.

Om de participatie van de bevolking te bevorderen, wordt vooral gewezen op de levensbeschouwelijke groeperingen, die vanouds bij de dienstverlening zijn betrokken. In verband met hun ‘brugfunctie’, worden ook de diakonieën genoemd, die onder meer service kunnen verlenen bij overleg en communicatie. Ook zijn er vorig jaar in Groningen zgn. levensbeschouwelijke commissies gevormd om de bevolking te informeren en aktiviteiten op te zetten. Ten aanzien van de vrijwilligers wordt voornamelijk gewezen op de toerusting en begeleiding van bestuurders, terwijl suggesties worden gedaan m.b.t. de onderlinge contacten en de training.

Over de bezinning op levensbeschouwelijke vragen zegt het rapport maar weinig. Het stelt voor, zich vooral bezig te houden met het ‘opvangen en registreren van signalen’ vanuit het achterland en vanuit de instellingen. Tenslotte ziet het als direct aanknopingspunt een programma, gericht op o.a. de pastores als verwijzers.

Worden in dit werkstuk nieuwe dingen gezegd of klare antwoorden gegeven? Nauwelijks. Het zegt zelf ook slechts een aanzet te willen geven, waarbij het voordeel is dat de dingen in ieder geval heel nuchter op een rijtje zijn gezet, zonder dat overtrokken beloften worden gedaan. Het is m.i. mede aan de ‘achterlanden’ — en dat zijn voor ons zeker ook de diakonieën — om mogelijkheden te zoeken hierbij aan te sluiten.

Groningen gaat in dit opzicht met drie concrete projecten beginnen: Noord-Groningen, Zuid-Oost-Groningen en stad Groningen. Ik hoop dat we daar later wat meer over mogen horen.

Liever gewoon Nederlands, of Gronings

Bij het lezen van zo’n rapport als ‘De samenwerkingsorganen en de maatschappelijke dienstverlening in Groningen’ bekruipt me telkens een eng gevoel. Wie het heeft geschreven, kan me niet zoveel schelen, maar wel voor wie het bestemd is. Ik neem aan: voor gewone mensen, zoals u en ik, die op de een of andere manier vooral als vrijwilliger of verwijzer met de dienstverlening te maken hebben of te maken behoren te hebben. En aan wie op basis van dit geschrift gevraagd wordt zich meer betrokken te gaan voelen bij dit werk.

Maar zullen ze bij het lezen van dit boekje niet schrikken? Het woordgebruik is weer zo typerend voor de kring, waaruit het voortkomt.

Ik noem maar wat:

Professionalisering; de motivatie van de vrijwilliger; de participatie problemen; de aktie van de kaders; referentie-kaders; het provinciale platform; de animateur; aandachtsgroepen; het dienstverlenings- gebeuren; en onvermijdelijk: een intensief stuk begeleiding …

Natuurlijk: ieder beroep heeft z’n eigen taal. Dat geldt voor artsen, dominees, bootwerkers en kamerleden. Dat geldt ook voor dienstverleners. Maar wie een beroep doet op de bevolking, op een achterland, op een grondvlak (of hoe u dat noemen wilt), moet toch echt wel proberen zich verstaanbaar te maken en een gewone taal te spreken. Ik vrees dat deze brochure daar te weinig aan tegemoet komt. Liever gewoon Nederlands, of wat mij betreft: Gronings. Dat ‘enge’ taalgebruik neemt in Nederland hand over hand toe. Vooral officiële stukken — b.v. van ministeries — zijn daardoor vaak onleesbaar. Men gebruikt termen, die alleen vakgenoten begrijpen, soms zonder te verduidelijken waar het eigenlijk over gaat.

De journalist Herman van Run spreekt in dit opzicht over ‘wartaal’ en ‘wantaal’ en over ‘pretentieuze wolkigheid’ (‘Jeugd en samenleving’, januari 1976).

Soms denk ik wel eens dat we al die zgn. geleerde woorden en die griezelige vaktaal gebruiken om er onszelf en de werkelijke problemen achter te kunnen verstoppen. Ik maak me er ongetwijfeld ook wel eens schuldig aan, maar wat wilt u in een land, waar achteraf de troonrede ‘vertaald’ moet worden, opdat we zullen weten wat er toen gezegd, en begrijpen wat er toen bedoeld is.

Diakonaal zakboekje

In het vorige nummer berichtten wij u reeds dat de nieuwe uitgave van het Diakonaal zakboekje ter perse ging. Bij het uitkomen van dit blad zal het wel beschikbaar zijn. In een afzonderlijke aankondiging op de omslag van dit nummer leest u daar meer over.

Wij verwachten dat er enige duizenden exemplaren zullen worden aangevraagd en wij hopen dat er een goed gebruik van zal worden gemaakt. Daar is het voor bedoeld. Wilt u het ook kritisch gebruiken? Wij bedoelen: wilt u ons attenderen op eventuele tekorten, op dingen, die u mist? Bij latere verbeteringen of aanvullingen (daar is ruimte voor gelaten) kan van uw suggesties gebruik worden gemaakt.

Mochten vermelde instellingen of organen soms gaan verhuizen of een ander telefoonnummer krijgen, willen zij dat dan doorgeven?

De andere kant van de kinderzegel

‘Plak op al uw post kinderzegels’. Zo luidt ongeveer het motto. Eerlijk gezegd doe ik dat niet, maar wel op een deel daarvan na de aktieperiode. U waarschijnlijk ook.

Nu een andere kant van deze postzegel, waarvan de extra opbrengst bestemd is voor ‘het kind’. Het Nederlands comité voor kinderpostzegels heeft besloten voor 1976 een bedrag groot ƒ 100.000,— te reserveren voor het verstrekken van bijdragen in de exploitatiekosten van vakantiekampen voor gehandicapte kinderen. Men acht deze kampen niet alleen van groot belang voor het levensgeluk van deze kinderen, maar ook voor de ouders/verzorgers, die het echt nodig hebben eens even van de dagelijkse zorg voor deze kinderen te worden ontlast.

Wat is nu de bedoeling?

Het comité gaat er vanuit dat de normale kosten van vakantiekampen gefinancierd worden door de organiserende instelling en de ouders. Deze ton is echter bedoeld om te voorzien in de dekking van extra kosten voor vervoer, begeleiding enz.

Aanvragen om subsidie voor kampen in 1976 kunnen tot 1 juni a.s. worden ingediend bij het secretariaat van het Nederlands comité voor kinderpostzegels, Nassauplein 37, Den Haag.

Pen-in voor blinden

Door ir. A. J. van der Toorn, directie-lid van de P.T.T., is een Pen-in schrijfraam voor blinden uitgevonden. Het is een plastic geval, dat weinig weegt en dus gemakkelijk meegedragen kan worden.

Tot nu toe kon een blinde zich schriftelijk zonder braille alleen tot een ziende wenden via de schrijfmachine. Maar zo’n ding kost 3 à 4 honderd gulden en weegt meerdere kilo’s. Wanneer het Pen-in schrijfraam in grote oplage kan worden aangemaakt, gaat het een krats kosten.

Gelezen in ‘Tussen licht en donker’, contactblad van Bartiméus. Misschien kent u iemand, die u hierop kunt attenderen. Bartiméus en andere instellingen t.b.v. blinden kunnen u ongetwijfeld verder de weg wijzen.

Gedicht

Verzen en soortgelijke kunstuitingen komt u in dit blad zelden tegen. Verder dan Revius (‘Suldy wesen een diaken …’) en het Liedboek zijn we nooit gekomen, denk ik. Maar nu stuurt de dichter Willem Kuiter uit Haarlem ons speciaal ter publicatie in Diakonia een aantal gedichten. We hebben er één uitgekozen en hier afgedrukt.


Het gesprek

de cigaret kringt weg
net als onze woorden

we spraken over hoop
geloof en liefde

borduurden kleden van rook
tussen ons in

vergaten te zwijgen
bleven alleen


Hierna kunnen we er eigenlijk alleen het zwijgen toe doen, na u alleen nog te hebben medegedeeld dat Diakonia binnenkort extra aandacht gaat besteden aan de nieuwgekozen diakenen. In de hoop dat ook ‘de ouderen’ er wat aan zullen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1976

Diakonia | 28 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1976

Diakonia | 28 Pagina's

PDF Bekijken