Bekijk het origineel

Conferentie van Synode over spanning tussen theologie en gemeente

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Conferentie van Synode over spanning tussen theologie en gemeente

273 minuten leestijd

De conferentie werd dinsdagavond 6 januari 1976 in De Blije Werelt te Lunteren geopend. De praeses van de synode, ds. C. Mak, vroeg samen te zingen psalm 121.

Uit psalm 121:

Ik sla mijn ogen op en zie
de hoge bergen aan waar komt mijn
hulp vandaan?
Mijn hulp is van mijn Here,
Die dit alles heeft geschapen,
Mijn herder zal niet slapen.


Uw wankle voeten zet Hij vast,
als gij geen uitkomst ziet:
uw wachter sluimert niet.
Zijn oog wordt door geen slaap verrast,
Hij wil, als steeds voor dezen,
Israels wachter wezen.


Ds. Mak las vervolgens Markus 1, vers 1—8.
Uit dit Schriftgedeelte:
Begin van het Evangelie van Jezus Christus. Gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal. De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden. . .


Dit was zijn openingswoord:
Mak: Vandaag hebben we een synodevergadering zonder agenda. We behoeven alleen maar bezig te zijn met wat er aan de hand is, wat er leeft in onze kerken. We dachten dat het een heel goede zaak was om op deze manier eens bij elkaar te zijn. Als kerkeraad kan je van maand tot maand bezig zijn met wat geagendeerd is, met wat moet worden afgewerkt. Maar in een ogenblik van bezinning denk je soms: Is er niet meer aan de hand, zit er niet veel méér achter dat agendum en achter ons bezig-zijn, dan we wel weten, of willen beseffen? Moetje niet meer bezig zijn met wat er, vaak verborgen, beweegt, bruist en soms in flitsen bovenkomt?
Ook een synode loopt dat gevaar. Daarom deze conferentie, waarin we niet worden gedrongen naar een besluitvorming, maar waarin wij worden gedrongen naar elkanders hert en zeker ook naar ons eigen hart: wat beweegt ons en wat beweegt anderen? Wat is de ene beweging, die we misschien zijn kwijtgeraakt, maar die we toch weer te pakken moeten krijgen, willen wij het Koninkrijk Gods niet ongemerkt en onbedoeld, maar wel door eigen schuld, voorbij zien gaan?
Het moderamen van de synode heeft geprobeerd deze beweging, die vaak zo weinig ter sprake komt, in enkele korte bewoordingen te vangen. Dat is niet zo eenvoudig geweest. Mag ik hier proberen met mijn eigen woorden te typeren wat wij dachten dat in beweging is en wat onze bezinning vereist?
Je zou het dan zo kunnen zeggen. De theologen in onze kerken zijn bezig met wetenschap en ze doen dat allemaal naar hun beste vermogen. Wat hun wétenschap betreft zal er wel nauwelijks iemand zijn, die met een vinger naar hen wil wijzen. In hun bezig-zijn proberen de theologen de kerken perspectief te bieden. Waar zijn ze anders voor aangesteld; wat zou anders de band, die ze met onze kerken hebben, voor inhoud hebben? Maar we constateren, zoals ook zij dat doen, dat de een, bezig in de theologie, toch wel ergens anders uitkomt, dan de ander. Nog eenvoudiger gezegd: de een zal weinig moeite hebben met de confessie en met de kerk, maar de ander zal daar wèl zij n zorgen over hebben en beiden met een eerlijk hart. Wat zit er dan achter?
Is dat niet een verschil van startpunt bij het theologiseren? Gaat het dan niet om protegomena, om vooronderstellingen van waaruit de een werkt en van waaruit de ander werkt, maar het is wel een verschillende achtergrond? Ik denk dat wij, althans als startpunt - waar we op deze conferentie terecht komen weet niemand — met deze zaken moeten proberen bezig te zijn.
We proberen vooronderstellingen te peilen. Bij de theologen èn bij onszelf: ambtsdragers van de gemeente, het grondvlak van de kerk. Opinies mogen en willen op tafel gelegd zijn. Opinies van anderen, opinies van onszelf, want wij zijn allemaal bezig. Misschien dat wij, al pratende, eindelijk zelf iets ontdekken van waar wij staan in dat theologiseren, in dat gelovig zijn, in dat ambtsdrager zijn, in dat lid zijn van de gemeente van de Here Jezus.
Ik wil u oproepen, als wij het daarover hebben, in goed vertrouwen met elkander om te gaan. In goed vertrouwen jegens uw God en Heer, in goed vertrouwen tegenover de ander. Zou het mogelijk zijn dat wij, zó met elkander omgaande en denkende en peilende, tot een nieuw oriëntatiepunt en tot een nieuw élan komen? Want wie zal ontkennen, dat we dikwijls dat oriëntatiepunt wat kwijtraken en niet altijd dat élan hebben dat we zo graag, diep in ons hart, zouden willen? Zou het mogelijk zijn, dat wij daar kwamen?
Ik heb voor u iets gelezen uit het begin van het evangelie, zoals Markus ons dat heeft doorgegeven. Markus zegt: Zo is het begonnen. Wat? Het evangelie! Zo is het begonnen — het evangelie, het koninkrijk, de verschijning van de Heer onder de mensen, de komst van de Kerk van de Here Jezus in deze wereld. Met een man, die zei: Je moet de stenen opruimen en je moet de gaten dichten van de weg, waar de Heer over komt en waar het koninkrijk over wil verschijnen. Dan ben je zover, dat je mag verwachten, dèt de Heer komt en dat dat wondere koninkrijk verschijnt, dèt je de oriëntatie weer ontdekt en dèt je ook het élan weer opdoet.
Welnu, ik denk dat wij allemaal zeggen — anders hadden wij geen conferentie behoeven te beleggen — hoe het dan ook verder zit met die theologie en die gemeente, dat dit verschrikkelijk belangrijk blijft. We zeggen allemaal: de Heer moet er weer meer bij komen, de volheid en de rijkdom van Zijn Geest willen wij weer hebben in onze kerken en in onze harten en de ambten moeten meer volstromen van Hem, Die komt en Die niet voor niets in deze wereld Zijn woning wil hebben. Daarom zijn wij hier. Theologie heeft daar veel mee te maken. Vertrouwen heeft er veel mee te maken. Gewoon christen zijn en proberen de Heer te volgen, ja, dat heeft er allemaal mee te maken.
Maar dan zegt Markus: en dat begint dan daar, waar mensen die dat zo graag willen een keer zeggen; er moet wel wat worden weggeruimd en er moet ook nog wel wat worden opgevuld. Er moet een gladde weg komen. Dat is het minste wat je voor de Heer kunt doen. En dèt ligt nu voor ons, wat wij er dan verder ook van maken. Hoe moeilijk alle problemen ook zijn, dit moeten we vasthouden: de Heer moet er zijn en Zijn Geest moet ons bereid maken wegruimers van het puin te zijn, opvullers van de gaten. En dan gaat het niet alleen om de structuren van de kerk en om allerlei vragen, waar je dikke boeken over kunt schrijven. Want het opvallende is, dat Johannes de Doper, de profetie van Jesaja en Maleachi volgend, terechtkomt bij het woord: bekering! Hij heeft het over die gladde weg en wij zeggen dan, dat dit anders moet en dèt verbeterd, maar hij spreekt van bekering.
Je moet gedoopt worden als bekeerde mensen en tot bekering van mensen. Dus je komt in je eigen hart en in je eigen leven terecht. De Stem die roept, roept ons tot onszelf terug, roept op tot heroriëntatie in ons eigen hart, roept ons tot zelfkritiek, roept ons tot het doen afbreken van die dingen welke we hebben opgebouwd als theologen en wat vaak erger is: als gewone mensen in de kerk, die 'een partijtje mee willen blazen'. Wij leveren dus onszelf uit aan de Heer, opdat die Heer er komt. En daarom leveren we onszelf uit aan elkander.
Dat is niet zo gemakkelijk. Het is een van de moeilijkste dingen. Echt goed getrouwd zijn, alle jaren door, is moeilijk omdat je altijd weer je aan elkaar moet uitleveren. Een hele tijd in een gemeente omgaan met dezelfde mensen is daarom zo moeilijk — je kunt het een hele tijd met mensen uithouden als je eigen hart gesloten blijft — als echt wel eens een keer dat hart open moet en als je zélf ter discussie moet zijn. Dèn komen de moeiten en soms ook wel de brokken.
Nu gaat het er maar om dat de Heer hier mag zijn. Bij ons èn in de gemeenten. Er is veel te doen. Een lange conferentie. Een moeilijke conferentie. Zouden we nog wat slapen in de nachten, die voor ons liggen?
Wandelgangen zijn ook vaak belangrijk.
Hoe het mag gaan, we zijn bezig óók met onszelf. Niet om er zelf zoveel beter van te worden, maar om de Heer ons een beetje beter te laten maken dan we wel eens zijn in onze kerken, helaas, en zo voor Zijn kerk en voor onze broeders en zusters, ook voor degenen die theologie bedrijven, iets te betekenen.
God geve ons wijsheid om dat aan te durven. Hij verblijde ons door die vreemde, ons door elkaar schuddende tegenwoordigheid van Hem, die Koning en Verlosser is.
Zullen we nu bidden en daarna gezang 126 zingen?

Uit gezang 126:
Bereid dan voor Zijn voeten
de weg die Hij zal gaan.
Wilt gij uw Heer ontmoeten,
zo maak voor Hem ruim baan.
Hij komt - bekeer u nu,
verhoog de dalen; effen
de hoogten die zich heffen
tussen uw Heer en u.


Voorzitter: Mag ik dan nu de eerste inleider, professor Kuitert, uitnodigen? Hij spreekt aan de hand van stellingen, die u allemaal heeft ontvangen.


Kuitert: Dames en Heren.
Echt met grote verlegenheid heb ik mij thuis al over mijn taak gebogen en die verlegenheid is tot op zeg maar dit moment alleen maar groter geworden. Ik bedoel: je weet niet hoe je het zou moeten doen.
Want je kunt niet zomaar een globale beoordeling geven over de kerk en haar wel en wee. Daar ben ik niet competent voor.
Daar moet je een veel beter overzicht en veel meer feeling voor hebben. Die mensen bestaan wel die dat kunnen. Dat ben ik niet.
Ik begin dus met te zeggen, dat die verlegenheid ook nu, bij alles wat ik ga zeggen, niet is opgeheven. Die blijft bestaan.
Ik heb de knoop wel doorgehakt en u een aantal stellingen geleverd die ik zal toelichten, die niet anders bedoelen te zij n dan inderdaad gespreksstellingen, waarop u kunt inhaken, hetzij om te zeggen: dat vind ik nou ook, hetzij om te zeggen: dat vind ik juist nou niet; ik ben het vurig met u oneens! U doet mij met allebei een even groot plezier. Waar u mij geen plezier mee zou doen, is om u er helemaal niks bij te kunnen voorstellen. Dan zou ik mij wel wat opgelaten voelen, laat ik het zo zeggen.
Meer wil het pakket stellingen dus niet zij n.
Het wil vooral ook niet over u heersen, niet over uw gedachtenwereld en over de manier waarop u er over wilt praten, dat kan ook altijd nog weer anders. Verder spreek ik voor mezelf en niet namens een groep, dat zal u ook wel duidelijk zijn. Er bestaan zoveel varianten in gereformeerd-zijn, dat ik het niet zou wagen om mij voor een spreker namens een groep op te werpen.
Wat heb ik dan wel gedaan? Ik heb geprobeerd zo helder mogelijk weer te geven wat mijns inziens vanuit de theologie vandaag op de tafel van de kerken en in het bijzonder op de tafel van onze eigen gereformeerde kerken gelegd zou moeten worden. Dus: waar de gereformeerde kerken mijns inziens niet omheen kunnen, willen zij hun zelfrespect en hun integriteit bewaren.
Dat heb ik natuurlijk dan erg beperkt moeten doen. Je kunt maar een fractie van het geheel naar voren halen; je weet ook niet zeker of er nog andere dingen gemoeten zouden hebben. Ik heb het wel zo willen doen, dat de misverstanden zoveel mogelijk opgeruimd werden, zonder dat daarbij verdoezeld zou worden wat er aan onenigheid, ook in de gereformeerde kerken, bestaat. Ik hoop dat ik daarmee een duidelijk genoeg voorafpraatje heb gemaakt.
Ik heb vijf stellingen: I. over theologie en kerk, 11. over geloofsverantwoording. 111. over de onderlinge 'kloof' in de kerk, IV. over openbaring en Heilige Schrift en V. over: Hoe samen verder? Over 1. en 11. zal ik niet zo lang doen. Ik wilde ze telkens even voorlezen en al vooriezende wat becommentariëren.
De eerste stelling valt in drie onderdelen uiteen en gaat dus over theologie en kerk.

Daar valt natuuriijk in het abstracte oneindig veel meer over te zeggen, maar ik heb mij wat toegespitst op hoe ik denk, dat wij het allemaal in de gereformeerde kerken ervaren.
Daarom mijn eerste stelling, punt a:

,Een gesprek heeft alleen zin, wanneer mensen die de gemeente niet in onrust willen brengen (de 'verontrusten' bijv.) ervan uitgaan, dat mensen die de gemeente onrustig maken (sommige theologen bijv.), van hetzelfde motief uitgaan als zijzelf, nl. het beste voor de kerk zoeken. En andersom'.

Dat vind ik wel een fundamentele stelling die het vertrouwen a.h.w. moet funderen binnen de horizon, van waaruit wij met elkaar alleen maar kunnen praten. Eigenlijk ligt het nog krasser: ik vind: als je dat niet van elkaar aanneemt, dat het gesprek dan geen zin heeft. Dus ik zou willen beginnen met te zeggen: laten wij dat van elkaar aannemen en dan inderdaad het beste voor de kerk trachten te zoeken. De kerk die ons lief is. Waar je je hart aan hebt verpand, voorzover je je hart aan een kerk mag en kunt verpanden. In ieder geval: waar je aan lijdt; eigenlijk lijden we er allemaal wat aan.
Ik wil nog wel iets aan deze stelling toevoegen, dat verhelderen moet waarom theologen zulke onruststokers zijn geworden. Vroeger was dat niet zo, vroeger had de theologie sterk de neiging om de bestaande kerkelijkheid te bevestigen, dus ook de kerkgenootschappen waar de theologen toe behoorden te bevestigen, aan te tonen dat zij op God en Zijn waarheid gefundeerd waren, enz.
De r.k. theologie heeft nog steeds deze neiging. Hoe komt het, dat dat nu verschoven is, behalve dan bij Rome, en het niet meer zo gaat als vroeger? Ik denk dat je moet zeggen, dat wij nu in een andere tijd leven, nl. in de tijd dat er niet meer één kerk is. Vroeger was de tijd waarin er maar één kerk was, of liever: waarin je dacht dat er maar één kerk was, nl. je eigen. Het is dan meteen duidelijk waarom Rome dus nog altijd dezelfde soort theologie heeft. Rome denkt nog steeds dat er maar één kerk is, nl. zij zelf. Langzamerhand zijn ook wij gereformeerden er achter gekomen, dat wij niet alleen zijn.
Wij geven daar zelfs institutionele vormen aan door samen op weg te gaan met de hervormden.
Maar dat betekent, dat je vanaf dat moment voor de vraag komt te staan: Hé, waarom zijn wij dan niet zoals de anderen, als we de anderen wel aanvaarden?
Hoe komt 't dat zij er ook zijn, hoe komt het dat zij zo heel anders praten? Ik spreek dan niet eens over de andere godsdiensten, die je ook in het vizier krijgt. Alleen nog maar van andere kerken en confessies. In ieder geval: vanaf het moment dat je merkt datje niet meer de enige bent, maar dat de anderen als volwaardige christengroep binnen dat grote christelijke erf ook bestaan, vanaf dat moment moet een theoloog veel kritischer wezen en kan hij nooit meer op die oude groepsbevestigende manier gaan spreken.
Want stel je voor, zeg ik dan maar met de belijdenis, dat wij de gewoonte voor de waarheid hadden aangenomen, of dat wij op het grote getal waren afgegaan, of dat wij op uitspraken van synodes of concilies waren afgegaan. Dat kan niet zegt art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis; de waarheid gaat boven alles, leder mens moet natuurlijk naar die waarheid vragen, maar het is werkelijk de 'job' van de theoloog om dat naar behoren en bij uitstek te doen, daar is hij nou eenmaal theoloog voor en daarom kan hij zijn werk niet doen, of hij zal telkens vraagtekens zetten. Vraagtekens van: wat doe je daar, waarom doe je dat, wat zeg je daar eigenlijk mee, waar haal je het vandaan, enz. Goed, daar hoef ik verder niet over te praten.

Punt b:
'Het is niet zo, dat sommigen de gemeente theologie willen opdringen en anderen willen dat niet; het verschil is veeleer dat verschillende theologen verschillende theologieën voorstaan. Een groot aantal theologieën voorkomt opdringen'.

Je wilt altijd, heb ik de neiging te denken, de ander waarschuwen voor andermans theologie. Je eigen vind je altijd goed genoeg. Die neiging heb ik zelf ook. Ik hoop niet dat alle mensen in de gereformeerde kerken mijn theologie erop na zullen houden, dat zou ik werkelijk niet graag willen, maar ik zou het erg vervelend vinden als er niemand was die het een beetje met me eens was, dan had je ook geen klankbodem meer. Daarom denk ik dat een groot aanbod van theologieën de opdringerigheid en de eventuele kwade kans van heersen over de gemeente, die er altijd aan een theologie vastzit, nog het beste kan voorkomen.

Punt c:
'Kerk (daar reken ik dan verkondiging onder en ook het geloven, het actuele, actieve geloven van ons als christenen) en theologie moet je niet vereenzelvigen. De gemeente hoeft niet aan theologie te doen, maar ze ontkomt niet aan geloofsverantwoording (en dus ook weer niet aan theologie).'

Dus voorzover geloofsverantwoording je telkens weer met theologie in aanraking brengt, geloof ik ook dat de gemeente minder dan ooit aan theologie ontkomt. Je kunt natuurlijk zeggen: waar ligt de grens, waar begint dan precies theologie? Begint die waar het erg moeilijk wordt?
Ik weet niet of je dat zo moet zeggen.
Voor mij n besef is het zo, dat wij in een tijd leven, waarin meer dan vroeger naar rekenschap en verantwoording gevraagd wordt. Meer dan vroeger zit er ook een trend van wetenschappelijkheid door onze moderne tijd heen. Daar worden de mensen mee opgevoed. Als je in zo'n wereld christen bent en niet meer in een wereld, waarin de mensen gewend zijn op autoriteit of vanzelfsprekendheid af te gaan dan ontkom je er mijns inziens als gemeente niet aan om aan geloofsverantwoording te doen en ontkom je er ook eigenlijk niet aan dat die geloofsverantwoording het niet zonder theologie kan stellen.
Maar u ziet hoe tegenstrijdig die stelling is. Ik kan hem niet anders formuleren dan zo, omdat voor mijn besef de tijd waarin wij leven van ons een veel duidelijker verantwoording vraagt dan vroeger.
Stelling II gaat over geloofsverantwoording. De eerste die daar bij staat (a) is een aardige noot om te kraken.

'Wij nemen iets voor waar aan, omdat anderen (vader en moeder, de kerk) het ons als waar hebben verteld. Maar dat laatste is niet de reden waaróm het waar is, ook al is het de enige weg om met waarheid in aanraking te komen.'

Dat is een stelling, waar ik niet teveel over zal zeggen. U mag hem weer naast u neerleggen, hoewel hij naar mijn besef fundamenteel is voor de geloofsverantwoording. Als voorbeeld kun je er de vraag bij denken welke iedere dominee op catechisatie altijd krijgt. Op een gegeven moment zegt een jongen toch: Ja, u bent gereformeerd omdat u gereformeerd geboren bent, maar als u in Arabië geboren was, dan was u natuurlijk een Islamiet geweest.
Ja, misschien was ik wel een Islamiet geweest als ik daar geboren was, maar ik ben nou toevallig hier geboren, zeg je dan. Ja, maar dan is uw gereformeerd-zijn niet echt, zeggen ze dan: u neemt het voor waar aan omdat anderen het u als waar hebben verteld, maar dat is niet genoeg.
Nee, ze hebben gelijk, dat is niet genoeg.
Dat is niet de reden waarom het waar is.
Nu moet ik er zelfstandig achteraan: waaróm is het waar, dus waarom ben ik gereformeerd? Heb ik 't helemaal voor mijzelf nu verantwoord of praat ik alleen maar mijn vader en moeder na of mijn voogden of andere mensen die de 'trendsetters' (zoveel als: de 'inplanters', red.) geweest zijn?
Ik bedoel het maar als een praktisch voorbeeld. Je kunt het op talloze manieren uitleggen. In bepaalde kringen hoef je bijvoorbeeld maar te zeggen: 'Marx heeft gezegd. . .' en daarmee ben je dan klaar. Zo heb je andere kringen waarin je kan zeggen: 'Abraham Kuyper heeft het gezegd', en daarmee is de zaak rond.
Maar klopt dat? Iets is toch niet waar omdat Marx het gezegd heeft? Evenzo: omdat Kuyper het gezegd heeft, is het dan waar, omdét Kuyper het gezegd heeft? Zo kan je nog een stap verder gaan. Je kan ook zeggen: is iets waar omdat Paulus het zegt, of moet er dan nog een reden bij waarom het waar is wat Paulus zegt? Dat zijn hele gewone vragen die elk mens kan bedenken. En vragen die elk mens bedenkt, ontloop je nooit.
Het tweede punt (b) over die geloofsverantwoording:

'De enige manier waarop wij kunnen aangeven dat geloof geen bijgeloof (of willekeur) is, is er gronden voor aan te geven, waarom wij dit geloof erop nahouden (en niet een ander).'

Ook dat is natuurlijk weer een vraag die je zo'n vijftig jaar geleden niet zou stellen.

Toen kwam je niet zo met die andere geloven in aanraking. Ook de andere godsdiensten waren nog niet zo dicht bij je bed komen te staan. De gereformeerde kring was een vrij gesloten kring. Maar vanaf het moment dat al die geslotenheden openbreken, komt de plicht tot geloofsverantwoording bij je binnen en word je gevraagd: waarom hang jij dat geloof aan en waarom hang je niet veeleer een ander geloof aan? Geef je het op om daar een antwoord op te geven, dan geef je voor mijn besef de communicatie met de niet-christenen op. De manier waarop de communicatie met de nietchristenen zich vandaag voltrekt, loopt via de geloofsverantwoording.
Stelling III gaat over de onderiinge 'kloof' in de kerk. Hij luidt:
a) De 'kloof' is een sociologisch te constateren feit, waarvan ook de mensen die zich er niet bij neer willen leggen, moeten uitgaan.
b) De 'kloof' doet zich in alle kerken (ook de gereformeerde) voor en hangt samen met het verschil in toetssteen die men aanlegt voor een verantwoord christelijk geloof.
1. Geloof is verantwoord voorzover het in de pas blijft met verantwoordingen uit eigen verieden (de verantwoording blijft binnenshuis);
2. Geloof moet, om verantwoord geloof te zijn, de toets van de godsdienstkritiek doorstaan (de verantwoording wordt ten overstaan van 'buiten' afgelegd).
Wie uit 1) naar 2) stapt, doet dat omdat 'buiten' bij hem 'binnen' is geworden.'

De term 'kloof' is meen ik van dr. Rietveld. Ik heb hem tussen aanhalingstekens gezet, omdat sommige mensen vragen: is het wel een kloof? Anderzijds kan ik het woord ook weer niet helemaal missen. Dus gebruik ik het in een zin, waarin iedereen het zijne er nog bij kan denken. Mijn opvatting in die stelling lil is, dat de zgn. kloof inderdaad te maken heeft met de geloofsverantwoording, die wij schuldig zijn af te leggen. Ik zal niet zeggen dat alle problematen in de gereformeerde kerk of de kerken in het algemeen daar vandaan komen.
Er is ook een problematiek van klein geloof en ongeloof en moedeloosheid en het niet meer zien zitten, en er is ook de problematiek van vragen die zo groot zijn dat noch u noch ik ze kunnen bemannen. Maar dit soort problemen zit zowel bij links als bij rechts, bij progressief als bij conservatief, hoe je het maar wilt noemen. Die hebben allemaal dezelfde zonden en gebreken. Het gaat er mij nu om: hoe komt het, dat het kerkelijk leven zich vandaag zo opsplitst?
Dat zou je kunnen uitleggen, laat ik het bescheiden zeggen, in samenhang met de geloofsverantwoording die van ons wordt gevraagd.
Er is natuurlijk altijd wel geloofsverantwoording geweest We moeten het ook weer niet zo voorstellen, alsof het iets nieuws is. Maar je kunt geloofsverantwoording fundamenteel verschillend voltrekken. Je kunt die als het ware binnenshuis voltrekken, ten overstaan van 'binnen', of je kunt die voltrekken ten overstaan van de buitenwacht. Anders geformuleerd: de zgn. kloof hangt samen met het verschil in toetssteen die men aanlegt voor een verantwoord christelijk geloof.
Welke toetssteen leg je aan om het christelijk geloof voor een verantwoord christelijk geloof te kunnen houden? De praktijk wijst aan dat je hier twee fundamenteel verschillende mogelijkheden hebt:

1. Geloof is verantwoord voorzover het in de pas blijft met verantwoordingen uit eigen verleden (de verantwoording blijft binnenshuis);

2. Geloof moet, om verantwoord geloof te zijn, de toets van de godsdienstcritiek doorstaan (de verantwoording wordt ten overstaan van 'buiten' afgelegd).

Laat ik beginnen met die verantwoording binnenshuis. Daarmee bedoel ik, dat je je ten opzichte van je eigen gereformeerde traditie verantwoordt en verantwoorden kan omdat je óók de problemen die je oploopt eigenlijk alleen binnenshuis hebt opgelopen, d.w.z. aan je eigen traditie. Ik noem er één: het probleem van verkiezing en verantwoordelijkheid, de ouderen onder u wel bekend. Ik moet daar op college niet over beginnen.
Geen student die er iets in ziet of ook maar weet waar het over gaat. Of het probleem van de goede werken: zijn die goede werken een noodzakelijke of een voldoende voorwaarde voor de zaligheid? Ook dat weten de studenten niet. Dat is voor hun geen probleem.

Waarom is dat voor ons ouderen dan wel een probleem? Wij hebben dat binnenshuis opgelopen aan onze eigen formuleringen, aan onze eigen geschiedenis, aan onze eigen probleemstelling. Welnu, voor veel christenen verloopt de verantwoording van hun geloof in het antwoord geven op deze problemen, die je binnenshuis hebt opgelopen en waarvan je binnenshuis verantwoording aflegt. Ik bedoel: ook de plaats van verantwoording ligt binnenshuis. Zijn dat dan geen echte problemen? Jazeker!
Maar je moet bijvoorbeeld wel gereformeerd zijn opgevoed, anders zou je die problemen niet eens kunnen benoemen en ook nooit opgelopen kunnen hebben. Heel veel mensen kennen die problemen niet; die zijn niet gereformeerd opgevoed of maar half gereformeerd opgevoed of het zei hun niet zoveel.
En al die andere mensen dan, die niet zo gereformeerd zijn opgevoed: hebben die geen goddienstige problemen en vragen?
Jazeker, die hebben ze ook, maar het zijn weer hele andere. Dat zijn vaak weer vragen die wij niet zo erg kennen of waar wij niet zo veel mee zitten te tobben, want wij hadden veel meer te doen met de vragen, die wij binnenshuis opliepen.
Nu is mijn idee, dat het binnenshuis oplopen en binnenshuis beantwoorden van geloofsvragen, op een gegeven moment ophoudt. De meeste gereformeerde men-i sen krijgen vandaag ook vragen die van buitenaf komen op hun bord, vragen die ze niet eerder gehoord hadden vanwege de afgeslotenheid, het gereformeerde isolement dat onze kracht was.
'In ons isolement ligt onze kracht' betekende in elk geval practisch, dat de vragen buiten de deur bleven. Maar dat isolement is doorbroken, deels door de media, deels omdat onze wereld zelf, alle mensen, inclusief de gereformeerde mensen, of ze willen of niet, voor vragen plaatst die nieuw zijn en alle mensen gezamenlijk aangaan.
Wij zitten in een gemeenschappelijke wereld en lopen gemeenschappelijk nieuwe problemen op. Nu is mijn idee, dat wij vandaag meer dan vroeger, door de vragen die van buitenaf komen, al of niet met zoveel woorden gesteld door mensen van buitenaf, opgeroepen en uitgedaagd worden om er antwoord op te geven. Hoe kom je aan de idee dat er een God bestaat? Wat bedoel je met de lettertjes GOD? Waarom dat geloof van jullie zo conservatief? Waarom hebben jullie zo weinig oog voor ontwikkelingen in de derde wereld? Waarom doen jullie zo weinig aan gerechtigheid? Is het christelijk geloof eigenlijk wel zo bevrijdend als jullie zeggen? Ik zeg niet dat dat de énige vragen zijn, maar het zijn wel fundamentele! Ze eisen een verantwoording.
Er komt een heel vragen-complex binnen dat vroeger niet binnen kwam. Wil je er antwoord op geven, dan moet je als het ware het vertrouwde huis met de vertrouwde vragen en de vertrouwde antwoorden achter je laten en je in het vlakke veld begeven, waar je vragen tegenkomt, waar nog helemaal geen antwoord op bestaat. Je komt problemen tegen, nieuwe problemen, die niet met behulp van de bekende oude zijn op te lossen. Je komt ook al nieuwe oplossingen tegen, nieuwe sleutels op nieuwe sloten, en zo is het binnen de kortste keren een geweldige, ik zal niet zeggen ravage in de kerk, maar wel een geweldige verwarring, een geweldige chaos, die de omgang met elkaar zeer gecompliceerd en onzeker maakt.
Wat zie je nu gebeuren? Sommige mensen zeggen: laten we toch teruggaan naar de geloofsverantwoording-naar-binnen.
Uitweg uit de verwarring is: terug naar de belijdenis.
Dat versta ik. Op die manier blijf je op dat veld waar je de vragen kende en waar je de antwoorden kende en zo blijft de zaak overzichtelijk. Ik versta dat dus, maar ik geloof er niet in. Ik geloof niet dat het een oplossing is. Van geen enkel probleem zelfs. Want het is geen geloofsverantwoording, het is een repetitie, en er zit dus geen perspectief in om die vragen die ik zo pas noemde — die nieuwe vragen die van buitenaf komen — ermee te 'bemannen'. Dat is dan ook de reden waarom een hernieuwde binding aan de belijdenis geen oplossing betekent.
Het is helemaal niet zo dat iemand op die belijdenis tegen is. Ook persoonlijk ben ik helemaal niet, dat mag u dan voor de zoveelste keer horen, op de belijdenis tegen.
Allerminst. Alleen, ik kom hem niet tegen bij het zoeken naar een antwoord op die nieuwe vragen die van buitenaf komen.
Daar kan de belijdenis mij niet meer bij helpen.
Ik zal mij niet uitputten om die nieuwe vragen nog eens op een rijtje te zetten. Ik noem er een paar om het geheel wat inhoud te geven. Denkt u bijvoorbeeld aan de vraag: hoe kan Jezus heil wezen voor dit leven en voor deze wereld? We hebben het heil van Jezus voor het hiernamaals om zo te zeggen al in kaart kunnen brengen in onze belijdenisgeschriften. Hoe kan Hij nu het heil wezen voor onze wereld hier?
Dat staat niet in de belijdenis. Waarom is de christelijke godsdienst werkelijk te vertrouwen en waarom is het niet een ideologie? Er zijn natuuriijk talloze mensen voor wie het alleen maar een ideologie is.
Waarom zouden ze ongelijk hebben? Dat is een vraagstelling waarop ik met de belijdenis in de hand niet verder kom. Waarom heten de bruinhemden van wijlen Franco 'strijders voor Christus Koning?' Daar moet je niet min over denken. Wij kennen de zwarthemden uit de oorlog. Als nu de bruinhemden van Franco zich naar Christus noemen, dan is dat om door de grond te gaan! Je kunt je gezicht niet meer vertonen als dat eenmaal in onze wereld bekend wordt. Hoe komt het dat dat allemaal toch maar kan? Wat gebeurt er in Noordleriand, dat zijn allemaal christenen, ze gaan allemaal naar de kerk, de een naar de r.k., de andere naar ds. Paisly, en ze slachten elkaar af als beesten. Hoe kan je je met zo'n christendom vertonen bij de mensen?
Of dan de Libanon, waar de christenen de Islamieten afslachtten en omgekeerd. Kortom, hoe komt het dat mensen niet welvaren bij het christelijk geloof, maar het blijkbaar voor van alles kunnen gebruiken?
Dan zwijg ik nog maar over de vragen die door het opkomende feminisme worden opgeroepen, de boeken waarin u vragen leest als: waarom is God een man, waarom is God niet een vrouw? Waarom had God geen dochter, waarom had Hij een Zoon? enz. Ik zwijg ook maar van de christenen voor het socialisme. U zult stellig nog meer van hen horen!
Ik noem dat allemaal alleen maar om te laten zien dat er geen enkele reden is om tegen de belijdenis te zijn, maar dat op die dingen, die ons vandaag de strop om de nek doen, de belijdenis je geen antwoord geeft. Met die vragen zijn we om zo te zeggen de belijdenis voorbij. Daarmee is de belijdenis niet betekenisloos, dat zal ik straks nog proberen te verduidelijken.
Maar hij helpt niet om de problemen, waar we vandaag mee zitten, op te lossen. Daarom moet je ook niet zeggen, dat de mensen die vandaag de problemen van voorbij met de belijdenis toch willen oplossen, maar een stukje uitverkoop van het christelijk geloof houden, of de zaak maar verschralen of er maar nauwelijks meer wat aan doen. Het zou natuurlijk vreselijk makkelijk wezen om het zo voor te stellen.
Dan waren we gauw met alles klaar.
Alles moet dan blijven zoals het is; alle verandering is verkeerd. Maar dat kan nooit goed zijn. Je zou dan het verleden, ook de belijdenis van vroeger, tot een norm maken en dat kan het verleden nooit zijn, dat hoeft het nooit te wezen, het is zelfs onmogelijk, het is in strijd met het geloof-zelf. Wij moeten niet vergeten, dat óók het verleden tijd-gebonden spreekt, precies zoals wij zelf doen.
Wat ik al met al probeer duidelijk te maken is, datje vandaag voor een aantal vragen staat, die in mijn stellingen nu maar zijn samengevat in het woordje godsdienstkritiek.
Ik bedoel daar niet alleen de officiële godsdienstkritiek van Feuerbach mee of van Marx, maar allereerst eigenlijk de kritische houding van de mensen tegenover de godsdienst en dus ook tegenover het christelijk geloof. Die kritische vragen kun je om zo te zeggen, niet meer ontlopen. Ikzelf hoor bij de mensen, die, zoals in mijn stelling staat, uit 1 naar 2 gestapt zijn, bij wie dat 'buiten' ook 'binnen' is. Ik zit met die vragen, ik lijd aan die vragen en ik kan geen christen zijn als ik op die vragen niet een eerlijk antwoord kan geven.
Ik kom nu tot stelling IV: openbaring en Heilige Schrift:

a) Gods zelfopenbaring gaat de middellijke weg: door mensen heen die zeggen wie Hij is, zegt Hij wie Hij is.
b) 'Openbaring' is niet een criterium dat over waar en onwaar van godskennis beslist. Integendeel, er is een criterium nodig onr te kunnen uitmaken of iets openbaring is (van God komt) OT niet (niet van God komt).
c) In de bijbel — de bron van de christelijke godskennis — brengen mensen op historisch bepaalde wijze God ter sprake.
d) De bijbel kan niet dienen als axioma dat aan het geloof vooraf gaat. Wat de bijbel zegt, is zelf voorwerp van geloof en moet als zodanig verantwoord worden.
e) Het soortelijk gezag van de bijbel (de aard van het gezag) is: traditie-gezag (het gezag dat tradities plegen te hebben).
f) Niet wij moeten aan de christelijke traditie een nieuwe toekomst proberen te geven (dan maken we er folklore van) maar de christelijke traditie geeft ons toekomst.
g) Hij doet dat als Jezus-traditie. Waar mensen met Jezus bezig zijn, daar is kerk (Matth. 18, 20)'.

In stelling lIl heb ik eigenlijk proberen te verklaren waarom die grote variëteit in de christelijke kerk er is, ook in de gereformeerde kerk. Je zou zelfs van een conflicterende pluriformiteit moeten spreken.
Welnu, is er nu een soort vaste grond, een soort toetssteen waaraan die pluriformiteit gemeten kan worden? Dat is een vraag, die niet zo eenvoudig te beantwoorden is als wij vaak denken; dat moeten wij goed onder ogen zien. Vanouds is openbaring in de christelijke kerk de toetssteen geweest.
Waar = wat geopenbaard is.
In de r.k. kerk was het dan het kerkelijk leergezag dat wist wat geopenbaard was en wat niet, want het beheerde de Goddelijke openbaring. De geopenbaarde waarheden waren, om zo te zeggen, bij het kerkelijk leergezag opgeslagen. Het had — letterlijk — deze waarheden in beheer.
Het protestantisme voelde zich natuurlijk wel wat in de kou staan. Het had kerkelijk leergezag immers afgezworen.
Na een poosje heeft het toen gezegd: wat bij Rome het leergezag is, is bij ons natuurlijk de bijbel. De bijbel is een bundel geopenbaarde waarheden en daar trekken wij een la van open (even voor de duidelijkheid zo gezegd) en dus staan wij niet achter bij de roomsen. Het zou inderdaad een zeer eenvoudig patroon zijn als het zo zat. Dan zou op een hele makkelijke manier de bijbel het criterium zijn waarover wij beschikken als wij de pluriformiteit willen toetsen. Maar de ontdekking die wij dan de hermeneutiek noemen, dat wil zeggen dat het verstaan van de bijbel en de bijbelschrijvers vertolking vereist, heeft roet in het eten gegooid.
Het grote probleem bij het verstaan van de Schrift is in de eerste plaats de historische afstand tussen die wereld en onze wereld en in de tweede plaats de diversiteit binnen de bijbel zelf. We moeten niet vergeten dat de bijbel ontstaan is binnen een tijdsafstand van 1100 jaar!
Precieser gezegd: hij bestrijkt een tijd van minstens 1100 jaar traditie van Israël en de vroegchristelijke kerk. Dat is niet gering. Die beide problemen kwamen aan het licht door exegese. Exegese zet je met de neus bovenop de tekst en daarom op het probleem van het verstaan.
Sedert de opkomst van de moderne exegese is het simpele Schriftberoep achterhaald. De bijbel blijkt niet een bundel geopenbaarde waarheden te zijn, maar in de bijbel spreken mensen die in taal en voorstellingswereld kind van hun eigen tijd zijn en die tijd is een tijd van eeuwen en eeuwen geleden. In ieder geval een totaal-andere tijd dan de onze en het is werkelijk onmogelijk dat je zomaar even een tekst kan aanhalen en zeggen: dit of dat is dus bijbels, want daar heb ik een tekst voor.
Het woordje 'bijbels' wordt in onze kringen als een soort toverwoordje gebruikt, maar het spot meestal met alle eerlijke exegese.
Het is niet waar dat de bijbel, laat ik nu maar eens een voorbeeld noemen, een huwelij ksopvatting heeft — te weten: huwelijk als verbond — die zo mooi laat zien dat man en vrouw gelijkwaardige partners zijn, want 'verbond' in de bijbel is niet een relatie tussen partners van hetzelfde niveau, maar tussen een machtigere en een minder machtige.
Daarom konden zij de term verbond zo mooi voor het huwelijk gebruiken, omdat zij vonden dat het huwelijk zo in eikéér zat: de machtige is de man, de minder machtige is de vrouw; dat is de reden waarom dat woordje verbond in de bijbel geschikt is om het huwelijk te verduidelijken. In de bijbel heerst dus een door en door 'mannige' opvatting over het huwelijk.
Leg je dat niet uit eerlijke exegese op tafel, dan knoei je — zonder het te bedoelen — met de bijbel en dat vind ik eigenlijk het allerergste wat je kan doen. Laten we dus zeggen: het blijkt uit de exegese dat de mens en zijn cultuur er telkens tussen zitten. Als ik in mijn boekje 'Zonder geloof vaart niemand wel' zeg: alle spreken over boven komt van beneden, ook als we zéggen dat dit of dat van boven komt, bedoel ik helemaal niet te ontkennen dat God zich openbaart en dat onze kennis van God bestaat bij de gratie van Gods zelfopenbaring, maar ik bedoel te zeggen dat dit altijd middellijk gaat; dat het spreken van God altijd bemiddeld is, dat wil zeggen; altijd door mensen (en hun cultuur) heen die zich uiten.
Nogmaals, daarmee stap je niet af van openbaring, of van de belijdenis dat de kennis van God door Gods zelfopenbaring tot stand komt. Maar je geeft ermee aan dat dat blijkbaar wat minder eenvoudig toegaat dan wij denken. Je bent dus ook niet klaar door ergens op je Godskennis te plakken: dat is openbaring, want dat doen ze natuurlijk allemaal, alle godsdiensten.
Zoals je ook niet klaar bent met te zeggen dat de christelijke godsdienst de ware godsdienst is. Dat zeggen de andere godsdiensten toch ook van zichzelf? Ergens het[ etiket openbaring opplakken is aanduiding van jouw overtuigd zijn, dat hier de waarheid Gods is. Je plakt erop: ik geloof dat de christelijke godsdienst de waarheid over. God verkondigt. Dat overtuigd zijn is noodzakelijk, is een noodzakelijke voorwaarde voor een waar geloof.
Een geloof dat niet echt overtuigd is, is geen echt geloof. Overtuigd zijn is echter niet een voldoende voorwaarde voor een waar geloof. Ook de Marxisten zijn diep, werkelijk diep overtuigd, tot in de dood toe, dat hun leer de ware leer is. Che Guevara is een martelaar en niet voor niets een martelaar met religieuze trekken, een echte martelaar, maar zijn overtuigdzijn van de marxistische waarheid maakt die waarheid toch niet waar?
Zo is dat ook bij het christelijk geloof. Je moet ten diepste overtuigd zijn. Dat overtuigd zijn moet je hebben anders kan je geen christen zijn, maar onze diepste overtuiging, ingebakken in die belijdenis dat het geloof op openbaring rust, maakt dat geloof niet waar. Daarom moet je verder vragen, daarom moet je omzien — hoe moeilijk dat ook is — naar een criterium dat over waar of onwaar, ook van ons christelijk geloof, kan beslissen. En om dat criterium te bereiken moet je, geloof ik, toch een stapje terug doen en zeggen: van buitenaf gezien is ook het christendom natuuriijk een godsdienst onder de godsdiensten; daar is niets aan te doen. Je moet niet van te voren alvast een gestolen uitzonderingsplaatsje voor jezelf claimen. Dat hoeft ook helemaal niet — dat zou tenminste mijn geloofsbelijdenis zijn — als je werkelijk overtuigd bent dat het christelijk geloof op openbaring berust. Dan kèn het tegen een stootje; dan kan het ook elke eerlijke toets doorstaan. Je kunt dan zelfs zeggen: de God van de christenen houdt op te bestaan als er niemand meer is om Hem te eren.
Vanmorgen las ik nog in Trouw dat dr. Rietveld daar languit over gevallen was. Ja, dat kan ik me wel voorstellen, maar het hoeft helemaal niet, want dan denk je toch bij jezelf: kom maar op met dat criterium; dat kunnen wij als christenen heel goed hebben. Onze God is de God waarvan wij belijden dat eens voor Hem alle knie zich buigen zal. In die zin geloof ik dat het christelijk geloof ook bovengenoemde toetssteen best zal mogen aanvaarden. Tot zover even mijn uitstapje over openbaring en godsdienst.
Ik heb gezegd, dat je in de bijbel mensen tegenkomt die in termen van hun eigen tijd — en dat is 'n hele lange tijd geleden — hun ontdekking van God uitspreken en onder woorden brengen. Dat is kennelijk de bijbel: een historisch bepaalde manier van spreken over een aan de historie zelf opgedane ervaring van God.
Dat is voor een aantal gereformeerde mensen een griezelige uitspraak: waar blijven we dan? Het is ook wel een beetje griezelig. Geloven is af en toe ook griezeliger dan je denkt. Die griezeligheid, of laat ik liever zeggen: aanvechtbaarheid, kun je niet opheffen door een theorie van inspiratie, want die heb je ook maar zelf bedacht.
Niets helpt om je voor deze aanvechtbaarheid te bewaren. Zij is inherent aan het geloven zelf.

Dus: een historische bepaalde manier van spreken over God aan de historische ervaring zelf opgedaan. Dat is in elk geval karakteristiek voor de bijbel. Ik weet niet of ik dat nog moet toelichten. Laten we nog eens aan de doorgaande tekening van de man-vrouw verhouding denken, die wij vandaag in elk geval erg mannig, sexistisch en anti-feministisch zouden noemen.
Als dr. Van Bruggen uit Kampen (vrijgemaakt) zegt dat je in de bijbel toch werkelijk vindt dat de vrouwen ondergeschikt zijn (en moeten zijn!) aan de mannen, dan heeft hij schoon gelijk; dat vind je daar werkelijk. Alleen, niemand van u neemt dat meer; dat durf ik zo toch wel te zeggen.
Niemand nu meent ook meer dat alleen mannen in het ambt mogen. Wij nemen ook vrouwen op in het ambt. Dat is eigenlijk een prachtig voorbeeld hoe het gaat met het gezag van de Schrift. Het gezag van de Schrift is, wat het soort gezag betreft, traditie-gezag. Dat is de eigensoortigheid ervan, het soortgelijk gezag van de Heilige Schrift. Dus niet gezag op de manier waarop de Paus gezag heeft, niet op de manier waarop een wetboek gezag heeft, of op de manier waarop autoriteiten hun gezag hebben, maar gezag op een manier waarop traditie gezag heeft. Dat blijkt al uit het aanvaarden door de gereformeerde kerken van de vrouw in het ambt. Dat gaat niet alleen dwars tegen de teneur, maar ook dwars tegen uitdrukkelijke teksten van de Heilige Schrift in, zeker tegen Paulus in. Zijn de gereformeerden overstag gegaan, toen ze de vrouw in het ambt toelieten? Is dat hun grote misser, de eerste stap op het hellende vlak? Ja, zo spreken veel mensen, die de eigensoortigheid van traditie-gezag niet onderkennen en traditiegezag omtoveren tot gezag als externe autoriteit, zo noem ik dat dan maar even.
Maar in werkelijkheid zijn de gereformeerde kerken daarmee helemaal niet op het hellende vlak en doen ze precies wat de kerk door alle eeuwen heen te allen tijde — wat langzaam of wat sneller — hééft gedaan. Het probleem waarmee we vandaag zitten is, dat het zo snel gaat!
Want nog eens een keer: wat is de bijbel eigenlijk? De bijbel is de christelijke traditie, dat wil zeggen: van vroeger, mensen uit het verleden, mensen van 1900 jaar geleden, zelfs van 2900 jaar geleden, die in hun termen over God spreken. Waarom houd je er zo'n traditie vanuit het verieden op na?
Waarom zou je dat doen? Waarom gooi je het niet in de kachel?
Op zulke vragen is maar één antwoord mogelijk: omdat je er van leeft, omdat je er iets in vindt wat maakt, dat je vandaag verder kunt als mens, nergens anders om.
Niet omdat het moet van God, niet omdat het moet van de synode, niet omdat het moet van de professor, of van de dominee of van je vader of je moeder, maar omdat er wat in staat wat je door de jungle van het leven van vandaag heen helpt. Dat is de enige manier waarop het verieden, een traditie, gezag kèn hebben; doordat hij ons vandaag metterdaad aan licht, leven, toekomst helpt; doordat hij macht heeft ons aan licht, leven en toekomst te helpen.
Mijn grote vrees voor de gereformeerde orthodoxie, waar ik zelf uit voortgekomen ben, is dat ze dat omdraait, dat ze denkt dat wij het verleden, dat wij onze traditie, nieuwe toekomst moeten verlenen.
Ze restaureren in Drente een compleet dorpje. Het heet Orvelte. Ze willen het in de oude staat handhaven. Op die manier helpen ze Orvelte, een dorpje uit het verleden, aan een nieuwe toekomst. Als een folklore houden ze Orvelte in ere. Dan kan ook met de christelijke traditie gebeuren, dat het folklore wordt. Dat vangt vanaf dat moment aan, dat wij ons aanstellen alsof wij onze eerbiedwaardige traditie over God of over Jezus aan toekomst zouden moeten helpen. Dat is toch te zot!
Wij zouden Jezus aan toekomst moeten helpen en daar passende maatregelen voor moeten nemen, traditiebewakende restaurerende maatregelen? Dat wordt op zijn best godsdienstig volksdansen en op zijn slechtst religieuze dwang, die zich niet verdraagt met wat geloof werkelijk is.
Heersen over elkaar met bijbelteksten.
Daarom heb ik geprobeerd als stelling te formuleren: 'Niet wij verschaffen onze traditie nieuwe toekomst, maar de traditie bewijst zichzelf van meet af aan als veel meer dan alleen maar verleden, doordat die ons nieuwe toekomst opent, en daarin en daarin alleen rust het gezag van de christelijke traditie, van de bijbel.' Haar gezag is haar macht om vandaag voor ons licht, leven, blijdschap en toekomst te betekenen. Op een andere manier geloof ik niet dat je ermee om kan gaan. Op een andere manier gaan wij er in feite ook niet mee om. Op een andere manier heeft de kerk in het verleden evenmin er mee omgegaan.

Dat betekent ook, eerlijkerwijze, dat er sommige dingen zijn waarvan je zegt: dat zegt ons dan ook niets meer, daarmee kan ik op het ogenblik niets beginnen. De vrouw die niet in het ambt mag hebben de gereformeerde kerken naast zich neergelegd, want daar konden ze niets meer mee beginnen en terecht. En de huwelijksmoraal, de patriarchale huwelijksmoraal hebben ze ook — terecht — naast zich neergelegd; daar kun je ook niets meer mee beginnen. Je schrapt het er niet uit. Wie weet ligt er nog een verborgen zegen in en kun je over een x-aantal jaren er nog eens weer wat uithalen. Maar je moet wel de nuchterheid opbrengen en zeggen: een traditie keert altijd dat naar voren waarmee wij vandaag wat kunnen, of liever: je tast een traditie af op datgene waarmee wij vandaag gezamenlijk verder kunnen. Hij draagt ons en niet: wij dragen hem. Ik geloof niet dat er op een andere manier over onze christelijke traditie gesproken kan worden.

Tenslotte stelling V: Hoe samen verder? Daar staat:

'a) Leertucht (justitieel of judicieel) op basis van de confessie is geen weg naar waarheid en eenheid.
1. Confessies van 400 jaar geleden kunnen geen actuele geschillen oplossen.
2. Kerken die dat alsnog proberen vliegen dan ook de lucht in.
3. Leerdwang getuigt van weinig vertrouwen in eigen waarheid.
4. Leerdwang blokkeert de creativiteit van de gemeente.

b) De confessie is van huis uit vertrekpunt, geen eindpunt; middel, geen doel; wegwijzer, geen weg.

c) Er is geen andere weg naar waarheid en eenheid dan de lange weg van de dialoog zonder dwang.

d) De grenzen van de kerk zullen we evenals de eenheid aan de hand van 1 Cor. 13 moeten bepalen en niet met behulp van formulieren van enigheid. Waar onmenselijkheid voor christelijk wordt uitgegeven, is tucht zelfs mogelijk'.

Zo kom ik terug bij die conflicterende pluraliteit, zoals wij die nu in onze kerken hebben. Ik zeg expres: conflictterend, omdat het niet zo onschuldig is als gewone pluriformiteit. Die mag er wezen, maar we hebben. Ik zeg expres: conflicterend, omwe hebben nu conflicterende pluriformiteit.
Wij leven in conflicten, die er niet moesten zijn. Je komt in de kerk niet verder als je niet in de eerste plaats begint met deze feitelijkheden te erkennen.
Dat is een harde en bittere erkentenis voor ons als gereformeerde mensen, maar hij moet gemaakt worden. Niet omdat het zo nodig van mij moet, maar omdat je de werkelijkheid onder ogen moet zien. We zullen dus een toontje lager moeten zingen; ook een beetje bescheidener moeten zijn als gereformeerde kerken.
Ik geloof niet dat je die conflicten oplost — dat wil ik hier zeggen onder punt V — ' door de binding aan de belijdenis dan nog eens extra stevig aan te zwengelen en met leertucht te gaan werken. Ik heb daar in een ander verband wel eens wat over gezegd en wil dat zo weinig mogelijk herhalen. Ik geloof dat de praktijk het in de eerste plaats aanwijst. Wie het goede zoekt voor de gereformeerde mensen en voor de gereformeerde kerken, die moet de weg van de leertucht uit zijn hoofd zetten, want de praktijk alleen al wijst het uit, dat kerken die dat vandaag alsnog willen proberen, de lucht in vliegen. Ook geloof ik, dat er principiële argumenten tegen leertucht zijn, dat het echt niet zo kan en ook niet zo hoeft; dat waarheid niet bewaakt moet worden met dwang. Dat heeft waarheid niet nodig. Leugen heeft dat nodig; daar moet dwang achter, maar waarheid hoeft ' het daarvan niet te hebben. Het getuigt I niet van veel vertrouwen in je waarheid als je denkt, dat je met dwang de mensen bij die waarheid moet houden. Dat geldt ook voor de christelijke waarheid.
Daarom vind ik ook dat het in de kerk anders toe kan gaan dan in de staat. In de kerk kan het uitgepraat en doorgepraat worden. In de staat moet je wel eens dwang toepassen. Daarom is de kerk juist weer anders dan de staat. Ik geloof verder dat ook de gemeente er niet wel bij vaart.
De gemeente komt a.h.w. in de stopfles van de confessie te staan en daar verliest ze haar creativiteit.
De mensen zeggen wel eens: waar blijft dan het arme kerkvolk als je zegt dat je geschillen eigenlijk niet met de belijdenis kunt oplossen? Antwoord: er is geen arm kerkvolk, dat hebben we hoogstens arm gemaakt, door het teveel te bevoogden.
Laat de mensen maar eens vrij spreken, laat ze hun zeg-vrijheid terug vinden. Ja, dan vliegen de ketterijen over de bank, natuurlijk, maar is dat zo erg? Eindelijk spreken ze zelf weer, zeggen ze wat ze zelf bedoelen. Nou heerlijk, dat moeten we hebben. Daar moet je ruimte voor creëren. Dat kan een gemeente ook best aan.
Ik ben dus inderdaad een verklaard tegenstander van leertucht vanuit de confessie, hetzij justitieel hetzij judicieel. Ik heb mijn stellingen hierover aangekondigd als inbreng, dus u mag daar zo royaal tegen zijn als u wilt natuurlijk, maar ik mag het ook net zo royaal beweren als ik het wil.
Voor alle duidelijkheid nog eens: ik geloof er niet in dat wij het daarmee redden en dat het goed voor ons is. Wie nu nog aan leertucht begint, blijft straks misschien met de ware leer over, maar de mensen zijn weg.
Maar als je die confessies nu eenmaal hebt, kunnen ze dan niet functioneren?
Zonder twijfel kunnen ze functioneren, maar dan moeten ze functioneren als ons gemeenschappelijk land van herkomst.
Van huisuit is de confessie een spraakregeling. Een formulier van Enigheid wil niet anders zeggen dan dat we hier een spraakregeling van een bepaalde groep voor ons hebben, het land van herkomst van die groep.
Maar we willen toch niet in die groep blijven? Dat heeft de synode zelf gezegd: samen opweg naar een veel grótere groep.
Natuurlijk: confessies zijn geen doel in zichzelf; dat heeft de reformatie nooit bedoeld. Ze zijn ook geen eindpunt. Ze zijn weg, middel om van het land van herkomst tot de universele kerk van de toekomst te komen.
Met dat alles hangt mijn voorstel samen dat we het moeten proberen via de dialoog zonder dwang. Dat is de enige weg naar de waarheid en de eenheid samen. Ik wil u er wel op wijzen dat dat iets totaal anders is dan leervrijheid. Leervrijheid spreekt in een totaal andere samenhang. Bij leervrijheid gaat het niet om waarheid. Dan mag ieder zijn zegje zeggen, want de waarheid kunnen we toch niet vinden.
Ik vind ook dat iedereen zijn zegje mag zeggen, maar dan niet omdat de waarheid toch niet te vinden is, maar als weg naar de waarheid. Ik pleit voor een dialoog zonder dwang als weg naar waarheid en eenheid.
Dus mag ook ieder zijn zegje zeggen. Dat betekent niet, dat die zegjes die iedereen zegt, ook waarheid zijn, maar hij mag ze wel zeggen en alleen langs deze weg, waarin ieder zijn zegje wel mag zeggen, maar hij moet ze laten toetsen door anderen — alleen langs deze weg is er waarheid en eenheid te vinden. Dat voorstel betekent praktisch: allereerst erkennen dat onze kerken vleugels hebben. Ik zeg dus niet richtingen, maar vleugels. Richtingen is ook een achterhaald woord.
Geduld hebben, dat is het tweede. Luisteren, elkaar laten uitpraten, de kans geven aan elkaar om te zeggen wat je precies bedoelt. In één woord: verdraagzaamheid.
Ten derde: de dialoog institutionaliseren.
Wat we hier nu doen met de synode, vooral - en allereerst — op het grondvlak doen, en met grote vrijmoedigheid: de mensen met elkaar laten praten over wat hen verdeelt en hoog zit. Ik zie de synode hier voor een nieuwe taak staan: naast zakendoen, wordt de synode de grote gelegenheidsgever (nl. van dialoog zonder dwang). Zo kunnen conflicten zelfs vruchtbaar worden.
Voorzover ik kan zien is de grote diversiteit die je in de gereformeerde kerken hebt ook niet louter en alleen maar schade. Alleriei controversen en vernieuwingen hebben erg veel mensen er opnieuw weer bij bepaald en ze aan het nadenken gebracht over hun eigen christen-zijn.
Zijn er dan geen grenzen aan de kerk?
Dat is de vraag waarmee ik wil besluiten.
Die grenzen zijn er. In de eerste plaats staat in één van mijn stellingen dat daar de kerk is, waar zich mensen rondom Jezus scharen. Daarmee is de kerk bepaald, ompaald als u wilt. In de tweede plaats zou ik willen toevoegen, dat de grenzen voor mij beginnen, niet waar mensen met gebrek aan verwachtingen komen of met een krom geloof, maar waar ze onmenselijkheid en liefdeloosheid voor christelijkheid uitgeven.
Dáár ligt voor mij de duidelijkste grens.
Dáár zou ook ik tucht willen aanvaarden.


Voorzitter (na de theepauze): Mag ik nu prof. Ridderbos vragen zijn inleiding te houden?


Ridderbos: Ik steek in een enigszins ander vel dan de vorige spreker, maar toch heb ik wel wat met hem gemeen, namelijk dat ook ik het een moeilijk karwei vond hoe je dit nu op de goede manier moest behandelen en dat ook ik helemaal niet zeker ben of ik dat wel goed getroffen heb. Ik ben zelfs niet zonder aarzelingen over heel deze vergadering; daar lig ik ook al wat dwars in. Ik zie in de conferentie die we hier met elkaar houden grote kansen en voordelen; ik zie er ook wel risico's in.
De aanleiding tot deze conferentie is, denk ik, wat in het rapport van deputaten voor het verband (officieel geheten: deputaten voor de oefening van het verband met de theologische faculteit van de V.U. - red.) met de dikwijls geciteerde en wat omineuze woorden wordt aangeduid als de wijde en diepe kloof in onze kerken tussen de zogenaamde nieuwere theologische ontwikkelingen én wat deputaten dan telkens en telkens het traditionele denken, de traditionele geloofsbeleving, de traditionele instelling, enz., noemen. Ik laat die kwalificaties nu maar voor een ogenblik voor wat ze zijn, maar ik begrijp wel dat in de daardoor aangeduide situatie uw vergadering aanleiding gevonden heeft op een niet synode-achtige manier, meer informeel, deze hele problematiek onder ogen te zien.
Dat is alleszins begrijpelijk. Het is een behoefte om de concrete vragen en beslissingen, waarmee u zich zo wat op de meeste vergaderingen van de kerk geconfronteerd ziet in het juiste perspectief, tegen de juiste achtergronden, te zien. Het is, denk ik ook begrijpelijk als een psychologische neiging: om wanneer de zaken en beslissingen moeilijk worden eerst maar eens een stapje terug te doen en in een meer algemene problematiek, ik zeg niet: te vluchten, maar zich toch wel wat vrijblijvender, wat minder concreet en riskant te kunnen bewegen. Dat heeft alles vóór, het kan geestelijke bijziendheid en bedrijfsblindheid en al dit soort dingen voorkómen.

Het heeft óók wel iets tégen. Het gevaar van zittingen als deze is, dat de kerk, want zo zitten wij hier toch, zich in allerlei eindeloze theologische probleemstellingen laat verstrikken, zodat wij na drie dagen discussiëren tot de conclusie moeten komen, dat wij nog veel verder van huis zijn geraakt dan toen wij zijn begonnen. Dat is een risico.
Ik raak hier uiteraard de bijzonder netelige en gecompliceerde verhouding (daar heeft prof. Kuitert ook al over gesproken) tussen kerk en theologie en ik verbeeld mij ook niet dit probleem even te kunnen oplossen in het voorbijgaan. De kerk kan niet zonder een zekere mate van theologie. Zoals het leven ook niet kan zonder een zekere mate van wetenschap. Maar het leven is toch ook altijd veel méér dan men er wetenschappelijk van kan zeggen en het wordt ook niet wetenschappelijk geleefd, althans maar zeer ten dele. En zo staat het ook met het geloof als de diepste uiting van het menselijk leven. Zoals liefde meer is dan de psychologie of de biologie of mijnentwege de neurologie van de liefde, zo is het geloof ook meer dan de theologie.
Ik bedoel dat 'meer' natuuriijk niet in een hiërarchische zin, alsof de theologie aan het geloof zou moeten vragen hoe het precies zou moeten en het geloof aan de theologie de wet zou kunnen voorschrijven. Maar wel in die zin, dat het geloof iets ènders is dan hetgeen zich in de weg van de wetenschap laat beredeneren, of legitimeren of verifiëren. Geloven en belijden van de kerk is een beslissing, een antwoord op iets ènders dan op het resultaat van wetenschappelijke of theologische bezinning.
Het zal daarom m.i. de kunst van deze vergadering zijn dat andere waarmee het geloof en de kerk het voor alles te doen heeft, goed te blijven onderscheiden in zijn eigenheid. Als iets dat niet in vlees of bloed, maar in de Vader zelf zijn oorsprong vindt.
Ongetwijfeld moet je dan ook weer erg voorzichtig zijn om niet tot voorbarige en voortijdige uitspraken te komen en een bepaalde theologie voor Gods Woord aan te zien en uit te geven. Maar het gevaar, dat dat endere, dat eigenlijke waarop het geloof van de kerk geantwoord heeft en nog antwoordt, in de mist van de theologische vrijblijvendheid raakt, is niet minder groot.
En dan is het laatste van die kloof erger dan het eerste.
Dat gevaar komt voor mijn besef ook op ons af wanneer tegenwoordig telkens wordt gezegd, dat het in de kerk zo zou moeten zijn, dat niets hoeft en dat niets moet en ieder spoortje van dwang of binding zou moeten verdwijnen. Ook in het rapport van deputaten klinkt daar iets van door. Zij zeggen, dat wij in een open gesprek met elkander moeten zijn en dat elke kramphouding van: 'je moet dit en je moet dat zó zeggen en anders is het niet goed', moet worden vermeden. Dat is natuurlijk goed bedoeld, hoe zou het anders van zulke degelijke deputaten.
En wij zijn hier uiteraard niet om tot elkaar te zeggen: je moet dit en je moet dat! Dat is, in deze communicatieve zin, voor mij geen probleem en dat wij bereid zullen zijn naar elkaar te luisteren, dat wij zelfs de poging moeten doen om in eikaars vel te kruipen, ook al spring je soms eerst uitje eigen vel, dat zit er bij mij wel in. Maar er zijn, als het over het geloof en ik dacht ook over de christelijke theologie gaat, zeer principiële grenzen aan die vrijblijvendheid van het niet-moeten. En het is niet onbedenkelijk dat het woord 'krampachtig' dan dadelijk als een stok achter de deur klaar gehouden wordt. Want juist vanwege het eigene van het geloof, als een beamen en een ja-zeggen, een gehoorzamen, is het antwoord van het geloof niet vrij.
Natuurlijk, het geloof zelf is geen dwang en geen kramp. Het is juist een vrij gemaakt worden tot een gehoorzaamheid en tot een antwoord, die een mens uit zichzelf niet zal opbrengen.
Ook kan en mag dat antwoord op allerlei wijzen gegeven worden. Want het is een antwoord op een onvoorstelbaar rijke, veelvuldige openbaring van God. Maar daarmee is niet gezegd, dat ieder antwoord dat altijd slechts in vrijheid en in liefde wordt gegeven, ook goed is. leder antwoord, dat tot de eenheid van het ware geloof zal bijdragen (en daar gaat het ons denk ik in deze dagen vooral om), zal zich op de een of andere wijze hebben te legitimeren als een antwoord op de openbaring van God in Jezus Christus. Gelijk ook iedere kritiek op eens anders antwoord, of op het antwoord van de kerk in het verleden, onder de verplichting staat van die legitimatie. Daar liggen voor mijn besef de grenzen van de vrijheid in de kerkelijke discussie. Daar ligt ook de enige hoop, dat wij deze discussie op een goede wijze te boven komen en dat wij er niet in ten onder gaan.

Een tweede bezwaar dat ik gevoeld heb en nog wel een beetje voel is, dat wij, door als synode lang en breed over de kloof te gaan praten, de polarisatie in de kerk ook nog wel eens zouden kunnen aanwakkeren, in plaats van haar terug te dringen.
Vooral wanneer die kloof dan nader wordt omschreven als een kloof tussen theologie en gemeente of tussen traditionele gelovigen en mensen van de nieuwe richting. Ik denk dat wij met deze crisisachtige woorden toch wel voorzichtig moeten zijn. Ik zie wel fundamentele bedreigingen van de eenheid. Maar ik wil daar voorlopig nog niet in die algemene zin en en zeker niet in die weinig gedifferentieerde zin over spreken als een kloof die dwars door de kerk gaat: theologen aan de ene kant, gemeente aan de andere kant, progressieve nieuweren hier, traditionelen daar. Wat ik wel zie is geweldige verwarring, onzekerheid, behoefte aan oriëntatie, chaos. Wij leven in een tijd van grote en onvoorstelbare veranderingen. En geen wonder dat dat de kerk aangrijpt als een stormwind; al wat niet goed vastzit begint te rammelen of vliegt van het dak. U kent dat beeld, in deze dagen! Wij krijgen als gereformeerden daar ook onze volle portie van.
In de gereformeerde kerken heeft vanouds steeds weer het belijden centraal gestaan. Het is dan ook geen wonder, dat juist op het punt van het belijden van de inhoud ervan, maar ook van het belijden als zodanig de storm, van de tijd zijn invloed doet gelden. Kunnen we met onze 'oude' belijdenis nog wel verder? Is zij nog wel verstaanbaar voor de tegenwoordige generaties, slaat die belijdenis nog ergens op? Is zij niet te zeer bepaald door de tijd waarin zij ontstaan is? Is zij voor wat haar verzoeningsleer betreft niet te anselmiaans? En wat haar predestinatieleer betreft niet te deterministisch? Is zij wat haar 'setting' aangaat niet te veel op de rechtvaardigheid door het geloof en te weinig op het Koninkrijk Gods gericht? Is zij niet te uitvoerig, is zij niet te gedetailleerd? Is ze niet te theologisch? enz., enz.
Dat zijn allemaal nog maar binnenvragen, om met Kuitert te spreken. Maar kan men een predikant voor zijn prediking en een professor in de theologie voor zijn onderwijs nog wel enigermate binden aan die oude belijdenis? Is dat ook niet in strijd met de wetenschap die toch vooruitgaat en die je niet van te voren kunt voorschrijven waar zij 'uit' moet komen? En anderen, jongeren bijv., praten er nog heel anders over. Zij zeggen: is er niet veel meer behoefte aan orthopraxie dan aan orthodoxie? Roept de wereld niet om iets anders dan om de rechte leer? Is Jezus niet de grote we\doener, de zaligspreker van de armen en van hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en zit de kerk daar wel op de goede golflengte met haar prediking, haar interessesfeer, haar institutionaliteit? Vraagt de bijbel niet een endere benadering van ons tegenwoordig?
Anderen zeggen: is er niet een nieuwe spiritualiteit nodig? Geloven wij nog wel echt, geloven wij nog in wonderen, in gebedsverhoring, in direct contact met Jezus? En moet het daarom, ook op de synode, niet over heel andere dingen gaan?
Niet altijd opnieuw over kwestie-zus en zaak-zo?
Ik raap nu maar een paar vragen op, die men telkens kan horen en stel dan de vraag: zit hier nu de kloof en is hier nu de crisis in het zicht?
Ik denk, dat we er wel wat dichter bij komen. Er zijn mensen die het om deze vragen in de kerk niet langer kunnen vinden en die haar verlaten; en er zijn andere mensen, die omdat het altijd weer over die vragen gaat, ook in de prediking en op de catechisatie en op de gemeentevergadering en discussies onder de jeugd, moedeloos het hoofd afwenden en vragen of er dan helemaal niets goeds meer is in hetgeen zij geleerd hebben en waarin zij zich hebben welbevonden. Toch zeg ik ook hier: laat ons niet te spoedig van een kloof praten, althans niet over de onvermijdelijkheid ervan. Wanneer de oude belijdenisgeschriften niet meer functioneren zoals het behoort, behoeft dat geen crisisverschijnsel te zijn, het kan ook een bewijs van gezondheid zijn, dat men zijn geloof op een andere wijze wil uitdrukken en uitgedrukt zien dan in de trant van 400 jaar geleden.
Wij moeten kunnen begrijpen, dat mensen, jongeren en ouderen, die niet zo zwaar door de theologie zijn heengegaan als velen van ons, zich afvragen: moeten wij dit alles achter ons aanslepen om de Here Jezus te dienen?
Wij hebben daar, denk ik, al te weinig aan gedaan. Wij hebben het al te lang laten lopen en nu wij er weer iets aan gaan doen (zij het dan nog altijd in die oude belijdenisstijl, waar sommigen blijkbaar af willen), zien wij toch twee dingen. Ten eerste: hoe groot de belangstelling in de kerk is om over de dingen van het geloof met elkaar na te denken en te praten. En in de tweede plaats: hoe moeilijk het is om het niet alleen wat geconcentreerder en eenvoudiger te zeggen, maar ook op zulk een wijze dat het de mensen aanspreekt en dat ze zó hun christelijk geloof onder woorden zouden willen brengen. Dat kan natuuriijk aan die mensen liggen omdat ze van de structuren van de bijbelse boodschap te weinig meer kunnen onderscheiden; maar het kan ook liggen aan (wat ik nu maar noem) heel de traditionele scopus van ons kerkelijk belijden, de lens waardoor wij de dingen bekijken.
De scopus van de reformatorische belijdenis is in overwegende mate, zoals u weet, bepaald door Paulus' brief aan de Romeinen. Luther heeft er zelfs de 'canon in de canon' van gemaakt. En dat was natuurlijk niet toevallig, want zo heeft de reformatie — ik wil wel zeggen — op een onvergelijkelijke manier antwoord kunnen geven op de crisis van het geloof zoals die toen aan de orde was. Te zeggen, dat dat onze vragen niet meer zijn en dus ook niet meer onze antwoorden kunnen zijn (hoe goed die antwoorden ook op die oude vragen mogen passen) vind ik geweldig oppervlakkig. Het zou voor mijn besef in strijd zijn met het allesoverheersende, dat Jezus Christus dezelfde is, gisteren en heden en voor altijd. De vaderen - laat ik nu maar dramatisch worden, maar het is de werkelijkheid — zijn toch niet voor vragen de brandstapel opgegaan, waarvan je kan zeggen: als ze een poosje gewacht hadden dan waren die vragen van zelf weer weggeëbd. Het zou wel eens kunnen betekenen, dat w i j , a Is wij dèt denken, onze eigen tijd niet meer verstaan. Ik wil wel geloven — met prof. Kuitert — dat je met aankomende studenten moeilijk meer kunt praten over de 'verdienstelijkheid der goede werken' en zulk soort van dingen, maar ik vind wel, dat de werkheiligheid, in nieuwe kleren uitgedost, verschrikkelijk parmantig door de kerk stapt.
Als ik hoor wat je allemaal eerst 'waar moet maken' en 'hard moet maken' en 'verifiëren', voordat je tot 't ware geloof gerekend mag worden, vraag ik mij soms af: zouden er ook nog goddelozen gerechtvaardigd worden? Maar het zou óók kunnen zijn, dat juist diezelfde tijd waarin wij leven, ons ertoe zou moeten nopen de lens toch bij te stellen, dat ze een wijdere benadering vraagt. Ik zeg nog niet zo hard: wijder dan die van Paulus, want er is bij hem ook nog zo iets als de brief aan de Kolossensen; maar misschien wel wijder dan de Catechismus. Misschien dat in ons belijden de wereld-openheid van Lukas en de Handelingen, dat de glorie van God in het menselijk vlees, waarvan het evangelie van Johannes op zulk een bijna eenzijdige manier spreekt (om slechts enkele dingen te noemen) veel meer in het gezichtsveld getrokken moeten worden, zal de kerk haar Heer ook in deze tijd kunnen blijven volgen en de rechte antwoorden kunnen geven op de vragen die gesteld worden.
Dat is allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, dat besef ik wel, het heeft iets te maken met onze moeite om oecumenisch mee te denken en mee te komen, als dat tenminste iets meer zou voorstellen dan een breeddoenerig relativisme. Het heeft ook iets te maken met de merkwaardige en plotselinge behoefte, die er in grote delen van de kerk is gevaren om zich zelf binnenstebuiten te keren om de kerk zoveel mogelijk in haar afzonderlijkheid te effaceren (op de achtergrond te houden -red.), om alles op de kaart van de sociale kwestie te zetten, om het brandpunt van de religie in de politiek te zoeken en zelf als kerk, liefst zo incognito als mogelijk in de maatschappij te willen opgaan. Ik denk niet dat wij zomaar geneigd zouden zijn of zouden moeten zijn aan dit alles critiekloos mee te doen, als zou de Heer plotseling die weg voor ons inslaan. Maar ik besef wel, dat de kerk om in deze dingen tot een adequaant oordeel en tot een adequate kritiek te komen, de antwoorden zomaar niet klaar heeft liggen in de arsenalen van de oude belijdenis.
En die behoefte aan — soms radicale — heroriëntering brengt met zich, dat de naald van het kompas soms hevig schudt en de tegenstellingen in de kerk over de te volgen weg soms onoverkomenlijk lijken. En toch denk ik, dat dit alles wat ik nu improviserend opsom ons niet zo in venwarring en zeker niet tot een kloof zal brengen, als er in de theologie en op haar voetspoor ook in de kerk niet bepaalde ontwikkelingen waren, die bij velen terecht of ten onrechte een diep wantrouwen hebben doen ontstaan.
Men moet dat niet al te spoedig het etiket opplakken van het wantrouwen van de traditionelen. Wij hebben ongetwijfeld in onze kerken een groep mensen, die sterk traditioneel denken en bang zijn voor veranderingen; zulke mensen zijn er overal.
Maar het gereformeerde kerkvolk in zijn grote meerderheid is niet conservatief. Veel minder conservatief bijvoorbeeld dan het hervormde kerkvolk, dat mag ik hier wel zeggen. Je kunt met gereformeerde mensen heel wat uithalen, zolang ze het gevoel hebben dat het van de goede kant komt.
Wat heeft Kuyper er niet mee uitgehaald, schelmstukken denk ik soms! Kijk ook thans naar de overwegend gereformeerde antirevolutionaire partij; die is veel minder conservatief dan bijvoorbeeld de C.H.U. En al moeten de gereformeerden in het algemeen niets van Den Uyl hebben blijkens de statistiek (ik zal maar niet zeggen hoe ik dat vind), zij laten zich toch minder door Wiegel verleiden dan grote groepen van katholieken en C.H.-mensen.
Ze zijn moeilijk te regeren, want gereformeerden zijn geen kuddedieren het zijn individualisten, zij volgen grommend hun leiders al lopen ze niet gauw om bijzaken weg. Maar ze worden wel recalcitrant en onverzettelijk als ze het gevoel hebben dat de identiteit van hun geloof, van hun partij, van hun kerk in gevaar komt. Een identiteit die ze dikwijls beter aanvoelen dan beschrijven kunnen.
Kijk naar de moeite in het C.D.A. die natuurlijk weer door de A.R. wordt verwekt.

Dat dwarsliggen is niet een kwestie van conservatisme, maar van vasthouden aan identiteit. Ik heb het gevoel, dat in de gereformeerde kerken soortgelijke dingen spelen. De diepste kern van onze moeilijkheid is niet, dat het conservatisme in de kerk zo verschrikkelijk moeilijk te overwinnen is (want dat is voor het grootste deel van de kerk voor mijn besef niet het geval), maar: dat in brede lagen een wantrouwen is dat men bezig is ergens aan de identiteit van de gereformeerde religie, ik wil ook wel zeggen van het christelijk geloof, te morrelen.
Men is als de dood voor scheuringen en die vrees is mee de reden, dat het met de eenheid niet slechter gaat dèn het gaat en dat er een grote bereidheid is uw synode te volgen in alle inspanning om de eenheid, soms ook op de meest wonderlijke wijze, te te handhaven. Maar het wantrouwen is onmiskenbaar. En dat heeft bij wat voor mij de kern van het gereformeerde volk is geen betrekking op allerlei vernieuwingen als werelddiakonaat, ontwikkelingshulp, liturgie, wereldraad, nieuwe belijdenis, proeve van dit, proeve van dat, zaken die men wel kritisch maar toch wel met vreugde wil volgen; ook nog niet op meer cruxiële zaken als PCR,hoezeer men dat ook wantrouwt, intercommunie, samen op weg e.d., al loopt men daar niet zo hard voor, maar wèl op zaken die de kern van de confessie raken, als de verwerping van het zoenoffer van Christus, het tornen aan de volstrekte normativiteit van de Schrift in zaken van het geloof en van het belijden; ook het functieverlies van de dienst van Woord en Sacrament ten koste van sociaal en politiek engagement. En ik denk dat het dit wantrouwen is, dat deputaten in hun rapport als een wijde en diepe kloof hebben gekwalificeerd en dat het er op deze conferentie over moest gaan of dit wantrouwen al dan niet terecht is of, wat zachter gezegd, al dan niet gerede aanleiding vindt in bepaalde theologische ontwikkelingen binnen onze kerken.

Nu is 't althans mij niet mogelijk dit alles in kort bestek toe te lichten en te evalueren. Er is als het over bepaalde theologische ontwikkelingen gaat die onder ons in geding zijn, heel wat aan de hand, en er zijn mensen ook hier, die daar in algemene zin beter over kunnen praten dan ik. Ik denk bijvoorbeeld aan het veelbesproken boekje van prot. Kuitert 'Zonder geloof vaart niemand wel'. Ik heb daar veel van teruggevonden, ook in zijn verhaal nu. Ik heb het daar in het algemeen niet over. Ik wil mij concentreren op een ander punt, dat toch ook wel in zijn verhaal uitkomt van vanavond en dat ook door deputaten in hun rapport centraal gesteld wordt, namelijk op het toenemende bezwaar van het bindend karakter van de belijdenis.
Prof. Kuitert heeft daarover vanavond onomwonden gesproken. Ik vind dit ook het eigenlijke punt, want het raakt de kerk direct. De kerk houdt er niet een bepaalde theologie op na. Zij kan ook moeilijk de theologie op al haar wegen volgen en al de boeken, die de professoren schrijven niet allemaal lezen en beoordelen.
Maar de kerk heeft wel 'n belijdenis waarin zij haar geloof uitspreekt en waaraan, het hoge woord moet eruit, een ieder die als een ambtsdrager in de kerk of namens de kerk optreedt, preekt en leert, zich niet in een litteralistische en formalistische, maar toch wel op een zeer nadrukkelijke wijze verbindt en waarop hij aanspreekbaar is. Het is duidelijk, dat die binding al meer en meer op de tocht komt te staan en dat daar ook een zeer bepaalde theologie achter ligt.
Nu kom ik eindelijk ook aan mijn stellingen toe 1). Na wat ik al gezegd heb, ben ik met de eerste stelling gauw klaar. De bezwaren van de nieuwe theologie gaan niet slechts tegen bepaalde aanwijsbare en eventueel te verhelpen gebreken in de oude Drie Formulieren van Enigheid, maar tegen het bindend karakter van een belijdenisalszodanig. Daarom zal die nieuwe theologie ook geen goed woord zeggen van een nieuwe belijdenis of van onze proeve van een nieuwe belijdenis, al zal ze, omdat prof. Berkouwers naam er ook onder staat, er weinig kwaad van zeggen. Tot voor kort waren wij het er over eens dat een kerkelijke belijdenis haar gezag in de kerk ontleent aan haar overeenstemming met de Heilige Schrift. De belijdenis zélf is daarmee nooit onfeilbaar geacht. Integendeel, ieder die deze belijdenis op grond van de Schriften meende te moeten tegenspreken, is gerechtigd dat te doen en zelfs verplicht daarmee voor de dag te komen. Maar in de conformiteit met de Schrift lag voor de kerk het einde van de tegenspraak; en dat beginsel wordt nu zeer sterk aangevochten. Men zegt: die bijbelseboodschap zélf, zoals zij in de Schrift tot ons komt, kan men niet zonder meer normatief stellen voor de prediking, laat staan voor de theologie, want ook die bijbel heeft geen direct gezag als openbaring van God. Zij komt immers tot ons in allerlei vormen, voorstellingen, denkkaders die karakteristiek waren voor een bepaalde tijd, die dienst deden voor de toenmalige geloofsbezinning op het heil, maar die voor ons als zodanig geen bindende betekenis meer (behoeven te) hebben. Wat voor ons geldingskracht heeft in de bijbel, als ik het goed begrijp, is niet die bepaalde bijbelse presentatie en toepassing van het heil, maar wat zich achter en in die presentatie van het heil verbergt, wat zich voortstuwt in de tijd. ledere generatie en iedere cultuur moet dat op haar wijze verwerken en verwoorden, overeenkomstig hetgeen in een bepaalde cultuur 'denk'-baar is en als heil erkend en aanvaard kan worden. Je kunt de mensen toch niet aankomen met soort van heil waar ze helemaal niet naar vrègen! Bij het verstaan van de bijbelse boodschap speelt daarom de denkwereld en de cultuur, ook het individu binnen die cultuur, en zijn 'Selbstverstandnis' een geweldige rol.
'n Veel grotere rol, dan de kerk zich blijkbaar bewust is. Daarom is 't 'n verkeerde dwang de mensen te willen binden aan de wijze waarin niet alleen in de belijdenis, maar ook in de bijbel-zelf het heil tot ons komt. Het moet ook ènders kunnen en mogen, al naardat de persoon in kwestie voor zich het heil ervaren en aanvaarden kan en onder woorden kan brengen. Daar komt dan ook wel het adagium vandaan, dat in de kerk 'niets moet en hoeft', het adagium ook van de 'vrije bijbel' en van de vrije Geest, al begrijp ik wel, dat men dat niet tot een eindeloos subjectivisme wil brengen.
Deze benadering van de bijbelse boodschap als een tijdgebondene en daarom aan onze critiek onderworpen presentatie van het heil is geenszins nieuw. Als ik een bezwaar mag inbrengen tegen het rapport van deputaten, dan is het, dat zij de kerkelijke belijdenisopvatting telkens, vier, vijf, zes maal, als 'traditioneel' kwalificeren en de daartegen ingaande opvatting als 'nieuw'. Als je dat stuk leest en uitgelezen hebt en als je dan niet tot de nieuwe theologie hoort, krijg je een verschrikkelijk verkalkt gevoel over je. Daar kom ik wel weer overheen, maar dat wil ik toch zeggen. Ik vind dat het ook niet juist is, want in feite is deze opvatting van die zogenaamde nieuwe theologie zéér traditioneel, inzover zij een zeer oude theologische traditie vertegenwoordigt. Bij de uitlegging van het Nieuwe Testament heb ik mijn hele leven deze opvatting ontmoet in de meest afwisselende vormen. Soms zeer radicaal, soms zeer subtiel, maar toch altijd zeer doelbewust.
De bijbel, zoals die voor ons ligt, wordt dan als oosterse, joodse, hellenistische, mythologische, interpretatie van een bepaald godsgeloof voorgesteld. Men kan daaraan, al naarmate men daaraan behoefte gevoelt, stellig ook bepaalde religieuse bezielingen, ethische waarden, enz. trachten te ontlenen. Maar altijd weer waren het de contemporaine moderne cultuur, de filosofie van de tijd, het voorgegeven menselijk verstaan van zichzelf, ook wel de sociale omstandigheden, die de categorieën moesten leveren, waarin de bijbelse boodschap, zou ze nog geldigheid kunnen hebben, vertaald moest worden. En vandaar dat de geschiedenis van de exegese een bonte reeks van Jezusbeelden oplevert, al naar gelang men Christus in bepaalde 'denkkaders' meende te moeten verstaan: de sociale Jezus, de mystieke Jezus, de liberale Jezus, de ethische Jezus, de revolutionaire Jezus; thans weer de gekleurde en de zwarte Jezus. De eersten staan alle in het pantheon, deze laatste twee lopen nog vrij rond! En de geschiedenis van de interpretatie van Paulus levert een soortgelijk beeld op. Na de lutherse Paulus kwam de piëtistische, na de piëtistische Paulus kwam de Paulus van de Aufklarung, de hegeliaanse, de liberaalburgerlijke, later de mystieke, toen de existentiële Paulus van Bultmann, terwijl Paulus thans min of meer buiten betrekking is, omdat de maatschappijcritiek weinig met hem kan aanvangen. Dat grapje is niet zo goedkoop als het lijkt. Er zit in ieder geval een geweldig stuk ervaring in die wij hebben opgedaan met de theologie van de denkpatronen, waarvan telkens weer een nieuwe aflevering onder de naam van nieuwere theologie wordt gepresenteerd.
Toch begrijp ik ook wel, dat ik mij er zo niet kan afmaken. Want aan de andere kant is het niet minder waar, dat wij lang geleefd hebben bij een al te ongenuanceerde opvatting van het gezag van de Heilige Schrift, product van een inspiratieleer, die aan het menselijke, in de tijd opgenomen, karakter van de openbaring niet voldoende recht heeft laten wedervaren.
Het voortgaande Schriftonderzoek heeft ons geleerd en leert ons steeds meer, hoezeer het Goddelijk Woord is ingegaan in menselijke woorden, vormen, begrippen, denkkaders, die voor een bepaalde tijd kenmerkend waren en die ons heel wat hoofdbrekens kosten om ze te begrijpen, laat staan dat ze voor ons dan ook al dadelijk relevant en herkenbaar zouden zijn. We komen er ook steeds meer achter, dat het in de Schrift geopenbaarde heil op allerlei wijzen tot uitdrukking is gebracht (hier volg ik Kuitert helemaal), door de ene bijbelschrijver in 'n heel andere conceptie en onder 'n heel ander gezichtspunt dan door de andere. Ik heb er pas in het Gereformeerd Weekblad nog een beetje over geschreven. De mensen die dus goeie kranten lezen, weten dat wel; voor anderen wil ik er nog wel iets aan toevoegen. Paulus en Jacobus verschillen nog al wat en er komt heel wat kijken om ze onder één noemer te brengen. De evangelisten rangschikken, interpreteren, redigeren ieder op eigen wijze het leven van Jezus in een poging om de grootheid van Jezus zo goed en effectief mogelijk voor hun bepaalde lezers tot uitdrukking te brengen. Daar kun je uren over praten en college over geven.
Dat brengt je niet tot ongeloof. Zelfs niet tot ongeloof in de inspiratie. Je wordt er eerder hoe langer hoe plezieriger van, als je die grote variatie en rijkdom ziet. Het brengt je wel tot ongeloof in een bepaalde inspiratie/eer. Ik zeg dan tegen mijn studenten, dat de Heilige Geest niet zo gereformeerd was als bepaalde theologen. Zo verkalkt (denk aan het rapport van deputaten) ben ik dus ook weer niet. Maar een geheel andere zaak is, of wij nu op grond van deze en dergelijke dingen, die ik uiteraard maar een beetje kan aanstippen, kunnen zeggen dat de bijbelse boodschap daardoor haar openbaringskarakter, of haar direct openbaringskarakter verliest en slechts tot ons komt in de vorm van, laat ik nu maar zeggen: gre/oo/sinterpretaties en ge- /oo/sbezinning van de bijbelschrijvers. De gedachte is dan, dat het Goddelijk heil zich slechts in de spiegel van menselijke geloofsbezinning reflecteert. Het heeft een sterk secundair, menselijk, tijdgebonden karakter, al naarmate die spiegel er uit zag.
En wij op onze beurt, wij moderne mensen, moeten onze eigen spiegels gebruiken, ervaringsspiegels, denkspiegels. Wij moeten het, om een wat gangbare term te gebruiken, op onze manier c^ooA/ertellen en staan dus op die manier naast en in zekere zin ook zelfstandig en critisch tegenover de eerste vertellers en getuigen. Dat is wat bijv. prof. Schillebeeckx kerugmacritiek noemt. Dat wil zeggen: een critische bezinning op de voorstelling en de kaders, waarin de bijbelse boodschap (het kerugma) van de verzoening, van de Messianiteit van Jezus van de opstanding, van de paulinische rechtvaardigheidsleer enz. enz. tot ons komt. Dat zijn allemaal menselijke reflectoren, dat is geen openbaring. Dat Jezus de Messias was, is een naam, die zij aan Hem gegeven hebben. Opstanding wil niet zeggen dat je met de opstanding als zodanig geconfronteerd wordt. Je wordt geconfronteerd wat het heeft uitgewerkt in het leven van sommige mensen en wat voor werkelijkheid daar achter zou kunnen zitten. Dat is nu juist de kunst om daar iets verstandigs over te zeggen.
Dat alles is natuurlijk ingewikkeld en ook ingrijpend en dat kan ik niet in een halfuurtje vertellen. Daarom wil ik trachten de zaak in haar centrum aan te vatten. En daar gaat het toch langzamerhand, denk ik, in de kerk over. Want het gaat niet meer over die binnenvraagjes en die kleine binnenbrandjes het gaat wel degelijk langzamerhand in de gereformeerde kerken over: 'Wat dunkt u van de Christus'. Die vraag wil ik stellen, al erken ik, dat ik daarmee in zekere zin simplificeer; maar ik centraliseer ook. Want als wij het over deze vraag eens zijn, dan zie ik geen kloven meer en dan kunnen ze (om het maar eens een beetje ruw te zeggen) voor mij de rest ook nog een keer cadeau krijgen. Het gaat tenslotte over deze vraag: wat gebeurt er eigenlijk als wij zeggen (en dat zullen we allemaal toch nog wel zeggen), dat Jezus Christus in het gewaad van de Schrift tot ons komt?
Geschiedt dat slechts bij wijze van menselijk geloofsgetuigenis, zodat wij uit dat geloof moeten afleiden wie Jezus eigenlijk was? Wat Hij van Zichzelf gezegd heeft en wat Hij aangaande Zijn betekenis geopenbaard heeft, dat weten wij dan niet meer, dat ligt in de mist, dat is het licht dat maar zéér, zéér zwak en indirect tot ons komt. Wij weten eigenlijk alleen wat Lukas en Mattheüs en Johannes en Paulus in Hem gezien en bevroed hebben en in hun gre/oo/sgetuigenissen onder woorden gebracht en geïnterpreteerd hebben en wij moeten beoordelen wat wij (met hoe groot respect ook voor die andere interpretaties) daarvan nog voor onze geloofservaring, ónze interpretatie in ónze tijd aan heil kunnen gebruiken.
Ik stel daar twee dingen tegenover. Ongetwijfeld is het waar, dat Jezus zelf geen evangelie heeft geschreven, maar dat wij in de Schrift te doen hebben met Zijn getuigen. Die presenteren zich intussen niet slechts, dat moet je er wel even goed bijzeggen, als getuigen van het geloof, hetzij van zichzelf of hetzij van de gemeente.
Neen, zij presenteren zich als getuigen van de openbaring, van wat ze gezien en wat ze gehoord en met hun handen getast hebben van het woord des levens. Dat is hun presentatie. Het wil natuuriijk niet zeggen, dat zij ook geen gelovigen waren, maar dat is het eigenlijke punt niet. Het punt was dat zij wilde zeggen wie Jezus was, niet wie zijzelf door Hem geworden waren. Dat getuigenis is natuurlijk wel 'n 'link', een menselijke ft/ssenverbinding, tussen Christus en ons, maar dat wil niet zeggen dat daarom Jezus-Zelf voor ons in het halfduister is komen te staan. Als de evangelisten Hem telkens tekenen als Degene, die met de boodschap van het Koninkrijk Gods optrad, die Macht had om zonden te vergeven om niet, die sprak van de rechtvaardiging van de zondaar, van Zijn dood als een heilsdood en een zoendood die zichzelf als de eschatologische, men mag ook zeggen de apocalyptische Heilbrenger, de Zoon des Mensen openbaarde. . ., dan is daar in de eerste plaats geen enkele reden om te twijfelen dat Jezus-Zelf, al kennen wij Zijn woorden allemaal niet meer letterlijk, inderdaad Zich toch van deze zogenaamde denkkaders of heilskaders bediend heeft. Jezus heeft over het Koninkrijk Gods gesproken en over de rechtvaardiging en over de opstanding.
Dat waren wel woorden en begrippen die de mensen van die tijd wellicht beter verstonden dan wij. Woorden als: 'Koninkrijk Gods', 'zoendood', 'opstanding', 'rechtvaardiging' e.d. komen uit een bepaalde denkwereld vandaan, dat is duidelijk. Maar ze zijn niet in de eerste plaats van de latere gemeente afkomstig, die er hun geloof in hebben uitgedrukt, maar van Jezus-Zelf. Hij heeft Zich op deze en niet op een andere wijze geopenbaard, in die kaders, in die verstaanbaarheid. Dat wil niet zeggen dat Jezus zichzelf en zijn latere gemeente voor alle toekomst aan diezelfde woorden en voorstellingen gebonden zou hebben, maar wel, dat Hij (overigens in directe aansluiting aan het Oude Testament) op een zeer souvereine wijze Zich van die taal en voorstellingen en denkkaders bediend heeft om de betekenis van Zijn persoon en van het door Hem aangeboden en in Hem aangebroken heil voor alle toekomst te openbaren.
De kerk heeft het voor haar denken en geloven, ook voor haar eigen identiteit met die Jezus, met die Christus der Schriften te doen. Want er is niet een andere; er is geen, met de middelen van de historische critiek te benaderen, zogenaamde historische Jezus achter de bijbel; dat wil dan zeggen een Jezus, die wij met onze historische critiek, en overeenkomstig hetgeen wij in onze denkkaders een plaats menen te kunnen geven, zouden kunnen ontwerpen. Want zulk een Jezus heeft nooit bestaan. Hij is een denk-product, op grond van onze geloofs- of ongeloofs-sup posities.
Er is geen andere Jezus dan die in het evangelie in al Zijn bovenmenselijke grootsheid en heerlijkheid, tevens in al Zijn eigentijdse menselijkheid tot ons komt.
Vreemder misschien dan ik zou denken dat een Heiland voor de wereld was. Daarom is het niet alleen exegetisch, maar ook historisch volstrekt onmogelijk om de figuur van Jezus-Zelf van al die zogenaamde, ons vreemde, denkkaders los te maken en die dan maar op rekening van een latere gemeente te schrijven om dan een Jezus over te houden, die ook voor ons 'moderne' mensen aanvaardbaar zou zijn.
Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar als ik het boek van prof. Schillebeeckx lees, dan heb ik het gevoel dat daar zo'n moderne Jezus uitkomt, leder haartje apocalyptiek is er uitgekamd, ieder botje in het opstandingsevangelie is er uitgenomen. Hij is zó te aanvaarden, daar is verder geen probleem meer in, als je een keer begrepen hebt wat prof. Schillebeeckx zich al dan niet bij de historische Jezus kan voorstellen. Maar Jezus was anders, wij kunnen Hem uit die 'denkkaders' niet verwijderen, zonder Hem geweld aan te doen. Hoe souverein — dat moet ik er aan toevoegen - Hij zelf ook over die denkkaders van het Rijk, de opstanding etc. etc. beschikte.
Het tweede wat ik in dit verband wil zeggen is, wat in het Nieuwe Testament genoemd wordt het fundament van de apostelen en de profeten, waarop de gemeente is gegrond. Jezus komt niet slechts in het gewaad van Zijn eigen woorden tot ons in de Schriften. We kunnen het dikwijls niet onderscheiden, waar Hij nu aan het woord is of waar de interpretatie van Zijn discipelen en apostelen aan het woord is; het is verschrikkelijk moeilijk daar de grenzen aan te brengen.
Maar hij heeft Zich er niet toe beperkt Zichzelf eenmaal aan de mensen te openbaren om daarna de kennis van Zijn persoon en zaak aan de stroom van de algemene menselijke traditie en interpretatie prijs te geven. Hij heeft, naar het onafwijsbaar getuigenis van heel het Nieuwe Testament, mensen geroepen, hoe dan ook, ook met volmacht bekleed, om in Zijn naam te getuigen en aan die volmacht de belofte van de Geest verbonden naar de regel van het apostolisch ambt: wie u hoort, die hoort Mij. Zo hebben die apostelen zich ook gedragen, niet maar als getuigen van hun geloof, maar als getuigen van Jezus Christus.
En hoe moeilijk het nu ook moge zijn dit getuigenis precies en waterdicht af te grenzen tegen de later voortgaande geloofsbezinning van de gemeente, toch heeft de kerk van den beginne nooit geaarzeld de neerslag van die apostolische traditie en de daarmee gepaarde volmachten in de Schriften van het Nieuwe Testament te vinden en deze geschriften als haar enig fundament te aanvaarden en van haar eigen latere geloofsbezinning zeer nadrukkelijk en principieel te onderscheiden. Ook van dat apostolisch getuigenis geldt uiteraard dat het tot ons komt in allerlei gedachtengangen, voorstellingen, reflecties, die alle in zekere mate het stempel van hun tijd dragen. Nochtans is dit het gewaad waarin het Christus behaagd heeft en nog behaagt om Zich aan ons te openbaren.
Daarmee is aan de kerk uiteraard een voortgaande bezinning op dat fundament niet verboden! Deze is haar veeleer op het hart gebonden. Zij moet 'zichzelf opbouwen op dat allerheiligst geloof'. Opbouwen wordt altijd in het praesens gebruikt en dat opbouwen heeft dus iets te maken met de tijd. Misschien mag men zeggen en hopen, dat er in die opbouw nog veel meer zal uitkomen, dan tot nu toe het geval is geweest. Misschien mag men zeggen dat Jezus Christus groter en universeler is dan enkel binnen de bijbelse joodse en hellenistische horizon en begrippenwereld kan worden uitgedrukt. De veelvormigheid van de bijbelse boodschap zelf wijst er op, dat Hij niet in één brief en in één evangelie te vatten is. Maar de Zelfopenbaring van de Christus der Schriften laat zich noch in haar onvoorstelbare grootsheid, noch in haar diepe menselijkheid vervangen, noch als een van de vele Jezus-interpretaties op een rij zetten en op een gegeven moment dan ook weer afdanken. Het licht schijnt hier en iedere reflectie van dit licht, in welke culturele of rationele of individuele context ook, is aan dit schijnsel volstrekt secundair.
Daarom moet de kerk zich hier en hier alleen altijd weer hervinden, ze moet er altijd toe terug, haar belijden beproeven, haar identiteit in deze tijd vaststellen, haar prediking normeren. Dat wil niet zeggen dat ze dus over de waarheid 'beschikt' en dat al wat zij te doen heeft niets anders is dan het maar weer uit die lade te halen. Nee, ook het onderscheiden en verstaan van de Schrift ligt niet in onze eigen macht en vrijheid; wij zijn voor dit verstaan en voor deze onderscheiding afhankelijk van de Geest der waarheid die Christus aan Zijn gemeente heeft toegezegd en van Zijn getuigenis in onze harten. Een kerkelijke belijdenis, die zo solide is als ik weet niet wat, maar in de harten van de gelovigen niet resoneert of onvoldoende resoneert, vraagt daarom reeds op die grond om ernstige en nieuwe bezinning. Echter niet, als zou de Schrift in zichzelf onduidelijk zijn en als zou de sleutel voor haar verstaan en de grond voor haar gezag telkens weer van buitenaf moeten worden aangedragen.
Nu, dat is de hoofdzaak van mijn verhaal.
Ik besef dat het fragmentarisch is, dat het geen totaalbeeld geeft van alles wat er aan de gang 's. Het is maar een stukje eruit, toegespitst op een bepaald punt, zij het dan het punt waar de kerk en de zogenaamde nieuwe theologie voor mijn besef elkaar het meest raken. Want de kerk kan niet alle boeken van professor die en van professor die achternazitten, de kerk heeft tenslotte te maken met de belijdenis.
Als u mij nu vraagt of ik denk aan dit verhaal in zijn intentie genoeg te hebben, dan zeg ik: als theoloog heb ik daar natuurlijk niet genoeg aan om alle historisch-kritische en literaire vragen het hoofd te bieden. Ik mag zeggen: ik heb er heel wat over gestudeerd, misschien wel eens wat te 'traditioneel', toch ook niet helemaal dichtgeverfd en dichtgemetseld mijn leven lang, maar ik zal met vele vragen, voor mij ook brandende, ingrijpende, theologische vragen het graf ingaan.
Maar ik (ik praat nu een beetje persoonlijk, maar u mag het over de kerk generaliseren) heb er wel genoeg aan om te weten, dat ik het, als door de Here God aangesproken mens, met die Christus der Schriften te doen heb, al kan ik het niet allemaal precies zo thuisbrengen als mijn theologische scherpzinnigheid dat misschien wel zou willen. Ik heb het niet slechts te doen met een geloofsbeeld van een voor mij niet meer na te speuren gemeente uit het verleden. Maar ik heb het te doen met de Christus, zoals Hij zich aan mij heeft beliefd te openbaren, zoals Hij eenmaal was en zoals Hij is. Ik heb er wel genoeg aan, om aan het Avondmaal aan te zitten en het heilige brood en de heilige drank te ontvangen, niet uit de hand van een gemeente, die in die instellingswoorden haar geloof in de historische Jezus projecteerde, maar uit de hand van Hem, die mij op de meest persoonlijke wijze aan Zijn kruis verbindt en mij doet eten en drinken van Zijn tafel, van het zoenoffer door Hem gebracht. En ik heb er ook genoeg aan met de kerk aller eeuwen Hem zo te belijden. Ook genoeg om (als ik daartoe geroepen zou worden) tegen die kerk te zeggen: laat geen ander beeld van uw Heer dit beeld verduisteren of vervangen.
Vertaal zoals u wilt, maar laat die Heer de Heer, want er is geen ander, die wij als christelijke kerk belijden dan deze.
Dan zal ik bereid moeten zijn, meer dan ik dikwijls ben, ik erken het, om naar anderen te luisteren. En in die kerk en met die kerk, waar ik in mag leven ook van anderen te leren, die van die Heer der Schriften nog weer anders weten te spreken dan wij in onze traditie en onze beperktheden dat gedaan hebben. Dan zullen er van 't oosten en westen komen die ons nog de ogen zullen openen. Want wij zullen slechts met alle heiligen de lengte en breedte en diepte en hoogte verstaan en belijden de liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat.
Maar het zal altijd weer moeten gaan om de liefde van die Heer, Die zich in die Schrift aan ons heeft bekend gemaakt. Onze ruimte en onze onaantastbare christelijke vrijheid ligt gegarandeerd èn genormeerd in dat alles omvattende fundament van Zijn Woord.
Daar ligt onze ruimte in bemeten; kloven mogen én moeten helaas! in de christelijke gemeente slechts dan geaccepteerd worden, wanneer de Heer van dit Woord en het Woord van die Heer niet meer genoeg zouden zijn om ons in geloofsgehoorzaamheid samen te binden onder Zijn regiment.

1) Deze stellingen volgen aan het eind van deze inleiding.


Stellingen prof. Ridderbos

1. De moeilijkheden, waarop de deputaten voor het verband etc. (A 6) doelen en die zij als een wijde en diepe kloof in ons kerkelijk leven aanduiden, hebben niet slechts betrekking op bepaalde aanwijsbare en eventueel te verhelpen gebreken in de kerkelijke belijdenisgeschriften, maar op het bindend karakter van deze geschriften als zodanig.
2. De kerkelijke belijdenisgeschriften ontlenen haar gezag aan hun (aangenomen, veronderstelde) overeenstemming met de Heilige Schrift. Volgens de zgn. nieuwere theologie zou dit ten onrechte geschieden, omdat ook de bijbelse boodschap zelf geen direct openbaringskarakter zou dragen, maar tot ons komt in de 'denk-kaders' etc. van menselijke geloofsbezinning op het heil, die als zodanig voor ons geen bindende betekenis (behoeven te) hebben.
3. Men kan deze beide opvattingen niet als 'traditioneel' en 'nieuw' tegenover elkaar stellen. Ook de opvatting van de zgn. nieuwere theologie stamt uit een reeds oude, duidelijke bepaalde, theologische traditie.
4. Terecht heeft het voorgaande Schriftonderzoek aandacht gevraagd voor het belangrijke feit, dat de bijbelse boodschap in de Schrift onder woorden gebracht en geïnterpreteerd is in gedachtengangen, 'denkkaders', litteraire genres, etc, die voor een bepaalde tijd kenmerkend waren en voor ons dikwijls niet zonder meer duidelijk en 'relevant' zijn. Daarmee is echter niet aangetoond, dat de bijbelse boodschap slechts het karakter draagt van menselijke geloofsbezinning op de openbaring en slechts in Indirecte zin het karakter en het gezag van goddelijke openbaring zou bezitten.
5. Het duidelijkst blijkt zowel het een als het ander (In 4 gestelde), als wij zeggen, dat Jezus Christus tot ons komt in het gewaad van de Schrift. Nauwgezet Schriftonderzoek leert ons, dat dit 'gewaad' de vorm aanneemt, van een getuigenis van mensen, die op zeer onderscheiden wijze en in nauw verband met de behoefte, voorstellingen etc. van hun tijd, aan de boodschap van het in Christus verschenen heil gestalte hebben gegeven. Maar heeft hun woord daardoor minder direct gezag gekregen? Slechts het gezag van hun (respectabele) geloofsbezinning en niet van de in Christus verschenen openbaring zelf?
In dit verband dient met nadruk op twee dingen te worden gewezen.
a. Christus Zelf heeft in zijn zelfopenbaring en prediking Zich van deze zgn. 'denkkaders' (Koninkrijk Gods, Zoon des mensen, rechtvaardiging, zoenoffer, opstanding etc. etc.) op een souvereine wijze bediend. Daarmee heeft Hij noch Zichzelf noch zijn latere gemeente aan een bepaalde (eschatologische, apocalyptische, juridische etc.) theologie of (joodse, hellinistische) geloofsbezinning gebonden, maar wel aan de betekenis van zijn persoon en aan het door Hem aangeboden heil een zeer bepaalde inhoud gegeven, die voor iedere latere geloofsbezinning volstrekt normatief is.
b. Christus heeft aan zijn apostelen niet alleen zijn eigen woorden en daden toevertrouwd, maar hun ook volmacht gegeven in zijn Naam van Hem te spreken en heeft aan hun getuigenis de belofte van het getuigenis van de Heilige Geest verbonden naar de regel: wie u hoort, die hoort Mij.
6. Het is in het gewaad van dit getuigenis, dat Christus in de Schriften tot ons komt. Het is daarom dat de kerk deze Schriften als heilig en canoniek heeft aanvaard, haar enig en onaantastbaar fundament. Voortgaande geloofsbezinning op dit fundament is haar daarmee niet ontzegd, veeleer op het hart gebonden. Daarmee is echter ook wel gezegd, dat in welke denk-kaders deze voortgaande bezinning en interpretatie zich meent te moeten en te mogen bewegen, de beslissende vraag altijd weer zal zijn, in hoeverre de inhoud van de bijbelse boodschap zich daarin onverkort laat interpreteren. Hier liggen de grenzen van de christelijke vrijheid, ook voor kerk en theologie.


Voorzitter: Dank u, prof. Ridderbos. Ik zou de vergadering willen vragen: zijn er misschien voor u onduidelijkheden in beide inleidingen? Dan kunt u nu om een korte toelichting verzoeken.


Passies: Wat ik bij professor Ridderbos eigenlijk heb gemist is een ingaan op de vragen van deze moderne tijd, iets, wat er nu juist heel sterk bij professor Kuitert uitkwam. Kan professor Ridderbos daar ook wat over zeggen? Ik bedoel: over hoe hij daarmee uit de weg komt.


Van Bochove: Professor Kuitert heeft gesproken over de zelfopenbaring van God, die de middellijke weg gaat. Hoe moet ik dat nu zien? Die zelfopenbaring moet toch ergens een begin gehad hebben en: moet ik nu concluderen dat die zelfopenbaring nog steeds doorgaat?


Van der Meulen (J.D.B.): Is het mogelijk dat prof. Kuitert nog duidelijker kan laten uitkomen wat hij precies bedoelt met zijn stelling: 'Geloof moet, om verantwoord geloof te zijn, de toets van de godsdienstkritiek doorstaan (de verantwoording wordt ten overstaan van 'buiten' afgelegd).' Mijn vraag: Wie leveren deze godsdienstkritiek en in hoeverre is dat voor ons een aanvaardbare toetssteen?


Végh: Aan de ene kant zegt professor Kuitert: geen binding aan de belijdenis en aan de andere kant: geen leervrijheid. Hoe moeten we dat nu verstaan? Graag een toelichting.


Voorzitter: De vragen van mevrouw Passies en ds. Van Bochove lijken mij meer vragen voor de discussie, morgen. Ze komen dan ook aan de orde. Zou prof. Kuitert wel kort de heren Van der Meulen en Végh willen beantwoorden?


Kuitert: Eerst graag de vraag van drs. Van der Meulen over waar ik bij godsdienstkritiek aan dacht. Ik bedoel daar in het algemeen de mensen mee, die van het christelijk geloof niet het beste gezien hebben en er dus erg kritisch tegenover staan, of, breder gemaakt: die godsdienst in het algemeen nogal wat kritisch bekijken. Niet zozeer vanuit het standpunt van de rationalistische kritiek van de 18de en de 19de eeuw, maar juist vanuit allerlei morele argumenten tegen het christendom, die ze vinden. Het rationalisme heeft al lang geen vat meer op de mensen. Als je ziet hoe de mystiek overal bloeit, dan kan dat niet meer het punt zijn wat ze tegen de kerk hebben. Het bezwaar ligt meer op het morele vlak: christendom is net zo gewelddadig, agressief, onrechtvaardig als de rest.
Dan wat ds. Végh vroeg. Ik voer geen pleidooi voor leervrijheid omdat het woord leervrijheid betekent, dat het in de kerk niet om de waarheid gaat. Het gaat mij in de kerk wèl om de waarheid, om de laatste, de diepste, de hoogste en de eeuwige waarheid. Maar de manier waarop wij samen met alle heiligen eerst enig benul van deze waarheid krijgen, sluit voor mij leertucht anno 1976 uit, omdat wij nu in een tijd leven, waarin de mensen hoe langer hoe meer niet alleen willen, maar ook kunnen en mogen meepraten. Kortom: waarin zij mondig zijn en elkaar als mondig kunnen behandelen.


Dr. Rietveld leidt de avondsluiting
Hij leest Filippenzen 2, vers 1-11 en vestigt de aandacht op de woorden in vers 3: 'doch in ootmoedigheid achte de èén den ander uitnemender dan zichzelf'. Dit woord is niet slechts een oproep tot enige hoffelijkheid. Het is een verzoek om in de omgang met elkaar hef eens anders te doen dan we in een zondige wereld geneigd zijn, namelijk niet in zelfzucht en ijdel eerbejag in de discussie trachten de overhand te houden, maar echt In liefde en ootmoed de ander uitnemender te achten. Wanneer beide partijen daarmee beginnen is er een echt gesprek mogelijk.
De bedoeling is ook meer dan alleen maar het scheppen van een goede sfeer.
De goede manier van omgang met elkaar is een wezenlijk bestanddeel van de evangelieverkondiging. De verbazing in de wereld bij het begin van de prediking gold niet alleen wat men hoorde, maar ook wel degelijk wat men zag: 'ziet hoe lief zij elkander hebben'!
Er is in Filippenzen 2 sprake van één streven, gericht op de wereldbekering, het buigen van alle knieën en het belijden van alle tongen: Christus is Heer. Blijkbaar was er ook onder de Filippenzen wel verschil van mening. Ook wij willen realistisch zijn en niet ontkennen, dat we niet over alle dingen gelijk denken. Daarom zijn we hier in conferentie bijeen. Maar uitgaande van die eenheid van streven naar de heerschappij van Christus is het goed die waarschuwing van Paulus op ons te laten inwerken bij het gesprek, dat we voeren willen met elkaar.
Voor het gebed liet ds. Rietveld Gezang 321, vers 1, 2 en 3 en erna Gezang 320, vers 1 zingen.
Uit gezang 321:
O Geest, Gij mortel van Gods kerk,
hoe ijdel is ons metselwerk,
hoe pover is het offer dat
wij dragen naar de nieuwe stad,
voeg onze harten thans tesaam,
een heilig huis voor Christus' naam
.


Ds. Van Benthem opent de tweede conferentiedag met het lezen van Romeinen 12 vers 9-21.
Uit dit Schriftgedeelte:

De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede. Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here.

Na gebed laat hij zingen Gezang 402, vers 1, 2 en 4.

De vergadering gaat in gespreksgroepen uiteen, die in de middag diverse vragen aan de beide inleiders hebben. Prof. Ridderbos krijgt in de middag als eerste het woord om op aan hem gestelde vragen te reageren.


Beantwoording vragen

Ridderbos: Zou ik mogen beginnen met een vraag, die telkens in de groepsrapportage terug komt? 'Toegepast op beide referaten zou je kunnen zeggen, dat het ene zou moeten worden aangevuld met het andere; t.a.v. mijn referaat betekent dit, dat het meer zou moeten ingaan op de vragen van onze tijd.' Diezelfde vraag vind ik ook zoverwoord: 'Aan prof. Ridderbos zal worden gevraagd of hij de vragen t.a.v. de buiten-problematiek niet te veel terzijde laat.' Of op deze manier: 'Meent prof. Ridderbos met zijn wijze van spreken ook een antwoord te geven op de vragen van deze tijd?'
Mevrouw Passies is hier gisteravond over begonnen. Dus ik zag die bui wel hangen. Dat houdt verband met twee dingen. In de eerste plaats ook wel met de manier van theologiseren. Daar heeft men ons ook naar gevraagd. Dat hangt ook wat samen met het vak. Zoals u misschien wel weet heb ik de exegese van het Nieuwe Testament op mijn bordje gekregen en dat brengt met zich dat je altijd bij de bijbel begint. Eerst moet je je zelfs in een kamer opsluiten om te zorgen, datje niet al te veel vogels hoort fluiten van buiten. Je moet eerst weten: Wat staat daar? en dat geeft natuurlijk wel een zekere habitus aan je denken en ook aan je theologiseren. Je komt altijd vanuit de bijbel en je hebt daardoor ook wel eens de neiging om te zeggen: Ze moeten maar weten wat ze ermee doen, maar dit sxaax er. Dat zeggen wij dan ook wel eens tegen de dogmatici: Gaan jullie maar verder als je maar weet dat dit er staat! Dat noemen ze dan de hoogmoed van de exegese en daar hebben ze natuurlijk wel enigszins gelijk aan. Intussen weten wij ook wel, dat de exegese een theologische v^exenschap is. Dat wil zeggen: Je moet trachten op te vangen het woord en de bedoeling van God en dat heeft uiteraard ook met de tijd te maken.
Ik wil in dit verband er wel eens op wijzen, dat toen ik als hoogleraar begon (1942/43) onze kerken op een geweldige manier vastgeraakt waren in de discussies over het Verbond. Toen ben ik niet zonder opzet begonnen over het Koninkrijk Gods; daar heb ik jaren college over gegeven. Er is zelfs een boek over verschenen. Dat heeft het toen ook wel gedaan. We zijn toen met elkaar vanuit diezelfde bijbel toch onder een heel andere gezichtshoek gaan denken en theologiseren. Minder naar binnen gericht, meer betrokken op hetgeen buiten is. 'Heilshistorisch', om een duur woord te gebruiken. Dat had uiteraard ook iets met de tijd te maken. Toch heb ik altijd het gevoel gehad, datje vanuit de bijbel tot de tijd en de actuele problemen moet komen en datje niet omgekeerd het heil in de actuele categorieën moet willen vangen.
Anders vereng je de boodschap. Dat zal ook wel ergens weer zijn grenzen hebben en zijn beperkingen, maar ik wil toch wel zeggen, dat dit de manier van theologiseren is, die met de exegese nauw samenhangt.
In de tweede plaats wil ik zeggen, dat ze mij niet gevréégd hebben om een referaat te houden over de vragen van de tijd. Er is door de deputaten voor het verband met de theologische faculteit van de V.U. een zeer speciaal punt aan de orde gesteld en er is gezegd: Wat zijn de kriteria voor de theologie en voor de prediking? Kun je die nog vinden in de belijdenis en in haar conformiteit met de bijbel, öf is dat niet meer juist? Déér heb ik mij op gespecialiseerd en daar heb ik het over gehad. U kunt mij natuurlijk nóg wel eens vragen (of het lukken zou, weet ik niet!): Wilt u nu eens helemaal op de vragen van de tijd ingaan? Maar ik heb het nü gehad over de wijze waarop het heil in de bijbel gepresenteerd, verpakt wordt, enz. Aangeboden wordt in allerlei denkpatronen, zoals men dat noemt, als van het Koninkrijk, van de Verzoening, van de Opstanding en wat je verder nog noemen wilt. Zijn die 'kaders' voor ons nog normatief, nog een kriterium voor ons denken, voor ons theologiseren, ons ingaan in de wereld? Ik begrijp wel, dat als ik een preek moet houden ik dan met deze kriteria en met deze denkvormen op een bepaalde actuele realiteit moet ingaan en mijzelf moet afvragen: Hoe kan ik dat nu verwoorden voor allerlei situaties van tegenwoordig? Maar dan neem ik mijn uitgangspunt voor mijn prediking en voor mijn denken niet in allerlei theologische of filosofische, dan wel sociologische denkcategorieën van deze tijd. Ik heb het gevoel, dat ik dan allerlei trechters gebruik, waarvan het maar zeer de vraag is of het trechters zijn waardoor het woord van God en het heil, zoals het in de bijbel staat, voldoende tot hun recht komen. Dat is een heel kort antwoord. Maar ik moet verder.
Vervolgens een woord over wat telkens genoemd wordt: 'de Jezus-traditie'. Ik vind dat prima, als men maar weet, waarover men dan praat. Het begrip traditie in de bijbel is namelijk een heel ander soort traditie dan waar wij met elkaar meestal over praten. Als wij het over de traditie hebben, dan is dat iets dat in de stroom van de tijd naar je toekomt en waarvan je niet precies weet wèt het is en op wat voor manieren het bij ons aangeslibd is. Als het in de bijbel over de traditie gaat, dan gaat het over een joods traditiebegrip, zou ik haast zeggen. En dan bedoelt men met traditie iets heel anders, namelijk de overgeleverde, autoritatieve leer. Dat is traditie in de bijbel.
Als Paulus zegt: 'hetgeen ik u heb overgeleverd', dan gebruikt hij een joods begrip.
En wanneer hij zegt: 'hetgeen ook ik als overlevering heb ontvangen' (1 Cor. 15), dan is dat niet: wat ook ik van horen zeggen weet, of; wat in de stroom van de tijd tot mij is gekomen, maar dan wil dat zeggen: Wat ik als gezaghebbend van mijn Heer en uit de gemeente ontvangen heb.
Dat is traditie. En als ik over Jezus-traditie praat, dan kan ik alleen maar met dèr begrip traditie uit de voeten, want anders is mij dat veel te ongenuanceerd.

In een groep wordt erover gesproken 'dat prof. Ridderbos gevoelsmatig is.' Een andere groep maakt het nog veel machtiger, want daar zeggen ze: 'Veroorzaakt prof. Ridderbos geen kortsluiting door zijn lyrisch en romantisch spreken over het heil en zijn enthousiasme over de belijdenis?' Ik vind dat alles nogal overdreven.
Als u zegt dat ik gisteren zo enthousiast over de belijdenis gepraat heb, dan hebt u het niet goed verstaan. Over de traditionele belijdenis zoals wij die hebben, heb ik niet lyrisch gepraat. Ik heb juist gezegd, dat je daar van alles van kan zeggen, dat zij verouderd is, dat we er iets aan moeten doen.
Ik heb helemaal niet 'lyrisch' gepraat over die oude belijdenis. Dat wil niet zeggen, dat ik de belijdenis niet geweldig belangrijk vind; dat is een heel andere kwestie. Ik vind, dat de kerk zich in haar prediking duidelijk moet kunnen verantwoorden t.o.v. de Schriften. En dat zij daarvoor een belijdenis nodig heeft. Die belijdenis kan veel korter zijn mijnentwege, dat kan best anders. Maar ik zeg wel met al mijn kracht: De kerk moet een léér hebben. En die leer moet aan de Schrift genormeerd zijn; dat bedoel ik ermee. Dat vind ik van belang, lyrisch vind ik daar het woord niet voor. Als u dan zegt dat ik gevoelsmatig gepraat heb, dan geef ik wel toe: soms raakt het mij ook emotioneel. Onder al dit gepraat heb ik bij ogenblikken wel eens behoefte om te laten zien, dat het niet alleen een kwestie van je verstand is, maar ook van je hart. Als ik te ver gegaan ben, neemt u mij dat dan niet kwalijk. Maar dat ik u er 'lyrisch' heb willen 'onderwalsen' vind ik zwaar overtrokken.
Dan deze vraag uit een groep; 'Is het juist dat prof. Ridderbos eigenlijk niet wil spreken van een kloof? Nu, ik ben er wel een beetje angstig voor om dat al te gauw te zeggen. Ik ben wel van mening, dat er in de kerk een ontzettende hoop aan de gang is en dat wij allerlei onzekerheden hebben.
Dan deze vraag uit een groep; 'Is het juist dat prof. Ridderbos eigenlijk niet wil spreken van een kloof? Nu, ik ben er wel een beetje angstig voor om dat al te gauw te zeggen. Ik ben wel van mening, dat er in de kerk een ontzettende hoop aan de gang is en dat wij allerlei onzekerheden hebben.
Maar zo lang wij met elkander vanuit een duidelijk uitgangspunt bezig zijn, kunnen we niet zeggen; er zijn kloven! Dat wij in allerlei opzicht wat in paniek zijn, dat wij nog geen antwoorden hebben op allerlei vragen, dat vind ik nog niet zo verschrikkelijk, daar komen wij wel doorheen. Als wij zeggen dat Jezus Christus Dezelfde is, gisteren en heden en tot in der eeuwigheid, dan kan al wat wij vroeger geloofd hebben toch niet opeens niet meer waar zijn! Maar dan wil dit ook zeggen, dat die Jezus niet alleen in het verleden te vinden is. Dus daar maak ik mij niet zoveel zorgen over. Ik heb wèl gezegd: De kloof begint daar, waar ons uitgangspunt niet meer hetzelfde is en waar ieder op zijn eigen manier over de Heer gaat praten. Daarover bestaat wantrouwen onder ons. En ik heb niet gezegd, dat ik dat wantrouwen niet deel. Ik deel het eigenlijk wel, eerlijk gezegd, ik ben daar niet gerust op. Als ik het hele verhaal van prof. Kuitert gehoord heb val ik hem het ene ogenblik om de hals en het andere ogenblik zeg ik: helemaal niet! Dan ben ik geneigd daar absoluut tegenin te gaan. En als daar een fundamenteel verschil van benadering is en van uitgangspunten dan denk ik: ja, dat is natuurlijk het begin van een kloof.
Kijk, prof. Kuitert spreekt ook over een kloof. Hij zegt: er is een verschil in toetssteen, in kriterium, dat over het waar en onwaar van Godskennis beslist. Nu, zo is het ook. Maar als hij dan over zijn kriteria begint, raak ik in de mist. Want waar ligt nu zijn kriterium? Niet in de Schrift, want die is daarvoor te menselijk. Maar ook kunnen we ons niet échter of in de Schrift op 'openbaring' beroepen. Wij hebben (naar zijn mening) een kriterium nodig om te kunnen uitmaken of iets openbaring is (van God komt) of niet (niet van God komt). Nu, dan zou ik wel eens willen weten, wat voor een kriterium dat zou kunnen zijn. Moet dat afgeleid worden uit het al dan niet bevrijdende effect van hetgeen als 'openbaring' wordt uitgegeven? Of het 'de toekomst opent', of iets dergelijks? Je kunt voor mijn besef op die manier niet zo lang redeneren, dat het verhaal rond komt, tenzij het kriterium van wat waar en goddelijk en openbaring mag heten toch weer bij onszelf ligt. Want wat is bevrijding en wat is opening van de toekomst, etc?

Omgekeerd vinden ze in een groep, dat ik te gemakkelijk over het 'Woord Gods' spreek. Nu, 'gemakkelijk' is, dacht ik, het woord er niet voor. Het heeft wel te maken met wat ik in mijn inleiding gezegd heb, nl. dat Christus tot ons komt in het gewaad van de Schriften. Het geloof rust in de ontmoeting met Christus, zoals Hij in de Schrift tot mij komt. Dat geloof is een beslissing en laat zich niet vangen in rationele categorieën, laat zich in die zin niet verifiëren. Het gezag van de bijbel rust voor mijn besef ten diepste ook in die ontmoeting. Ik kies niet voor een Jezusbeeld, zoals ik dat zelf op grond van bepaalde bijbelse gegevens zou willen ontwerpen, overgebracht in mijn moderne 'denkpatronen' (als ik die al zou hebben), maar ik ken Hem alleen (en wórd door Hem gekend, zegt Paulus!), zoals Hij in de Schrift tot mij komt. Met die reddende volmacht, die mij onder het beslag brengt van Eén, die meer is dan een profeet; van Eén, die vóór Hij sterft tot mij zegt, dat zijn lichaam en zijn bloed het offer is waardoor ik bevrijd word. Die tot mij spreekt van zijn Koninkrijk, van opstanding, van vergeving en van gerechtigheid.
Nu, dan krijg ik een idee in wat voor ruimte Hij mij stelt, wat voor grenzen dat geloof mij stelt en hoe ik mij in dat geloof als een discipel van Jezus moet gedragen. Dat kunt u zelf natuurlijk even goed, of beter, invullen. Ik wil maar zeggen, dat vóór het aan de theologie toekomt er al heel wat gebeurd is, althans: moet gebeuren.
Natuurlijk is het geloof niet blind. Het is geen on-zin. Het verstand heeft er ook mee te maken, de bezinning, de theo-logie. Er is ook een verantwoording van het geloof. Ik moet erkennen, dat ik dat dikwijls niet eenvoudig vind. Maar er is natuurlijk ook zoiets als apdogetiek, ook als wetenschappelijke verantwoording. Je moet ook in de gedachten van mensen kunnen inkomen, die niet geloven (dat is dikwijls niet zo moeilijk). Je kunt dan niet volstaan met te zeggen, dat het geloof voor jou zoiets heerlijks is. Je moet ook kunnen zeggen waarom; hoe het het leven kan veranderen, welk een toekomst het opent, zoals Harry Kuitert dan zegt. Daar kan het niet zonder en daarom luistert het alles ook zo nauw in het leven van de christen en van de kerk!
Maar daarmee heb ik een ander nog niet tot het gelóóf gebracht, want het geloof is iets anders dan zwichten voor wat wij er met elkaar van waar kunnen maken, in ons leven of in onze theologie. Als ik al iemand tot het geloof zal brengen, dan alleen door hem tot de ontmoeting met diezelfde Heer te brengen. Dat is natuurlijk de grote moeite van onze prediking en van onze evangelisatie. Ik heb het grootste respect voor mensen die zich daarmee bezig houden, ook mensen als prof. Kuitert, als zij van alles verzinnen om de mensen er het zicht op te doen krijgen. Maar het gezag van de bijbel is nog wat anders dan wat zich door prof. Kuitert of wie dan ook laat verifiëren. Dat gezag ligt in het verband tussen de Schrift en de volmacht van de Heer. Hij legitimeert zich niet voor ons. Hij roept ons en verlost ons op zijn ondoorgrondelijke wijze. En daarom is de Schrift ook iets anders dan een gelóófs-getuigenis van de discipelen of van de eerste gemeente. Het is het getuigenis van de openbaring in de meest unieke zin van het woord, het voertuig waarvan de Heer zichzelf bedient om zich aan ons bekend te maken; volgens de apostolische regel: Wie u hoort, die hoort, Mij! Zo spreekt het Nieuwe Testament ook van de oud-testamentische profetie, als niet voortgebracht door de wil des mensen, zelfs niet het produkt van hun geloof, maar van het profetisch spreken door de Heilige Geest. Dat is, voor mijn besef, ten diepste de structuur van de openbaring, zoals die tot ons komt, hoeveel bijkomende clausuleringen de theologie nog nodig heeft (ja, ja, ik weet het) om tot een inspiratieleer te komen, die dat menselijk voertuig van de openbaring menselijk laat.
Maar zo is de kerk toch wel gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, gelijk elders gezegd wordt dat Christus het fundament is. En daarom is de Schrift niet van 'eigen', vrije uitlegging, als zou Christus ook wel anders uit te leggen zijn dan overeenkomstig de Schriften. Hier heeft de kerk altijd de wacht betrokken tegenover de ketterij; en de klóóf waarvan deputaten spreken zie ik daar ontstaan, waar men bezig is zich tegenover de interpretatie van de Schrift te beroepen op zijn eigen, vrije geloofservaring en geloofsinterpretatie. Hier liggen mijn grote twijfels t.a.v. de theologische ontwikkeling onder ons. Men kan Christus niet tegenover de Schriften uitspelen, alsof het ook in de Schriften slechts om een bepaald geloof in de openbaring en niet om de openbaringzelf zou gaan.
Voor wat nu verder deze groepsvraag betreft: 'Prof. Ridderbos ging niet in op de problematiek, die prof. Kuitert signaleerde.'
- Dat heb ik al beantwoord. Dit werd aan mij ook niet gevraagd. Zij hebben ons niet tegen elkaar opgehitst. Ik heb tegen de synode-voorzitter gezegd: Moet ik Harry Kuitert te lijf gaan? Antwoord: Nee, je moet zeggen wat jou beweegt en hoe jij erover denkt. Nu, dat vond ik ook wel plezierig, dat heb ik toen ook gedaan. Ik heb zo nu en dan wel gedacht als ik aan het schrijven of aan het spreken was: Nou, dat zal hij misschien wel niet zo leuk vinden, maar hij vindt dingen van mij veel leuker dan ik die van hem, dat is het gekke!
De volgende vraag vind ik heel moeilijk: 'Wat is het gezag van Paulus? Bijvoorbeeld t.a.v. de positie van de vrouw? Zijn de gereformeerde kerken hier overstag gegaan? (prof. Van Bruggen, vrijgemaakt)'. Daar zit ik wel mee. Kijk, ik heb het gisteren niet over het Schriftgezag in het algemeen gehad, daar moet u wel aan denken, anders had ik natuuriijk wel een beetje méér moeten zeggen. Ik heb het gisteren gehad over de belijdenis en of de belijdenis in hetgeen zij belijdt, zich mag beroepen op de Schrift. Ik ben altijd blij, dat we geen geloofsartikel gehad hebben over de vrouw. De kerk belijdt niet van alles en nog wat dat in de Schrift staat. Er zijn ook dingen in de Schrift, waarvan de kerk zeker niet kan belijden dat, zoals het daar staat, het nu vandaag nog voor haar geldt. Daar zijn ook weer maatstaven voor en die kan ik allemaal nu zo gauw niet opnoemen.
Christus is de canon in de canon zou ik wel willen zeggen. T.o.v. het Oude Testament zegt dat uiteraard een heleboel.
T.o.v. het nieuwe natuurlijk ook. Ook over de vrouw kunjeuit de leer en het leven van Jezus heel wat afleiden. Ook vrouwen volgden Hem als zijn discipelinnen, enz. De vrouw is door Jezus geweldig 'in eer hersteld' zou ik zeggen. Ook in de brieven van de apostel Paulus. Hij spreekt ze notabene aan in de kerk. Dat hebben de joodse vrouwen nooit gehoord. Ik vind wel, dat wij toen een moeilijke beslissing genomen hebben, omdat er in de leer van de apostel Paulus ook dingen gezegd worden over de vrouw, die ik niet zonder meer klaar kan maken met onze ambtspraktijk. Ik heb dat hier achter deze zelfde katheder ook gezegd. Er waren toen ook hier mensen, die stonden te juichen, dat we nu zo'n heerlijk beter begrip hebben van de Schrift en dat we nu eindelijk begrepen hadden dat de bijbel altijd iets anders bedoeld had. Nu, dat vind ik tot vandaag aan de dag zelfbedrog! Zo is dat niet. Er zijn in de uitspraken over de vrouw in de bijbel duidelijk 'tijdgebonden' elementen, die zich ook als zodanig aandienen; maar er zijn ook dingen die dieper gaan, die op het onderscheid tussen man en vrouw de nadruk leggen. Het is niet alleen onbijbels, het is ook oppervlakkig daaroverheen te gaan. Ik heb daarom indertijd bepleit, dat wij voor de vrouw een vrouwelijk ambt zouden hebben, d.w.z. dat de vrouw een speciale positie daar zou hebben. - Dat heb ik verloren. Als Kuitert dus zegt: 'Hier zie je maar weer', etc, dan is dat ergens ook zo. Maar dan wil ik ook nog een keer zeggen dat ook in de bijbel alle dingen voor mij niet even duidelijk en even centraal staan. Daarom moeten wij, om met wijlen prof. Dijk te spreken, ook niet te veel belijden als christelijke kerk. En daarom heb ik — toen het over de klóóf in de kerk ging — gisteren ook het meest centrale punt aan de orde gesteld, door te vragen: Wat betekent het, dat wij Christus belijden overeenkomstig de Schriften? Want daar vallen de eigenlijke beslissingen over wat al dan niet een kloof in de kerk teweeg brengt.
En als men dan zegt: Maar er zijn toch óók in de bijbel verschillende aspecten en accenten in de wijze waarop Christus wordt verkondigd, dan zeg ik zonder aarzeling: Zeer zeker; zéér verschillende zelfs. 0- ver de evangeliën kun je hele verhalen houden, bijv. over het eigen karakter, de eigen 'theologie' mijnentwege, van Lucas, Mattheüs en Johannes (over Marcus' 'theologie' zit ik veel meer te tobben. Dat is veel moeilijker m.i.). Ook heb ik gezegd, dat Christus wijder is dan het grieks-joodse denken en dat als ze komen van het oosten en het westen wij nog wel eens van alles te horen kunnen krijgen.
Ja, dat heb ik gisteren gezegd. Dat was dan misschien wel dat 'lyrische' ogenblik (zie boven), maar daar wil ik wel aan vasthouden. Er staat, dat alle koninkrijken hun schatten zullen brengen in het koninkrijk.
Nu, aan iets dergelijks denk ik dan. Het kan zijn dat wij vanuit andere rassen en volken nog een benadering van de bijbel en een verwoording van zijn inhoud krijgen, waarvan wij zullen moeten zeggen: Hoor daar en kijk daar! Hoe schoon en hoe rijk! Maar ook dat alles zal tochaltijd weer zijn kriterium moeten vinden in het kwalitatieve van wat de bijbel zegt over het heil. En dan blijft het ook nog een keer waar, dat het heil uit Israël is. Daarom kan men geen westerse Jezus en geen zwarte Jezus tegenover de Jezus uit Israël stellen. En daarom kan men ook niet zeggen: 'Neem ons niet kwalijk, maar dat joodse denken spreekt mij te juridisch en te forensisch over onze verhouding tot God, over Jezus' dood als zoendood en over het Avondmaal als offer-maal. Dat zullen we toch liever wat anders interpreteren.' Want dan gaat het m.i. niet enkel meer over de modus, maar wel degelijk ook over de kwaliteit van het heil. Niet enkel over het 'hoe', maar ook over het 'wat'. Men mag het wel ènders zeggen, maar men mag er niet iets anders voor in de plaats stellen.


Voorzitter: Dank u, prof. Ridderbos. Wil nu prof. Kuitert op de hem gestelde vragen in de groepsrapportage ingaan?


Kuitert: Zeker. Ik zit in dezelfde problemen als prof. Ridderbos. Ik zou geen kans zien om zo maar op alle vragen in te gaan.
Ze zijn bovendien veel te serieus om ze af te doen in vijf minuten. Dus ook ik kan niet anders doen dan er een paar uitpakken en vandaaruit proberen, in één greep, zoveel mogelijk mee te nemen, maar wilt u er niet boos over worden, als het mij niet goed afgaat?
Ik begin met deze vraag: Wat is eigenlijk theologie? En hoe komt het dat theologie zo verschillend kan uitvallen? Voor mij — maar u weet dat een van de moeilijkste dingen in ieder vak is een vakdefinitie te geven - valt theologie in drie stukken uiteen. In de eerste plaats moet theologie adequaat kunnen beschrijven, niet slechts wat er aan de hand geweest is, maar ook wat er vandaag aan de hand is in de kerk en in het christelijk geloof.
De kudde - daar bedoel ik de christenheid in al zijn vormen mee — gaat voorop.
De theologen gaan in eerste instantie niet voorop. Wil je de theologie bescheiden houden, dan moet hij beschrijvenderwijze beginnen. Dat betekent niet dat je de gemeente naar de mond moet praten of altijd gelijk geven.
Ik geloof dat de theologen een eigen verantwoordelijkheid hebben, die — dat zou mijn tweede onderdeel van de theologie zijn — ook kritisch moet zijn. Daarover heb ik gister reeds uitvoeriger gesproken. In de derde plaats geloof ik dat de theologie ook iets van een padvinderij moet hebben, het zoeken van een nieuw pad voor de gemeenschap. Dat zijn de drie komponenten waaruit theologie, wetenschappelijke theologie, moet bestaan. Het moeilijkste is de wetenschappelijkheid van de theologie natuurlijk waar te maken als we met dat derde punt bezig zijn. Daar heb je meer de idee dat theologen opiniemakers zijn. Dat geldt voor elke theoloog.
Dus prof. Ridderbos met zijn eerste grote boek over De komst van het Koninkrijk was een opiniemaker. Dat zijn theologen altijd, zodra ze in dat derde vak van die theologie terechtkomen en daar publiekelijk over praten.
Volgens mij moet dat ook, kan het zelfs niet anders en zou ik eerder — met verwijzing naar gisteren — willen zeggen: hoe meer opiniemakers binnen de kerken, maar ook binnen het Nederlandse volk, des te beter; want des te minder worden de mensen overgeleverd aan één opinie, die zichzelf bijvoorbeeld alsde enigeware uitgeeft; en des te meer worden ze mondig en leren ze zelf mee te denken, mee te kiezen en te beslissen. Maar goed, wat ik slechts wil zeggen, is, dat als je in dat derde onderdeel van de theologie bezig bent, dat je dan meer als een opiniemaker dan als een wetenschapper spreekt. De reden waarom theologieën telkens zo verschillend kunnen uitvallen, hangt dus vooral met dat derde onderdeel samen, waarin je dus bezig bent met dat 'pad vinden'.

Een tweede ding dat mij even van het hart moet is, dat ik volgens sommigen zo provocerend sprak. Eén groep zegt het zo: 'Het provocerend spreken van prof. Kuitert veroorzaakt kortsluiting. Voorbeeld: 'Opstanding is verzinsel' (voor de t.v.). Waarom doet hij dat?' Dus; 'verzinnen', en: 'opstanding is verzinsel', zou ik zelfs ergens gezegd hebben. Dat laatste is een prachtig voorbeeld van hoe tradities werken en vooral: hoe tradities vervormend bezig zijn.
Er is niet eens een generatie voor nodig om vervormingen voor elkaar te krijgen; het gaat al binnen een paar maanden. Want er staat natuurlijk nergens, in geen enkel geschrift van mijn hand, dat opstanding een verzinsel is. In mijn discussie met Schillebeeckx - want daarop doelt de vraag kennelijk - staat, dat sommige culturen, met name de Griekse, met het probleem van de dood zat en daar iets op verzonnen heeft.
Dat is dan mijn terminologie.
Dan vraagt prof. Veenhof mij: vind je dat eigenlijk wel een goede term, dat woordje verzinnen? Dat begrijp ik dan heel goed en dan denk ik in de loop van zo'n gesprek: nee, nou even volhouden, want wat kan ik met behulp van dat woordje verzinnen mooi laten zien, dat niemand van ons dat leven na dit leven ooit gezien heeft. Je moet m.a.w. goed weten, dat, wanneer je als christen daarover spreekt, je dan volstrekt bezig bent in de orde van het ongeziene geloof!
Het gaat dan over wat geen mens ooit heeft kunnen navertellen. Vandaar dat ik dat woordje verzinnen dan graag wil handhaven, opdat wij door zo'n woordje er aan herinnerd worden, dat wij over dingen spreken die niemand kan controleren.
Het is principieel onverifieerbaar spreken. Ik vind dat de lezer zoiets er best kan uithalen als hij dat leest, en dan niet moet zeggen: 'opstanding is verzinsel'. Dat heb ik nooit beweerd.
Dan ga ik even over naar een vraag inzake de geloofsverantwoording, speciaal over het deel van mijn stelling: 'Geloof moet, om verantwoord geloof te zijn, de ' toets van de godsdienstkritiek doorstaan (de geloofsverantwoording wordt ten overstaan van 'buiten' afgelegd). Mij wordtlijk achten 't omgekeerde: 'Is het niet zo, ven zonder dat blijkt dat het kriterium beantwoordt aan het wezen van de bijbelse boodschap? (de zwakheid van alle apologetiek).' Overigens staat er dan onmiddellijk achterhet omgekeerde: 'Is het niet zo, dat u het kriterium ontleent aan uw eigen christelijke geloofsovertuiging, zodat de objectiviteit van het aangelegde kriterium slechts schijn is? Hoe kunt u anders zo zeker weten dat (alleen) het christelijk geloof de proef zal doorstaan?'
Ik begrijp niet helemaal hoe de groep dat voor elkaar krijgt. Daar staat nl.: is het niet zo dat u het kriterium ontleent aan uw eigen christelijk geloof? Dus ik heb het nou maar voor het kiezen, zie ik.
Het beste wat ik daarom kan gaan doen, is - lijkt mij — die kriteriumvraag nog eens een keer aan de orde stellen, opdat er geen misverstand over bestaat. Ik hoef daarin geen gelijk te hebben, maar wil u het probleem wel na aan het hart leggen omdat ik denk dat wij niet om dat probleem heen kunnen, ook al zou je dat anders moeten oplossen dan ik doe. Ik vind dat wij er als christenen van moeten uitgaan dat het christelijk geloof niet de een of andere merkwaardige buitenplaats is, waar je jezelf met gevoelens van vrees en schaamte zou moeten ophouden. Het christelijk geloof is een van de meest adequate benaderingen van onze menselijke werkelijkheid, die er bestaat; daarom — als je het erg grof wilt zeggen — klopt het ook met dat christelijk geloof. Als je dat aanhangt, vallen de dingen meer in patroon, ik zeg niet helemaal in patroon (daarvoor zijn er teveel raadsels in onze wereld), maar veel meer in patroon, dan wanneer je een ander geloof aanhangt. In die zin kan iemand mij misschien beschuldigen van apologetiek, maar dat vind ik eigenlijk niet apologetiek. Ik bedoel veeleer dat die God die wij ontmoeten in het evangelie van Jezus, volgens onze hoogst eigen belijdenis, dezelfde God is, die achter onze bestaande wereld zit; diedefaktor, de maker van onze geschiedenis is. Het zou toch wel ondenkbaar zijn, dat je als je naar kriteria, getuigenissen of toetsstenen voor de waarheid van het geloof zoekt, in onze wereld helemaal niks zou vinden! Het is toch zeker Zijn wereld? Dan bedoel ik niet allereerst de mooie plantjes en de mooie bloemetjes, maar vooral onze hele menselijke, historische werkelijkheid. Daar zit God al op een geweldige manier in en daarom kan je met het christelijk geloof in onze menselijke werkelijkheid ook terecht. Daarom kun je uit onze leefwereld goede argumenten opdiepen, die pleiten voor het christelijk geloof.
Daarmee probeer je dan aan te geven dat geloof, in de zin van: geloof in Christus zinnig is, geen willekeur; datje het niet net zo goed andersom zou kunnen doen. Zodra iemand zou zeggen: het geloof is irrationeel (één van de broederszei dat), er is eigenlijk geen argument voor, het is alleen maar een sprong, dan zou mijn repliek zijn: dat beteikent dat u ook precies het omgekeerde zou kunnen geloven. Nee, zou die broeder dan wellicht zeggen, dat wil ik nu ook weer niet beweren. Welnu, als je niet het omgekeerde wilt geloven, dan moet je daar een reden voor hebben. Je moet een argument noemen, waarom het voor jou niet net zo goed andersom zou kunnen. Dat probeer ik boven water te krijgen, dat argument waarom je het zo doet en niet omgekeerd, omdat ik denk dat dat de enige manier is waarop geloof in Jezus Christus vandaag overdraagbaar is op andere mensen. Wij leven in een wereld, waarin de mensen niet meer op autoriteit afgaan, maar waarin ze vragen naar de redenen die jij voor je gedrag hebt, de argumenten.
Als ik dat vervolgens mag aanhaken aan de Jezus-belijdenis, waar prof. Ridderbos, voor mijn gevoel, erg goed over sprak gisteren, dan zou ik willen zeggen: laten we goed onthouden, waarom wij zo op die waarheid van de leer uitzijn. Waarom wil je dat in die leer niet allerlei gaten zitten of vergissingen? Omdat de leer, de christelijke leer, eigenlijk zo iets is als het zoekontwerp dat een gemeenschap, een godsdienstige gemeenschap erop nahoudt, met behulp waarvan zij in onze werkelijkheid — de ervaringswereld van iedere dag — de God van alle heil tegenkomt, waar de vaderen het altijd over hadden, om dan een keer te kunnen roepen: 'Hij is het weer, daar heb je Hem weer, dat is nou God!' Want 't gaat tenslotte toch niet om een goede leer op zichzelf. Wat hebben we daaraan? Niets, Het gaat erom God zelf in Zijn heilswerkelij kheid tegen te komen in onze gewone wereld. Om God Zijn heil tegen te komen, daarvoor dient de leer. Die is, zoals ik het noemde, een zoekontwerp; anders zoek je verkeerd en vind je niets. Alle mensen houden er een dergelijk zoekontwerp op na. Alle mensen zijn met God bezig, zoekende of zij Hem vinden mochten, zegt Paulus in Handelingen 17, hoewel Hij niet ver van hen is. Nee, Hij is helemaal niet ver van hen. Alle mensen doen aan godsdienst, doen aan mystiek, doen aan zich verlaten op een laatste grond, doen aan geborgenheid, bergen zich ergens in en hebben daar hun zoekontwerpen voor.
Het christelijk zoekontwerp is helemaal bepaald door Jezus, wat Jezus zegt en doet. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die heeft Hem ons doen kennen; die heeft Hem ons uitgelegd, zoals Johannes 1:18 eigenlijk zegt. Welnu, met dit christelijk zoekontwerp proberen wij als christelijke kerk de mensen te helpen. We sluiten daarbij helemaal aan bij wat alle mensen eigenlijk zoeken en willen vinden; God en Zijn heil ontmoeten in de werkelijkheid waarin ze leven. Nu, daarvoor dient de leer: om de mensen een goed zoekontwerp mee te geven; anders vinden ze niets.
Geef je ze een verkeerd zoekontwerp mee, dan vinden ze wat verkeerds. Laat ik een voorbeeld noemen dat ik ook al eens in een artikel in Voorlopig heb genoemd: de vruchtbaarheidsgodsdiensten. Die hadden óók een zoekontwerp: God is vruchtbaarheid. Vonden ze hun ontwerp ook in de werkelijkheid terug? Nou, en of! Het barstte toch van de vruchtbaarheid in het land Kanaan. Hun zoekontwerp werd dus bevestigd, en zodoende kon die godsdienst wel duizend jaar bestaan, want keer op keer werd dat ontwerp door de werkelijkheid bevestigd.
Daar vraagt een mens om, nietwaar? Hij wil graag dat zijn zoekontwerp bevestigd wordt door wat hij vindt in de wereld om zich heen. Welnu, het zoekontwerp van de vruchtbaarheidsgodsdiensten werd zolang bevestigd, totdat, laten we zeggen, de moderne industrie opkwam en de kunstmest werd uitgevonden. Op dat moment is het zoekontwerp van de vruchtbaarheidsgodsdiensten achterhaald, want dan kunnen ze zelf, wat vroeger alleen de goden konden; vruchtbaar maken, of ze hebben, vanwege de industrie, de landbouw niet meer zo nodig. Zo verbleekt dat zoekontwerp van de vruchtbaarheidsgoden. De geschiedenis — en voor mij is dat; God zelf in de geschiedenis - corrigeert al die ontwerpen. Waarom zwijgen de Goden (prachtige titel van Miskotte's bekende boek)? Omdat God ze allemaal inhaalt. De christelijke God haalt ze allemaal in. Dat klinkt vreselijk pedant in de oren van niet-christenen. Maar ik vind datje het wel moet volhouden om het zo te zeggen. De christelijke God haalt ze allemaal in. Op deze manier proberen wij als christenen de mensen te helpen met ons zoekontwerp, dat helemaal bepaald is door Jezus. Andere vraag: hoe is dat dan bepaald door Jezus? Wat is de kern van dat christelijk zoekontwerp, dat wij helemaal aan onze oriëntatie aan Jezus, Zijn weg, werk, wandel hebben ontleend?
Daarmee kom ik op de nogal harde woorden van prof. Ridderbos aan het adres van Schillebeeckx, Schillebeeckx geeft een antwoord op de vraag, wat de kern is van het christelijk geloof. Hij gebruikt letterlijk het woord canon, en zegt: Canon is uiteindelijk Jezus. Ik zou het nog liever met Pannenberg een beetje anders formuleren en zeggen: canon is wat er met Jezus gebeurde, zoals het op zo'n prachtige manier kort en strak omschreven staat in het verhaal van de EmmaiJsgangers. Waar hebben christenen het altijd over? Over dat wat er met Jezus geschied is (Luc. 24:19). Dat is canon, daar draait alles om. Schillebeeckx zegt - en dat lijkt mij onbestrijdbaar — dat wat er met Jezus gebeurde, alleen maar verteld kan worden in de beelden en de terminologie van de tijd waarin je leeft.
Ik denk dat niemand er aan ontkomt om dat te beamen. Mensen hebben nu eenmaal geen andere termen dan de termen, die ze hebben. Dus ook Jezus als persoon en wat er met Jezus gebeurde, kan door de evangelisten en apostelen alleen maar uitgelegd worden in heilsvoorstellingen, beelden, begrippen, die ze als mensen die toen leefden, bezaten. Schillebeeckx maakt daar een principieel punt van, en zegt: zo gaat het altijd, want alleen door middel van de beelden die wij over Hem maken, is Jezus onder mensen bespreekbaar. Ik zou nog een stap verder gaan — dat doet Schillebeeckx trouwens ook — en de vraag willen stellen: als Jezus zichzelf uitlegt, waar haalt Hij dan de beelden vandaan? Ook uit Zijn eigen tijd. Hij legt zichzelf uit in termen van de heilsverwachting van Zijn eigen tijd. In één woord: je ontkomt er niet aan: Jezus kan niet anders onder mensen bespreekbaar zijn dan 'aangekleed' door de beelden van hun heilsverwachting. Hoe kan intussen Schillebeeckx zeggen dat de eigenlijke canon Jezus zelf is, terwijl prof. Ridderbos zegt dat je niet achter de manier waarop Jezus door de evangelisten getekend wordt, terug kunt tot de 'eigenlijke Jezus'?
Ziet Schillebeeckx niets van dat probleem dat Ridderbos hier signaleert?

Mijn antwoord is: Wel degelijk! Juist op grond van hetzelfde exegetische gegeven (wij komen Jezus in het Nieuwe Testament alleen tegen in de beeldvorming van evangelisten en apostelen) komt Schillebeeckx tot de slotsom dat Jezus Zelf de eigenlijke canon moet zijn. Die varianten van beeldvormingen zijn als het ware het bewijs dat Jezus zelf alleen in beelden bespreekbaar wordt voor de mensen. Daarom vond ik het eigenlijk prachtig dat prof. Ridderbos daar gisteren bij aansloot toen hij eindigde met te zeggen dat wij nog zullen klapperen met onze oren als zij van oost en west komen en beeldvormingen zullen binnenbrengen in de christelijke kerk, die wij nu nog niet hebben, zelfs nog niet bevroeden. Dat is helemaal niet erg. Canon is Jezus zelf, is wat er met Jezus gebeurde, kruis en opstanding. En in welke beeldvormingen je dat ook verder vertelt, je kunt gebeurtenissen niet weg-vertellen; dan misga je je aan de canon die iedereen kan controleren.
Dus daarom staat bij mij die geschiedenis van wat er met Jezus gebeurde ook centraal, kruis en opstanding. Dat praat je niet weg. Daarom moet je als christen ook volhouden dat opstanding iets is wat er met Jezus gebeurde. Geen fantasie van de discipelen of wat dan ook, maar iets wat er met Jezus gebeurde en wat niet weggepraat wordt door interpretatie. Interpretatie slaat op dat wat er gebeurde. En daar leeft de christelijke kerk van, van wat er gebeurde. Dat mag je verder vertellen in talloze telkens nieuw zich vormende beelden, die gesticht worden, aangestookt door de canon zelf; dat wat er met Jezus gebeurde.
Natuurlijk, ik ben net zo benauwd voor een zwarte Jezus als prof. Ridderbos, en denk: zouden we naast een racistische witte Jezus straks een racistische zwarte Jezus krijgen? God beware ons ervoor.
Eén racistische is al meer dan genoeg.
Maar we weten dat die kans er dik in zit.
Laten we echter niet zeggen: jullie hebt geen inbreng. Zij hebben precies zoveel recht tot inbreng als wij blanken het nu al eeuwen gehad hebben en wij kunnen het aan de werkelijkheid van Jezus precies zo toevertrouwen als dat bij ons gegaan is dat daar een nieuw gelaat van Jezus op gaat lichten, naast de vele gezichten die Hij in de geschiedenis van onze wereld al gehad heeft.
Daarmee geef ik antwoord op nog een andere vraag, nl. deze; 'Naar onze visie ligt het verschil tussen Kuitert en Ridderbos in hun visie op de verhouding: openbaring en bijbel. Wat zijn de achtergronden van hun visie?' - Nee, ik denk dat als wij erg lang zouden doorpraten, het verschil toch ergens anders zou liggen, voor mijn gevoel in het gezag; daarmee zal ik zo meteen ook eindigen, als dat nog mag. Maar het verschil ligt niet in openbaring en bijbel op zichzelf. Het verschil ligt eigenlijk ook niet, als ik prof. Ridderbos in tweede instantie hoor, in de kwestie van de bemiddeling, zoals ik eerst eigenlijk dacht. Dus in de zin dat hij telkens uit elkaar trekt, wat ik in elkaar geschoven wil zien: dat openbaring niet anders onder onsaanwezig is dan in de vorm van wat mensen zeggen dat openbaring is; dat de figuur van Jezus Christus onder ons niet anders bespreekbaar is dan in de vorm van het beeld dat mensen van Jezus tekenen en zeggen; kijk dat is Hem nou, daarom volgen wij Hem na, daarom zijn wij verliefd op Hem, als je het heel emotioneel wilt zeggen.
Ik denk eigenlijk dat Ridderbos dat ook weer niet zou willen ontkennen, als ik zijn verhaal in tweede instantie weer aanhoor.
Maar waar het wel op vast zit, is dat gezag.
Ik geloof niet in een van buiten opgelegd gezag aan welke traditie ook. Dat gezag goochelt prof. Ridderbos mij veel te makkelijk weer uit zijn mouw. Het gezag van de bijbel is de macht die de bijbel heeft, tot en met vandaag, om onze levens te richten, te openen, om ons te helpen de weg te zoeken. Dat gezag komt niet van buitenaf, wordt ook niet verleend door instanties van buitenaf, bijvoorbeeld de synode of de kerk.

Wij aanvaarden de Schrift als canoniek, niet zozeer omdat de kerk ze voor canoniek houdt, maar gezien de blinden kunnen tasten, dat hetgeen daarin voorzegd wordt geschiedt,staaterinart.5van de N.G.B. Ik weet niet of we de argumentatie, die daar gehanteerd wordt, nog precies zo zouden willen overnemen. Maar in elk geval is het bedoeld als een appèl op wat jij zelf ziet, en een ander gezag kan de bijbel nooit hebben, tenzij je elkaar wat wilt opdringen, maar dan maak je de ander een knecht van jouw mening onder het mom van dat het Gods mening is. Dat gebeurt maar al te vaak, en daar vecht ik tegen.
Daarom moeten wij, dacht ik, met dat gezag van de bijbel oppassen. Ik heb het het gezag van een traditie genoemd. Daarmee bedoel ik het soort van gezag aan te geven. Ik wil dat woord gezag, als de mensen daar prijs op stellen, in de kerk ook best blijven gebruiken. Maar ik denk er dan bij: we bedoelen dan de macht van de bijbel over de zielen der mensen, gezien dat hetgeen daarin gezegd wordt, bij machte is onsdeweg tewijzen, ons te bevrijden, ons licht te verschaffen in onze duisternis.
Daarom leef ik van die bijbel. Maar men kan dat gezag m.i. niet zomaar in een grote ongenuanceerde greep pakken, want dan kom ik weer met die vrouw in het ambt aan en zeg: blijkbaar is het gezag toch niet van dien aard dat we tegen sommige dingen niet nee zouden durven zeggen.
Officieel zeggen de gereformeerde kerken nee tegen Paulus als hij het ambt voor vrouwen verbiedt. Daarmee geven wij als gereformeerden zelf toe, dat het gezag van de bijbel gezag is op de wijze waarop traditie gezag heeft. Wij gaan niet onszelf boven de bijbel verheffen, maar wij zeggen; de bijbel heeft ons wat te zeggen; daarin — in wat zij ons te zeggen heeft — ligt haar gezag. Aan instanties buiten haar hoeft zij geen gezag te ontlenen. Dat kan niet en hoeft niet en mag niet. Zij is door wat zij te zeggen heeft, belangrijk. Nergens anders om.
Ik zou ook met sommige verhalen uit het Oude Testament kunnen aankomen, waarvan de kinderen tegen mij zeggen; dat mocht Hij toch niet? Dan bedoelen ze God, die hele volken laat uitroeien door Israël, en kindertjes, zelfs zuigelingen door de scherpte des zwaards laat omkomen. Nee, denk ik dan, dat kan ook niet; dat is toch te veel zoals Israël over God praatte. Zo zou ik niet meer over God willen praten en ik zou het ook de mensen verbieden als ze vandaag zo over God zouden praten. Ik zou zeggen: daar doe je God onrecht mee aan.
Dat zijn stukken uit de bijbel die wij zo niet meer kunnen herhalen.


Voorzitter: Wil prof. Ridderbos hierop reageren?


Ridderbos: Het probleem ligt, dacht ik, hierin: als er een kriterium nodig is om te kunnen uitmaken of iets al dan niet als openbaring voor ons kan gelden, dan schijnt de zaak toch weer in onze handen terecht te komen. Zullen wij kunnen uitmaken, wat voor ons als openbaring zal gelden en daarvoor onze kriteria opstellen?
Nu, dat lijkt mij nu precies de omgekeerde wereld. Daarmee hangt uiteraard samen de kwestie van het van buiten tot ons komende gezag. Dat is voor mij eigenlijk géén kwestie. Het hele wezen van het gezag is, dat het over mij iets te zeggen heeft. Zo speelt dat ook in het geloofsleven. Ik maak daar de dienst niet uit. Het wordt mij gezegd. 'Maar Ik zeg u', zegt Jezus. En Paulus heeft het telkens over de gehoorzaamheid van het geloof.
Er is in het geloof allerlei, dat niemand zou geloven, als het ons in die zin — tegen heug en meug en tegen vlees en bloed in - niet gezégd was en telkens opnieuw gezegd moet worden. Dat gezag is ten diepste met de persoon van Jezus gegeven. Hij sprak als gezaghebbende, met volmacht. Dat hebben niet alleen zijn vijanden, maar ook zijn vrienden moeten leren verstaan.
Als Jezus zegt, dat Hij moet lijden, zeggen ze: 'Dat zal U geenszins geschieden!' Nu, de mens, die dat zegt — en dat zijn wij — moet onder het gezèg komen van het feit, dat de Heer dat toch 'moet'; en dan zal hij óók nog moeten leren, wéérom. Dat gaat alles bij ons zo tegen vlees en bloed in, dat wij het nooit zouden geloven, als Hij Zelf het niet gezegd en gedaan en ons gegeven had; 'neemt, eet, dat is mijn lichaam voor u. . .' En met de opstanding staat het precies zo. Als ik er kriteria voor moet bedenken, of de opstanding van de Heer wel waar kan zijn en wel zo nodig is, dan zal ik er nooit in geloven. Ik geloof het, omdat Hij het was. Als Hij het niet was, wiens hele geschiedenis mij eerst verteld is en die nog veel verder weg komt in het verhaal over Gods verlossende daden in het Oude Testament, wat voor kriterium zou mij nopen het te geloven?
En hoe zou ik geloven in het eeuwige leven, tenzij om Christus' wil? Heeft prof. Kuitert of wie dan ook daar een kriterium voor; kan hij daar, van welk gezichtspunt | ook iets beslissends over zeggen? Moet ons dat niet gezegd, aangezegd, beloofd worden met goddelijke volmacht? En past daartegenover iets anders dan de gehoorzaamheid van het geloof? Niet omdat geloof het vermogen of de verplichting zou zijn het dolste mirakel te 'geloven' (niet slechts Jona in de vis, maar desnoods ook de vis in Jona?), maar omdat geloven wil zeggen, dat wij onder de heilrijke, genadige heerschappij gebracht zijn van die Heer, die in het gewaad van de Schrift tot ons komt. Er bestaan geen kriteria voor om dat gezag van die Heer en de aard van dat heil onder controle te k rij gen en op grond daarvan tot de mensen te zeggen: geloof het maar. Die controle ligt niet in het leergezag van de kerk en niet in de kriteria, die de wetenschap aan kan dragen. De norm ligt in het voorwerp van het geloof zelf, zoals het, zoals Hij in de Schrift tot ons komt. En dat laatste moet er bij, anders begint alles weer van voren af aan.
Daarom moet de norm van de prediking in de Schrift liggen. En als de kerk haar ambtsdragers aan de belijdenis houdt, bedoelt zij dat. Niets anders! En hier mag ik dan, op mijn beurt, prof. Kuitert een vraag stellen. Hij noemt dit leerdwang. Nu, gedwongen wordt natuurlijk niemand. Ik erger mij een beetje aan zo'n woord. Er is uiteraard helemaal geen dwang. Je vraagt of je alstublieft door de kerk mag worden aangewezen als dienaar des Woords. Dan zegt de kerk: ja zeker, maar we hebben dan wel een paar dingen tegen je te zeggen. Je moet (om nu maar iets te zeggen) je grieks wel een beetje leren, anders kun je de bijbel niet goed genoeg verstaan. Dat zou je dan ook leerdwang moeten noemen. De dwang van het grieks leren (en nog al het een en ander meer!). Maar de kerk zegt bovendien: als je in de kerk en voor haar verantwoordelijkheid het evangelie wilt verkondigen, dan moet je goed weten waar de kerk voor staat, wat de kerk als evangelie verkondigt en wat zij leert.
Kun je dat nu met goed fatsoen leerdwang noemen? Treedt de kerk daarin op als autoritair, heersende instantie? Of handelt zij aldus uit haar eigen verantwoordelijkheid en onderworpenheid aan het evangelie en aan de Christus der Schriften?
Kunnen wij inderdaad met een schijn van recht en redelijkheid met prof. Kuitert naar een kerk streven, waarin het zo fijn zal zijn te verkeren, omdat daarin niets meer 'hoeft' en alles 'mag'? Nu, alles zal ook hem op een gegeven moment wel te ver gaan! Maar hij gaat wel ver! Hij maakt wel ruimte voor de meest uiteenlopende, elkander tegensprekende, van de belijdenis voor de kerk afwijkende interpretatie van het heil, hoewel hij die voor zichzelf wellicht verwerpt. Mijn vraag aan hem is, hoe dat kan in een kerk, die haar eigen belijdenis nog ernstig neemt en hoe daarom iemand, die in de gemeenschap en voor de verantwoordelijkheid van die kerk spreekt en leert in het profetisch ambt, aan de belijdenis van de kerk zich slechts zou kunnen binden wanneer en voorzover hem dat zelf uitkomt en goeddunkt? Ik zeg niet: dan moet zo iemand maar naar een kerk gaan waar dit wèl kan; want dat is geen serieuze oplossing. Ik zeg, dat kan geen enkele kerk, die met de van haar uitgaande verkondiging ernst maakt zich veroorloven en ik zou willen weten, hoe Harry Kuitert toch kan denken, dat het anders kan.


Voorzitter: Wil prof. Kuitert hierop reageren?


Kuitert: Ik heb maar het idee, dat iemand ons zou moeten helpen om boven water te krijgen wat het verschil tussen ons nu eigenlijk is. Hoe kom je er uit, als je het gevoel hebt dat je eikaars bedoelingen kennelijk niet vat? Is er wel zo'n kriterium nodig, vraagt prof. Ridderbos. Kan dat eigenlijk wel? Zijn wij zelf de instantie die moet kunnen zeggen of iets openbaring is of niet. Welnu, ik voel het bezwaar tegen een dergelijke redenering wel, vergeleken bij ons traditioneel openbaringsbegrip, want dat vereist juist dat wij ons onderschikken.
Maar in de eerste plaats denk ik dat we het allemaal allang doen op de manier die ik voorstel. Zie nogmaals de vrouw in het ambt. Zijn wij zelf de instantie die uitmaakt of dat openbaring is of niet? Inderdaad, wij waren en wij zijn het zelf geweest die deze beslissing namen, prof. Ridderbos incluis. Het enige wat ik eraan toevoeg is: een verantwoordingstheorie waardoor de gereformeerde kerk zou kunnen leren dat zij inderdaad mocht doen wat zij hier gedaan heeft. Welnu, dat dan in de tweede plaats, een onderdeel van die theorie is dat openbaring zinnig is en daarom appeleert op inzicht en normaal mensenverstand.
Vandaar dat je als christen wervend bij de mensen kunt aankomen. Wij praten geen onzin als we over God en Jezus praten, want openbaring is geen onzin. En wanneer een van die groepen dan zegt; ben je zo niet bezig de inhoud van de boodschap op te offeren aan de verstaanbaarheid, dan zeg ik: daar heb je weer het grote misverstand. Wat is inhoud, die niet verstaan wordt? Er bestaat niet een onverstane inhoud. Laat ik het liever zo zeggen (want er bestaat natuurlijk best een onverstane inhoud): onverstane inhoud kun je niet aanvaarden. Een boodschap krijgt pas inhoud doordat wij hem verstaan. Daarmee word ik niet baas over de openbaring.
Ik zeg alleen dat openbaring zichzelf aanprijst en appeleert op alles wat in mij menselijk is en wat in andere mensen ook menselijk is. Een mooi voorbeeld uit het Oude Testament, wanneer God zichzelf voorstelt aan Israël als de God van het verbond. Dan zegt Hij; Ik ben de God die trouw houdt; ga maar gerust met Mij in zee. Dan appeleert God erop dat mensen weten wat trouw houden is, datje daar wat aan hebt, en dat het pleit voor God dat Hij trouw is. Dat betekent: God rekent op het algemeen menselijk onderscheidingsvermogen van de Israëlieten, waardoor ze trouw van ontrouw kunnen onderscheiden en meer nog: aan trouw de voorkeur geven boven ontrouw.
Als de Israëlieten dat metterdaad doen, stellen ze zich dan boven de openbaring?
Nee, maar openbaring blijkt zinnige, zichzelf aan alle mensen aanbevelende waarheid te zijn. Zoals in ons voorbeeld God die trouw is.
Alleen — als ik op het voorbeeld even mag doorgaan — je moet het natuurlijk nog afwachten of Hij het ook is. Nu, om daar achter te komen, moet je met Hem in zee gaan. God zegt: Ik ben die Ik ben, ga maar met Me in zee, dan zul je het wel merken. Dat is de sprong van het geloof. Het geloof is wel degelijk een sprong, als ik dat hier even mag tussen voegen, maar dan niet een sprong met dichte ogen. Ook niet een sprong in het onbekende, waarvan ik niets weet. Het is geloven dat je met dat christelijk zoekontwerp ook werkelijk de God van alle heil zult tegenkomen. Vandaar dat je in de bijbel over dat kriterium ook nog op een andere manier wat hoort zeggen.
Ik denk aan het verhaal van Jeremia 28, waar staat: 'de profeet wiens woord geschieden zal, die is door God gezonden.'
Nu, dat kon iedereen toch controleren, of datwoorduitkwam?Daar moesten zemaar naar kijken, zei de profeet. Dat zou ik nog zo willen zeggen: wij mogen en moeten naar onze wereld kijken of het heilswoord van God uitkomt. Natuuriijk, dan moet je wachten tot de voleinding der wereld, als je wilt meemaken dat het helemaal uitkomt.
Maar nu mag je al een beetje zien, vind ik.
Ik vind dat het christendom zich er op beroepen mag dat van haar boodschap iets zich vandaag al realiseert. Naar die realiseringen mag je zoeken in onze werkelijkheid. In die zin ligt de toetssteen voor de waarheid van het christelijk zoekontwerp uiteindelijk in onze historische werkelijkheid. Dat 'n mens met het christelijk zoekontwerp werkelijk de God van alle heil zal ontmoeten in Zijn heilzame, mensen tot mensen makende kracht, dat zal concreet moeten blijken doordat mensen die dit geloof erop nahouden, welvaren, heel worden en anderen heel maken. Dat isde enige manier waarop kan blijken dat de God van de christenen niet alleen goed is voor de christenen, maar voor alle mensen.
Het grote probleem is echter dat in deze redenering die ik zojuist ontvouwde, het doen en laten van de christenen een sleutelpositie inneemt. Christenen maken niet op voorbeeldige wijze heel. Integendeel, tot je diepe verdriet moet je constateren; de grootste anti-demonstratie tegen het christendom wordt door de christenen zelf geleverd. Daarom heb ik Noord-lerland genoemd, en Libanon; daarom zou ik ook Zuid-Afrika willen noemen.
Ik herinner mij die ene bruine dominee die hier letterlijk aan onze synode vertelde; Wij kunnen in Zuid-Afrika niet evangeliseren onder de zwarten, want die zeggen allemaal dat wij met het verhaal van de witten komen en witten kennen ze alleen maar als onderdrukkers. In mijn conceptie komt het in laatste instantie dus telkens weer terug op dat ene punt; wat maken de christenen er zelf van? Dat kun je er niet buiten laten, wil je het christendom niet goedkoop maken.


Voorzitter: Dank u. Hebt u nog een vraag aan prof. Ridderbos?


Kuitert: De meest wezenlijke vraag die ik aan prof. Ridderbos zou willen stellen is toch een vraag die betrekking heeft op het gezag. De manier waarop hij daarover spreekt is mij te formeel, met alle consequentiesvan dien, nl. dat mensen elkaar op die manier horig maken aan elkaar i.p.v. gehoorzaam aan God. Waarom heeft Paulus gezag anders dan om datgene wat Paulus te zeggen heeft? De zeggenschap van de apostel Paulus ligt voor mij in datgene wat de apostel Paulus te zeggen heeft en niet ergens anders in. Dat is dan ook de enig denkbare reden waarom het ons vrij staat af en toe wat aan Paulus te tornen. Het gezag van Paulus ligt in datgene wat hij te zeggen heeft, en wat daar wel of niet onder valt, moeten wij zelf, samen met alle christenen, verantwoorden. Als het anders zou zijn, zie ik niet in, hoe prof. Ridderbos ooit verantwoorden kan dat hij Paulus niet volgt in de afwijzing van de vrouw in het ambt, d.w.z. ook zelf onderscheid maakt tussen Paulus en Paulus.


Voorzitter: Mag ik prof. Ridderbos weer verzoeken?


Ridderbos: Ja, hoe moet ik dat nu duidelijk maken? Ik heb er straks al iets over gezegd, over dat van buiten komend gezag en ik zal dat niet herhalen. Thans zou ik willen zeggen: als Jezus Christus voor ons allen de canon is voor ons geloof en voor de prediking van de kerk, dan moet dat toch een inhoud hebben. En waar meent u die inhoud dan vandaan te kunnen halen?
Als u meent, dat volgens mij het gezag in de kerk zou berusten op 'afspraken' of 'omdat we dat nu eenmaal zo hebben', dan behoef ik u toch niet te zeggen, dat dit wel een beetje anders is gegaan. Van de kerk wordt in de bijbel gezegd, dat zij haar fundament heeft in Christus en er wordt óók gezegd, dat zij haar fundament heeft in de apostelen en profeten. Daér ligt voor mijn besef de clou van de zaak. Zo heeft de kerk zichzelf ook verstaan als zij haar 'christelijkheid' en haar eenheid heeft verbonden met haar apostoliciteit. Zo heeft de kerk ook de geschriften van het Nieuwe Testament als heilig en canoniek ontvangen; niet als een soort van afgesproken reglement of Formulier van Enigheid, maar als het evangelie, waaraan zij haar oorsprong te danken had en daarom ook als een haar gegeven, blijvende maatstaf voor geloof en leven. Daarom kunje niet van Jezus Christus als canon spreken buiten de canon van de Schrift om. Daar komt het hele spreken over canon trouwens vandaan! Dat is het normatieve karakter van de Schrift. Ik weet, dat daarmee alle kwesties niet opgelost zijn, omdat je altijd moet vragen wat de boodschap van de bijbel is en dat ik niet allerlei dingen gezaghebbend moet verklaren, die zo niet bedoeld zijn. En dan staan we soms voor moeilijke vragen. Over de vrouw in het ambt heb ik het al eerder gehad, daar begin ik niet opnieuw over. Maar mijn grote punt is, dat de Schrift op een zodanige wijze deelt in de kracht en het gezag van het eigen spreken van God door de mond van de profeten en apostelen en van Jezus Christus Zelf, dat zij de canon is geworden en altijd moet blijven voor geloof en prediking. Iets daarvan weet natuurlijk een ieder, want anders zouden we allemaal niet altijd met de bijbel bezig zijn.
Maar het verschil is, dat de zgn. nieuwe theologie op de bijbel als zodanig steeds minder doet. Er komt uit de bijbel wel iets gezaghebbends voor haar, maar waar en in hoeverre dit het geval is, moet dan door onszelf bepaald worden met behulp van daarvoor op te stellen kriteria. Zo valt niet alleen het gezag van de bijbel uiteen maar ook onze eenheid in Christus. Want die kriteria wisselen, al naar gelang de tijd en de mensen een ander gevoel voor de waarheid hebben; en in de plaats van de Christus der Schriften treden een groot aantal Jezusbeelden, zoals de geschiedenis van de nieuwere theologie leert, helaas tot in onze eigen kerk toe. Dat alles staat met het gezag van de bijbel op het spel. Want als wij ons voor het belijden van de kerk niet meer op de Schrift en op de Christus der Schriften kunnen beroepen, wat kan er dan nog van onze eenheid, en zelfs van onze veelgenoemde dialoog overblijven? Want als de Schrift niet onze canon is, hoe kan Christus het dan nog zijn. Tenzij wij in een ik weet niet wat voor subjectief spiritualisme vervallen!


Voorzitter: Ik zou nu de vergadering willen vragen om te reageren.


Bos: Voorzitter, prof. Kuitert zei zo net nog in zijn laatste antwoord aan Ridderbos: 'Ik wou dat iemand mij helpen kon'. Nu ben ik heus niet van oordeel, dat ik hier het verlossende woord kan spreken, maar ik dacht wel dat wij in laatste instantie in een soort impasse gekomen zijn. Ik dacht, dat de beide broeders toch weer langs elkaar heen redeneerden en dat zij dat voelden ook.
Het ging dan over het gezag van de openbaring; of dat van buiten of van binnen komt. Of het je opgelegd wordt, zodat je moet gehoorzamen, óf datje het beleeft als waar en daarin ook; veelzeggend in je leven, je toekomst openend of andere openingen gevend, antwoord gevend op de vragen van je leven. Ik dacht dat hier door de beide sprekers niet voldoende naar voren wordt gebracht dat het toch eigenlijk gaat om dat antwoord op de openbaring: dat openbaring zelf een zaak is van Gods Geest, die doorwerkt in de mensen, de mensen aanspreekt maar tegelijk ook de mensen tot reageren beweegt. En wanneer wij geloven in de Heilige Geest, dan betekent dat toch ook dat Hijzelf van binnenuit ons leven leidt en ons bezielt om in de gangen van Gods rijk mee te komen.
En als dat diezelfde Geest is dan kun je die dingen niet uit elkaar halen. Ik meen dus dat je die dingen samen moet nemen, en dat die samenkomen in de werking van Gods Geest.


Oomkes: Een paar detailkwesties. In de eerste plaats dit: heeft prof. Kuitert 't in zijn laatste toespraak gehad over wat we in de bijbel lezen, met name in het Oude Testament, over de vernietiging van de heidense volkeren in Kanaan? Wie zou niet huiveren waneer hij deze geschiedenis leest en toch zouden we nu zonder meer mogen zeggen; 'Hier kan ik niets mee worden'. Is dit niet een teken van wat er zal gebeuren bij het eindoordeel van Christus, waarin de goddelozen van de aarde zullen verdaan worden?
In de tweede plaats vraag ik mij af, of wanneer er geen binding meer is aan de belijdenis en men niet wil weten van tucht, of wij dan eigenlijk niet de gereformeerde kerken hebben uitgeleverd. Is de tucht juist niet één van de wezenskenmerken van de kerk?


Van der Meulen (J.D.B.): Ik hoor prof. Kuitert zeggen: het gaat om het wervend spreken van de kerk en om God-zelf Die zegt: 'Ik ben de God, Die trouw houdt'. Prof. Ridderbos zegt: Jezus roept mij op om Hem te volgen. Daar zit de zelfverioochening in. Is er tussen deze twee wezenlijk verschil? God, Die zegt: 'Ik ben Degene, Die trouw houdt', roept juist daarom op Hem te volgen. En Jezus, Die zegt; 'Volg mij', nodigt mij daarmee uit met Hem mee te gaan op weg naar het heil. Nogmaals: is daar wezenlijk verschil tussen?
Ten tweede, die kwestie van dat wervend spreken: moet daar niet over dóórgepraat worden? Betekent het dat je dan zeggen kunt: de waarheid hangt toch in feite af van de verstaanbaarheid? Als het gaat om wervend spreken, ligt daar dan niet in opgesloten dat het gaat om waarheid die waar is en betrouwbaar, ook vóórdat deze of gene die als waarheid aanvaardt?


De Moor: Mijn opmerking sluit eigenlijk aan bij die van de vorige spreker. Bij mij kwam het onderscheid formeel en inhoudelijk gezag telkens naar boven en ik kreeg dan het gevoel dat prof. Kuitert prof. Ridderbos formele gezagshandhaving in de schoenen schuift, maar ik dacht dat er daarom niet zoveel onderscheid was, want dat bedoelde hij niet. En is 't ook niet zo dat ook prof. Kuitert toch op een gegeven moment zal moeten spreken over 'n formeel gezag van de Schrift? Want hoe komt hij aan het verhaal wat er met Jezus gebeurd is? Daarvoor ben je toch weer afhankelijk van degenen die er bij geweest zijn en is dat ook niet het kriterium dat de kerk gebruikt heeft bij het afsluiten van de canon? Dat heb je toch nodig?


Van der Meulen (W.B.): Ik wilde graag ingaan op de vraag van de verificatie. Het is mij niet duidelijk wat prof. Kuitert precies bedoelt, als hij hier zo stelt en ook in zijn boekje dat dèt waar is wat zich als waar bewijst in zijn bevrijdende, toekomst scheppende uitwerking voor mens en wereld. Ik vind het moeilijk om dat als een toepasbaar kriterium te zien op de bijbel, bijv. op de boodschap van de vergeving van zonden, die toch eigenlijk pas werkelijk geverifieerd wordt in het eeuwige leven, een Boodschap die wij in dit leven nooit werkelijk waar zullen kunnen maken.
In de tweede plaats zou ik prof. Kuitert willen vragen; Gaat dit hele systeem dat hij hanteert van de verificatie niet uit van een al te groot optimisme t.a.v. de mensen, die toch eigenlijk waar het gaat ook om de andere godsdiensten en de andere ideologieën vaak een totaal ander vrijheidsbegrip en een totaal ander vrijheidsideaal naar voren brengen dan wij in ons christelijk geloof van God zelf ontvangen hebben?


Hofland: Ik kan mij voorstellen, dat er sprake is van een kloof, als er in de geschiedenis diepe incisies zijn en er een periode is, die nauwelijks enige verbinding heeft met de voorgaande. In de geschiedswetenschap is een moeilijke kwestie de periodisering. Kun je spreken van perioden? Sommigen zeggen: dat moet wel want anders kun je je boek niet indelen.
Anderen zeggen; het stelt iets zeer reëels voor. De Reformatie is iets zeer reëels, die kwam met iets nieuws. Maar daar staat naast, dat hoewel zulke momenten er zijn er door heel de geschiedenis is een soort voortgaan van iets, een continuïm. De reformatie ligt ingebed in de Middeleeuwen en ligt ingebed in wat daarna komt. De Russische revolutie moge een geweldige incisie zijn in deze eeuw, er is een typische overeenkomst tussen het Tsaristische Rusland en het Rusland van heden. Dus: er schijnt zoiets toch te zijn. In de kerkgeschiedenis is dat m.i. ook het geval. Het moge zo zijn dat de meeste kerkhistorische boeken nog beginnen met een hoofdstuk over Jezus en rustig verder gaan naar gnostiek enz., maar ik dacht dat daar ook sprake is van een caesuur in deze zin dat daar een stuk traditie is dat boven alle andere traditie die daarna volgt uitgeheven is en nu kan ik mij wat dat stuk traditie betreft wel aansluiten bij prof. Ridderbos. Dat oergetuigenis gaat mee, door de eeuwen heen en vindt o.a. zijn verwoording in de symbolen en de confessies van de christelijke kerk.


Vlaardingerbroek: Voorzitter, prof. Kuitert heeft over onze groep gezegd: 'jullie stellen 2 vragen, die stellen elkaar tegen.'
Dat was de grap juist. De bedoeling was deze.
Dat kriterium, waar haal je dat nou vandaan? Er zijn twee mogelijkheden zeggen wij: Je haalt het uit de bijbelse boodschap öf je haalt het ergens anders vandaan. Als je het uit de bijbelse boodschap haalt dan doe je net alsof je een objectief kriterium aanlegt. Maar in werkelijkheid onderwerp je alle andere godsdiensten en alles wat er zich voor uit geeft aan een kriterium dat aan jouw godsdienst ontleend is en dan zal het wel waar wezen dat jouw godsdienst de proef doorstaat en de andere niet. Dus dat is m.i. een schijnbare objectiviteit. Aan de andere kant; haal je het kriterium ergens anders vandaan, laat je dan niet datgene waaraan je godsdienst moet beantwoorden voorschrijven door iets anders wat misschien wel wezensvreemd is aan jouw bijbelse overtuiging? Dat was de aardigheid, vonden w i j . Het is ontzettend jammer als je iets aardigs doet en ze hebben het niet in de gaten.
Dan een vraag aan prof. Kuitert, die eigenlijk aansluit bij wat ik net over dat kriterium zei. Ik zei: je kunt boven dat dilemma wel uitkomen, want die God van de geschiedenis is ook de God van de bijbel, dus geen wonder. Nu vraag ik mij dit af: Is dat zo? Zit daar niet een geweldig optimisme t.a.v. de geschiedenis achter? Wat doe je met het raadselachtige in de geschiedenis?
Een van de meest adequate benaderingen van menselijke werkelijkheid is christelijk geloof, zei prof. Kuitert en dan valt de boel netjes in patroon. Is dat nu zo? Wat doe je met het raadselachtige, met het onbegrijpelijke in de geschiedenis? De God van de bijbel haalt alle andere goden in en dan noem je een voorbeeld notabene waaruit blijkt dat de goden van de vruchtbaarheid door de kunstmest ingehaald zijn, niet door de God van de bijbel, maar door de kunstmest. Is dat hetzelfde? Haalt de secularisatie alle andere goden in of haalt de God van de christenen alle andere goden in? Dat lijkt mij lang niet hetzelfde. Ik geloof daarom dat het antwoord op de vraag, waarom zou je geloven? helemaal niet te geven is en dat je op die manier ook helemaal niet wervende bij een ander aan boord kunt komen.
Daarmee stem ik in met wat collega Van der Meulen net zei. Datgene waarom ik zou moeten geloven, dat zie ik pas èls ik geloof.
Het geloof bevrijdt mij van de zonde, maar dat ik zonde heb, dat zie ik pas als ik geloof.
Dat is een cirkel waar ik met geen mogelijkheid uitkom. Ik geloof dus dat al het vragen naar kriterium en naar de verificatie weinig zin heeft en alleen tengevolge heeft dat je het geloof antwoord laat geven op vragen waar het van huis uit niet geschikt voor is om een antwoord op te geven.


Voorzitter: Wil prof. Kuitert reageren?


Kuitert: Neemt u mij echt niet kwalijk dat ik er nog een keer sta. Ik wil best met honderd misverstanden om mij heen het graf in (dat zal ook wel gebeuren en toch heb ik nog een gelukkig leven gehad; dat wil ik er nog wel bijvertellen) maar ik zou het toch wel sneu vinden als u uw tanden zette in allerlei dingen die net het omgekeerde zijn van wat ik beweer, die dus persé op misverstanden moeten berusten. Die — nogal fundamentele — misverstanden wou ik proberen uit de weg te ruimen. Dan knoop ik aan bij het woord verificatie, wat ik weliswaar zelf niet gebruikt heb, maar waarvan zowel prof. Ridderbos als enkele mensen uit de zaal, gebruik hebben gemaakt.
Het woord verificatie betekent de waarheidswaarde van een uitspraak vaststellen. Dat houdt in dat je dat woord verificatie op veel niveaus kunt gebruiken. Op het niveau bijvoorbeeld van uitspraken doen. Zit er waarheids-waarde in die uitspraken of zit er geen waarheids-waarde in? Je kunt óók over de waarheid van de godsdienst spreken; dan gebruik je het woord in een veel wijdere samenhang en dus op een ander niveau.
Over verificatie op dit tweede niveau hebt u mij vragen gesteld, dus op het niveau van de waarheid van het christelijk geloof. Kan je de waarheids-waarde van het christelijk geloof laten zien? Kun je die aantonen? Eigenlijk is verificatie op dit tweede niveau, dus op het niveau van de waarheid van het christelijk geloof, niets anders en ook niets ingewikkelder dan wat wij allemaal kennen uit het psalmboek. Dat is de vraag: kom je God in Zijn heilsdaden en in Zijn werken ook echt tegen? Kom je de God van Het Boek ook tegen in de werkelijkheid buiten Het Boek? Kom je de God van dat zoekontwerp, zoals ik dat meerdere keren genoemd heb, ook in je ervaringswerkelijkheid tegen? Het geloof kan niet nalaten die vraag te stellen; dat doet ieder mens. De psalmen staan er dan ook vol van, zo van; waar blijft Gij o God?
Ik ben ds. Vlaardingerbroek dan ook dankbaar, dat hij vroeg of we het op mijn manier niet te optimistisch maken. Ik had de dingen wel iets voorzichtiger gezegd dan hij ze weergaf, maar zijn waarschuwing neem ik hem in dank af. De geschiedenis is zo raadselachtig, dat je niet kunt nalaten om telkens weer te vragen waar God blijft. Dat betekent tegelijk dat God ook weer oneindig veel geheimzinniger is voor mijn besef (ik denk voor uw besef) en ook oneindig veel onpeilbaarder en al ons gepraat over Hem dus ook heel wat onverantwoorder dan wij waar willen hebben.
Dus op het niveau van die psalmen, daarop zou ik het willen houden en zeggen; die psalmen laten prachtig het niveau zien waarop zich de vraag naar de verificatie in de werkelijkheid van het geloofsleven afspeelt. Net als in de psalmen kan geen enkele christen het vandaag laten om in de gewone werkelijkheid van onze historische wereld af en toe te roepen: 'Hij is het weer' (Van Peursen) dat wil zeggen: dat en dat is voor mij een stuk heil van God in onze wereld.
Welnu, wat is dat voor een uitspraak?
Zeker, het is allereerst een subjectieve uitspraak. De christen zegt immers: voor mij is dat en dat 'n stukje heil van God in onze wereld. Maar dat 'voor mij' betekent toch niet; uit de duim gezogen of gefantaseerd? Je bedoelt er toch mee; ik zie dat, maar de anderen kunnen het ook zien als ze hun ogen goed opendoen?
Als mensen werkelijk met eerlijke kriteria van waar en onwaar werken, dan zullen ze kunnen merken dat het christelijk geloof, als het zegt: kijk daar heb je nou die God, waarover het in onze leer gaat, meer is dan een opgeplakte subjectieve interpretatie van onze geschiedenis, die je net zo goed zou kunnen overslaan.
Noem eens een voorbeeld zegt u. Welnu, wat ik mijn studenten probeer bij te brengen is, dat ze dan niet alleen naar hele uitzonderiijke dingen moeten kijken. Breng God weer terug in het gewone leven. Of breng ons gewone leven weer terug bij God. Dat konden we vroeger beter. We konden onze zorgjes en de uitreddingen in ons persoonlijk leven bij God brengen en we zeiden: kijk, daar is God in ons leven; Hij heeft ons gered uit de diepte. Prachtig, dat moeten we vooral blijven doen. Besef van leiding Gods in je leven is onopgeefbaar voor het christelijk geloof. Geloven stelt te weinig voor als je dat besef er niet op na wilt houden. Alleen, we moeten het veel meer verbreden, want dat kleine leventje van ons staat in samenhang met de levens van de andere mensen en met zo ontzettend veel andere dingen van onze samenleving, dat je die ook in de leiding van God moet betrekken en in de heilsverwachting die met die leiding gegeven wordt. Je bent pas blij als ze allemaal blij zijn.
Hier komt de kunstmest bij, waarvan ds. Vlaardingerbroek zei dat het vrucht van secularisatie was. Dat vind ik niet. Dat er kunstmest is gekomen, die gemaakt heeft dat de vruchtbaarheidsgoden eraan gingen, vind ik iets van God in onze wereld.
Daardoor kwamen niet alleen miljoenen mensen niet langer van de honger om, wat ze vroeger wel deden. (Dat was dus tot heil voor de mensen), maar daarmee is ook de aberratie van mensen om vruchtbaarheidsgoden te dienen, afgezworen. Ik weet even goed als iedereen dat kunstmest niet het definitieve heil is, helemaal niet, want de mensen kunnen ook, als ze eenmaal genoeg te eten hebben, weer in talloze andere idiote zonden vallen. Maar dat mensen niet meer van de honger omkomen, is een stukje heil.
Er is nog één ding dat ik wou zeggen en dan hou ik op. Dat betreft het werk van de Heilige Geest. Hoe zouden we daarover het beste kunnen spreken? Ik heb bedacht dat je het werk van de Heilige Geest in alles wat ik hiervoor uiteengezet heb, elkaar misschien duidelijker kon maken door te onderscheiden tussen de termen 'reden' en 'oorzaak'. De Heilige Geest opent ons hart.
Dat is de oorzaak waardoor ik luister naar het Evangelie. Het staat weliswaar niet zo in Handelingen, maar ik neem uw spraakgebruik maar even over. Er staat namelijk; 'De Heer opende haar hart', en het is niet voor niets dat juist Lucas zegt; 'de Heer opende haar hart'. Maar ik sluit me even bij het gangbare spraakgebruik aan dat zegt; de Geest opent ons hart en dat leg ik dan zo uit; de oorzaak dat ik ga luisteren, dat is de Heilige Geest. Maar dat gaat niet buiten mijn instemming om.
Daarom moet ik het woord reden telkens invoeren, omdat de Heilige Geest niet zo werkt, dat Hij buiten mijn instemming om mij ergens toe brengt. Omdat ik dat weet, moet ik mensen redenen voorhouden, die hen ervan overtuigen dat het geloof een zinnig geloof is en geen onzin. Dat lijkt mij in alle kortheid een oplossing voor het probleem wat sommigen van u wellicht hadden met de nadruk die ik op inzichtelijkheid en redenen heb gelegd. Waarom altijd die redenen? Omdat het toetreden tot het geloof, als het menselijk toegaat, niet zonder redenen gebeurt.
Samenvattend: van oorzaak spreken we, als we, in het afgetrokkene, letten op de orde van de Heilige Geest. Als we in de menselijke orde met elkaar praten — en dat is de orde die de Heilige Geest in zijn werking volgt — kunnen we niet anders dan redenen aan elkaar aanbieden en redenen noemen waarom vvij in Jezus geloven en niet b.v. in Buddha. Zouden daarvoor geen redenen zijn, dan zou het ene even • goed zijn als het andere en was geloven dus willekeur.


Voorzitter: Ik dacht dat het nu tijd was voor het evaluerend 'Intermezzo' van prof. Bakker.


Bakker: Vrienden, u hebt allemaal mijn papier ontvangen. U leest daar:

I. De spanning
1. Verschillende theologieën kenmerken zich door dezelfde interesse: hoe wordt het heil van God beleefd en verder gedragen?
2. In deze interesse ligt het verschil verscholen
a. gaat het werkelijk nog over God als ons heil?
b. bereikt het heil ook werkelijk onze wereld? Beide hebben hun eigen verlegenheden.
3. Dit verschil is niet het verschil tussen traditioneel en modern en de gevaren die beide oproepen zijn niet theoretisch.
4. In ons uithouden van deze spanning openbaart zich de werkelijkheid van ons geloof in de opgestane Heer.

II. Geloofsverantwoording
1. Christenen willen verantwoording doen van de hoop, die in hen is (1 Petr. 3:15).
2. Een eerste vorm daarvan is de zinnigheid van hun geloof mede-te-delen. Reeds dit berust op een fundamentele geloofsbeslissing.
3. Een tweede vorm van geloofsverantwoording, die vooral bestaat uit het aanreiken van de christelijke traditie: 'het verhaal aangaande Jezus'. In deze verantwoording bepaalt dit verhaal wat Hij is.
4. Willen we niet in volstrekte tweesporigheid vervallen, dan zullen de eerste en de tweede vorm van geloofsverantwoording steeds op elkaar betrokken moeten worden.
Dit betekent een uitdaging zowel voor de klassieke als voor de moderne theologie.

III. Gezag
1. Zowel de aard van het evangelie als de overmacht van de Geest bepalen het eigensoortig karakter van het gezag van de Heilige Schrift, zodat het dilemma: opgelegd of van onze aanvaarding afhankelijk, wordt doorbroken.
2. Overeenstemming blijkt over de uitspraak, dat ten diepste Jezus de canon (de maatstaf) is. Het woord canon betekent desalniettemin, dat dit gezag zijn neerslag gevonden heeft, ambtelijk (apostolisch) onder ons tegenwoordig is, in de Heilige Schriften.
3. Juist zo blijft het oorsprongsverhaal (Jezus, die zichzelf doorvertelt) in onze wereld.
Daar ligt ook de taak en de functie van de kerkgemeenschap en de belijdenis. Zonder zijn is er geen zeggen.
4. Daarin liggen vrijheid en noodzaak om, in nieuwe ervaringen met God, in zijn relatietot de wereld, actueel te belijden op het voetspoor van de reformatie.

IV. Koers
1. De Geref. Kerken hebben zich nooit als een verbijzondering of een specialiteit buiten de catholica verstaan.
2. Niemand wil leervrijheid, zonder dat deze afwijzing van leervrijheid dezelfde inhoud ontvangt.
3. Bepaalde wegen van leertucht zijn onbegaanbaar. In de constructie van de dialoog zonder dwang lijkt de waarheid — zij het tijdelijk — tussen haakjes te worden gezet.
In de constructie van de justitiële leertucht lijkt de echte strengheid van het evangelie verloren te gaan in de veelheid van institutionele factoren.
4. Vooralsnog lijkt de enig begaanbare weg die van de judiciële leertucht.
Het gewicht daarvan zou onderwerp van gesprek in de groepen kunnen zijn.

Tot zover wat u op mijn papier leest. Zowel de punten, die u voor u hebt als mijn nu volgende verhaal daaromheen dragen alle de trekken van wat jarenlang aan de V.U. en in Kampen het tweede gedeelte van het doctoraal examen placht te zijn: de spoedscriptie, die je binnen een week — lang voor mijn tijd zelfs binnen een dag — schrijven moest. Jarenlang hebben de studenten ons gehoond om het in stand houden van zoiets onwetenschappelijks en tenslotte is de spoedscriptie dan ook verdwenen. Maar zo tussen vier uur vanmiddag en nu had ik het gevoel, dat ik opnieuw onder het oude regiem teruggekeerd was; immers voor half acht moest mijn verhaal gemaakt zijn. Het zal dus fragmentarisch zijn en dat betekent ook, dat er een heleboel waardevolle dingen in de groepen gezegd zijn, waar ik niet op in zal gaan. Maar alsu iets wezenlijks mist in deze 'evaluatie' of in dit 'intermezzo', zoals ds. Mak het genoemd heeft, dan kunt u er immers nog later weer op terug komen. We zijn nog maar halvenwege de rit.
Ik heb in de korte tijd, die ik ter beschikking had vier punten er uit gelicht, waarvan ik meen, dat ze centraal staan: 1. de 'kloof'; 2. geloofsverantwoording; 3. het gezag van de Schrift en 4. iets over de te volgen koers.

1. Uit de diverse opmerkingen blijkt al wel, dat je er lang en breed over praten kunt (en moet) in hoeverre er onder ons sprake is van een echte kloof. Natuurlijk is er zoiets, anders zouden we het er niet zo druk over hebben. Maar we moeten ons het niet zo voorstellen, dat de één aan de ene kant en de ander aan de andere kant leeft en werkt. Onze persoonlijke belevingswereld ziet er denk ik juist zó uit, dat wij zowel in wat door prof. Ridderbos èls in dan wat prof. Kuitert naar voren gebracht heeft iets herkennen van; dat ben ik zelf.
Niet de één of de ander, maar de één en de ander. Als ik hen beiden hoor dan moet ik zeggen: 'Zwei Seelen wohnen ach in meiner Brust zusammen' en dat komt niet omdat ik met beide persoonlijk goed bevriend ben, maar vooral ook, omdat ik bij beiden iets beluister, dat ik ook als theoloog, maar ook in ons kerk-zijn niet kan missen. Wat men bedoelt met 'kloof' komt aan het licht binnen de gemeente, het manifesteert zich ook in de verschillende theologische ontwerpen, aan hun verschillende inzet, invalshoek en uitwerking.
Nu is het uiterst belangrijk, dat deze verschillende ontwerpen in eerster instantie verschillende aspecten vertegenwoordigen van wat ik in 1-1 genoemd heb een gemeenschappelijk, een zelfde interesse. Ik heb geprobeerd dat interesse van de 'klassieke' én de 'moderne' zo te formuleren; hoe wordt het heil van de Here God beleefd en verder gedragen in onze wereld. Dét is de inzet, dét het uitgangspunt, déérom gaat het, niet om iets anders, maar om het heil van God, de Vader van Jezus Christus, dat dat in onze wereld doorverteld, doorgesproken en vooral ook doorgeleefd zal worden. En dat is nog meer dan een gemeenschappelijk 'interesse'. Het ligt dieper; het gaat ook om een gemeenschappelijk motief en gemeenschappelijke zorg, dat het nl. werkelijk om dat heil zal gaan. Laten we beginnen met ons te verbazen en ook een beetje te verblijden, dat het bij mensen, die zo verschillend zijn, zo verschillend tegen de wereld aankijken, zulke verschillende vakken bedrijven als er in die theologie maar vakken zijn, dat die zo'n echt gemeenschappelijk motief en interesse hebben. Niet maar als een historische zaak, zo van daar zijn ze allemaal ergens een keer begonnen, maar als de hen drijvende kracht, die hen bezighoudt, die ons met elkaar bezig houdt in ons geloven en theologiseren binnen en buiten de gemeente.
Als het waar is wat ik nu gezegd heb — en ik meen, dat het waar is — dan moet je denk ik ook niet gaan zeggen: laten we nu van beide manieren van denken wat overnemen; laten we een optelsom maken van het ene verhaal én het andere, zodat ze elkaar aanvullen. Dat gaat te glad, te weinig spannend. We beginnen met te zeggen; het gaat in beide verhalen, hoe verschillend ook, om de ene zaak en de eenheid van de zaak, waarom het in de theologie en de gemeente te doen is en waarover het ook gaan móet, zal er morgen nog fatsoenlijk getheologiseerd worden.
Dat is dus de inzet; gemeenschappelijk motief en gemeenschappelijk interesse.
Goed, maar nu is het mogelijk om met behoud van deze zelfde formulering ook het verschil te tekenen, waar door de twee typen van theologiseren, die we vanavond erg grofweg met elkaar vergelijken, zich van elkaar onderscheiden.
a. Overal hoor je de bezorgde vraag rond en in de theologie; gaat het werkelijk nog over het heil van God? Gaat het werkelijk over Gód als ons heil en het heil der wereld? Dat is de zorg, dat in de tocht, die wij met het Woord van God en met onze woorden over de wereld maken precies wég zal vallen wat bewaard moest blijven; het gelaat, de Naam van God. Dat is de ene benadering en de ene kant van de onrust.
Want we hebben duidelijk te maken met tweeërlei verontrusting, als het over deze zaak gaat. Maar deze eerste dat is de onrust, of het nog werkelijk over de Here God gaat, over de Here Jezus en zijn werk, zijn weg en zijn Heer-zijn over ons? Of raakt dat alles uit het gezichtsveld?
b. De tweede formulering, van de andere kant uit is; Inderdaad, het gaat om en het moet gaan om het heil van God, dat verder gedragen wordt in onze wereld. Maar bereikt dat heil ook onze zich steeds verder van het evangelie en van de christelijke traditie verwijderende wereld? Het gaat over het komen van God tot de wereld. Maar komt Hij er ook aan? Gaat het werkelijk nog ergens over? Komt God werkelijk ter sprake in onze woorden en onze taal en onze wereld?
Nu denk ik, dat beide benaderingswijzen hun eigen veriegenheid, hun eigen problematiek hebben, die a.h.w. met de benadering gegeven zijn en die hier op de conferentie ook al telkens op allerlei manier ter sprake gekomen zijn.
Ik denk aan de verlegenheid van de 'klassieke' theologie, het verhaal van hem, van haar die almaar vraagt — en terecht! - gaat het werkelijk nog over God en zijn heil? Men kan daar zo van bezeten zijn, dat het heil zelf helemaal vreemd, onaards gaat worden. Ik weet, dat het heil niet aan ons ontsproten is en ook niet zonder meer aan onze gedachten en ontwerpen beantwoordt. Ik kom daar op terug. Maar het kan ook zo vreemd aankomen, dat het helemaal niet meer aankomt.
Ik merk dat bij mijzelf. Ik ben niet alleen grootgebracht bij de theologie van Barth, ik denk ook, dat ik daar voor een groot deel bij gebleven ben, daarin duidelijk verschillend van mijn vriend en collega Harry Kuitert. Maar nu merk ik bij m'n studenten, dat ze zeggen: Ja, dat zijn geweldig mooie verhalen, die u daar houdt, maar ze komen toch wel érg van boven naar beneden en waar het adres is, waar ze nu moeten landen, dat is voor ons een echt probleem.
Nu, dat is voor mij nog geen reden om te zeggen: nu neem ik van die hele methoden, deze weg afscheid, maar het is wel een echte verlegenheid, die je blijft vergezellen en die je ook moet blijven bezighouden. Ik kan niet zeggen; ja, jongens, dat is ongeloof, geen gezeur, slik het maar.
En van de andere kant is er een even wezenlijke verlegenheid en die is even weinig toevallig als de mijne. De wezenlijke verlegenheid, die de 'moderne' theologie permanent begeleiden moet en onrustig moet houden is: wordt het verhaal van de Heer nu ook zo ingepast in en aangepast aan mijn werkelijkheidsbeleving, dat het niet meer de trekken draagt van de ontmoeting met déze God. Zo, dat het beeld van de God en Vader van Jezus Christus langzaam gaat vervagen of verminkt wordt. Dan mag het misschien allemaal nog begrijpelijk zijn, maar wat er dan aankomt is dat dan nog het verhaal, waarmee we zijn uitgetrokken, het verhaal, dat zoals Kuitert ook zegt ons aangereikt is door en vanuit de traditie. Nog eens, deze beide verlegenheden zijn wézenlijk voor de verschillende ontwerpen van theologiseren en ieder is verplicht zich bezig te houden met wat zijn eigen zwakste kant is.
Dus niet voortdurend wijzen op de manco's van de ander, maar zich voortdurend rekenschap geven van de vragen, die vanuit zijn eigen wijze van bezig zijn in de theologie op hem afkomen. Dat is dan de theologische verwoording van het 'de ander uitnemender achten dan jezelf'.
Ik heb één en andermaal gesproken over 'klassieke'en'moderne'theologie. Dat zijn : onnauwkeurige en zelfs eigenlijk onjuiste typeringen.
Toch gebruik je ze telkens weer en dat komt, omdat de theologie altijd in een golfof een pendelbeweging verkeert. Eén van de eerste dingen, die we indertijd van prof. Berkouwer leerden was, dat er in de theologie altijd zoiets als een pendelbeweging zit. Prof. Ridderbos heeft dat gister geïllustreerd aan de vragen rond de 'historische Jezus' en ook in wat collega Kuitert zei over de sociologische kanten van het probleem van de kloof zit iets dergelijks. Het lijkt ook wel iets onvermijdelijks te zijn. We zitten momenteel in wat men noemt het 'post-Barthiaanse tijdvak'. Ik zeg dat niet om even interessant te doen, want de theologen onder ons weten dat allemaal.
Ik zeg het omdat je daaraan kunt de- i m.onstreren, dat zo'n golfbeweging niet maar per ongeluk ontstaat. Toen Barth begon ontdekte hij, dat de liberale theologie en wat er verder aan orthodox mengelwerk aanwezig was volstrekt onvoldoende was om de eigenlijke taak van de theologie te vervullen. Het was onvoldoende om werkelijk het Woord van God en zijn heil verder te dragen naar de toekomst. En de hele ommezwaai ontstond in de theologie toen men dat ontdekte: Het woord 'God' is nog iets anders dan wat wij met elkaar aan religie kunnen opbrengen. Dat moest toen gezegd worden. En zo gezegd worden.
En dan, op een bepaald moment, dan komt er een reactie op, het is alsof het in de lucht zit. Dan zeggen theologen van allerlei kant: ja, maar zo gaat het niet. Inderdaad, het ging om het woord van God voor en in de wereld. Maar als wij in zekere zin datzelfde program nog willen voortzetten, dan zullen we er toch nog weer op een heel andere manier mee bezig moeten zijn. Zoiets 'gebeurt'. Daarom gaat het ook helemaal niet buiten de gemeente om, zoals men nog wel vaak denkt. Integendeel: dit soort bewegingen, golven zijn de weerspiegelingen van de verlegenheid, waarin de gemeente zélf zich bevindt.
En nu het laatste over de kloof, dat ik momenteel te zeggen heb. En naar ik meen het meest wezenlijke. We lopen onherroepelijk tegen de vraag op; is er nu niets anders dan alleen die pendelbeweging, die golf of zelfs die kloof? Gaat daar nu niets bovenuit? Ook boven het afbreken van het gesprek, dat immers de meest gruwelijke vorm is van de kloof?
Daar zou ik dit van willen zeggen (1-4): In het uithouden van de spanning die hier bestaat zal zich manifesteren, of wij werkelijk geloven aan de opstanding van Jezus uit de doden. Dat zit mij erg hoog, wat ik nu zeg; het is misschien het meest wezenlijke. Want als wij Christus als de opgestane in ons midden belijden, zeggen wij daarmee, dat Hij de levende Heer is, dat Hij zelf in zijn Geest in deze wereld tegenwoordig is en zo ons draagt, dat hij het onderwerp is van de zin, die kerkgeschiedenis heet en die wij met elkaar neerschrijven.
In dit geloof, dat Hij niet 'verleden' is zodat wij hem naar de toekomst moeten transporteren naar morgen, dat Hij niet een verhaal is, waarvan we moeten vrezen dat het onder onze handen verkruimelt, maar dat Hij leeft, dat is de diepste betekenis van zijn opstanding uit de doden. Dan is nl. zijn Geest niet de optelsom van onze geesten, maar dan is het onder ons allen zijn werkdadige en krachtdadige tegenwoordigheid in ons midden, die de dienst uitmaakt. En dat is een kritisch woord; de dienst uitmaken. Deze opmerking is niet het einde of de toedekking van de conflicten, het kan best zijn, dat ze eerst dan goed gaan losbranden. Maar dan is het een conflict onder de horizon en de ruimte van déze belofte: Ik ben met u. Dat over de 'kloof'.

Het tweede; Geloofsverantwoording. Christenen willen, naar I Petrus 3:15 'verantwoording' doen van de hoop, die hen bezielt. Aan deze vraag naar de verantwoording zit geweldigveelvastvanwatdeze dagen over de tafel gekomen is. Het hangt samen met de 'kriterium-vraag'. En met de gezagsvraag, die straks nog ter sprake komt. En met de vraag, wat wij onder 'heil' verstaan. En met het wervende én kritische karakter, dat het Woord in ons leven heeft.
Nu moet ik proberen er een beetje helderheid in te scheppen. Voorzover ik dat op het moment zo snel kan doen denk ik dat er twee momenten aan zitten, (zie 11-2 en 11-3), die ook nog weer nauw met elkaar te maken hebben (II-4).
Misschien kun je het zo zeggen: wat prof. Kuitert (ik noem hem met zijn goedvinden maar als voorbeeld voor vele anderen) doet, dat is in eerster instantie geloofsverantwoording in die zin, zoals je op vliegvelden signalen en seinen hebt, waarlangs men de binnenkomende vliegtuigen 'binnenpraat' zodat ze veilig kunnen landen. Als ik nu dat woord 'binnenpraat' even mag vasthouden dan denk ik: als ik mensen zo het geloof wil 'binnenpraten' — wat iets volstrekt anders is dan 'aanpraten! - dan moet er van dat geloof toch wat te horen zijn, er moet wat aan te beleven zijn, er moet wat aan te ervaren zijn. Er moet — vooral - ook nog wat te zien zijn. Anders gezegd; christelijk heil is menselijk heil en is universeel heil om het met zijn eigen woorden te zeggen. Ik denk, dat dit wegloopt uit het Evangelie zélf, er onmiddellijk mee te maken heeft. Zelf gebruik ik in mijn punten een nog simpeler woord; de zinnigheid van het geloof. Is het zinnig je daardoor op sleeptouw te laten nemen? Nu, ik denk dat dit diep evangelisch is en dan denk ik maar niet aan een rénd van het evangelie, maar aan de hoofdwoorden, die je eigenlijk allemaal met hoofdletters zou moeten schrijven; als Jezus zegt: ik ben het Brood, of: de Weg, of: het Licht of het Leven. Of misschien moet je ze juist niet met hoofdletters schrijven, om te laten zien hoe dichtbij zoiets is. Dat zijn stuk voor stuk de meest menselijke en de meest gewone en de meest diepe woorden. Volstrekt dichtbij en volstrekt onmisbaar. Zoals de lucht, die we inademen en zonder stikken we. Zo geldt: zonder die woorden bestaan we eenvoudig niet. Anders gezegd: zullen dat nu niet allemaal geweldige balonnen zijn, die boven het bestaan zweven dan is in zulke woorden inderdaad iets 'zinnigs' aangeduid en gezegd, waardoor je je kunt laten meeslepen, omdat het zo evident is. Zo evident als wat Jezus zei: er is toch geen vader onder jullie die z'n kind in plaats van brood een stéén geeft? Met andere woorden: als Jezus van zichzelf zegt, en als er van hem gezegd wordt dat hij het brood is, dan kunnen we er voor élle mensen zeker van zijn, dat hij ook brood is voor de mensen en geen steen.
Nu is geloofsverantwoording in de eerste plaats; iets van deze zinnigheid boven water krijgen. Wij hebben zo langzamerhand geleerd, dat je als je een omschrijving, een bepaling wilt geven van wat mens-zijn is, dat je dan de naam van God daarbij niet buiten spel kunt laten. Je kunt niet zeggen; de mens is een redelijkzedelijk wezen en als het meevalt heeft hij óók nog geloof. Nee, als je wilt omschrijven wat echt mens-zijn is, dan hoort God in die omschrijving, in dat verhaal van wat mens-zijn is thuis. Welnu, als dat meer is dan een theologen-constructie, dan moet God een woord in onze taal zijn en ook altijd weer taal wórden. Waarom zou hij geen 'taal' en 'woord' kunnen worden, als hij waarachtig zelfs 'vlees' in ons midden geworden is! Ik zou dat zelfs een fundam. entele geloofsovertuiging willen noemen.
Het is veel meer dan alleen maar een soort rationeel 'binnenpraten' vanuit alleriei noties over heil geluk en menselijkheid die we overal tegenkomen. Ik ga immers met mijn verhaal over de 'zinnigheid' van het verhaal van Jezus juist de wereld binnen, omdat ik gelóóf, dat het zinnig is en meen dat ook duidelijk te kunnen maken. Ik geloof, dat het een verhaal is voor nu en morgen, voor mensen hier en daar, kortom, met Kuitert; universeel heil.
Nou zou ik in dit verband aan Kuitert willen vragen, of hij er bezwaar tegen heeft, als ik zijn stelling IV-6 op de volgende manier lees: 'Openbaring' gehanteerd als etiket is niet een kriterium, dat over waar en onwaar van godskennis beslist. Integendeel, er is een maatstaf, er zijn 'redenen' nodig, aan de hand waarvan je kunt uitmaken of iets openbaring is (van God komt) of geen openbaring is (niet van God komt).'
Natuurlijk doe ik dat niet voor de aardigheid. Ik weet, dat bv. prof. Ridderbos het hardste tegen stellingen als deze oploopt, omdat die zo gelezen wordt: enkel via een kriterium dat van buiten aan de openbaring opgelegd wordt kunje en moetje meten of iets werkelijk openbaring is.
Tegelijk is de bedoeling van Kuitert duidelijk; als we van alles en nog maar kunnen zeggen, dat het 'openbaring' is — en dat gebeurt in en buiten het christendom — dan is met de aanduiding 'openbaring' op zichzelf nog niets beslist: als alles openbaring kan heten dan is er niets meer inhoudelijk mee gezegd. Daarom; er zijn 'redenen' (Kuitert) er zijn maatstaven, aan de hand waarvan je duidelijk kunt maken, inzichtelijk kunt maken, waarom je van een bepaalde traditie, een bepaalde geloofsvoorstelling zegt; dat komt van God. Om die inzichtelijkheid, om die 'zinnigheid' gaat het in de eerste vorm van geloofsverantwoording.
Nu staat er niet voor niets aan het slot van 11-2 'Reeds deze vorm berust op een fundamentele geloofsbeslissing'. Daarmee probeer ik te honoreren het bezwaar, dat van allerlei kant tegen het moderne hanteren van de kriterium-vraag wordt ingebracht. Vaak gaat het immers zo; eerst wordt er een kriterium opgesteld (dat kan allerlei vormen aannemen: opent het toekomst, ontsluit het menselijkheid, is het menselijk voorstelbaar etc). Daarna wordt bekeken, wat met dat kriterium niet te verenigen is in het christelijk geloof en vervolgens wordt dat geëlimineerd of wegverklaard, omdat wij ons daar niets meer bij kunnen denken in onze tijd. Ik meen, dat het zó niet kan. Dan gaat inderdaad een 'kriterium van buitenaf' over het geloof heersen. Anders uitgedrukt: dan zou de toekomst bepalen wie Jezus is in plaats dat Jezus bepaalt wat de toekomst is en inhoudt. En ik houd het op het laatste omdat ik inderdaad meen, dat wij van Hem ook nog een keer moeten leren wat wérkelijk 'toekomst' inhoudt. En dat wij in het geloof zeker weten, dat hij niet enkel toekomst opent, maar ook toekomst bepaalt.
2b. Ik kom nu tot de tweede vorm van geloofsverantwoording (11-3). Ik heb daarbij gebruik gemaakt van de woorden van prof. Kuitert van vanmiddag, dat het in de christelijke traditie gaat om 'het verhaal aangaande Jezus' (Luk. 24:19). Dat wordt verder verteld, daar wordt verantwoording van gedaan. Dat is natuurlijk een andersoortig kriterium voor de geloofsverantwoording dan in woorden als 'aantoonbaarheid' of 'algemene aanvaardbaarheid' ligt opgesloten. Wie de naam van Jezus noemt — en zó de naam van God noemt — die heeft het niet over 'iedereen', maar over een concrete naam uit een concreet verhaal met concrete trekken. Je kunt er, zoals Schillebeeckx gezegd heeft inderdaad niet alle kanten mee uit, niet alles van maken. En deze concreetheid bepaalt nu ook de geloofsverantwoording. Je kunt het nog anders zeggen: het verhaal van Jezus cirkelt rond zeer bepéélde verhalen; bv. die van zijn kruis en opstanding. Dat is het kernverhaal, dat van meetaf aan geïnterpreteerd, uitgelegd, verkondigd is vanuit het geloof, dat in dat verhaal heil voor de gemeente en de wereld besloten lag.
Dat neemt een mens natuurlijk niet zomaar. Het gaat dwars tegen mijn menselijk zelfbesef in. Ik weet niet hoeveel de menselijke rede en wil op kan brengen als ik met God 'aan de praat kom', maar ik weet wel, dat mijn hele zelfbesef zich ertegen verzet om mij zo exclusief aan één verhaal en één naam toe te vertrouwen. Zeker, als er in dat verhaal dan ook nog verteld wordt, dat er allerlei beslissingen voor mij en voor mij uit gevallen zijn, voor ik er zelfs maar aan te pas kwam. Dat gaat dwars tegen mijn zelfbesef in, zoals Paulus dan ook duidelijk stelt als hij dit verhaal voor joden een aanstoot en voor grieken een dwaasheid noemt. Anders gezegd: in de geloofsverantwoording bepaalt het verhaal, dit verhaal wat heil is en waar heil is. Het verhaal tekent de omtrekken van de mens, zoals God wil dat hij er uit zal zien. Zoals het ook tekent wie die God is, zoals die voor ons mensen er wil zijn. En zo wordt zowel in zijn falen en ellende, als in zijn verlostworden als in de weg van de navolging gelijkvormig gemaakt, gemodelleerd naar en a.h.w. na-getekend naar het beeld van zijn Heer, de Here Jezus.
Daarom komen zowel God als de mens beiden ter sprake in 'het verhaal van Jezus'; vanuit dat verhaal weet ik waaraan ik toe ben met God en weet ik waaraan ik toe ben met de mens. Straks zei ik; in Jezus is God een woord in onze taal geworden. Nu zeg ik daarbij: Jezus is een woord in mijn bestaan geworden: in het verhaal van kruis en opstanding wordt nu voortaan verteld niet enkel wie God is maar ook wie ik ben.
En daar stuiten we nu op een geweldig probleem. Aan de ene kant is het mijn diepe overtuiging, dat dit verhaal, deze naam hét kriterium is, waaraan niet enkel het geloof, maar ook de theologie onderworpen zijn. En tegelijk weet ik en merk ik dagelijks, dat dit kriterium, deze maatstaf niet te controleren is aan de wereld zoals ik die om me heen (en niet minder in me) aantref.
Terecht zei Kuitert, dat 'ons nog niet geopenbaard is wat wij zijn zullen' (Johannes), maar dat betekent tegelijk, dat het Woord overhoop ligt met de werkelijkheid. Het verhaal is er wel zeker vóór deze wereld en werkelijkheid, maar verhaal en wereld, verhaal en werkelijkheid zullen niet eerder op elkaar 'kloppen' voordat God alles in allen is. Het verhaal is nog niet uitverteld, het laatste woord van de profetie is nog niet 'uitgekomen' en juist daarom kunnen we niet anders dan ons houden aan Hem, in wie het verhaal nog wel niet uit-verteld is, maar in Wie ons wel de Vader 'uit-gelegd' is: De eniggeboren Zoon heeft ons de Vader 'uit-gelegd' zoals Johannes zegt. (Joh. 1:18) Daarom is Jezus de maatstaf voor het verhaal. En zolang verhaal en werkelijkheid elkaar nog niet dekken zal het onmogelijk zijn om de maatstaven voor het verhaal op te delven uit de werkelijkheid. Ze deugt daar (nog!) niet voor.
Nu denk ik, dat we voor wat dit punt betreft toe zijn aan een aantal conclusies.
We hebben eerst gezegd, dat geloofsverantwoording nodig en mogelijk is, omdat het verhaal waarmee de kerk door de wereld trekt 'zinnig' is, verstaanbaar is mede-deelbaar is, omdat het voor alle mensen is. En toen hebben we gezien, dat de vraag wie dan die mens is en wat dan 'zinnig' is voor hem en voor de wereld net niet uit die mens en wereld zelf valt af te leiden; dat ik daarvoor toch weer terugkeren moet tot wat mij in Jezus over de mens en de wereld gezegd is.
Maar nu ligt er in de derde plaats alles aan, dat het eerste niet tegen het tweede uitgespeeld wordt of omgekeerd. Het 'menselijke' van dit verhaal en het 'niet uit de mens opgekomen' van dit verhaal sluit elkaar niet uit, staat niet tegenover elkaar. In die zin ben ik het geloof ik toch echt met Kuitert eens, dat we niet moeten zeggen, dat geloven zoiets is als 'blindelings springen'. Ik geloof wel, dat het iets van een sprong is en blijft, maar je springt met een goed geweten. Je wéét aan wie je je toevertrouwt en dat dat écht zin heeft.
Dan heb ik wat dit punt betreft twee vragen, één aan de 'moderne' en één aan de 'klassieke' theologie.

Als het waar is, wat ik geprobeerd heb duidelijk te maken, dat we uit de Naam, het verhaal moeten leren spellen wat heil en echt mens-zijn is, of dan dat inhoudelijke juist omdat het om deze naam gaat, van meetaf niet veel sterker ook methodisch veel sterker mee zou moeten spelen vanaf het begin. Als Jezus inderdaad zo menselijk is als hij terecht door Kuitert getekend wordt, dan kan hij er ook tegen om zich te laten ondervragen op de heilzaamheid van zijn persoon en werk. En dan zou Hij ook met zijn naam en verhaal naar mijn besef van meetaf in de geloofsverantwoording ter sprake moeten kunnen komen. En ik denk, dat dit inhoudelijk voor ons theologiseren nog wel het een en ander zou betekenen. Juist omdat Kuitert zelf zegt, er ook nu weer op gehamerd heeft, dat iets niet pas waar is, wanneer en omdat ik inzie dat het waar is. Nee; de waarheid gaat aan mijn bestaan en mijn denken vooraf. Nu, dan zou ik zeggen, dat als dét zo is — en ik vind dat een fundamentele gemeenschappelijkheid onder ons — dan zou dat m.i. ook methodisch veel eerder in het spel moeten komen.
Nu een vraag naar de andere kant. Naar mijn besef minstens even scherp. Dat is de vraag, of de klassieke traditie, die tracht de grote woorden van het Evangelie hoog te houden, die woorden niet veel sterker zou moeten doorlichten op hun werkelijke menselijke heilzaamheid.
Zostraks heb ik de grote woorden uit het evangelie naar Johannes genoemd. Jezus als Brood en als Licht en als Leven. Als dat meer zal zijn dan goedkope stichtelijkheid, dan moet het op de één of andere manier ook waar zijn en worden in onze barre en boze wereld. Hij wérkelijk als licht.

Nu dan zeg ik met talloze huidige theologen, dat dat licht dan in onze wereld moet stralen voor mensen van deze tijd en in woorden van onze taal. Echt bevrijdend.
Echt de zaken veranderend. Echt toekomst openend. Dan vallen er beslissingen en dan gebeurt er wat. Dan kunnen bepaalde dingen ook niet meer. Ik noem nog maar eens weer het door mij al vaker vertelde verhaal van Guttierez, die een arme dorpskoster laat vragen: het éne avondmaalsbrood, het éne lichaam van de Heer in de mond en het hart zowel van de onderdrukkende landeigenaar als van de verschoppelingen van slaven: dat kèn toch niet, dat is toch onbestaanbaar? Dat is de onverbiddelijke vraag, waarvoor we terecht komen als we de grote woorden uit de christelijke traditie in de mond nemen. En dat is niet alleen maar een kwestie van 'toepassing' of in het huidige jargon van 'orthopraxis'. Dat is het ook, maar het is veel fundamenteler; de uitdaging, dat de grote woorden van de traditie werkelijk woorden in onze taal en woorden van brood' zullen worden, van die uitdaging hebben wij nog nauwelijks de draagwijdte begrepen.
We krijgen nu punt 3 over het gezag.
Zowel van dit als van het volgende punt geldt, dat ik hier alleen maar een paar aandachtspunten aandraag voor de discussie.
Het zijn wat aantekeningen en uitroeptekens, vooral denk ik ook vraagtekens.
Stelling III-1 probeert te laten zien, hoe wel wel en niet over 'gezag' kunnen spreken. 'Zowel de aard van het evangelie als de overmacht van de Geest bepalen het eigensoortig karakter van het gezag, dat de Schrift draagt. Zo wordt het dilemma tussen 'opgelegd gezag' of 'van onze aanvaarding afhankelijk gezag' doorbroken. Ik vind dat een onjuist en een gevaarlijk dilemma. Ik zeg er van: van dét soort dilemma's moet juist de goede theologie ons bevrijden. Ik begrijp — denk ik — wel, waar het bijna allergische spreken van collega Kuitert over dwang, autoritair, opgelegd gezag etc. vandaan komt.
Hij zit hier vandaag niet voor het eerst op een synode. En toch moeten we er boven uit zien te komen, dat 'gezag' ahw. automatisch gelijk zou staan met 'autoritair' en 'opgelegd', of dat het enige alternatief van 'opgelegd gezag' dan zou zijn: gezag, dat volstrekt afhankelijk is van de aanvaarding ervan door mij.
Op zichzelf hoeft het woord 'gezag' natuurlijk niet zo belast te zijn. Het is in eerster instantie: 'zeggenschap'; dat wat mij werkelijk iets te zeggen heeft. En in het verband met onze vragen; de manier, waarop de Geest de zeggenschap krijgt en heeft in mijn leven. Nu, dat gebeurt niet op de manier van een dommekracht. God komt om zo te zeggen 'met redenen omkleed' al doorbreekt Hij juist zo ook mijn tot dusver geldend rede-patroon. Maar in de beide woorden 'aard van het Evangelie' en 'overmacht van de Geest' heb ik getracht iets neer te leggen van de stijl van het evangelie. Want die stijl is bepalend én voor de aard van het Schriftgezag én voor de manier, waarop wij met elkaar omgaan én voor wat dan straks onder 4 nog over de koers gezegd zal worden. Evangelisch gezag is niet alleen het gezag van het evangelie, maar ook gezag, zoals Jezus het heeft uitgeoefend en zoals Hij zou willen, dat het in ons midden wordt uitgeoefend. Het evangelie brengt ook in dit opzicht zichzelf mee, het brengt zijn eigen stijl mee en die stijl verdraagt zich niet met alles. Ook niet met een aantal procedures, zoals wij die in onze kerken gekend hebben en kennen.
Dat is de eigenlijke bedoeling van stelling III-1. En wat daar dan uit wegloopt aan consequenties, dat moet u in de groepen nog maar eens overwegen. Ik denk wel, dat het uiterst wezenlijk is.
Dan III-2. Zowel collega Ridderbos als Kuitert hebben uitgesproken, dat ten diepste Jezus kanoon - maatstaf is. Dat is niet niets!
Toch isdat niet het hele verhaal. Immers; het woord 'canon' of 'kanoon' is altijd in gebruik geweest in de leer van de H. Schrift.
Daarvan hebben we altijd gezegd; dat is kanoniek. Dat betekent dus, dat (III-2) het gezag van Jezus, Jezus als de maatstaf, ahw. zijn neerslag gevonden heeft en ambtelijk (apostolisch) onder ons tegenwoordig is in de H. Schriften. Hiermee zeg ik dus inhoudelijk niets anders dan het beroemde woord van Calvijn, dat Christus tot ons komt in het gewaad van de H. Schrift. Calvijn kan trouwens ook zeggen: bekleed met zijn beloften. Door zo te komen geeft Jezus zijn gezag niet uit handen. Het blijft, ook als Schrift, het gezag van het Evangelie, het blijft dragen het stempel van Jezus.
En juist zo (III-3) doordat de Schrift niet van Jezus en Jezus niet van de Schrift losgemaakt kan worden, is de bijbel maar niet alleen een verhaal óver God en óver Jezus, maar is de bijbel blijvend 'oorsprongsverhaal' of anders, erg kort geformuleerd; Jezus, die zichzelf doorvertelt in onze wereld. Ik vind dat eigenlijk een erg mooie uitdrukking voor wat we met 'Heilige Schrift' en met 'Bijbel' in wezen bedoelen. Waarom zijn we altijd maar weer met die bijbel bezig? Waarom zitten we daar altijd maar weer aan te sleutelen?
Dat is omdat de bijbel in al zijn oudheid en eerbiedwaardigheid en gezag niet anders is, dan dat het oorsprongsverhaal, waaraan geloof en gemeente en theologie ontspringen zelf in ons midden levend en wel aanwezig is, zodat het verhaal doorgaat tot op vandaag en morgen.
En daar komt nu ook de plek en de taak van de gemeente en van de kerkgemeenschap en de belijdenis aan de orde. Omdat de Schrift blijft spreken, omdat dat doorgaat in ons midden is er een gemeente, die zich rond dat verhaal verzamelt, maar die dan ook de trekken van dat verhaal dient te dragen.
Zonder dét zijn is er geen gezag. D.w.z. zonder dat zijn, zoals de gemeente van Jezus en zoals Jezus dat gewild heeft verdampt alle werkelijke zeggenschap. En alle werkelijke zeggenschap betekent, dat de gemeente opnieuw het verhaal ter hand neemt en daar hebben we de actualisatie, die zich in de belijdenis verwoordt. U vraagt, wat betekent dat kryptische zinnetje; 'zonder zijn is er geen zeggen'? Dat' betekent eigenlijk heel eenvoudig, dat onze woorden zoveel waard zijn als er een gemeente is, die die woorden met haar leven, haar werken, haar daden omringt en bezegelt en zo doorgeeft. Daarom staat en valt het verhaal in zijn belofte-karakter ook daarmee, dat er een gemeente is, die rond dat woord verzameld wordt en in dat woord de beloften en geboden van haar Heer opvangt en daarbij het Avondmaal viert en daarom in eenheid met de broederschap leeft en zich uitstrekt naar de wereld. En dan moet je de zin nog een keer omkeren; zonder doorgaand verhaal zou er geen gemeente zijn: zonder zeggen geen zijn. Zoals Luther zei: de gemeente is uit het Woord geboren. Inderdaad: zonder dat zeggen zou er helemaal geen gemeente zijn.
III-4. 'Daarin liggen vrijheid en noodzaak om in nieuwe ervaringen met God in j zijn relatie tot de wereld actueel te belijden op het voetspoor van de Reformatie. Daarover kort het volgende; De vrijheid, die de Reformatie gekregen heeft en genomen heeft - want mensen krijgen niet anders van de Heer dan doordat ze het ook nemen - deze vrijheid was ten diepste een verlof om nieuwe ervaringen met de Here op te doen, in hun tijd en hun wereld. In een echte verbazing, dat het zo kon en dat dit er allemaal uit kwam zetten. Ze schreven de ene confessie na de andere, omdat het inderdaad zo nieuw en verrassend was, dat ze het telkens anders weer door moesten geven. En nu hebben dezelfde Reformatoren zich telkens beroepen op het 'alleen door de Schrift'. Maar daar zit dan naar mijn besef precies één van de allerwezenlijkste dingen achter, dat ze nl. juist in hun omgang met de Schrift ontdekten hoe groot hun vrijheid was. Dat ze ineens op een heel nieuwe manier met het oorsprongsverhaal in aanraking kwamen. Dat het zo kon! Dat je hele reeksen tradities af kon breken en op een heel andere manier nog eens weer beginnen! Omdat de Schrift geen dood woord was opgebaard in de schrijn van de kerk. Omdat Jezus niet meer in het graf lag. Omdat de Geest wés uitgestort. 'De steen is van het graf gewenteld, wat kan nu nog in het duister zijn?' zei Luther. Dat is; vrijheid om nieuwe ervaringen op te doen. Daarom is het zo rampzalig, en het wordt er niet minder van, al hebben we het al duizend keer gezegd, dét er zo weinig nieuwe vormen en verwoordingen van ervaring zijn. De mensen om ons heen die bersten van de religie. Dat is ook zo: ze barsten van behoefte om met God nieuwe ervaringen op te doen. Waar en hoe vinden wij dat bevrijdingsmoment, dat er toen wel was? Het moment, waarin de gemeenschap rond de tafel zich manifesteert in dat nieuwe zeggen en dat nieuwe zijn?
Omdat het zo ligt, zal de kerk door de eeuwen heen met minder dan de Christus, de hele Christus van heel de Schrift niet toekunnen.
We slepen de bijbel niet mee, omdat dat nu eenmaal aan het geloof in Jezus vastzit.
Jammer, maar het is zo, willen we gereformeerd blijven. Nee, dat deugt niet. Het gaat er juist daarom, dat al die verschillendestemmen, van Paulus, van Jacobus, het verhaal van het Koninkrijk en het verhaal van Colossenzen met ons meetrekken om de vrijheid los te slaan, die wij tegenwoordig nodig hebben om nieuwe woorden te vinden. En dáárom moeten we elkaar niet altijd door benauwd voor de voeten lopen. Dit orkest heeft altijd meer dan één stem, één aprtij gehad.

IV. Tenslotte, heel in het kort, want anders word ik terecht weggehamerd een aantal noties over de koers. Dat zijn meer korte noties, waarover u in de groepen maar door moet gaan, dan zien we elkaar morgen daarover wel weer.
IV-1. Dat mikt op de wijdheid en tegelijk op de ernst, waarmee we onze kerkelijke beslissingen behoren te nemen. Als wij niet een gereformeerde 'specialiteit' zijn, dan moeten we in ons belijden en theologiseren mikken op de volheid van de katholiciteit. Prof. Polman heeft zijn geschrift over de hermeneutiek gepubliceerd onder de titel: 'gereformeerd-katholiek'. Dat betekent; binnen het gereformeerde mik ik op het katholieke, op heel de kerk. En als wij zeggen; wij stellen prijs op het gereformeerde karakter van onze kerken dan betekent dat naar mijn besef toch, dat wij niet een bijzonderheid persé overeind willen houden, maar met en in onze afkomst en ons daardoor gevormde karakter en dus in de daardoor gevormde bijzonderheid toch juist het | volle evangelie willen doorgeven naar mor- ' gen. Dat zal dan ook moeten blijken in de manier, waarop wij koers bepalen en tucht uitoefenen.
IV-2. Niemand wil 'leervrijheid', ik dacht dat dit ook hier duidelijk gebleken was, maar even duidelijk bleek, dat deze uitspraak niet alom dezelfde inhoud krijgt.
Prof. Kuitert heeft gezegd: er zijn grenzen. Bv. bruinhemden onder de naam van 'strijders voor Christus'. En 1 Cor. 13 als allerbelangrijkste maatstaf. Verbod om iets onmenselij ks voor christelijk te laten doorgaan.
Ik zet daar dan zelf direct naast — wezenlijk gaat het over hetzelfde — dat de 'Jezus-traditie' zoals ze door Kuitert genoemd is, evenmin ooit tot 'vrije kwestie' in de kerk verklaard kan worden.
Ik heb in mijn verhaal geprobeerd om iets van de trekken van die traditie te tekenen. Ik meen, dat ook hier de vrijheid een duidelijke grens heeft en dat 'leer' niet apriori een vies woord is. Het kan toch niet enkel over 't ethos gaan. Het zit hem ook duidelijk in wat de kerk altijd onder 'leer' verstaan heeft.
IV-3. Bepaalde wegen van leertucht zijn onbegaanbaar gebleken. Nu heeft prof. Kuitert hier gepleit voor de 'dialoog zonder dwang', als de enige manier waarop de waarheid boven water kan komen en ook naar haar aard beschermd kan worden. Het lijkt mij toe, dat in die constructie van 'dialoog zonder dwang' zoals ze hier getekend is, dewaarheid a.h.w. tijdelijk tussen haakjes gezet wordt. Ik ben het dus momenteel met die stemmen uit de groepen eens, die zeggen; een dialoog zonder eind verliest de waardigheid van de kerkelijke dialoog, daar kan geen enkele beslissing meer ingebouwd worden; dat betekent in feite complete vrijblijvendheid. Het punt, waarom het me hier gaat is werkelijk niet het bij voorbaat inbouwen van een termijn. Je zou er bij wijze van spreken honderd jaar over mogen doen.
Maar in het 'zonder dwang' is mij teveel weggenomen de verplichting om er ook weer uit te komen. Bovendien, als de waarheid zeggensmacht heeft, zoals we altijd erkend hebben, dan moet het ook mogelijk zijn om met elkaar vormen te vinden, waarin de zeggingsmacht uitdrukbaar is, een bedding vindt, geïnstitutionaliseerd kan worden. En ik zou ook niet weten, waarom het dwang zou moeten heten, wanneer mensen, die zich aan de waarheid gewonnen gegeven hebben daaraan ook gehouden worden. Daarom geen 'dialoogzonder- dwang' in de aangegeven betekenis van het woord, omdat je er naar mijn besef ook weer uit moet komen. En dat is niet enkel een kwestie van orde, maar daarin komt ook uit, dat de waarheid niet als een consumptie-artikel op de vrije markt te koop ligt. Ik zeg niet, dat collega Kuitert dat gezegd heeft, al heeft hij 't helemaal niet gezegd; wat ik momenteel doe is mijn zorg verwoorden over wat 'dialoogzonder- dwang' zou kunnen inhouden.
IV-3-b. In de constructie van de justitiële leertucht lijkt de echte strengheid van het evangelie verloren te gaan in de veelheid van institutionele factoren. Ik ga niet herhalen wat prof. Kuitert over de onmogelijkheid van deze weg momenteel gezegd heeft. Laat ik zelf zeggen in een uiterste kortheid wat mij beweegt. Het belangrijkste is voor mij, dat in zo'n procedure niet meer overkomt wat je werkelijk zou willen 'en móeten laten overkomen. Er staat expres, dat in zo'n kerkelijke procedure de strengheid van het evangelie niet meer overkomt. Er staat niet: liefde of lankmoedigheid, neen: strengheid. Evangelische strengheid is: de grens aangeven tussen waarheid en haeresie. Tussen wat bij Jezus hoort en wat hem volstrekt weerspreekt.
Tussen de kerk en de on-kerk, de anti-kerk.
Welnu, ik vrees, dat binnen onze procedures precies deze echte evangelische strengheid niet meer zichtbaar wordt. Er kan een tijd geweest zijn, dat het wel zo was. Ik zie niet, hoe die tijd er momenteel wel zou zijn.
Hoe dan? Onder IV-4 een enkele korte verwijzing, waarover u in de groepen maar moet doorpraten. U ziet, dat ik op dit punt mijn eigen beperktheid beseft heb. Daarom zeg ik ook: dat moeten we gewoon mét elkaar nog uitzoeken.
Ik eindig met een woord van Luther, dat ook door prof. Plomp is aangehaald in zijn artikel in de bundel 100-i-10. Het hoort tot het meest indrukwekkende, dat Luther ooit schreef:
Het is een commentaar op Hebr. 13 'gister en heden dezelfde en tot in eeuwigheid' en op Opb. 1;'die was en is en komt';
'Want jij en ik zijn er voor duizend jaar niet geweest, toen toch de kerk zonder ons bewaard is, en Hij het heeft moeten doen, die daar heet 'die daar was' en 'gister'. Zo zijn wij het ook niet nu bij ons leven, want de kerk wordt door ons niet bewaard en wij zouden met haar ten onder gaan als er niet een andere Man was, die de kerk en ons bewaarde. En wij zouden het willen grijpen en voelen, omdat we het niet kunnen geloven, maar moeten het Hem laten doen, die daar heet; 'Die is' en 'heden'.
Zo zullen wij er ook niets aan kunnen doen om de kerk te bewaren als wij dood zijn, maar Hij zal het moeten doen, die daar heet 'Die komt' en 'tot in eeuwigheid'. En wat wij nu over deze dingen van onszelf zeggen, dat hebben onze voorvaderen ook van zichzelf moeten zeggen en onze nazaten zullen het ook zo ervaren, dat ze met ons en de hele kerk zingen de 124e psalm: Als de Heere niet bij ons was geweest. . . en psalm 60: Verschaf ons bijstand in de nood, want mensenhulp is ijdelheid.'
Ik dank u voor uw geduld.


Voorzitter: We gaan nu weer in groepen en hopen morgenochtend, de laatste morgen, van het begin af plenair te vergaderen.
Samenvattingen van de groepsgesprekken kunt u zo nodig op bed krijgen, maar ik dacht dat het rustiger was; morgenochtend bij het ontbijt. Nu graag het woord aan ds. Van Halsema.


Van Halsema: Broeders en zusters, laten we zingen lied 463:... 'Wijs ons de weg der zaligheid en laat ons hart, doorugeleid, met liefde zijn vervuld'...
Ik lees Mattheüs vers 18 tot 22.
Mag ik u voorgaan in gebed?
'Heer, wilt u ons de genade geven dat wij in ons leven Uw stem mogen verstaan, die een ieder van ons roept achter Uw zoon, Jezus Christus, aan door Wie wij U mogen kennen en dienen? Heer, wij danken u voor deze dag. We danken U, dat we dit alles konden volbrengen. We bidden U om de leiding van Uw Heilige Geest en om zegen. Wij vragen U ook om de genade voor ieder van ons: dat Gij op de plaats waar Gij ons hebt gesteld, met de gaven en de vermogens, die Gij ons hebt gegeven, U willen dienen, U willen volgen in de wereld van vandaag. Wij vragen dat ook voor alle leden van de kerken, waartoe wij behoren. We vragen dat voor heel Uw kerk, over de gehele wereld. Zegen allen, die verward zijn. Zegen allen, die in nood zijn. Zegen allen, die onrecht lijden. Zegen allen, die sterven gaan. Heer, geef dat iets van Uw komend koninkrijk in deze wereld zichtbaar mag worden. Geef dat dit ook meer en meer kan door de gemeenschap van onze kerken heen en geef dat wij als we straks gaan slapen ons door Uw liefde en gunst gedragen weten. Geef ons nieuwe kracht. Heer, vergeef ook alle dingen, die verkeerd waren en wilt Gij naar ons horen, als wij samen U nazeggen: 'Onze Vader, Die in de hemelen zijt...
Zullen we nu zingen Lied 389:... 'Heer, uw nabijheid is mijn brood'...


Ds. Schaafsma leidde de dagopening, verzocht te zingen psalm 119 vers 49 en 60 en koos de Schriftlezing uit Johannes 14 (vers 21-24) en Johannes 17 (vers 14-17).
Uit deze Schriftgedeelten: 'Jezus zeide: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben...'
Nadat hij was voorgegaan in gebed nodigde hij de conferentiegangers uit te zingen Gezang 244 vers 1 en 4.
Uit Gezang 244:
'Eenmaal zal Hem alles prijzen,
de Geest zal allen onderwijzen:
wie wederstond, wordt overmocht.
Geest van liefde, wijsheid, krachten,
de wereld blijft uw leiding wachten,
zo vaak hebt Gij uw volk bezocht.
Jeruzalem, treed uit,
verheug u als een bruid,
zie uw Koning!
Uw schreden richt de Gids ten licht:
Hij opent eeuwig vergezicht'.


Prof. Bakker reageert naar aanleiding van de groepsgesprekken op woensdagavond, waarover is gerapporteerd.


Bakker: Allereerst wil ik graag mijn verontschuldigingen aanbieden aan de ouderlingen en diakenen — niet aan de predikanten van wie ik vind dat ze het gisteravond hebben moeten kunnen begrijpen, anders hebben ze hun theologie niet genoeg bijgehouden. Ik besef al te goed dat het een sterk theologisch verhaal was over een erg moeilijke problematiek die je niet vereenvoudigen mag, omdat dan niemand zich meer rechtgedaan voelt. Vandaar, dat ik kennelijk niet overal geslaagd ben in het geven van de gewenste helderheid.
Ik kom nu op I; De spanning, 'k Vind het niet nodig daar nu nog breed op in te gaan omdat ik in de rapportage van de groepsgesprekken gisteravond lees dat men zich, zij het op zelfstandige wijze, heeft aangesloten bij wat ik daarover heb geprobeerd te zeggen. Er wordt nog eens onderstreept dat bij die beide wijzen van denken in onze theologie en in onze kerken 'je boodschap aan elkaar hebt'. Verder dat deze twee zich ook in die zin wat van elkaar moeten aantrekken, dat de vragen die de ander stelt ook in het ontwerp van de ene ook telkens weer thuishoren en omgekeerd.
Een andere groep zegt over de spanning nog dit: Als je over en weer bij die denkwijzen de bedoelingen wilt respecteren, dan ben je er natuuriijk niet met alleen beleefd de hoed voor elkaar af te nemen. Het komt er op aan dat je die bedoelingen in je denken en theologiseren méé betrekt. Want juist daarvan zou het resultaat kunnen zijn dat de spanning inderdaad van de ketel werd afgenomen. Waaraan kan worden toegevoegd, dat als die spanning verdwijnt dit nu juist als een teken kan worden gezien van de aanwezigheid van de Heer in ons midden. Daar kan ik het helemaal mee eens zijn, al wil ik de volgende kanttekening nog toevoegen.
Als de groep zegt: ...'Is het in feite ervaren van een geloof dan niet 't gevolg van een eenzijdigheid in presentatie en taakstelling?'... dan vind ik dat toch wel een versimplificering van de ernstige moeite die we met elkaar hebben. Het is natuurlijk niet zo, dat je kunt zeggen tegen de één: Als jij nou voortaan een beetje meer dééraan denkt en ik denk hier een beetje meer aan, dan zullen we wel merken dat we eigenlijk op dezelfde lijn zitten. Het is al meermalen hier gezegd: we opereren uit verschillende invalshoeken vanuit het vak dat we geven, maar daar komt natuurlijk heel nadrukkelijk bij: ook vanuit — en dat geldt van theologie èn gemeente — de verschillende belevingswerelden, de verschillende vragen die van daaruit op ons afkomen, de noden waar we tegenaan lopen, vaak op een heel harde manier en die ons uitdrijven tot de theologie ook telkens weer. Die geven aan de theologie ook telkens een eigen structuur. En de terechte vrees bestaat, ook in de synode, dat onvermijdelijk het hanteren van het ene gezichtpunt zou moeten leiden tot een tekort doen aan het andere wezenlijke aspect. Ik denk dat die vrees over en weer iets moet zijn, waar we elkaar mee lastig moeten blijven vallen. Want als dat geloofsaxioma (grondregel van het geloof); 'dat het ons om hetzelfde heil van dezelfde Here God voor deze wereld gaat', de eigenlijke grond en interesse van ons theologiseren is, dan moet dat te overstijgen zijn.


Voorzitter: De bedoeling is dat we in twee minuten per spreker onze reacties weergevert. Wie?


Gosker: Ik vraag me af of we met de beoordeling van de kloof wel helemaal op de goede weg zijn. Mijn indruk is dat we ons teveel laten leiden door de opvattingen van prof. Kuitert, maar we hebben nog met anderen opvattingen te maken: Wiersinga, Baarda, Hartveld. Mijn stelling is deze, dat een gemeente in de loop der jaren door een predikant en een kerkeraad wordt opgebouwd. En dat de theologie, voorzover die invloed heeft op een predikantenkorps, er ook is om langs die weg een gemeente plaatselijk te bouwen. Moet die gemeente nu alle capriolen van alle professoren meemaken? Dat kan eenvoudig niet. De kloof is niet alleen het spanningsveld, waar u het nu zo uitgebreid over heeft, maar het is de vraag of de gemeente al die capriolen moet meemaken ja, of nee. Dat is de zaak van sociologische kant benaderen.


De Koning: We kunnen natuuriijk wel heel wat af praten over kloven die er zijn of niet zijn, die er mogen zijn en die er niet mogen zijn. Maar dat maakt de taak van mij als synodelid — ik denk aan mijn credentiebrief en aan mijn ondertekenen van de belijdenis — helemaal niet gemakkelijker of moeilijker door wat we er hier over gezegd hebben.


Bouwmeester: Men zegt wel eens: de nacht brengt raad. Als ik nu de balans probeer op te maken van al het gehoorde, dan moet ik u zeggen dat deze dagen mij niet veel verder hebben gebracht. Wel in de zin van een beter verstaan van eikaars bedoelingen. Maar niet ten aanzien van de zaak zelf. Als ik nog eens teruggrijp naar het beeld van prof. Bakker; dat de technici op de grond bezig zijn om bij mist de piloot 'binnen te praten' er voor de piloot maar één mogelijkheid is, namelijk om de instructies die vanuit de toren tot hem komen op te volgen. Dat wil zeggen: door zich onvoorwaardelijk te onderwerpen aan de stem uit die toren. Waarom doet hij dat?
Omdat hij die stem vertrouwt. Voor hem is er trouwens geen andere mogelijkheid. Hij kan niet verifiëren of het waar is. Al blijft dit maar een beeld, ik bedoel hiermee te zeggen: Voor de gelovige ligt het precies zo. Er blijft geen andere weg dan die Stem te gehoorzamen. Ik ben maar erg blij dat de Here Jezus gezegd heeft: Ik dank U, Vader, dat U het voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar aan de kinderen geopenbaard.


Weststrate: Laten we nu toch eens ophouden met te praten over kloof. Dat vinden we bij ons in de groep erg gevaarlijk.
Met het gebruik van dat woord ben je, of je het wilt of niet, bezig met polariseren. Het krijgt dan iets van die twee koningskinderen, die elkaar zo lief hadden, maar. . . toch was het water te diep. Niemand ontkent de verschillen of de spanning. Wat de gemeente betreft; we zullen met elkaar wel intensiever moeten zoeken naar wegen dat het beantwoorden van de vragen in een zodanig overleg gebeurt dat er inderdaad van opbouw van de gemeente sprake kan zijn.


Voorzitter: Prof. Bakker kan hierop nu reageren. Ik hoop dat we daarna dit onderdeel kunnen afsluiten.


Bakker: Allereerst de opmerking van broeder Gosker: wordt de gemeente uitgeleverd aan de theologen? Hij heeft het scherp gezegd en daarom mag ik hem misschien ook scherp antwoorden. Eerst dit — de gemeente hoeft zich natuurlijk niet te laten uitleveren. Ik heb ook helemaal niet de indruk dèt dit gebeurt. Er blijkt warempel nog wel mondigheid en kritische zin in die gemeente. Soms, wie weet, bepaald wel méér dan een bepaalde predikant lief is. Verder geloof ik dat we voorzichtig moeten zijn met woorden als capriolen.
Het zijn waarachtig toch geen aardigheidjes die je zo eens op de gemeente probeert.
Zo van; dat een predikant of theoloog met de gemeente omgaat als met een lichaam waar hij mee kan gaan experimenteren.
Dus: als ik daar nou prik, wat voor reactie krijg ik dan, enzovoorts. Dat zou misdadig zijn. Zo gaat het natuurlijk niet. Als je goed theologie bedrijft, dan ben je niet met capriolen, maar met zinnige vragen bezig. En als dat zo is, dan zal die gemeente er een keer mee moeten werken. Niet, dat ze met alles mee moet gaan, maar het gaat wèl 'ergens' over.
Broeder De Koning heeft zoveel gezegd als: jullie kunnen mij nog meer, ik heb m'n credentiebrief en ondertekende belijdenis en jullie kunnen nu wel over kloven praten enzovoorts. Mijn reactie: dat is me toch wel iets tè gemakkelijk, hoor. Het zal wel goed hiërarchiek gedacht zijn maar zo kan het natuurlijk niet helemaal. Want u bent door de gemeente gestuurd en die ondertekening heeft te maken met wat wij hier de laatste jaren op de synode gezucht en gezwoegd hebben over hoe het nu zit met die belijdenis en wat we moeten met die belijdenis. Die spanningen hebben daarmee te maken. Het probleem dat hier aan de orde is, is hetzelfde probleem dat voortdurend in de synode speelt en daarom heeft het echt méér met elkaar te maken dan hij zojuist voorgaf.
Broeder Bouwmeester heeft het er erg moeilijk mee en zegt hoogstens de bedoelingen wat beter te hebben begrepen.
Daarop zeg ik: Meer zit er ook niet achter deze conferentie. Die wil niet meer dan een eerste of een verdere poging zijn om elkaar wat beter te leren verstaan en wat beter met elkaar te leren omgaan. Als dat eruit komt, vind ik dat we al iets hebben gewonnen.
Tenslotte broeder Weststrate. Hij heeft gezegd: laten we nu eens ophouden met over een kloof te praten. Dat is er met het typen vannacht weer ingekomen, per ongeluk gewoon, want ik had 'kloof' in 'spanning' veranderd. Dat kunt u dus zo van mij krijgen. Ik vind dat ook een béter woord, ook tegen de achtergrond die ik er gisteravohd aan heb proberen te geven. Maar wat me wel een beetje hoog gezeten heeft, ook deze dagen, is: Je moet niet net doen alsof er niets aan de hand is. Daarom zeg ik liever niet; och, het zijn maar wat accentverschillen en als we elkaar een keer goed over de haren strijken en niet alleen tegen de haren in, dan is het over.
Nou, dat is me iets te gemakkelijk. Als u deze opmerking in aanmerking wilt nemen ben ik het verder helemaal met u eens dat we beter over spanning kunnen spreken.


Voorzitter: Ik begrijp dat het mogelijk is ook op deze reactie weer te reageren, maar mag ik proberen samen te vatten wat tot nu toe op dit punt in de meeste uitlatingen zichtbaar wordt?
Wij ontdekken met elkaar hoe langer hoe meer, dat het spreken over een kloof het gevaar inhoudt van verwijdering. Velen willen liever over spanning spreken. Ik versta het woord spanning dan in de zin van gezonde, creatieve spanning. Een spanning, die hierin vruchtbaar wordt dat men met elkaar vérder wil komen.
Wij doen er dan bovendien goed aan te bedenken dat deze spanning in de verhouding tussen theologie en gemeente op verschillend vlak speelt. In deze conferentie is telkens weer gebleken hoe nodig het is enerzijds de eigen verantwoordelijkheid van beide te eerbiedigen en anderzijds de betrokkenheid van beide op elkaar niet te verwaarlozen.
Het gaat er dus om, die creatieve spanning te hanteren in onderscheiding en in wisselwerking. Als dit van alle kanten goed en wijs wordt nagestreefd, dan liggen er mogelijkheden naar de toekomst.


Plomp: Deze conferentie kwam toch tot stand n.a.v. synodestuk A 6 (het verband van de kerk met de theologische faculteit van de V.U.). Daarin is naar voren gekomen, dat we in het verleden al maar toedekten. Nu moest maar eens eerlijk worden gezegd, zo heette het daarin, dat er een kloof was. Mijn vraag is: zijn we nu tóch weer bezig met dat toedekken en zullen deputaten van het verband met de theologische faculteit van de VU wel accepteren, wat u zojuist gezegd hebt?


Van Apeldoorn: Als ik broeder Gosker goed begrepen heb gaat het hem vooral om de onrust die in de gemeente kan ontstaan. Nu dacht ik dat vooral de jongeren, zoals kandidaten, wetenschappelijke medewerkers, studenten gegrepen zijn door bepaalde ideeën en gedachten. Zij kunnen dat zó op de kansel brengen, dat de gemeente daarvan verontrust wordt. Ik dacht; ook dat is een punt waar aandacht aan gegeven moet worden en daar kan men in Kampen en in Amsterdam wel wat aan doen.


Voorzitter: De opmerking van ds. Van Apeldoorn geef ik door aan de betrokkenen ter ovenweging. Prof. Plomp zou ik willen antwoorden, dat A 6 hier niet in bespreking is en alleen als achtergrondsmateriaal dient.
Willen wij niet op de stoel van de synode gaan zitten, dan zullen we aan de betrokken synodecommissie moeten overlaten welke conclusies zij uit deze dagen wil trekken. Ja, dr. Rietveld?


Rietveld: Ik ben voorzitter van dat verband en wilde daarom graag even iets zeggen.
Synodestuk A 6 is niets anders geweest dan de eerste aanleiding, maar er waren natuurlijk heel wat andere redenen ook om tot deze conferentie te komen. Het is wel zo, dat het woord 'de kloof is wijd en diep geworden' in A 6 gevallen is. Menigeen heeft erover geschreven. Er is met die uitlating doodsimpel en realistisch bedoeld, dat er aan de ene kant — en nu voelt u dat dit eigenlijk niet een kwestie van theologie is - een blad als Voorlopig en aan de andere kant een blad als Waarheid en Eenheid bestaat. Je kijkt naar die twee en zegt: Nou, daar is nogal een groot verschil.
Moet dit woord kloof nog langer functioneren? Het hééft daarin gefunctioneerd, dat we over de dingen verder doorpraten. Verder zeg ik persoonlijk, al geloof ik zeker dat de mededeputaten mijn mening delen, dat het heus niet de bedoeling is dit woord verder te laten functioneren en daarmee te suggereren, dat er eigenlijk al een scheiding gaande is. Daarom zeg ik; laten we dat woord nu laten vallen.


Voorzitter: Mogen we nu naar het punt Geloofsverantwoording? Prof. Bakker krijgt weer het woord.


Bakker: Ik zou graag willen beginnen met zeven punten uit de groepsrapportage. Dat zijn stuk voor stuk waardevolle opmerkingen.
Ik citeer:
' 1 . Het gaat slechts om een accentverschil t.a.v. de overdracht van het geloof. Overdragen van het geloof is toch iets dat samenhangt met de adeldom van het christen- zijn. Er wordt gepleit voor een geïntegreerd leven zonder goedkope woorden.
2. De opmerking 'Jezus is het Brood' is treffend. Dit woord moet waar gemaakt worden door de hongerigen brood te geven. De vervulling der belofte moet nog plaats vinden (verificatie op de jongste dag).
3. Belangrijk is de opmerking dat het door de Heilige Geest is, dat we in Christus geloven en niet in Boeddha.
4. Belangrijk is dat zowel het 'traditionele' denken als de nieuwere theologie zich, waar nodig, laten corrigeren.
5. Elk geloof is niet hetzelfde, niet statisch, maar dynamisch. Telkens verschillend is ook de achtergrond van hen tot wie we ons richten. Met Christus kunnen we verder de onbekende toekomst in.
6. Een lid uit het vermoeden dat volgens prof. Bakker het door prof. Kuitert gelegde accent, ook al staat het in een aanvechtbaar raam, zo betekenisvol is, dat de verdediger ervan binnen de kerk moet kunnen blijven.
7. Wat prof. Bakker onder Geloofsverantwoording in zijn Intermezzo opmerkt verdient instemming, maar in het geheel van zijn résumé worden alle problemen toch niet genoemd. Denk aan het boekje 'Zonder geloof vaart niemand wel'.
'n Enkel woord daarover. Als daar in stelling 1 gepleit wordt voor een geïntegreerd leven zonder goedkope woorden; als daar in de tweede plaats staat, dat Jezus het brood des levens is en Hij zichzelf daarin uitdeelt aan de avondmaalstafel, dan heeft dit te maken met de tafel van de wereld waar wij omheen zitten. Als wij avondmaalsbrood eten, terwijl er in andere werelddelen geen brood op tafel komt om 's morgens een kind te voeden, dan weerspreekt dat het wezen, ook van het avondmaal-zelf èn van de universaliteit: wie Jezus is en wie Jezus wil zijn voor deze wereld.
Ik heb geprobeerd niet alleen maar raakvlakken tussen de een an de ander zichtbaar te maken, maar ook reëele vraagpunten die van de een naar de ander moeten gaan en niet onder tafel mogen raken. Om het met de vierde stelling te zeggen: 'dat zowel de klassieke als de nieuwere theologie zich, waar nodig, laten corrigeren en zich zo nodig op elkaar en door elkaar laten aanspreken'. Ook 5 is een constatering, waar ik het helemaal mee eens ben en die a.h.w. oplevert waaróm we hier bij elkaar zijn: ook mijn geloven is niet steeds hetzelfde. Niet alleen in de zin van sterk, moedig, hard geloven, maar ook qua ontwikkelingen in dat geloof. Er worden je dingen duidelijk, ook gedeelten uit de bijbel, waardoor jezelf, de gemeente en ook de theologie in ontwikkeling blijven! Maar ik zou het toch graag in die wijdere context willen houden waarin ik het zelf geprobeerd heb te zetten; dus dat het niet zo is, dat je bepaalde vreemde vogels ergens in een hoek hebt zitten, waarvan je zegt: die zingen wel een uiterst vreemde wijs, maar zo'n soort toon moet er nu ergens een keer in het orkest zitten, anders deugt het orkest niet. Daar is óók altijd wel weer iets van waar natuurlijk van die veelstemmigheid van het orkest, maar in de theologie zul je elkaar ook in die zin moeten aanspreken, dat je niet alleen maar vanwege je eigen accenten gewaardeerd wordt, maar vanwege wat daardoor ook aan heilzaamheid en niet alleen maar aan eenzijdigheid in kerk en theologie wordt aangericht.
Punt 7: niemand verwachtte toch dat ik in de gauwigheid ook 'Zonder geloof vaart niemand wel' zou recenseren? Maar ik begrijp misschien wel wat er achter die vraag zit: als dat boekje zonder meer het materiaal zou zijn geweest voor de conferentie, dan zouden er ook nog andere dingen aan de orde gekomen zijn. Dat is ook zo. Er staan een heleboel dingen in waar ik het theologisch niet zo gemakkelijk mee heb en waarvan ik ook niet kan zeggen dat je dat zo maar even zou kunnen inpassen in het verhaal dat ik gehouden heb. Toch denk ik, dat er duidelijk openingen zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan sommige dingen die prof. Kuitert gisteren over geloofsverantwoording zei. Welnu, dan hebt u misschien begrepen dat ik daar in een aantal gevallen op een of andere manier mee aan de gang zou willen en dat ik daarover op een zinnige wijze met prof. Kuitert door zou willen en door zou kunnen praten.
Twee andere punten uit de rapportage.
Dat zijn belangrijke vragen, die we geprobeerd hebben wat zorgvuldiger te formuleren. Ik lees eerst maar wat er staat. Het gaat over wat opgemerkt is in Intermezzo 11, punt 4, waar staat: 'Willen we niet in volstrekte tweesporigheid vervallen dan zullen de eerste en de tweede vorm van geloofsverantwoording steeds op elkaar betrokken moeten worden. Dit betekent een uitdaging zowel voor de klassieke als voor de moderne theologie', 'n Groep merkt hierover op; 'Hier moet het hoofdaccent op het éérste vallen. Namelijk op; ik gelóóf en daarom is het waar. En; bewijzen van het geloof is maar een moeilijke zaak'.
Ik zou daar dit op willen zeggen; Vanwege de universaliteit en de zinnigheid van het heil moet het mogelijk zijn het evangelie weliswaar niet te bewijzen, dat laat zich inderdaad niet bewijzen, maar wel mee te delen, want het evangelie is mededeelbaar, communicabel. Het kan verder gedragen worden, overgedragen worden, hoezeer de overtuiging dat het evangelie communicabel is, zelf ook een geloofsovertuiging is.
Waar zouden de getuigen anders vandaan gekomen zijn, als er niets te getuigen was?
Met andere woorden: als er niets te zien was, als er' niets door te vertellen was?
Dan nog: 'Is het verschil tussen klassieke en moderne theologie alleen een verschil in methode of ook in principe?' Daar zou ook een hele morgen over gesproken kunnen en moeten worden. Wat is een methode?
Letterlijk: toegangsweg, maniertje om er in te kruipen, om er aan te doen. Zo'n maniertje kan natuurlijk een zodanig eigen leven gaan leiden, zo overheersend worden, dat het tot een principe wordt, waardoor de zaak die juist opengelegd zou moeten worden, niet meer toegankelijk is. Met andere woorden, je kunt zo op een bepaald spoor zitten in je denken, dat dit het één en het al wordt waar je mee bezig bent en waardoor je voor alles verder blind en doof wordt. Nou, dan wordt het fout, natuurlijk.
Dat hebben we in de theologie ook vaak genoeg meegemaakt. Dan wordt die methode tot een verkeerd principe'. Het kan ook anders. Het verschil hoeft niet per sé een verschil in principe te zijn, want een methode — en dat is ook weer in de wetenschap — is de manier waarop een oude waarheid op een nieuwe wijze aan het licht gaat treden, ook weer nieuwe facetten van zichzelf laat zien. Een nieuwe methode hoeft dus niet de verdonkermaning te betekenen van 'het vroegere'. Het betekent ook: de Geest zal u in alle waarheid leiden.
Dat is toch ook het proces, waarin de gemeente en de theologie in deze wereld aan de gang zijn? Dat is er nog niet uit. Wat dat betreft ben ik het eens met de titel van het laatste hoofdstuk in het boekje van Kuitert: 'Over God is het laatste woord nog niet gesproken'. Anders gezegd; wat zit er nog niet allemaal in! Dus: een echte methode kan tot ongelukken leiden, maar evengoed helpen tot zichtbaarheid. Mag ik het voorlopig even hierbij laten?


Voorzitter: Ik zou nu de heren Kuitert en Ridderbos willen vragen kort in te gaan op (enkele opmerkingen aan hun adres in de (rapportage van de groepsgesprekken, gisteravond.


Kuitert: Als ik het goed heb begrepen gaat iet voor mij om de volgende punten: 'Kan in ntermezzo II (Geloofsverantwoording) wel v/an twee vormen van geloofsverantwoording gesproken worden? Vallen ze, zoals prof. Bakker ze vult, niet grotendeels samen?' En: 'Verscheidenen hadden het gevoel dat hier Kuitert is omgebogen in de richting van Ridderbos (en onder 11, 3 Ridderbos in de richting van Kuitert). Het ziet er uit (onder II, 2) als een compromis, maar is een kritiek op prof. Kuitert.
Dat laatste laat ik maar liggen. Dat is voor rekening van Prof. Bakker en als dat zo is dan is dat mij natuurlijk zeer welkom, want daar moet wetenschap van leven, die moet leven van onderiinge kritiek. Ik heb gisteravond en ook vannacht, toen de slaap mij niet wou overmannen, gedacht: zijn we inderdaad niet een klein beetje aan het toedekken? En was dat wel de bedoeling? Daar wil ik graag wat over zeggen.
Maar nu schiet mij te binnen dat ik eerst wat anders opgeschreven had dat ik zeker hier wil zeggen.
Dat is een hartig woordje aan het adres van de heer Gosker. Meneer Gosker, wat zou u ervan zeggen — ik maak u hier nu een aantal keren mee op de synode — en ik zou hier en plein publique verklaren: Kijk, die capriolen van meneer Gosker op de synode. . . Ik denk dat u dat rliet leuk zou vinden. Dus ook ik vond het bepaald niet leuk, dat u dit zei: 'die capriolen van hoogleraren'. U zult het wel niet zo erg bedoeld hebben, dus ik wil het u ook wel graag vergeven, maar u moet goed bedenken dat u daarmee iemand wel even raakt in datgene waar hij dag in dag uit van leeft en nogal wat voor op het spel zet. Nee, dat was niet leuk.
Een tweede opmerking die ik wil maken; het is hier bepaald niet begonnen om een verdediging van het boekje 'Zonder geloof vaart niemand wel' en zo sta ik mijzelf niet te verdedigen, gisteren, noch eergisteren.
Dat is heel duidelijk met de conferentieleiding èn met het moderamen afgesproken.
Het ging er veel meer over; Wat zijn de achtergronden van waaruit je denkt dat we theologisch vandaag de grote verschillen zoals we die in de gereformeerde kerken zien, zouden moeten peilen? Dus dat boekje zou ik er graag uit willen houden.
Een andere opmerking is dat die term 'verificatie' hier een eigen leven, zelfs een slecht leven is gaan leiden. Die heb ik alleen gebruikt — dat heb ik gisteren ook al gezegd — als het gaat over de waarde van dogmatische uitspraken. Nu mag je dat wel verlengen tot en gaan uitdijen naar heel de christelijke godsdienst — ik heb daar geen bezwaar tegen — maar dan zou ik zelf nooit het woord verificatie gebruiken, daar zou ik zelf veel eerder het woord plausibiliteit voor gebruiken of, wat prof. Bakker zegt: zinnigheid of iets dergelijks. Dus wilt u dat ook onthouden, anders krijgen we hoe langer hoe meer mythe-vorming.
Nu ga ik terug naar de vraag van die toedekking; hebben jullie nou toch de zaak niet een beetje toegedekt? Ik vind dat we daar inderdaad voor moeten oppassen, want we zijn hier niet gekomen om dat te doen. Het is ook uitdrukkelijk door het moderamen gezegd; praat daar niet naar toe maar praatje hart uit. Ikzelf zou nooit over kloof praten en ik vond het een geweldig goede suggestie dat de voorzitter zei: het zijn spanningen. Ik héb geen last van een kloof. Maar dat kunt u van mij begrijpen, want van mij mag er zoveel, dus waarom zou ik last hebben van een kloof? Ik vind daarom wel spanningen. Ik vind dat als ik in Uithuizen in de kerk zou zijn dat ik dat als een grote spanning zou ervaren.


Oomkes: Wie weet viel het daar ontzettend mee.


Kuitert: Inderdaad en viel het dominee Oomkes ook bij mij erg mee. Dat zou allemaal ook nog kunnen, maar het is wel ènders. Er zijn momenteel wel heel merkwaardige verschillen in de gereformeerde kerken. Ik geloof niet dat je er goed aan doet om die verschillen weg te praten. Laten we dat goed blijven zien, anders maken we het ons te makkelijk. Er is bijvoorbeeld gezegd; Zijn er wel twee vormen van geloofsverantwoording? Ik vind het eigenlijk ook niet. Het is één vorm en het ene zit in het tweede en het tweede in het eerste. Ik heb meer het idee, dat wat prof. Bakker daar doet is: aan een bepaalde vorm van geloofsverantwoording inhoudelijk — dus maar niet methodisch, maar inhoudelijk — een bepaalde voorkeur verlenen boven een andere. En ik denk dan; stel je voor dat hier onze nogal wild opgroeiende volgende generatie zou zitten, voor wie de betekenis van Jezus in sterke mate opgaat in het beoefenen van gerechtigheid. Hoe zou die daar over denken? Laat ik even mijzelf aan u mogen verduidelijken daarin. Ik hoor niet bij de mensen die het zo willen. Ik ben sterk voor die gerechtigheid, maar ik vind dat dat het juk is waaronder de godsdienst moet doorgaan. Kan godsdienst onder dat juk van de gerechtigheid door of kan die dat niet? Dus ook onze christelijke godsdienst.
Zo zou ik het willen stellen. Maar godsdienst blijft godsdienst, geloof blijft geloof en is niet ethiek en ook niet sociale ethiek en ook niet gerechtigheid plegen. Alleen — waar godsdienst niet onder dat juk doorgaat, daar geldt Jesaja 1; doe weg dat getier van die liederen. Dan kan God het niet hebben. Dat is mijn standpunt. Daarom ben ik ook geen lid van de christenen voor het socialisme. Die zijn hier helemaal niet aan bod gekomen en die bestaan óók in de gereformeerde kerken. Die praten nog weer heel anders over Jezus. Mag dat?
Ik wil ze graag aanhoren. Van a tot z mogen ze hier hun verhaal brengen. Ik zal het niet met ze eens zijn. Dat weet ik. Maar ik vind wel dat ze dit hier mogen vertellen en dat ze misschien een kant naar voren zouden kunnen brengen waarvan ik niet gedacht had dat ik die ooit zou zien.
Dus ik bedoel maar; vergeet niet, dat bestaat allemaal. Laat ik nu dan zeggen hoe ik mij verheug over die term van de voorzitter als hij zegt dat dat spanningen zijn en dat je die zelfs creatief kunt maken in de gereformeerde kerken. Je moet ze dus niet kwijt, want dan verlies je een stuk creativiteit, betekent dat. Daar geloof ik in. Je kunt kennelijk, dat is mij op deze conferentie duidelijk geworden, met spanningen omgaan.
Dat is a.h.w. nu bewezen. Je kunt er zelfs kerkelijk mee omgaan. Dus ook theologisch. Maar dat neemt niet weg dat die spanning dan bestaat. Dus dat er dingen blijven waarover we öf verder met elkaar moeten praten, óf moeten zeggen; het verschil hindert niet zo erg want ik bedoel met mijn leerstellige uitspraken dat ik geloof en jij bedoelt met de jouwe uit te drukken dat jij gelooft en we bedoelen samen dat we ons geloof halen uit de Heilige Schrift en dat we dit geloof aan niemand anders te danken hebben, dan aan de Geest Gods.
Ja, dan denk ik: dèt bedoelen we samen.
En dan moet de theologie nog oneindig veel andere dingen doen, dan wij hier samen in de kerk doen. Dat ben ik met prof. Ridderbos eens; je moet het aan de theologie overlaten om de dingen verder uit te diepen.


Ridderbos: Ik wil eerst graag in het algemeen mijn respect betuigen voor het hele verhaal - het is misschien een beetje gek, dat ik dat nou speciaal moet doen — maar dat wil ik toch wel eens even nadrukkelijk zeggen. Dat geldt vooral de eerste drie punten. Ik heb daar ook wel het een en ander van geleerd en ik kan daar dankbaar voor wezen. Als er nu gevraagd wordt in 'n groep: 'Zijn hier wel twee vormen van geloofsverantwoording?' dan vraag ik dat eigenlijk óók wel een beetje. Is daar wel een vorm van geloofsverantwoording, waar het verhaal aangaande Jezus nog niet aan te pas komt? Kan je dat nu een tweede vorm noemen, of, volgens de samenvatting zelfs: de éérste? Betekent dat dan, dat je eerst maar heel algemeen over 'Zonder geloof vaart niemand wel' praat? Is dèt de methode-Kuitert?
Ik wil het zo niet zonder meer zeggen, want ik zal niet beweren dat daar het verhaal van Jezus niet aan te pas komt. Alleen niet integraal, voor mijn besef. Daarom heb ik tegen dat boekje allerlei bezwaren. Nu staat er wel (bij prof. Bakker); 'dit berust op een fundamentele geloofsbeslissing' Ja, dat zal iedere christen ook nog wel zeggen. Die zal wel zeggen: ik kruip niet heleméél uit mijn huid en ik ga niet heleméél op de algemene toer van 'zinnigheid', maar ik houd mijn pijpen voorlopig nog wat in de zak (als ik mij zo mag uitdrukken)
Is dat het? En moet je vervolgens zeggen: een twééde vorm is dat andere? Nou, dan zou ik die tweede vorm toch wel voorop willen stellen. Dan zou ik zeggen; elke geloofsverantwoording berust principieel daarop, dat je komt met het verhaal aangaande Jezus. En dan zal bij de verantwoording de 'zinnigheid' van dat geloof ook een geweldige rol mogen spelen; want het is niet enkel maar zeggen en proclameren, zoals de Jehova-getuigen en je kunt ook niet bij je buurman binnenkomen om te zeggen; Zo zegt de Here en nu moet je je mond maar houden. Hier vind ik dus de evaluatie niet zo duidelijk. Wat dr. Vlaardingerbroek en zijn gespreksgroep daarvan zeggen, kan ik dus wel beamen.
In de tweede plaats; 'Verschillende leden hadden het gevoel dat hier prof. Kuitert is omgebogen in de richting van prof. Ridderbos'. Wel, dan moet je wel een aardige tang hebben om hem zo om te buigen.
Maar hij is ook wel buigzaam, dacht ik: hij knapt niet gauw af (ik was al lang Ik weet niet waar gebleven). Dus dat ombuigen laat ik nu maar even voor wat het is. Maar ik heb niet het gevoel dat het nu speciaal in 2 zou gebeuren. Integendeel. Enik heb helemaal niet het gevoel dat ik, buigzaam of onbuigzaam, bij 3 een beetje het loodje ga leggen. Integendeel, zou ik zeggen: ik ben met 3 eigenlijk het meest blij van het hele verhaal. Dus zo zie ik dat niet. Daar komt dan dit bij (en dat is dan weer die kloof): het gaat natuurlijk niet enkel over Kuitert en over Ridderbos alleen. Je kunt zeggen; het gaat over twee methoden, twee soorten benaderingen, maar ook dat is eigenlijk de grote kloof niet.
De kloof bestaat daarin, dat je met een bepaalde benadering te ver gaat. Ik zeg van de methode-Kuitert, zo lang ik die kan overzien: gelukkig, dat we ook mensen hebben die het van die kant kunnen doen.
Maar de kloof ontstaat, als ze op een gegeven moment dingen gaan zeggen, waarvan ik denk; en nu komt het evangelie niet meer aan de beurt. Nu doen ze er, terwille van de z.g. verstaanbaarheid, dat èf, of ze interpreteren het op een manier, waardoor de inhoud van het evangelie verkort, verduisterd wordt. Dèn wordt de kloof zichtbaar, waarover deputaten spreken. Ik vind dat niet alleen, of speciaal, de fout van prof. Kuitert. Het gaat niet over één persoon.
Maar ik zie wel dat er mensen zijn, ook in onze kerken, die, misschien nog radicaler dan hij, zeggen, dat ze met bepaalde bijbelse 'denkpatronen' niets meer beginnen kunnen (zoals Schillebeeckx het dan over 'kerugma-kritiek' heeft). En dan denk ik, dat ze niet alleen aan het denk-'patroon', maar ook aan de kern van het evangelie raken.
Maar genoeg hierover. Het ging er mij vooral om te zeggen, dat wij hier algemene richtlijnen krijgen, waarmee ik hartelijk instem. We moeten echter niet denken: als we daar allemaal mee ingestemd hebben, dan zijn de problemen van de tafel. Want dan komt het nog op de toepassing aan.


Voorzitter: Broeder Gosker wil heel kort iets zeggen?


Gosker: Ik heb helemaal niet bedoeld om iemand te kwetsen. Maar ik wil er toch ook wat anders bijzeggen. Ik ben een gewoon gemeentelid, ik heb mijn hele leven geprobeerd èn sociaal, èn politiek, èn kerkelijk bij te blijven. Dat is tegenwoordig vrijwel een onmogelijkheid. Dat kan je van een gewoon gemeentelid eigenlijk niet meer vergen, want het kost je nachten lezen. Ik heb het voor mezelf geprobeerd en ik heb de theologie gevolgd — ik vind dat een geweldig boeiende zaak — maar toch zeg ik: zoals het bij de gemeente overkomt, moet de wetenschap ervoor oppassen dat ze gauw geréékt is in haar wetenschappelijkheid als de gemeente er eens een keer radicaal een loopje mee neemt. Dat heb ik bedoeld met capriolen. Ik neem dat woord terug, maar toch ligt daar een geweldige moeilijkheid.
Kuyper deed dat vroeger anders. Kuyper heeft de gemeente ook anders opgevoed.
Hij heeft ons de opening naar de wereld gegeven. Vandaar het woord van Kuyper 'geen duimbreed'. Maar hij heeft er wel ellenlange artikelen voor gebruikt in de Heraut en in boeken. Dat heeft de gemeente opgevoed. Maar als prof. Kuitert zegt: Ik ben er om de gemeente in onrust te brengen op theologisch terrein, dan ben ik het wat dat betreft fundamenteel niet met hem eens. Niet omdat het evangelie geen onrust moet wekken. Dat is een geestelijke en een heilige onrust. Ik bedoel theologische onrust. Ik hoop dat ik nu duidelijk genoeg geweest ben.


Voorzitter: Dank u, broeder Gosker. Het is nu pauze. Mag ik u vragen met prof. Kuitert koffie te drinken?


NA DE PAUZE

Voorzitter: Ik wilde nu punt II afmaken en combineren met III. U krijgt daarna gelegenheid om op beide punten te reageren.
Nu graag het woord aan prof. Bakker. Bij het punt van het Gezag ligt er nog een vraag aan prof. Kuitert. Het zou fijn zijn als hij daar ook nog even kort op in kon gaan.


Bakker: Het gaat over drie punten uit de rapportage van de groepsgesprekken. Het zijn deze;
' 1 . Enkelen vonden dat de kritiek op prof. Kuitert niet ver genoeg ging, omdat ook prof. Bakker nog spreekt van 'mededelen van de zinnigheid van het geloof', wat volgens deze leden van de groep minder mogelijk is naarmate het meer het centrum van het geloof raakt.
2. Zou, logisch gezien, 'het verhaal aangaande Jezus' (Intermezzo 11,3) niet aan 'de zinnigheid van het geloof meedelen' (Intermezzo 11, 2 ) moeten voorafgaan?
3. Is er een weg van deze theoretische geloofsverantwoording naar de praktijk in de omgang met anderen?'

Ik teken daarbij aan: 'het centrum van het geloof is het punt waar ik geraakt word.
Daarmee is het per definitie ervaarbaar en mededeelbaar'. Onder 1 staat namelijk, dat hoe dichter je bij het hart van het evangelie komt, hoe moeilijker het wordt om het over te dragen, om het mee te delen. Mijn vraag: Is dat waar? Want dat zou eigenlijk erg vreemd zijn, dat het meest wezenlijke van het evangelie buiten de geloofservaring, buiten de mogelijkheid van menselijke ervaring zou liggen. Dat a.h.w. alleen de buitenkant van Jezus en dat wat hij met iedereen gemeen heeft overdraagbaar zou zijn.
Maar dat datgene waartoe Hij in ons midden verschenen is, waar het God in Zijn bemoeienis met de mens om te doen is, dat dèt volstrekt onwerkelijk zou zijn en buiten de menselijke werkelijkheid zou liggen.
Daarom denk ik, dat je in zekere zin bij voorbaat moet zeggen; zo kan het toch niet? Het kan toch niet zo zijn, dat het hart van het evangelie, waar het helemaal om begonnen is, dat wij daar wel een boodschap over hebben, maar dat de mensen daar géén boodschap aan hebben? Met andere woorden; dat dit niet over kan komen. Dat is niet juist. Daarom heb ik geprobeerd om er van de andere kant in te komen, omdat ik denk: als het zo zou zijn, dan deugt het niet in onze prediking, in ons theologiseren. Zo kan de Here God het niet bedoeld hebben.
Waar de Here God ons leven binnenkomt, daar raakt dat leven in de crisis. Het centrum is maar niet iets heel erg moeilijks en ingewikkelds, dat geen mens overdragen en begrijpelijk maken kan, het is het punt waar ik geréékt word. Dat is bijvoorbeeld waar Jezus tegen die rijke jongeman zegt; Ga heen, verkoop alles wat je hebt, kom terug en volg mij dan. Dat is het centrum van het evangelie. Niet dat ik zeg: het evangelie gaat nergens anders over dan déérover, maar daar komt de Heer zó onontwijkbaar op die man af, dat het daar ook echt pijn gaat doen; dat hij er daar onderdoor moet, zich over moet geven of bedroefd heengaan, omdat hij vele goederen had. Dat kunnen aardse goederen zijn, dat kunnen geestelijke goederen zijn, dat kan een wereldbeschouwing zijn, je kunt ik weet niet wat voor goederen allemaal meeslepen als je de Here Jezus tegenkomt.
Het kan dus op allerlei manieren. Daarom kan je ook niet zeggen 'het' centrum, want er zit aan de ene kant die geweldige continuïteit van de Heer-Zelf in en van de Geest-Zelf in en van het evangelie-zelf in.
Daarom zal dat ook wel zorgen, dat er altijd mensen zijn, die zo geraakt worden dat ze er niet onderuit kunnen. En dat het pijn blijft doen en dat die mensen in de crisis kómen. Maar ik vind, dat het het einde van het doorvertellen zou zijn als je zou moeten zeggen; dat het meedelen van de zinnigheid van het geloof minder mogelijk is, naarmate het meer het centrum van het geloof raakt. Dat kunnen we elkaar niet aandoen. Daarom beginnen we hier wel te stamelen, te spreken over Heilige Geest en wat je maar meer wilt zeggen.
Maar dat centrum is het centrum van óns menselijk hart en öns menselijk leven.
Juist ook als het gaat over het kruis en de opstanding van de Here Jezus. Als Paulus daarover zegt dat het een ergernis en een dwaasheid is, dan bedoelt hij niet; daar kunnen ze zich niets bij denken, maar; nou moeten ze nog een keer heel anders over de wereld, het heil, de Here God en zichzelf gaan denken, dan ze ooit gedacht hadden dat nog een keer nodig zou moeten zijn.
Dus daarom staat die vreemde en ook wel wat rare zin van mij daar zo; 'het centrum van het geloof is het punt waar ik geraakt word. Daarmee is het per definitie ervaarbaar en mededeelbaar'. Want: het Komt, luistert toe Gij Godsgezinden, dat zal er toch ook wel mee te maken hebben. Ik vind dat wel een verschrikkelijke uitdaging. Als ik het niet kan of wil doorgeven, of wanneer het ook 'buiten de kring' als geheimtaal overkomt, dan deugt het toch naar mijn besef ook bij mij niet. Dan heeft Hij mij nog niet zó geraakt, dat ik het door kan vertellen.
Mag ik nu naar lil het Gezag, toegaan?
Gezegd is over het gezag van de Schrift: 'dat het dilemma van boven, van buiten of van binnen doorbroken zou moeten worden.' Dat heb ik zojuist in die hele ontmoetingscategorie zo'n beetje geprobeerd om te laten zien: dat het gezag van de Schrift en het gezag van de Here God in het gelaat van Christus, in het gelaat van de Schrift op zijn eigen wijze komt. Daarom had ik wat moeite met wat de groep daarover releveerde; 'Opgemerkt werd; Is het gezag van de Schrift niet een imperatief (bindend) gezag van God en zo ja, is het dan niet de onderwerping, hoewel een gemotiveerde onderwerping?' Welnu, zowel de woorden 'imperatief gezag', als het woord 'onderwerping', zijn van een manier van spreken afkomstig, die gemakkelijk misverstaan kan worden. Ik bedoel: op een manier, waarvan ik zeg: Zo wil ik liever over de Here God niet praten, in wat Hij met ons wil en hoe Hij op ons afkomt en hoe Hij ons aan Zijn Woord en aan Zichzelf bindt. Het gaat om de heilzaamheid van het gezag. En als het daarom gaat, dan schieten woorden als 'imperatief', 'onderwerping' tekort. Ik moet er wel onderdóór, maar dat is een ander woord dan onderwerpen. Onderwerpen dat doe je tenslotte als je zegt: ik zie er wel niets van in, maar het zal wel moeten. Dat is een blinde macht die tot mij komt en waar ik onderdoor moet. Echt gehoor geven is iets anders. Dat is een hele weg, die afgelegd wordt. Het evangelie gaat a.h.w. klinken in het hart en in het leven, omdat het het evangelie van déze Heer is, met het gezèg ook, van deze Heer: heilzaam gezag, genezend gezag.
Dan krijgen we in het slot de opmerking van de groep: 'Van grote betekenis is, dat al ons kerkelijk werk geschiedt in het kader van Jezus' werken door Zijn Geest en Woord'. Ik denk, dat vanuit de verhalen van de beide referenten duidelijk is, dat als Jezus de canon is — hoe je dat verder ook precies moet invullen — al die onbegrepen zaken, die tegenstrijdigheden, die tijdgebonden uitdrukkingen, ons dan ook nog een keer een zorg zullen zijn als het over de kwaliteit van dit verhaal gaat. Daarom zal ook altijd vanuit de kwaliteit van dit verhaal over deze dingen gesproken moeten worden. En dan kan die gemeente meer verdragen, dan u en ik denken. Dan zal ze er ook méér van moeten horen dan sommigen onder ons lief is. Want dan kan het er tegen. Deze Heer kan er tegen dat Hij op deze wijze in dit verhaal doorverteld wordt.


Voorzitter: Mag ik nu prof. Kuitert vragen om nog kort op een vraag aan hem in te gaan? Het gaat over wat u bedoelt met de onmenselijkheid, die voor u de grens is van de leervrijheid.


Kuitert: Dat kan ik heel kort doen, want het is een veel onschuldiger opmerking dan velen van u waarschijnlijk gedacht hebben.
Ik bedoel daar zelfs niet mee, dat er maar één kriterium is, of liever gezegd: ik bedoel daar zelfs niet mee dat het om orthopraxie (het doen) gaat en niet om orthodoxie. Ik bén voor orthodoxie. Van a tot z. Ik ben voor de ware leer. Enfin, dat heb ik vanaf het begin dat u mij 'doorzaagde' op de synode, altijd al gezegd: dat ik voor de ware leer ben. Alleen de manier waarop je daar komt en waarop je die handhaaft en waarop je die in het midden van de gemeente duidelijk kan maken, daarvan geloof ik niet dat dit kan op de oude manier die onder ons gangbaar is. Maar daarover straks meer. Ik ben dus voor orthodoxie,' want ook de stelling, dat het op praxis, op doen, op gerechtigheid enzovoort aankomt, is een stelling die leerstelling van inhoud is. Wie zegt: ik ben voor orthopraxie spreekt een leerstellige uitspraak uit.
Die menselijkheid, daar bedoel ik mee in deze samenhang, dat wat ik zo pas even duidelijk heb proberen te maken namelijk, dat ook de christelijke godsdienst onder het juk van de gerechtigheid en de liefde doormoet. 1 Corinthe 13 heb ik erbij aangehaald; je zou ook alle profeten erbij kunnen halen. Ik meen dat de profeten, zoals Jesaja 1, ons een veel betere weg wijzen in dezen, een weg waarmee ik theologisch veel beter uit de voeten kan dan wanneer we van godsdienst een soort ethiek zouden maken. Dat is het niet: godsdienst is niet ethiek en ethiek is niet godsdienst. Beide zijn eigenstandige, zelfstandige dingen.


Voorzitter: Er is nog een vraag over; hoe voor u het gezag van de Schrift dan ligt en de uniekheid van de Schrift.


Kuitert: Weet u, de meest grote dingen moet je hier in vijf minuten even over de tafel smijten. Ik kan ook niet alles hoor!


Voorzitter: De vraag is of u de volgende zin uit het Intermezzo (III, 2, tweede zin) onderschrijft, öf dat deze u problemen geeft. De zin namelijk 'Het woord canon betekent desalniettemin, dat dit gezag zijn neerslag gevonden heeft, ambtelijk (apostolisch) onder ons tegenwoordig is, in de Heilige Schriften'.


Kuitert: De terminologie van collega Bakker hierover heb ik in mijn eigen exemplaar proberen te verbeteren. Er staat: 'Overeenstemming blijkt over de uitspraak dat ten diepste Jezus de canon oftewel de maatstaf is.' Dan zou ik hetzelfde woord willen aanhouden in het vervolg ervan en dan willen lezen; 'Dat betekent desalniettemin dat deze maatstaf zijn neerslag gevonden heeft en ambtelijk, apostolisch onder ons tegenwoordig is in de Heilige Schrift'.
Daar zou ik geen enkel bezwaar tegen hebben, als je het zo zei.


Voorzitter: Uiteraard zijn de punten II en III niet voldoende doorgepraat, maar laten we in het oog houden waarom ze hier staan. Zij staan onder het hoofd 'Geloofsverantwoording'. Dat betekent; zij staan in het kader van de betrokkenheid van theologie en gemeente op elkaar. De diepste bedoelingen van wat in de theologie aan de orde is raken de verantwoordelijkheid van de gemeente om rekenschap af te leggen van de hoop die in haar is.
Hoewel er spanning is (dat bleek wel bij het eerste punt) tussen beide wijzen van theologiseren, zij raken elkaar in het axioma (het fundamentele uitgangspunt, waarachter niemand meer terug wil) van het geloof. Als zodanig hebben zij alles te maken met de geloofsverantwoording van de gemeente. Daaruit blijkt ook hun eenheid.
Prof. Bakker heeft dit alles in die twee punten ondergebracht. De uitwerking daarvan brengt ons uiteraard opnieuw in allerlei theologische discussies. Dat is vooral een zaak van theologen. Voor deze conferentie is van grote betekenis, dat er in de diepste bedoelingen raakpunten zijn en dat deze de hoop geven dat 'de spanning' werkelijk een vruchtbare spanning kan zijn.
Als u nog wilt reageren op de punten II en III laten die reacties dan beperkt blijven tot vragen om verheldering. Inhoudelijk kunnen we er nu niet meer op ingaan.


De Koning: Die laatstgenoemde zin, nl. over 't gezag van de gehele Heilige Schrift, daar gaat het in de moeilijkheden die we hebben, dacht ik, juist om. Als iemand bijv. zegt dat van Paulus zet ik tussen haakjes, of iemand anders zegt; wat Paulus zegt is alleen maar een preek, dan zit ik met de moeilijkheid van het gezag van de gehele Heilige Schrift. Prof. Kuitert, ik dacht dat het zo was; het is voor u een onbegrepen zaak zoals ik het zie en het is voor mij een onbegrepen zaak, zoals u het ziet. Daarom moeten wij erover praten...


Bouwmeester: Het gaat mij vooral over 't punt: 'Belangrijk is de opmerking dat het door de Heilige Geest is, dat we in Christus geloven en niet in Boeddha'. Ik vind het ontstellend dat op een conferentie van gereformeerde synodeleden in 1976 zoiets geconstateerd moet worden. Is dit niet een teken van de vervreemding die is ontstaan tussen theologie en gemeente? Moet dit voor ons niet een vingerwijzing zijn en voor de theologen, dat de wijze waarop zij in hun publicaties theorie bedrijven onrust teweegbrengt bij de gemeente? Prof. Kuitert heeft gezegd; wij moeten 'Zonder geloof vaart niemand wel' misschien wat beter lezen. Mag ik heel bescheiden zeggen; Kan het ook zo zijn, dat prof. Kuitert dit boekje anders had moeten schrijven?


Van der Heiden: Ik zou nog iets willen opmerken juist ook over die afstand tussen ons gewone leven en de theologie. Is het niet mogelijk dat wij de problemen waar de theologen mee worstelen onvoldoende herkennen in wat bij doodgewone, integere, gelovige mensen leeft? Je spreekt soms ouders, die in alle eerlijkheid tegen je zeggen; Het geloof zoals wij het beleven en zoals wij het van onze ouders overgeleverd hebben gekregen, daar zijn we mee opgegroeid en daar zijn we gelukkig mee. Maar we zien geen kans om dat over te dragen aan onze kinderen. Nou, dat is dacht ik precies het probleem, waar die theologen mee bezig zijn; dat het belangrijk is om dat te herkennen. Omgekeerd precies eender.
Je kunt het meemaken zoals het dit najaar bij mij op catechisatie gebeurde, dat een meisje van een jaar of 16 zo eerlijk was om te zeggen: Hoor eens, dat geloof in God en die hele bijbel met al de mirakelen die daarin staan dat zegt me niets. Maar ik durf dat thuis niet te zeggen, want dan krijg ik op mijn duvel. Een letteriijk citaat. Daar hebt u nu precies het probleem van het gezag.
Door heel gewone mensen gesteld. Met andere woorden: die theologische problematiek komt wel degelijk voor bij doodgewone mensen.


Sybrandy: Ik vind dat het hier aan helderheid niet te wensen overlaat op deze conferentie. Gisteravond bij de beantwoording door prof. Bakker moest ik er nog wel even aan twijfelen, omdat mij de entourage wel goed leek maar ik van de inhoud wel eens wat miste. Ik kom tot deze conclusie; de zaken zijn op hoog niveau behandeld en we kunnen elkaar nu beter verstaan. Maar wat zijn we nu verder opgeschoten? Dat geeft mij een wat onbevredigd gevoel: de zaken zijn gebleven zoals ze waren.


Voorzitter: Wat tot nu toe gezegd is, moeten we als indrukken en als boodschappen aan elkaar verstaan. Wat broeder Sybrandy zei, hangt samen met de verwachting die men van een conferentie als deze heeft. Het eigenlijke doel was, dat we hier met elkaar meer zouden gaan verstaan van de achtergronden, de beweegredenen die theologen in ons midden drijven zo te spreken, te schrijven en te theologiseren als ze doen. Wij kunnen hier niet tot 'oplossingen' komen.
Eén van de ouderlingen zei mij in de pauze, dat hij hier leerde 'het wit tussen de regels te lezen'. Dat vond ik een treffende opmerking. Als ik hem goed begrepen heb, dan bedoelde hij dat je nu alle aanleiding hebt gekregen om niet meer je eigen verklaring in de woorden van de ander te leggen, maar werkelijk naar de ander te luisteren. Dus het 'wit' wit laten en daar niet eerst je eigen veronderstellingen in schrijven om zo de ander te verklaren. Als dit gebeurd is op deze conferentie dan zijn we een stukje verder dan aan het begin.
Mag ik nu de overgang naar punt IV maken: de Koers. Ik zou prof. Bakker willen vragen er zo op in te gaan als de punten onder dit hoofd van het begin af bedoeld zijn nl. als open discussiepunten, waarin niet geprobeerd is de dingen volledig verantwoord op een rij te zetten. In deze geest kan prof. Bakker met een aantal toelichtende opmerkingen volstaan. U hebt daarbij dan nog de stof, die door de groepen is ingebracht: een groot aantal zinnige vragen.
Punt IV is een punt waarover eigenlijk een aparte conferentie zou moeten worden gehouden. In het uur dat ons nog rest kunnen we onmogelijk de afmetingen van dit probleem met elkaar overzien. Daarom gaat het nu alleen om het verzamelen van reacties.


Bakker: Ik moet met bijzonder grote snelheid proberen een aantal korte signalen te geven over een, zoals de voorzitter al zegt, verbijsterend ingewikkelde, moeilijke problematiek. Niet alleen theoretisch moeilijk, maar voor het hele bestaan en de wijze waarop onze kerken zullen bestaan fundamenteel problematische zaak.
Dat het in Intermezzo IV om een aantal open stellingen gaat die ter discussie zijn gegeven geldt ook daarom met name, omdat juist hier ook de grens van wat een conferentie van synodeleden wel en niet kan heel duidelijk bereikt is.
In verschillende van de opmerkingen is gezegd; Ja, maar een synode kan toch maar niet even haar handelingsbevoegdheid uit handen geven en op die wijze kan natuurlijk een conferentie een synode niet voor de voeten lopen. Met onze aantekeningen is dat uiteraard op geen enkele manier de bedoeling geweest. Dat kan er niet in zitten en dat is meer dan een formele opmerking. Midden in onze reactie werden alle dingen a.h.w. maar samengevat.
Ik lees het toch maar even met u: 'Het ging om een aantal open stellingen, die ter discussie werden gegeven en die in geen geval op de beslissings- en handelingsbevoegdheid van de synode willen vooruitlopen, want dan zouden we helemaal naast het doel en de competentie van de conferentie zitten. Tegelijk blijkt uit de verschillende reacties — dat hebben we toch bij zorgvuldig lezen, al was het wat laat, als indruk gekregen — dat in alle groepen, ook waar men belangrijke vragen en bezwaren ingebracht heeft, niemand is die zegt: eigenlijk zou ik wel weten hoe het moet. Alleen; 'het kan helemaal niet op het ogenblik' of iets dergelijks. Maar iedereen heeft de bezwaren die met deze problematiek gegeven zijn als wezenlijk voor de zaak zelf en voor ons kerk-zijn ervaren.
Om daar een voorbeeld van te geven: in de vragen van een der groepen lees ik: 'Hoe wordt nu aan de dialoog, als je geen eindeloze dialoog wilt hebben, en toch als het kan een dialoog zonder dwang, vorm gegeven?' Dat is een vraag, die op dit ogenblik op geen enkele manier beantwoord kan worden. Maar het is wel een heel zinnige kanttekening bij de verschillende notities die onder IV, de Koers, gemaakt zijn. En; Op welke manier functioneert daarbij de gemeente-zelf? Die is toch in éérste instantie het onderwerp van het belijden. Zij belijdt. Niet de theologen belijden, niet de synode belijdt; de kerk belijdt. Dat is: de gemeenten belijden. Dus: op welke wijze kunnen en horen die daarin betrokken te worden? Dan is er in verschillende groepen gesproken over de terminologie judicieel en justitieel. Welnu, judicieel is nog niet zo moeilijk. Judicium is een oordeel. Een synode, een kerk, spreekt een oordeel uit over een bepaalde leer, over een bepaalde mening die voorgedragen wordt. Dat is natuurlijk wel wat. Er zijn een aantal vragen omheen gesteld, die ik niet beantwoorden kan, omdat de problematiek daaromheen zo geweldig moeilijk ligt. Omdat men zegt: hoe zit het nou als iemand zo'n judicium over zich krijgt. Wordt hij dan 'melaats' — dat staat in het stuk van een groep — wat voor leven krijgt iemand over wiens leer het judicium is uitgesproken? Wordt hij een uitgeworpene? Er zijn vele gemeenten, waar dat niet het geval zou zijn, waar ze misschien precies andersom zullen zeggen: als je een slecht getuigenis van de synode gekregen hebt, dan pleit dat pas voor je. Ook dèt is heel wel denkbaar. In elk geval zit daar dus een aantal vragen omheen.
Uit een andere groep komt de zinnige vraag: Wat gebeurt er als een judicium uitgesproken is en iemand trekt daar zich geen ene moer van aan? Ik vertaal het op mijn manier; Hoe effectief is bijvoorbeeld een synodaal judicium over een steeds weerkerende prediking? Is judiciële leertucht niet alléén zinvol, wanneer iedereen er zich aan onderwerpt en wat gebeurt er wanneer dat niet zo is? 'n Judicium is toch ook niet niks, als je dat opgedrukt krijgt.
Nou, maar als je je er niets van aantrekt, wat stelt het judicium dan voor?
Ik kan er wel enkele kanttekeningen bij maken. Ik vind het nogal wat als dat judicium staat onder de vigueur van wat in stelling I stond: die gereformeerde kerken hebben zich nooit als 'n verbijzondering of 'n bijzondere specialiteit ergens in 'n achteraf buurt van de algemene kerkgemeenschap ervaren. Maar als die met een judicium komen - dat is dacht ik duidelijk aan de wijze waarop wij de afgelopen jaren met de zaak bezig zijn — dan is het niet zo, dat wij de belijdenis uit de kast halen en zeggen; hier heb je de maatstaf. Twintig centimeter te kort? Kop eraf. Zo gaat het helemaal niet. Wij zijn met die belijdenis bezig; wij weten dat we gebonden zijn aan die belijdenis, de wijze waarop dat zou moeten, daar zijn we uitvoerig mee doende. Ik denk aan het rapport over de binding. Maar dan wordt daar rondom de bijbel over gesproken. Dat is met alle gevallen zo. Ik ben zelf nogal nauw betrokken geweest bij de hele problematiek van de verzoeningsleer van dr. Wiersinga, nu dan gaat dat van a tot z over de bijbel; de inhoud, de kern en wat de Schriften van ons willen. Daaraan moet recht gedaan worden. Als daarover op een bepaald ogenblik een oordeel geveld wordt, waar tevoren de synode eindeloos over bezig geweest is, ook om de zéék, de mens en wat hij zegt recht te doen en als dat dan een keer op tafel komt te liggen, dan vind ik: dan mag je wel een hele tijd stil wezen voordat je daarvan zegt: Nou ja, ze zijn in Lunteren een keer gek geworden en toen hebben ze daar de een of andere kreet geslaakt. Dat is natuurlijk niet het geval.
Een judicium heeft a. het kenmerk dat zou kunnen worden omschreven als; evangelisch karakter en b. het moet komen met de zedelijke ernst, waarmee het evangelie op ons afkomt. We spreken nu al maar over verificatie, geloofsverantwoording en geloofsaanvaarding maar dat geldt ook voor déze dingen. Ik zeg niet, dat dit het einde is van de kerkelijke wegen enzovoort, maar in diepster instantie is dat wel zo: dat 't de zedelijke kracht is van 't oordeel van de kerk, waardoor iemand zich alleen kan laten gezeggen en wat de kerk ook tenslotte op kan brengen. Als de kerk daarin dan merkt, dat als het over het wezen gaat, haar zedelijke overtuiging, die ze aan het evangelie heeft proberen te toetsen, niets meer waard is, dan zou dat funest zijn. Want de leerkwestie is dan misschien ook nog een levenskwestie. Dan is leertucht levenstucht en omgekeerd. Want het is geen abstract begrip, dat woordje leertucht. Dan is vervolgens de gemeente daarin ook niet meer dan haar Heer: ook de Here Jezus heeft moeten merken, dat hij niet alles zo kon zeggen, dat iedereen daar ja en amen op zei.
Tenslotte: men is hier en daar — terecht ook wel — gestruikeld over de zin in de constructie van de justitiële leertucht; 'in de justiële leertucht lijkt de echte strengheid van het evangelie verloren te gaan in de veelheid van institutionele factoren.'
Het probleem, waar die zin op doelt is: dat naar ons besef datgene wat men zou willen bereiken daarin niet bereikt wordt. In de eerste plaats misschien niet omdat het gevaar levensgroot is dat juist het zedelijk karakter, waarover ik het geprobeerd heb te hebben, het evangelische karakter in het systeem waarbinnen justitiële leertucht maar al te vaak functioneert, niet meer 'doorkomt'. Dat is voor mij een geweldig moeilijke zaak.
Natuurlijk zijn er gevallen denkbaar, waarin uitwerping, afzetting niet morgen maar gisteren zou moeten gebeuren. Er kunnen ontwikkelingen zijn, waarin de kerk het geloof en het leven van haar Heer zo weersproken vindt en hoort, dat ze zegt; dat kèn eenvoudig niet. We hebben nadrukkelijk niet gezegd dat de héle justitiële leertucht, zijnde onbestaanbaar, afgeschaft moet worden. Getracht is te spreken in de concrete situatie waarin we op het ogenblik met elkaar verkeren. Daar moetje geen axioma uit afleiden: het kan dus nooit meer en het zal dus nooit meer gebeuren, omdat geen enkele kerk die justitiële leertucht meer zou mógen hanteren. Nee, de kerk heeft als uiterste remedie, is in een groep gezegd, en dat vind ik ook: dat middel. Geen uitsluiting derhalve vanwege onmogelijkheid, bij voorbaat, maar: het gaat erom of het daarbij werkelijk de stem van de Heer is, die daarin niet alleen maar uitgesproken wordt, maar die daarin ook hoorbaar is, voor degene die dat aangaat en de wereld waarin dat gebeurt.

Verder: het blijkt in de praktijk, dat wat ergens genoemd is 'het toernooi van de theologen', de vrijheid, blijheid èn felheid waarmee ze elkaar in de haren zitten (dat ze zeggen: het kèn eenvoudig niet wat jij wilt, en je komt er met het evangelie niet mee uit en niet mee klaar) in de theologie aanwezig hóórt te zijn. Niet op de personalistische en de persoonlijke manier waarop dat nog soms in Duitsland toegaat, maar om de zaak-zelf, om die gemeente en de theologie vérder te brengen!
En dèt staat de laatste jaren allemaal onder de schaduw van; Wat maak ik los als ik die steen aan 't rollen breng? Want je bent niet alleen maar theologisch met elkaar bezig, maar bezig in een verhaal dat opgenomen kan worden in een procedure!
Het kan in een context komen te staan, waarvan ik zeg: zo wil ik niet met hem omgaan, ik wil niet ineens aan een kant van die tafel komen te zitten; dat kan zo niet. Ik weet best dat ook bij dit relaas van mij een heel stel kanttekeningen zijn te maken, want wij zijn samen in die kerken en die kerken spreken ons daarop aan en die kerken dragen mij bepaalde dingen (zoals die tafel) op een bepaald moment zelfs óp! Dat moetje dan op je nemen. Maar het feit al, dat het dan een deputaatschap geworden is wijst erop, dat de echte theologie haar eigenlijke en echte ernst, haar vrijheid en felheid dreigt te verliezen! Daarom moet ik als theoloog tot u als synodeleden zeggen: wilt u er alstublieft om denken hoe moeilijk dat juist deze hele zaak voor ons maakt?


Voorzitter: Het is nu het ogenblik om te reageren.


Sybrandy: De binding aan de belijdenis is al wat dynamisch geworden, maar die zie ik toch ook nog weer als een binding aan de bijbel. Wanneer men met die binding kan doen wat men wil — ik meen dat ik zo prof. Kuitert moet verstaan — dan heb ik toch het gevoel, dat we wat in het wild lopen.
De ene kan dit en de ander kan dat doen. Is de zaak daar niet te ernstig voor? Te goed trouwens ook. Ik vind: binding aan de belijdenis is in een kerk onmisbaar. Het zou ongereformeerd zijn, wanneer een kerk zou bestaan zonder een belijdenis, naar óók: zonder zich aan die belijdenis te binden.
Net zo goed als ik het ongodsdienstig vind, dat je God wilt dienen zonder je te houden aan Zijn geboden. Moeilijk is het misschien om de een of de ander van een bepaald standpunt af te krijgen, maar zou dat terwille van de eenheid in de gereformeerde kerken, terwille van de liefde eigenlijk niet veel eerder moeten?


Rothuizen: Voorzitter, een dialoog zonder dwang zet de waarheid buiten de deur, lees ik bij collega Bakker. Ik zou hem willen voorstellen om dialoog zonder dwang te vervangen door dialoog zonder druk. Want er is een mogelijkheid van een dialoog zonder dwang, waarbij de waarheid niet tussen haakjes wordt gezet, namelijk wanneer je de tips van collega Kuitert volgt in een dialoog die over de waarheid gaat. Die zet de waarheid niet tussen haakjes. Ik denk toch dat we aan een eindeloze dialoog zijn overgeleverd — zij het wel een dialoog onder druk van de Here Jezus Christus — zo lang wij blijven kijken door een spiegel in een duistere rede. Dit wil zeggen; zo lang wij allemaal, niet de ene partij wel en de andere niet maar met de rug naar God toe staan, denk ik, dat wij daarmee blijven zitten.
Tweede opmerking; Het is erg moeilijk om te zeggen wat evangelisch gezag is, maar ineens maakt de bijbel dat verrassend duidelijk. Dan staat er; 'Hij sprak als een machthebbende'. En wéér staat dat? Dat staat er, nadat Hij de bergrede heeft uitgesproken en het gehad heeft over de tweede mijl die we met een ander moeten gaan en de andere wang, die wij moeten toekeren.
Ziedaar een punt waarvan we allemaal moeten zeggen: schaamteloos! Wat ontduiken we dit en wat hebben wij een tucht nodig op dit punt. Wat hebben wij als kerken allemaal niet verschrikkelijk de bergrede, die Hij als machthebbende uitspreekt, ontdoken. Zolang wij niet weten wat wij als kerken op dit punt aan onszelf moeten doen, dacht ik, dat we geducht moeten oppassen om net te doen alsof we hier overheen zijn. Ik dacht dat we werkelijk niet bij machte zijn om verder een goed gesprek over tucht te hebben, zo lang we dit niet in onszelf hebben aangepakt.


De Vries: Johannes ontving op Patmos de opdracht het volgende te schrijven aan de gemeente van Tyatira. Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izébel laat vergaan, die zegt dat ze een profetes is en ze leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te brengen. Petrus verwijt dus de gemeente dat zij die vrouw laat begaan. Wil Petrus dan dat zij er een, twee, drie wordt uitgegooid? Nee: 'en ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren, maar zij wil zich niet bekeren.' Ik dacht, dat hierin nu juist uitkomt de geweldige betekenis van de tucht — voor heel veel mensen een onsympathiek woord, maar in werkelijkheid taalkundig een prachtig woord. . .
Tucht betekent immers: trekken, vasthouden. En ik dacht dat deze brief van Petrus aan de gemeente van Tyatira ons woordelijke richtlijnen geeft, hoe dat moet.


Weijland: Er zijn nogal wat problemen geweest in de groepen over dat onderscheid judicieel en justitieel. Maar daar ligt toch niet het eigenlijke probleem. Het eigenlijke probleem ligt in eerste instantie in het woord 'leertucht'-zelf.
Want wij hebben allemaal, en daar rust ons ambt op, beloofd dat wij gehoorzaam zouden zijn aan de Heilige Schrift.
Daar wortelt ons ambt in. Als je nu werkelijk meent dat de bijbel iets zo zegt - daar ligt het probleem - wèt moet je dan tuchten, en hoe moet je dat doen? We moeten dus, dacht ik, onderscheid maken tussen een leerveroordeling die kan moeten plaatsvinden én de tucht, die dan naar aanleiding van verharding in valse leer wel eens zou moeten geschieden. Maar dan gaat het niet om de leer, die getuchtigd wordt, maar om de verhèrding die getuchtigd wordt. Tucht gaat, dacht ik, toch altijd over ethische zaken. Er is eigenlijk geen enkele zonde op zichzelf tuchtwaardig, maar wat tuchtwaardig is is de verharding, is de hardnekkigheid, het onberouwelijke.
Nu ligt daar ergens, dacht ik, de oplossing, waarnaar we verder moeten zoeken. Nog één punt: prof. Bakker heeft het over 'die machinerie' gehad. Ik dacht, dat er inderdaad een gevaar in kan liggen, als die machinerie als een zwaard van Damocles al maar boven je hoofd hangt. Je kunt nooit zeggen; het kan nooit. Maar aan de andere kant kan je ook zeggen: de machinerie begint eigenlijk al bij het ondertekeningsformulier.


Van der Meulen (W.B.) Kunnen wij niet af van dat onderscheid tussen justitiële en judiciële leertucht? Ik zie dat niet als een essentieel onderscheid. Ik dacht dat het ene nooit is los te zien van het andere. Want als er een justitiële maatregel plaats vindt kan dat toch nooit zij n nadat eerst een judicium is geveld? En als een judicium geveld wordt, dan kan ik prof. Bakker niet volgen wanneer hij zegt: dat met een maatregel die daarop zou volgen het ethische geyvicht niet 'overkomt'. Is het niet zo, dat wanneer wij zeggen judicium, in dit geval een beoordeling, een veroordeling; wanneer de kerk zegt: dit is een dwaling, maar daarnéést de gelegenheid openlaat om deze dwaling te verkondigen, dat dan juist datgene gebeurt wat prof. Bakker zo beducht maakt, namelijk dat niet meer overkomt het onderscheid tussen kerk en on-kerk. Nemen wij onszelf werkelijk nog wel serieus in ons judicium, als we in het uiterste geval, ook niet bereid zijn er een maatregel aan te verbinden? Dat is mijn vraag.


Ros: Als we na ruim een dag bezig geweest te zijn met ons geloof en de verwoording daarvan nu moeten praten over binding aan de belijdenis, dan vind ik dat dit eigenlijk niet kan. Ik dacht dat daar eerst een tijd tussen zou moeten liggen.
Een tijd van bezinning, een tijd van overdenking. Als ik denk aan belijdenis, dan zeg ik, dat een belijdenis zich baseert op het levende Woord. Dat een levende Woord is iets wat in beweging is, dat groeit. Een belijdenis moet dus meegroeien. Als je dan als kerk, d.w.z. als broeders en zusters, wilt nadenken over de inhoud van die belijdenis voor vandaag en van morgen, kan dit alleen maar door daar gezamenlijk over te praten om gezamenlijk vast te stellen wat de belijdenis van de gereformeerde kerken vandaag is. Maar dat is dan een mobiele zaak. Dan zal je ongetwijfeld samen ook moeten afspreken hoe breed de marge is. We hebben hier geleerd dat het aan de ene kant dus gaat om de inhoud van de boodschap — nou, dat wisten we dan al; dat is de vraag; Gaat het werkelijk nog over God als ons heil? — en dat we het aan de andere kant hebben over het adres van de boodschap.
Het blijkt dan ook nog een keer zo te zijn, dat vanwege dat adres die inhoud voor de één, de ene geadresseerde en dus ook voor de ene boodschapper, een ènder licht geeft op de inhoud van die toch zelfde boodschap. Dan gaan we samen op weg, niet alleen met andere kerken, maar ook met onze broeders. Laten we dan eerst voorlopig zo eens samen op weg gaan. Ik wil graag met broeder Ridderbos, met broeder Kuitert en met broeder Wiersinga samen op weg en samen overleggen. Dan ben ik ook bezig met tucht. Want ik vind een gesprek een vorm van broederlijke tucht. Ik zou willen vragen om met het moderamen te overleggen of wij over de uitvoering van die broederlijke tucht niet een tweede gesprek kunnen hebben.


Heida: Met judiciële en justitiële tucht beide heb ik de grootste moeite. Ik dacht dat de kerkgeschiedenis geleerd heeft, dat je ontzettend voorzichtig moet zijn en dat men mèt de ketters ook vaak de heiligen de kerk heeft uitgegooid. Dat is het probleem waar je mee blijft zitten. Zou het niet veel beter zijn, dat de kerk-zelf (de synode) spreekt en dat ze de theologen laat spreken en dat ze niet óver de theologen spreekt, dus zelf klare wijn schenkt. Is dat niet de benadering van bepaalde problemen? Om met prof. Van der Leeuw te spreken; je houdt de leer misschien zuiver, als je de put dicht maakt van onderen, maar dan stroomt er ook geen water meer binnen en dan is het dacht ik wel: 'de dóód in de put'.
Men hoeft ook, dacht ik, niet al te bang te zijn, want een theoloog en welke schrijver ook, heeft toch alleen maar weerklank als nfen zich daarin herkent. Dèn komt hij pas over. Is dat niet zo, dan komen zijn boeken wel bij De Slegte terecht.


Ridderbos: Voorzitter, justitiële leertucht treedt op wanneer men zich aan het judicium van de kerk niet onderwerpt. Dat is dan een geweldig probleem van de kerk.
Het wordt veroorzaakt doordat degene die onder dat judicium valt weigert wat hij beloofd heeft: zich eraan te onderwerpen.
Hoe komt het, dat in deze hele problematiek deze zedelijke verbinding, die men begint aan te gaan, bijna nooit in het gesprek wordt opgenomen?


De Koning: Bij binding aan de belijdenis meen ik dat er drie mogelijkheden zijn. 1. De binding aan de belijdenis loslaten, maar ik ben van mening dat kan niet zo en dat kan niet nu, want we hebben er ons aan gebonden. Als we het doen leveren we onze gereformeerde kerken in. 2. De huidige situatie handhaven en tolerant blijven. Die tolerantie kan wisselen, dacht ik, omdat de besluiten van de vergadering zoveel mogelijk met eenparige stemmen genomen moeten worden. En naar die eenparige stemmen moeten we dus altijd zoeken. 3. Een mogelijkheid, die ons nu wel eens wordt verweten, zeker als synode: de theologen maar laten praten en doen of zij buiten elk kerkverband en dus ook de kerkorde staan. Dat vind ik onmogelijk voor de kerk en unfair tegen wie het zou gaan. Dan nog dit. Ambtsdragers en ook functionarissen in de kerk die zich niet aan de belijdenis houden, plegen in feite meineed als ze zeggen 'ik voel me er eigenlijk niet zo aan gebonden.' Ook in dit verband vind ik het niet fair als we dan net zouden doen alsof we er niets van zouden weten.
Er is tenslotte ook gevraagd naar wegen die ons tot een oplossing kunnen brengen.
Deputaten Kerk en Theologie zijn al genoemd. Mag ik ook nog wijzen op art. 118 KO waar een periode van rust ter sprake komt zonder dat (nog) van een tuchtmaatregel sprake is?


Leenstra: In Intermezzo van prof. Bakker onder 3 staat; 'bepaalde wegen van leertucht zijn onbegaanbaar'. Is dat zo? Is leertucht een vies woord? Ik vind van niet — tucht is een zeer goede vorm van communicatie. Moet tucht niet worden gezien in verband met gevraagde en verkregen verantwoordelijkheden? Verantwoordelijkheid betekent niet; ik kan veel doen, maar: ik ben degene die op bepaalde vragen mij verplicht heb antwoord te geven. Dat brengt de overeengekomen verantwoordelijkheid mee.


Pieltjes: Prof. Kuitert heeft enkele malen gezegd; Jullie zijn niet consequent, omdat de vrouw in het ambt is aanvaard. Ik moet hem daar helemaal gelijk in geven. In mijn kerkeraad heb ik er daarom destijds tegen gestemd. Bij mij is er een spanning tussen gevoel en verstand. Naar mijn gevoel vind ik het gewoon fijn dat de vrouwen erbij zijn, maar mijn verstand zegt: volgens de bijbel mag het niet. Verder onderstreep ik de woorden van broeder Sybrandy en het laatste wat prof. Ridderbos gezegd heeft.
Tenslotte wil ik graag tegen prof. Kuitert zeggen dat ik zijn opzettelijk provocerend schrijven en praten niet juist acht.


Appers: Een korte opmerking over dialoog en tucht. De dialoog is in ons kerkelijk leven eigenlijk nog onbekend. Je voelt wel eens dit; dat men denkt op het moment dat we aan dialoog gaan beginnen — ik denk niet aan de synode, maar aan het brede kerkelijk leven —- nu zijn we de tucht kwijt.
Gevreesd wordt, dat in vergelijking met de traditionele tucht de dialoog slap is en tuchtloos. Ik dacht dat, hoe beter we de dialoog gaan organiseren en leren, deze als een dialoog om het heil voor God in deze wereld, een dialoog dus terwille van de waarheid niet tuchtloos zal blijken te zijn.
Wellicht dat we daarbij toch kunnen ontdekken, dat je op andere wegen elkaar bij de Heer en bij die wereld kunt houden.


Van Oord: Geen enkele vraag, geen enkele opmerking. Alleen: dank u wel dat ik als congresganger-synodelid dit heb mogen meemaken. Dank u wel, dat wij zo op dit niveau een samenspreking mochten hebben. Ik geloof dat dit absoluut zijn uitwerking zal hebben, ook op toekomstige synodevergaderingen.
Schrik slaat om mijn hart als we straks weer bij een bepaald onderwerp veertig sprekers krijgen zonder énige dialoog. Zou deze unieke vergadering dan niet een réveil-achtige beweging aan de gang kunnen brengen, dat synodes minder belangrijk worden (dat ze ook minder geld gaan kosten) en dat we het zó doen? Ik denk dat prof. Plomp (man van het kerkrecht — red.) me nu een beetje boos zal aankijken...


Voorzitter: Hij lacht op dit moment.


Van Oord: Maar nogmaals, ik ben het met broeder Ros helemaal eens — ik denk dat er wel een voorstel bij het moderamen binnen zal komen daarover. Wat mezelf betreft, ik vind het geweldig dat ik weer wat geleerd heb en verder gekomen ben om de juiste stijl, de juiste houding te vinden in deze nieuwe tijd. Wat waren ze geweldig en toch ook weer puur gereformeerd de broeders Ridderbos, Kuitert, Bakker en Schippers. Bakker soms zo zeer dat het af en toe een beetje boven ons waarderingsvermogen uitging. Nogmaals: een geweldige stap vooruit en ik verwacht minstens, dat wij dit zullen herhalen. Dat zal vreugde bij de gemeente en waarschijnlijk ook bij de engelen teweegbrengen.


Van Elk: Ik vind dat we hier een stukje tucht hebben geoefend met elkaar. We hebben het hart op de tong gelegd. Vandaar de lyriek van prof. Ridderbos, denk ik, over de God van Abraham, Izak, Jakob en de Vader en onze Here Jezus Christus.
Vandaar ook, geloof ik, de hartstocht van prof. Kuitert voor de God van de christenen, de God die de andere goden inhaalt en waarmee je de toekomst in kunt en Die bewijst wat Hij zegt ook waar is. En de liefde van prof. Bakker voor de eenheid van onze kerken. Volgens mij is dit misschien wel de enige manier, waarop wij elkaar de waarheid kunnen zeggen en waarop je met elkaar om kunt gaan in de kerk. Daarmee moeten we doorgaan: Misschien wel eens moeilijk, want je denkt gauw in een kader.
Maar als Paulus het heeft over de lengte, de breedte de hoogte en de diepte en als hij zegt; ik jaag ernaar, ik ren me een ongeluk opdat ik erbij zou kunnen, dan heb je het idee dat Paulus het ook allemaal nog niet eens precies op papier kon zetten, laat staan dat hij het in zijn vingers had. Op die manier moeten wij met elkaar bezig blijven.
Je kunt iemand wel de gereformeerde kerk uitschoppen, maar dan blijft hij tóch lid van de Kerk.


Voorzitter: Broeder Van Elk, u bent bijna bezig met een slotwoord.


Van Elk: We moeten ons niet laten regeren door de angst, maar door de Heer.
Tenslotte: de predikanten zouden wat meer als zeef moeten functioneren en de gemeenteleden zouden wat beter moeten weten dat een professor niet hetzelfde gezag heeft als de bijbel.


Voorzitter: U begrijpt dat het niet mogelijk is dat op al deze reacties nog eens een reactie komt van de zijde van prof. Bakker.
De laatste opmerkingen vormen een goede overgang naar het punt 'Hoe verder?', dat nog rest. Daarbij wordt uw aandacht gevraagd voor de volgende opmerkingen uit de groepen; 'We vragen ons af in hoeverre het deputaatschap Kerk en Theologie functioneert en of dit deputaatschap wellicht tot een soort overleginstantie zou kunnen worden omgevormd'. Verder; 'Wat gebeurt er nu vervolgens?' Tenslotte: 'Moet de dialoog zich uitsluitend afspelen op het niveau van de generale synode?'
Er is gezien de tijd nog maar voor enkele mensen de gelegenheid erop in te gaan.


Groenendijk: Voorzitter, eerst wil ik mij graag aansluiten bij wat meneer Van Oord heeft gezegd. Dat had ik ook willen zeggen, maar ik kon het lang zo mooi niet.
Maar wat doen we nu verder in de gemeente: wordt daar nu meer in groepen of wat ook over deze dingen samen gepraat?
Ik denk daarbij vooral aan verontrusten.
Want het is erg belangrijk dat de dialoog ook bij hen veel meer kansen gaat krijgen.
Ik denk ook heel sterk in dit verband aan de mensen (mag ik het zo zeggen?) die aan het weglopen zijn. Hoe krijgen we die weer terug? Ik heb al eens eerder gezegd; probeer ze er allemaal toch weer bij te halen.
Zet ze weer aan het werk, want velen zijn ook vaak wel eens verwaarloosd. Verder zou ik het op onze weg vinden liggen toch vooral met de mensen van 'Waarheid en Eenheid' door te praten en geen verzoeningspoging ongebruikt te laten om als het kan weer veel meer samen op weg te gaan.


Van Apeldoorn: Wat de deputaten Kerk en Theologie betreft heb ik het gevoel dat deze een beetje andere functie hebben. Althans op een ander niveau, dan waarop we hier bezig waren. Maar we krijgen op een keer een rapport van deze deputaten. Laten we dus afwachten wat dat oplevert en dan kunnen we bekijken of dat ook daar in te passen is. Dan; of zoiets, als deze conferentie, meer zou moeten gebeuren? Als het één keer per jaar gebeurt voor synodeleden kan het, dacht ik. Wordt het meer dan wordt het moeilijk. Maar misschien kan het ook anders. In november vorig jaar hebben we een zaak doorgespeeld naar een synode-commissie. Dat is óók een niveau waar het kan gebeuren. We moeten er nog maar eens over nadenken.


De Moor: Ik ben er volkomen van overtuigd dat deze conferentie ook duidelijk gemaakt heeft, dat het beslist niet alleen op het niveau van de generale synode alleen moet.
Daarom voel ik helemaal niets voor een uitbreiding of herstructurering van een synodaal deputaatschap om die dialoog verder voort te zetten. Herhaaldelijk is terecht gezegd: de gemeente moet hierbij betrokken worden. Daarom dacht ik, dat we gewoon als synode een deputaatschap moeten instellen om te bestuderen hoe we die dialoog naar het grondvlak toe stimuleren? Dat zou ik graag willen.


Weststrate: Over het omvormen van deputaten Kerk en Theologie tot een soort overleginstantie het volgende. Ik zat zelf in die groep: daarbij ging het er ons niet zozeer om dat dit deputaatschap zou moeten worden omgevormd, want daarvoor staat in onze rapportage dat, voordat men over judiciële leertucht gaat praten, we eigenlijk een andere instantie zouden willen hebben, die niet gezien moet worden in het kader van de tucht. We menen namelijk, dat als je over leertucht spreekt het over de leer gaat.
Ik denk aan het geval Netelenbos en Schilder. Wat wij zouden willen is — en dat geldt in de eerste plaats voor de theologenzelf — of het niet mogelijk is op vrijwillige basis een overleg gaande te brengen waar 'ideeën' van theologen kunnen worden besproken. Dan kan men elkaar tot een hand en een voet zijn, op consequenties wijzen en wanneer het dan later toch gepubliceerd wordt is wellicht het gevaar minder dat er direct onrust wordt geschapen. Ik dacht dat dit ook een zaak is die we bekijken moeten. Laten we niet vergeten dat er binnen de kerk en de gemeente-zelf reacties komen. Kerkbladen spelen hier ook een rol in. Er wordt soms al vrij gauw een oordeel gegeven en dan is er weinig meer nodig, of we zijn weer bezig elkaar etiketten op te plakken. Tot nu toe is het zo geweest, dat er altijd het eerste gepraat wordt over 'bij afwijking van de belijdenis'. Maar moet dèt nu altijd acuut het kriterium zijn? Op die manier wordt iemand in feite al direct min of meer suspect verklaard. Ik dacht dat we daar af moeten en op die manier graag zoiets als een generale preventie willen hebben, die de synode ervoor bewaren zou dat ze er telkens tal van bezwaarschriften over op tafel kreeg.


Voorzitter: De tijd om een samenvatting van het geheel te geven ontbreekt. Ik zou nu willen volstaan met voor de vuist weg een aantal punten speciaal onder de aandacht te brengen. Mijn eerste opmerking betreft de vraag of wij in deze dagen werkelijk in vrijheid hebben kunnen spreken. Tijdens de conferentie heb ik mij daarvan uitdrukkelijk op de hoogte gesteld bij diegenen, die ondanks alle goede bedoelingen last zouden kunnen hebben van een zeker gebrek aan vrijheid, al was het maar voor hun eigen gevoel. Zij hebben mij verzekerd, dat zij het gevoel hebben gehad hier open te kunnen spreken. kunnen spreken.
Het tweede punt dat ik uitdrukkelijk wil aansnijden is het feit, dat het bekende boekje 'Zonder geloof vaart niemand wel' in deze conferentie bewust niet aan de orde is geweest. Uit enkele opmerkingen zou men de indruk krijgen dat het 'tussen de regels door' of 'achter de hand' op één of andere wijze beoordeeld is. Dat Is niet het geval. Wat hier besproken is, dat zijn de uitlatingen van de theologen, die zij hier hebben gedaan. Dit betekent t.a.v. het genoemde boekje, dat de beoordeling daarvan geheel openblijft. Bovendien mag er uit het op deze conferentie besprokene niet worden geconcludeerd, dat de hier uitgesproken bedoelingen niet zouden kloppen op die van het boekje. Wij moeten formeel en ook inhoudelijk duidelijk stellen; het is niet aan de orde geweest.
Vervolgens zou ik in dit afrondingswoord willen betrekken wat hiervoor reeds gezegd is over de spanning en over de eenheid in het geloofsaxioma zonder dit te herhalen.
Het woord 'kloof' is daarna toch nog weer gevallen. Welnu; wij mogen het geweten van de ander niet overheersen. Ik zeg dus niet, dat wij het woord kloof hebben wéggewerkt. Wij kunnen hoogstens stellen, dat bij velen de gedachte heerst dat het woord kloof niet geschikt is om aan te duiden wat er zich wérkelijk afspeelt, maar dat voor anderen dit woord nog bruikbaar is en blijft. Dit hangt samen met de vraag, of er iets al dan niet toegedekt is. Daarover zullen wel verschillen van mening blijven bestaan.
Maar is dit niet de winst geweest van deze conferentie, dat naar de kant van de intenties (de diepste bedoelingen) gebleken is, dat iedereen uit het geloof wil theologiseren en dat we daarin duidelijk met elkaar verbonden zijn?
Gemeente en theologie staan beide in de geloofsverantwoording, zij het ieder op eigen wijze. En als het dan over de theologie gaat, in de analyse van prof. Bakker is gebleken, dat er sprake was van grote verschillen, die ik persoonlijk graag onder het woord 'creatieve spanning' breng. Van die verschillen moet worden gezegd, dat er theologisch wellicht meer mogelijk is dan wij hebben gedacht. Als ik het nu heel voorzichtig zeggen mag; uit de analyse blijkt, dat niet zonder meer vaststaat dat er geen verbindingen liggen tussen beide theologieën. Hieraan zou in de toekomst meer aandacht moeten worden geschonken, allereerst wel door de theologen onderling.
Een volgend punt is, dat in deze conferentie wel gebleken is, dat de gemeente in dit alles een heel bijzondere factor is. Het gaat om een ingewikkelde verhouding: een verhouding tussen theologieën onderiing en een verhouding tussen theologie en gemeente.
Denkend vanuit de gemeente hebben velen gezegd: de gemeente is mondig, zij kan en moet het zelf uitmaken, maar ook; wat stort de theologie over de gemeente uit? Ik geloof, dat aan de theologen de vraag is meegegeven: kan uw theologiseren ook creatief zijn? Ik gebruik dit woord bewust opnieuw, omdat ik op dit moment niet wil zeggen: Kan theologie ook zo zijn, dat er geen enkele onrust in de gemeente ontstaat, maar mag en moet het niet altijd een zodanige onrust zijn, dat een stap naar voren mogelijk wordt? De gemeente moet het kunnen verwerken en gebruiken in haar geloofsverantwoording.
Hangt dit niet samen met de verhouding van de theologen onderling? Daar is niet uitdrukkelijk over gesproken, maar misschien mag dit dan een persoonlijke noot zijn. In de wandelgangen is het wel terdege aan de orde geweest. Verkeren de theologen onderling in die evangelische stijl waarover prof. Bakker gesproken heeft? Er zijn allerlei verschijnselen van angst, niet alleen van theologen bijv. ten opzichte van de kerk, maar ook ten opzichte van elkaar.
Het is belangrijk dat daar iets overwonnen wordt.
Het grote en moeilijke punt 'de Koers' heeft, meen ik, alleen maar een stuk huiswerk opgeleverd. De uitlatingen, die daarbij naar voren gekomen zijn, zullen niemand hebben bevreemd, maar we zullen allen toch wel onder de indruk gekomen zijn van het feit dat hier geen recht toerecht aan-oplossingen mogelijk zijn.
Tenslotte spreek ik een woord van dank tot de conferentiedeelnemers, de gespreksleiders en de rapporteurs voor de fijne samenwerking.
Het slotwoord is aan ds. Mak.


Mak: Zusters en broeders, ik zal het maar erg kort maken. Wij zijn begonnen op deze conferentie tegen elkaar te zeggen en aan elkaar te vragen; zouden we samen een nieuw oriënteringspunt, zouden we samen een nieuw élan kunnen ontvangen? De vraag is; kan het antwoord daarop nu geformuleerd worden? Ik heb de neiging om te zeggen: Ja. Maar het staat niet aan mij, het staat aan ons allemaal, om het goede antwoord te geven. Ik denk, dat we vrij spoedig een zeer uitvoerig verslag van deze conferentie zullen ontvangen. De bandrecorder heeft gedraaid, de stukken zijn geproduceerd: alles wat op papier is gezet, maar niet minder: alles wat u hebt gesproken, komt in een conferentieverslag.
Het moderamen neemt zich voor dat conferentieverslag te evalueren: om dat er uit te halen wat ons nieuwe oriëntatie en nieuw élan zal geven. En niet alleen ons, maar juist ook de kerken voor wie wij hier zitten, in dienstbaarheid en liefde. Welnu, dan spreek ik een vermoeden uit, niet zozeer materieel, als wel formeel. Ik denk, aansluitend bij wat in laatste instantie door sommigen van u is gezegd, dat het er wel in zou kunnen zitten dat wij van tijd tot tijd, zonder tekort te doen aan hetgeen onze taak is als synode, in conferentie bij elkaar zullen zijn om punten die voor de kerken en daarom nu eenmaal ook voor ons van belang zijn, samen door te praten.
Iemand heeft mij eens gezegd en ik citeer dat graag; als dèt zou lukken, als dèt zou kunnen worden ingebouwd, ingebed in de manier waarop wij kerk zijn in Nederland, dan zouden we bezig zijn met een unieke zaak. Want er wordt veel gepréét over dialoog en over dialoog-kerken, maar er naar gedaan? Als het ons zou lukken van tijd tot tijd zo in conferentie bij elkaar te zijn, dan zouden wij in een stijl handelen naar mijn mening, die verantwoord is voor God en daarom verantwoord is voor de gemeenten. Voor oud en jong in onze kerken.
Ik denk dat dit oriëntatie en élan zou kunnen geven. Nogmaals: het moderamen zal u daarover berichten.
Dan wil ik een enkel woord van dank spreken. U mag straks lang applaudiseren.
Ik wil in het algemeen de theologen, die hier geweest zijn zonder nu hun namen te noemen, geweldig bedanken voor hun inzet. Niet voor het feit, dat ze van de Olympus zijn neergedaald om bij het gewone volk te verkeren, maar omdat zij hun zaken - en dat was het onderwerp van de conferentie; kerk, theologie, confessie, theologanten — zo openhartig en blijkbaar met de moed om nu niet bang te zijn om hun zaken op tafel te leggen, hier bij ons hebben gedeponeerd. Ik dank de leden van de synode, dat zij de moeite hebben genomen - en het wès wel eens een moeizaam geval - om dit te volgen, om dit mee te maken en dan nog zichzelf te blijven ook en recht overeind te blijven ondanks de vermoeidheid, tot op dit moment.
Nu word ik concreet in het bedanken. Ik bedank onze sprekers Ridderbos en Kuitert. Zij vallen niet het minst onder het judicium dat ik zoeven heb gegeven aangaande de theologen; openhartigheid, eerlijkheid, christelijkheid. Ik dank prof. Bakker en prof. Veenhof als mannen van het Intermezzo. Bakker zit daar nog. 'Zijn daden benne groot'. Veenhof zat eerst daar, in het midden, kwam toen hier vooraan en zit nu helemaal achteraan. Je zou zeggen: heeft hijzelf het idee dat hij niet zo belangrijk was? Dan zeg ik; hij heeft achter de schermen tot in nachtelijke uren veel geholpen en veel gedaan.
Dan dank ik broeder Bovenberg (synodebureau) met de anderen en niet te vergeten mejuffrouw Holwerda die hier tot in nachtelijke uren, toen de meesten van ons zo niet sliepen dan toch in bed lagen, hier bezig zijn geweest en alles hebben geproduceerd wat u op papier onder uw aandacht hebt gekregen. Dat was goed werk.
Tenslotte collega Schippers, onze voorzitter. Hem komt grote dank toe. Ik heb zitten denken gedurende deze dagen: Als je nou nog eens een synodevoorzitter nodig hebt die van 'buiten' wordt toegevoegd en als je nou altijd zo'n vent wilt hebben uit Overijssel (dr. Kruyswijk, ds. Mak en nu dus drs. Schippers, red.) dan moet je Schippers nemen. Hij beheerst het vak. Ik heb er van geleerd. Hij heeft veel gedaan, waarschijnlijk het zwaarste werk. Het viel niet mee, dacht ik. Hem komt grote dank toe.
Ik heb, dacht ik, zeven mensen genoemd.
Ik heb voor zeven mensen namens u allen wat laten aanschaffen. Als u nu applaudisseert zo lang ik tijd nodig heb om dat uit te delen, dan hebt u ook wat gedaan!
Zusters en broeders. Wij sluiten in de regel onze synodedagen met Schriftlezing. Dat zou ik nu ook wel willen doen, maar in het Liedboek staat Gezang 95, dat is een berijming van Jan Wit van Efeze 3 vanaf vers 14. Ik verzoek U, zingende, de Schrift tot u te nemen ten besluite van deze conferentie. Daarna zal ik met u bidden en danken.

Uit Gezang 95:
'Dan zullen wij met alle heil'gen saam
in 't morgenlicht op hoge tinnen staan
en hoogte en diepte, lengte en breedte van
Gods heil doormeten mogen.
Dan kennen wij de liefde uit den hoge
al gaat zij verre het verstand te boven.
Wij zullen tot de volle wasdom komen
in Gods verheven naam'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1976

Kerkinformatie | 56 Pagina's

Conferentie van Synode over spanning tussen theologie en gemeente

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1976

Kerkinformatie | 56 Pagina's

PDF Bekijken