Bekijk het origineel

De beleidsvorming in het college

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De beleidsvorming in het college

8 minuten leestijd

In een college van bewust levende mannen en vrouwen moet altijd weer opnieuw de vraag gesteld worden naar een verantwoord beleid. Vaak wordt echter over het hoofd gezien dat er iets aan vooraf dient te gaan. Belangrijker in vele opzichten dan het beleid, is de wijze waarop het tot stand komt.

Er is veel traditioneel of haastig gevoerd modern ‘beleid’. dat een volwaardig diakonaat van de gemeente in de weg staat. Omdat vanuit de traditie, vanuit de financiële armslag, vanuit de mentaliteit van een groep diakenen te voren al vast staat, wat moet worden gecontinueerd of uit de grond gestampt. Ja, zelfs tot een eenvoudige koerswijziging in het beleid is een college vaak niet in staat.

Voordat het beleid van diakenen tot stand komt, moet de vraag naar de beleidsvorming boven tafel komen. Waarom dit nodig is, wil ik trachten aan de hand van een voorbeeld te verduidelijken.

Daar moet iets aan gebeuren …

In een bepaalde gemeente is er een groot aantal buitenlandse arbeiders en werklozen: Surinamers, Turken, Marokkanen enz. Diaken Jansen komt ze regelmatig op straat tegen, eenzaam in zichzelf gekeerd, of in een groepje naar elkaar gekeerd.

Hij denkt: daar moet diakonaal iets aan gebeuren ! Op de diakonievergadering komt men echter niet verder dan wat men ook al met niet veel succes met ‘de gehandicapten’ heeft geprobeerd: een werkgroep gaan samenstellen, op gevaar af dat men de mensen ervoor toch niet zal vinden, en een beetje geld uittrekken voor een eerste aktiviteit.

Een dergelijk spontaan ‘beleid’ kan de weg versperren naar een verantwoord beleid en zeker ook naar een goede beleidsvorming.

Het kan blijken dat het nog om heel andere dingen gaat dan ‘diakonale verantwoordelijkheid nemen ten behoeve van …’. Er zal toch tenminste een grondige situatieverkenning moeten plaatshebben. De vraag zal moeten rijzen, of de diakenen goede instrumenten zijn of deze kunnen vinden, om onrecht te bestrijden en een stuk gemeenschap te bieden, om de eigen gemeente zo ruimhartig en ruimdenkend te laten zijn als van hen, die het avondmaal vieren, kan worden verwacht. Kortom, het kan zijn dat met wat niet meer lijkt te zijn dan een klein stukje beleid, de hele kerkelijke gemeente, met alle diakenen erbij, op de helling komt te staan !

Versperringen op de weg naar beleidsvorming

Onze diakonieën zijn grotendeels gezegend — of belast — met vermogensbeheer. Plaatselijk ligt het verschillend, en het adagium, dat sterkeren de noden der zwakkeren hebben te dragen, wordt in het interdiakonaal verkeer weinig in praktijk gebracht.

Letten wij op de situatie in de grote stadsdiakonie, dan zien wij daar een college van diakenen, bestaande uit afgevaardigden uit de wijkgemeenten, met een moderamen, dat een zware verantwoordelijkheid heeft voor het in stand houden van het diakonaal bedrijf. Het beheer en de besteding van de gelden en goederen nemen veel tijd in beslag. Niet alleen het beleid, ook de beleidsvorming wordt, vaak onbewust, bepaald door de armslag, die men heeft, in geld en mankracht.

Is dit de bedoeling van de kerkorde? Volgens de kerkorde vervullen niet de diakenen de diakonale opdracht in kerk en wereld (art. XIX), maar doet de gemeente dit. In ordinantie 15 staat echter een veelbetekenend zinnetje. ‘In elke gemeente bestaat een diakonie, zijnde een met rechtspersoonlijkheid toegeruste instelling, ten dienste van de uitoefening van het diakonaat’ (ord. 15.12).

U begrijpt wel: op het ‘ten dienste van’ komt het aan. In het oorspronkelijk ontwerp- kerkorde had élke gemeente, ook élke wijkgemeente, een eigen ‘diakonaat’; dat waren de levende mensen, die de primaire diakonale verantwoordelijkheid voor hun ressort zouden dragen, ook op financieel terrein. Als rapporteur van de generale synode voor het diakonaat moest ik echter tot mijn spijt ervaren dat de primaire verantwoordelijkheid in elke gemeente, ook in de grotere plaatsen, in handen moest blijven van één centrale instantie. Zo komt het dat er grote gemeenten zijn met bijvoorbeeld 17 wijkgemeenten, waar in feite het totale vermogensbeheer én het beleid in handen is van een klein moderamen van niet- vrijgestelde diakenen. Hoe moet dan echte beleidsvorming tot stand komen, diakonaal en sociologisch verantwoord?

In de kleinere plaatsen, waar men vaak grote moeite heeft met de ‘bemanning’ en ‘bevrouwing’ van het college, blijkt een goede beleidsvorming zonder levende communicatie met ter zake kundigen onmogelijk. En waar zijn deze te vinden, vooral nu veelal de banden met de maatschappelijke dienstverleningsorganen losser zijn geworden?

De lange weg naar beleidsvorming

De weg naar een in onze tijd verantwoorde beleidsvorming loopt via een tafel met stoelen eromheen. Op de stoelen zitten diakenen, en een aantal mensen, ouderen en jongeren, met singuliere gaven en bepaalde deskundigheid. Op tafel komen aanvankelijk aarzelingen, gevoelens en verwachtingen over zichzelf, over de gemeente en haar diakonie, over wat zich in de samenleving afspeelt.

Er blijken in deze tijd noden te zijn van een bepaalde signatuur, niet licht herkenbaar en toch zeer reëel. Onlangs maakte ik een gesprek mee, van een wijkraad in een grote stad, over ‘flatneurose’: wat is dat nou?

Het is nodig, orde op zaken te stellen in de bespreking; de kunst is prioriteiten vast te stellen zonder vruchtbaar hout af te kappen. De behoefte kan blijken — en die is al gebleken in enkele streken en grote plaatsen — aan goed begeleide gesprekken en oordeelsvorming.

Hier komt de diakonale consulent om de hoek kijken; de man of vrouw, die de antennes heeft uitstaan naar velerlei vormen van sociale dienstverlening en naar de mogelijkheden van de kerkelijke gemeente van vandaag. En die bereid is, altijd weer met diakenen in groepsverband te spreken.

Zo kan men zicht krijgen op de aard van de noden en de wijze, waarop mensen van vandaag werkelijk hulp kunnen krijgen, óók van niet-deskundigen.

Het merkwaardige feit doet zich voor dat — terwijl veel diakenen zich zo onmachtig voelen — talloze deskundigen van formaat permanente, trouwe begeleiding van, noem maar op, gewezen gevangenen, psychiatrische patiënten, buitenlandse arbeiders, bejaarden, een zaak van het allergrootste belang achten.

De lange weg naar beleidsvorming is vooral de weg van het vinden van communicatiekanalen. Diakenen moeten in deze tijd verbindingsofficieren zijn; zij spannen de telefoonkabels van de staf naar de troep, en andersom, en als ze dat niet doen, kunnen ze beter verdwijnen. Ze moeten vooral het oog gericht houden op mogelijkheden van hulpverlening, vanwege mensen met hun gewone praktische ervaring en op grond van een goede levensinstelling bereid tot dienst. Ze moeten weten, waar de zwakke plekken liggen in de samenleving, waar ook hun kerkelijke gemeente is gehuisvest.

Uitvoering van beleid

Over de inhoud van het beleid kan hier weinig zinvols worden gezegd, omdat de beleidsvorming voorop staat, en vooral de bede: ‘dat God mij zal regeren als een goed instrument’. Er kan nog wel een korte opmerking bij over een enkel punt van de methodiek van de uitvoering.

Het zwaartepunt van diakonaal beleid zal moeten liggen niet bij een strak diakonaal beleidsorgaan, waar alles vanuit één conceptie wordt bezien en bedisseld. Daarvoor zijn de samenleving en haar noden te pluriform, te veelkleurig. Er zijn bepaalde knooppunten, waaromheen zich beleidsvorming en beleid moeten gaan groeperen: werelddiakonaat, gehandicapten, verborgen noodsituaties, maatschappelijk onrecht, enz.

Zo ontstaan er werkgroepen van diakenen, helpers en op hulp aangewezenen, en kunnen daaruit ook aktiegroepen ontstaan. In veel gevallen zijn de diakenen slechts participanten in akties en projecten, die zich ook buiten de kerk afspelen. Aan zo’n heterogeen geheel moet leiding worden gegeven door een groepje speciaal daarvoor gekozen diakenen, wellicht begeleid door een pastor.

Andere organisatie van het beheer

Het beheer van geld en goed is van groot, maar secundair belang. In de huishouding van de kerkelijke gemeenten heeft men dit altijd al verstaan. Kerkvoogden zijn kerkeraadsleden met een eigen verantwoordelijkheid. Maar een president kerkvoogd is niet qualitate qua voorzitter van de kerkeraad. Er zou een weg moeten worden gevonden, waarlangs het beheer van diakonaal geld en goed in handen komt te liggen van enkele mannen en vrouwen, die daartoe zijn gekwalificeerd en volledig verantwoording moeten afleggen aan de kerkeraad, via de diakonale colleges.

In de grote plaatsen zou dat dus voor het totale rayon van de stad kunnen gelden, voor de kleinere gemeenten zou een gezamenlijk beheer in regionaal verband aangewezen zijn. Langs deze weg zou ook meer terechtkomen van de opdracht, dat rijker met geld en goed bedeelde diakonieën de zwakkere te hulp komen.

Vanouds heeft men in de kerken van de reformatie scheiding aangebracht tussen ‘regeer’ en ‘beheer’. De doorvoering van dit principe op diakonaal terrein zal met name in onze tijd geboden kunnen zijn, nu pastorale en diakonale probleemsituaties zo nauw met elkaar verweven raken, en elke schijn dat diakonaat primair met geldgeven te maken heeft, zal moeten verdwijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

Diakonia | 52 Pagina's

De beleidsvorming in het college

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1976

Diakonia | 52 Pagina's

PDF Bekijken