Bekijk het origineel

Dienen en jezelf geven?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dienen en jezelf geven?

7 minuten leestijd

We kennen allemaal het beeld: Een vrouw heeft haar hele leven gediend. Zij heeft talloze mensen geholpen. Tenslotte is ze uitgediend. Zij vereenzaamt snel, blijkt eigenlijk geen leven meer te hebben. Niemand kijkt naar haar om; degenen, die het nog doen, menen er niet onderuit te kunnen. Of daar is de man, die zijn leven dienend doorbracht, op zijn werk, overal. Hij gaat met pensioen, verliest zijn ‘baantjes ’. Hij is als een lege huls, en niet zelden sterft hij al heel gauw.

Er is met het dienen kennelijk allerlei aan de hand. Je kunt het goed, maar ook verkeerd doen. Doe je het goed, dan wordt de ander geholpen, maar je wordt tegelijk zelf verrijkt. Doe je het verkeerd, dan help je wel op allerlei manieren, de mensen tonen ook vaak dankbaarheid, maar het beklijft niet. Je blijft, met al je dienen, zelf arm, en je stort je weer in de dienst om dat gevoel kwijt te raken.


‘Dienen ’ en ‘helpen’ zijn diakonale trefwoorden. We zijn — ook in Diakonia — vaak bezig met de manieren om dienen en helpen gestalte te geven, en met allerlei vormen van nood, waarmee de kerk wordt geconfronteerd.

Het is goed, vanuit de praktijk steeds weer terug te gaan naar de kern. De kern — de bron, de geest, of hoe u het noemen wiltvanwaaruit wordt gewerkt of zou moeten worden gewerkt. Bijgaand artikel van de secretaris van de Raad voor de Herderlijke Zorg, ds. Kaptein, gaat op die kern nader in. Zijn conclusie luidt dat het in het dienen niet gaat om het veranderen van situaties, maar van mensen; ook dat het gaat om de ontmoeting van mensen. Als bijdrage aan de gedachtenwisseling, die wij graag ook in ons blad willen voeren, plaatsen wij dit artikel.

Red.


Goed en verkeerd helpen

Hoe kun je onderscheiden tussen goed en verkeerd? Goed betekent dan: dat wat je helpend doet, beantwoordt aan zijn doel. De ander wordt werkelijk geholpen, terwijl je er ook zelf door verrijkt wordt.

Verkeerd: die ander wordt wel geholpen, de incidentele nood en de incidentele moeilijkheden worden opgelost, maar de ander is er niet van veranderd. Hij is wel geholpen, maar hij is niet een geholpene.

Als er goed geholpen wordt, veranderen — ook al wordt er niet over gesproken — niet alleen situaties, maar ook mensen. Wordt er verkeerd geholpen, dan veranderen uiteindelijk alleen situaties.

We hebben het daarmee nog niet gehad. Als er goed geholpen wordt, benadert een mens in innerlijke vrijheid een ander mens, die hulp nodig heeft. Beiden zien zij elkaar in de ogen. Van daaruit wordt duidelijk, wat er gedaan moet of zou kunnen worden. Er kunnen dan natuurlijk nog fouten worden gemaakt, maar de inzet is dat mensen mensen ontmoeten, die samen op situaties afgaan.

Wordt er verkeerd geholpen, dan benadert, in de grond van de zaak, een mens in onvrijheid een situatie, waarin een ander mens verkeert. Hij wil die situatie verbeteren vanuit de gedachtengang dat ‘het’ daardoor beter wordt, en dat het dus de betrokkene ook beter gaat. Die betrokkene verandert er niet van. Uiteindelijk wordt dus ook zijn situatie niet beter.

Hoe kun je onderscheiden tussen goed en verkeerd? Om het maar eens te proberen: Goed is het als een mens vanuit een opdracht, die hij op de een of andere manier hoort en aanvaardt, een medemens in nood benadert, om tenslotte samen met hem de nood op te heffen.

Verkeerd is het, als een mens, om welke reden ook, niet verdragen kan dat er nood is en dus met de nood aan het werk gaat. Hij weet in de grond van de zaak niet, waarom hij geen nood verdragen kan. Hij kán die nood eenvoudig niet verdragen en hij bestrijdt dus die nood door te helpen.

Vruchteloos

Het lijkt niet onjuist, ervan uit te gaan dat er veel op de twééde manier geholpen wordt. Natuurlijk met de allerbeste bedoelingen, niet zelden met buitengewone opofferingen, maar uiteindelijk is het vruchteloos. Vruchteloos, maar niet zinloos. Er worden immers erg veel dingen uit de weg geruimd, die leed en dikwijls ondragelijk leed veroorzaken.

Dit helpen is uiteindelijk tóch vruchteloos, omdat het de helper — ook al is hij van het tegendeel overtuigd — tenslotte niet om de medemens, maar om de nood als zodanig is te doen. De geholpene wordt daardoor tenslotte niet als mens bereikt. Ook de helper bereikt zijn werkelijke doel niet. Hij verslijt zichzelf bij het helpen, maar hij komt er niet verder mee. Het is een ‘symptomatisch’ handelen, dat door velen wordt geprezen — als het helpen tenminste niet te opdringerig wordt —, maar waardoor de bron van de onrust, die tot helpen aanspoort, niet wordt gedempt.

Wat is uiteindelijk die bron? leder, die zo helpt — en dat doen we natuurlijk allen op z’n tijd —, vraagt uiteindelijk in zijn helpen zelf om hulp. Hij gaat steeds weer op de medemens af om te hélpen, met het vage of duidelijke gevoel, zelf nog nooit werkelijk geholpen te zijn.

Hier komen we aan de kern. Bij het helpen op déze manier komt het nooit tot een zinvolle, alle betrokkenen dragende menselijke ontmoeting. Als de, in de grond van de zaak uiterlijke, nood wel wordt opgeheven, maar als mensen, de geholpenen en de helpenden, elkaar niet dragen.

We verdedigen ons bij dit alles natuurlijk met man en macht: ‘Je moet toch gewoon eenvoudig je plicht doen ?! Het wordt toch van je verwacht?! Wat kén je dan anders?! Je kunt jezelf toch ook niet altijd volledig géven?!’

En toch, we komen er niet mee van de plek.

Ontmoeting

Als er in de goede houding wordt geholpen, heb je geen eigen, persoonlijk belang bij het opheffen van de nood. Je hebt belang bij een persoonlijke ontmoeting met een mens in nood. Die persoonlijke ontmoeting is immers in de grond van de zaak je opdracht. Zij heeft haar waarde in zichzelf. En verder heeft zij een functie: zij dient om nood op te heffen.

Een persoonlijke ontmoeting kan alleen in vrijheid plaats vinden. Alleen vrije, bevrijde mensen kunnen dus werkelijk helpen. Omdat het om de vrijheid gaat, waarin alleen geholpen kan worden, is er ook een opdracht om te helpen nodig. Je bent diaken, verpleegster, buurman of buurvrouw. Als er naar nood gezocht wordt, om die op te heffen — en daar zijn we in de kerk niet geheel vrij van —, is het onvrij handelen, dat dus voortdurend gevaar loopt zinloos te zijn of te wórden.

We zien dit alles uiteraard ‘volmaakt’ voor ons in Jezus. Hij gaat in vrijheid, vanuit de opdracht, op de mensen áán, die naar Hem toekomen. Hij treedt in de ontmoeting en in de ontmoeting helpt Hij. Hij is totaal bij de ander, maar Hij geeft zichzelf nooit op. Hij dient tot aan het kruis, maar daar is Hij tegelijk de Koning. Daar blijkt ook tegelijk dat deze dienst in vrijheid het Rijk sticht.

In zekere zin is het bovenstaande niet anders dan een toepassing van het grote gebod dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Weer anders: je kunt je naaste niet méér liefhebben dan je jezelf lief hebt.

Om dit nog weer in de sfeer van het dienen te brengen:

Alleen hij, die zich dienend geeft, maar tegelijk zichzelf blijft en steeds meer wórdt, kan werkelijk dienen.

Het gaat bij dit alles om een ‘leerproces’, om een weg, die je in het leven gaat. Het is de leerschool van het evangelie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 maart 1976

Diakonia | 36 Pagina's

Dienen en jezelf geven?

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 maart 1976

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken