Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Boekbesprekingen

11 minuten leestijd

M. van Beugen, A. Burgmans en H. van Schaijk, ‘Wonen op wielen’, uitgave Link, Nijmegen, 128 biz.; prijs ƒ 7,50.

‘Alleen al uit de steeds weer terugkerende gewelduitbarstingen in grote regionale centra voor woonwagenbewoners is af te leiden dat er sprake is van negatieve effecten van het beleid, dat sinds de Woonwagenwet van 1968 is gevoerd’.

Zo begint het boekje ‘Wonen op wielen’, en u weet direct, waarover het gaat. Over woonwagenbewoners en de plaats, die zij innemen in de Nederlandse samenleving.

In de kranten heeft het meerdere malen gestaan: de woonwagenwet van 1968, waarin aangegeven staat dat er een 50 z.g. grote woonwagencentra zullen komen, blijkt in dat opzicht geen succes. In een in 1975 verschenen nota Woonwagenbeleid zegt de regering dat rond-uit.

‘Wonen op wielen’ is voor een belangrijk gedeelte een reaktie op die regeringsnota; je kunt het zelfs een ‘alternatieve regeringsnota’ noemen.

Een projectgroep van doctoraal-studenten Andragologie van de Universiteit in Nijmegen verdiepte zich in het woonwagenvraagstuk en een team van diezelfde Universiteit o.l.v. prof. M. van Beugen begeleidde in het Gelderse Rivierengebied een proces met en voor woonwagenbewoners, nadat een groot regionaal centrum in Tiel na moeilijkheden werd gesloten.

Als het boekje niet tot in allerlei details ingegaan was op wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden voor een woonwagenbeleid, zou ik het alle diakenen ter lezing willen aanbevelen. Al lezend wordt je namelijk duidelijk dat het vraagstuk van de woonwagenbewoners niet alleen hùn probleem is, maar ook — misschien wel in de eerste plaats — dat van de hele Nederlandse samenleving. De situatie van een minderheidsgroep, die al vele jaren in onze samenleving aanwezig is, wordt hier getekend.. Scherp komt naar voren dat het niet voor de hand ligt dat deze minderheidsgroep gemakkelijk een geaccepteerde plaats in ons landje zal krijgen.

Rode draad

De ondertoon van ‘Wonen op wielen’ is zeer kritisch en radicaal. De Nederlandse samenleving (regering) zègt wel het welzijn van deze minderheidsgroep (20.000 mensen) op het oog te hebben, maar er wordt onvoldoende of op een verkeerde manier naar gehandeld. De rode draad, die door het boekje loopt, is de gedachte dat deze bevolkingsgroep het recht heeft, erkend te worden in zijn eigen manier van leven, wonen en werken.

Als er sprake is van onmaatschappelijk gedrag, dan mag dat niet in de eerste plaats worden toegeschreven aan de woonwagenbewoners. Het slaat op onze eigen ‘gevestigde’ (in kringen van het woonwagenwerk spreekt men van ‘sedentaire’) samenleving. Wij zijn intolerant tegenover deze bevolkingsgroep, wijzen haar af, stellen haar achter, en breden geen ruimte voor het anderszijn.

Het Nijmeegse team zegt dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe (tijdelijke) wet moet komen, die als uitgangspunt heeft de zelfbeschikking.

De eerste Woonwagenwet van 1918 droeg het karakter van ordehandhaving; de wet van 1968 beoogt vooraf de woonwagenbewoners op te voeden en te doen deelnemen aan onze sedentaire samenleving. Beide wetten zijn te veel vanuit onze eigen samenleving gedacht. Thans gaat het om de emancipatie van de bewoners-opwielen. Een beperkte wet (lex specialis) zal bepalingen moeten bevatten over standplaatsenbeleid, vergunningenstelsel, eisen t.a.v. woonwagens, financiële regelingen en planningsprocedures.

Richting van het alternatieve beleidsplan

Ruim de helft van het boekje, dat 120 bladzijden telt, gaat nader in op de vragen van het standplaatsenbeleid van het wonen op wielen, het onderwijs, welzijnswerk en de beroepsuitoefening van de woonwagenbewoners.

Na het voorgaande zal duidelijk zijn in welke richting het alternatieve beleidsplan van de groep-Van Beugen gaat:

— Het wonen op wielen moet als alternatieve en daarmee als volwaardige vorm van wonen worden erkend. Ook de regering is wel bereid dit te verklaren, maar volgens de groep-Van Beugen komt het niet of onvoldoende tot uitdrukking in de concrete beleidsmaatregelen. Men vindt b.v. dat de zorg voor deze woonvorm bij de overheid niet behartigd moet worden door het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, maar door dat van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Inmiddels is gebleken, dat ook verschillende partijen in het parlement voor die overdracht voelen. Tijdens de bespreking van de eerder genoemde regeringsnota Woonwagenbeleid in een bijzondere Kamercommissie (maart 1976) kwam er vanuit alle grote partijen steun voor een motie van de KVP in die richting.

— De gemeentebesturen moet niet dringend worden verzocht meer kleine wooncentra te realiseren, maar ze zullen daartoe wettelijk gedwongen moeten worden. De minister van CRM is wat dat betreft optimistischer, en ziet zo’n wet wel als uiterste middel, waarvan hij verwacht dat het niet gebruikt zal moeten worden.

— De wensen en motieven van woonwagenbewoners voor de spreiding van standplaatsen zullen moeten worden gepeild, en zullen van doorslaggevend belang moeten zijn bij het opstellen van een z.g. urgentieplan. Dat er sprake is van urgentie, blijkt duidelijk uit de cijfers. Voor de rond 4500 woonwagens is er een acuut tekort van ongeveer 1200 standplaatsen. Dit tekort zal door de groei van het aantal woonwagenhuishoudens de komende jaren verdubbelen.

Uit deze cijfers blijkt dat het beroep, dat de minister van CRM op de goede wil van de gemeentebesturen doet, wel erg groot is.

— Voor het onderwijs, het welzijnswerk en de volksgezondheid dient zo spoedig mogelijk een einde te komen aan aparte voorzieningen voor woonwagenbewoners. Tot op heden zijn er voor minderheidsgroepen, die achterbleven of achtergesteld werden, te vaak speciale voorzieningen getroffen. Dat kan met de beste bedoelingen zijn gebeurd; het resultaat was vaak dat de achterstelling niet werd opgeheven, maar dat het isolement toenam. Daarom pleit de groep-Van Beugen ervoor dat het normale basisonderwijs plaats oiedt aan de woonwagenkinderen, zodat speciale kampscholen voor hen overbodig worden. Het uitgangspunt is dat de gemeenschappelijkheid van de leersituatie (samen naar de gewone school) voorwaarde is voor de verrijking van de eigen belevingswereld. De extra inzet, die van het onderwijs gevraagd wordt, moet niet buiten, maar binnen het normale onderwijs plaats vinden.

— Met betrekking tot de werkgelegenheid komt de groep Van Beugen ook tot nieuwe beleidslijnen:

• het openen van ‘klusjesmarkten’ door arbeidsbureaus

• een stimuleringsbeleid voorde sloophandel (50% van deze handel wordt door woonwagenbewoners gedreven).

Grondgedachte achter de werkgelegenheidsparagraaf is dat zoveel mogelijk aangesloten wordt bij de belangstelling en voorkeur, die de woonwagenbewoners aangeven wat betreft de uitoefening en opvatting van hun beroep. Er mag niet zonder meer gezegd worden dat er geen arbeidsethos is bij de woonwagenbewoners. Wel is dit anders dan wat genoemd wordt — het strak burgerlijke arbeidsethos.

Kritiek en suggesties

Aan het slot van het boekje wordt (te) kort een schets van een beleidsstrategie gegeven. In vier bladzijden wordt in heel grove lijnen aangegeven, wat er regionaal moet gebeuren om veranderingen op gang te brengen.

Deze beleidsstrategie is gebaseerd op de ervaringen in het Gelderse Rivierengebied. Luchtigjes wordt geconstateerd dat een dergelijke strategie ook op landelijk niveau moet worden ontwikkeld. Men weet zelfs aan te geven, voor wie dat een taak is.

Het tekort zit m.i. dan ook vooral aan het einde. Enerzijds wordt er op vaak scherpzinnige wijze geanalyseerd waar de grondproblemen liggen bij het woonwagenvraagstuk, en blijkt men creatieve en radicale ideën te hebben. Tegelijkertijd stelt het boekje in tenminste drie opzichten teleur.

1. Als het probleem van de woonwagenbewoners vooral een probleem van de Nederlandse samenleving is, had men in zijn beleidsstrategie duidelijker moeten aangeven, hoe die weerstanden in de samenleving inhoudelijk te overwinnen zouden zijn.

2. Er wordt weliswaar meerdere malen vermeld dat goede ervaringen zijn opgedaan bij het project in het Gelderse Rivierengebied, maar nergens komt het werk van het begeleidingsteam beredeneerd en kritisch aan de orde. Juist van wetenschappers mag men verwachten dat een verantwoording gegeven wordt van een z.g. strategiemodel, dat gebouwd heet te zijn op de ervaringen in de praktijk.

3. De indeling van de stof is niet erg overzichtelijk. Dat is waarschijnlijk te verklaren uit het feit dat men snel wilde reageren op de regeringsnota. Toch wordt daardoor het lezen van het boekje niet gestimuleerd.

Voor u als diakenen heb ik twee suggesties:

— Wilt u een beeld krijgen van de positie en de problemen van een minderheidsgroep, of wilt u zich verdiepen in de achtergronden van de vragen van de woonwagenbewoners, dan beveel ik het lezen van het boekje graag aan. Ik moet u wel waarschuwen. Van het één zal wel het ander komen: u zult ook kennis willen nemen van de regeringsnota en van de wijze, waarop het parlement daarop heeft gereageerd. Bij de GDR kunnen we u verder helpen bij het verkrijgen van dit materiaal.

— U kunt ook gewoon als diaken op pad gaan, en u afvragen: ‘Speelt het woonwagenvraagstuk in onze gemeente of regio? Wat is daar gaande, voorzover er iets gaande is? Wie zijn de betrokkenen, wat wordt er gedacht en gedaan?’

Als het woonwagenvraagstuk een mentaal probleem van ons Nederlanders is, kan dat een seintje zijn voor het diakonaat.

‘Alleenstaande en alleenwonende bejaarden in Amsterdam. Een onderzoek naar hun houding ten opzichte van bejaardentehuizen en het idee van hulpverlening per telefoon’.

Uitgave Stichting Algemene Nederlandse Telefonische Hulpdienst voor bejaarden, Stadionkade 16011, Amsterdam, giro 3151504. Prijs ƒ 9,—.

Jammer dat deze brochure door haar titel iets anders belooft dan zij in feite beoogt te zijn. De kern is een warm pleidooi, gericht tot de minister van C.R.M. en zijn staatssecretaris, om de maatregel in te trekken, waarbij de vergoeding van telefoonkosten aan bijstandstrekkers wordt afgeschaft.

De telefoon kan ertoe bijdragen dat bejaarden zich langer zelfstandig in hun eigen omgeving handhaven. Een telefonische hulpdienst kan hierbij een goede hulp bieden. Deze telefonische hulpdienst onderscheidt zich van hetgeen daaronder gebruikelijk wordt verstaan, doordat zij zich aktief richt tot de bejaarden, die dit wensen, door hen dagelijks op te bellen. Om deze aktieve hulpverlening mogelijk te maken, is het nodig dat iedere alleenwonende bejaarde telefoon heeft of binnenkort krijgt.

Op zichzelf is deze brochure een pleidooi voor een zinnige zaak. Het valt niet te ontkennen dat de telefoon isolatiedoorbrekend kan werken. Het is evenwel geen wondermiddel, en het is niet ondenkbaar dat juist die telefoon ook een stuk werkelijke isolatie oproept.

Het onderzoek, dat ons wordt aangeboden, blijft echter beneden de maat. Er worden ons percentages voorgeschoteld zonder dat de problematiek, die uit die cijfers tevoorschijn komt, goed duidelijk wordt gemaakt.

Bij het onderzoek waren 150 alleenstaande bejaarden uit Amsterdam betrokken. Van hen bleek 25% niet over een telefoon te beschikken. Eén van de redenen, die hiervoor opgegeven worden, is bij 53% van de betrokkenen dat zij zichzelf niet in staat achten de kosten hiervan te betalen.

Van degenen, die wel telefoon hebben, geeft slechts 6% op dat zij het abonnementsgeld eigenlijk niet kunnen betalen. Om uit deze cijfers nu zonder meer te concluderen dat het economisch aspect hierbij doorslaggevend is, gaat mij toch wel wat ver.

Je zou je ook kunnen atvragen of het niet veeleer zo is dat bij een aantal mensen de telefoon niet zo’n grote prioriteit krijgt in hun behoeftenpatroon.

Telefonisch contact wordt in de brochure aangeduid als iets elementairs in onze samenleving.

Telefonisch contact hebben, is een wijze van met elkaar omgaan. Het is de vraag, of het telefoneren wel zo’n elementaire zaak in het communicatiepatroon is, vooral voor bejaarde mensen. Het zou wel eens kunnen zijn dat de telefoon vaak eerder relatieverarmend dan -verrijkend werkt.

Bij een verdergaand onderzoek — en de stichting heeft daar zelf ook behoefte aan — zouden deze en andere aspecten meer in het oog moeten worden gehouden.

‘Solidariteit en ekonomie’. Injectie nr. 3 van de Werkgroep Nieuwe Levensstijl van de Raad van Kerken in Nederland, prijs ƒ 3,50, excl. verzendkosten. Te bestellen (schriftelijk of telefonisch) bij de Generale Diakonale Raad.

Verschenen is onlangs de derde ‘injectie’ van de werkgroep Nieuwe Levensstijl van de Raad van Kerken in Nederland, onder de titel ‘Solidariteit en ekonomie’. Doel: ‘meer inzicht te verschaffen over de sociaal-ekonomische werkelijkheid, waarin wij leven’. In de vorige injectie stelde de werkgroep de bestedingsgewoonten aan de orde. In de nu verschenen informatiemap wordt de andere zijde van de medaille bekeken: Hoe zit onze productie, onze economie in elkaar? In welke ordening leven we? Kunnen we daar ook invloed op uitoefenen, terwille van grotere saamhorigheid in de wereld?

Het is een informatiemap geworden, waarin op vele vragen, die de werkgroep bereiken, wordt ingegaan; ook op de kritiek, die de aktie voor een ‘nieuwe levensstijl’ oproept. Het laatste artikel heet ‘Wat doe je er nu mee?’, en gaat in op de mogelijkheden om een nieuwe levensstijl naderbij te brengen. Daarbij wordt uitgegaan van een zgn. verantwoordelijke maatschappij: een samenleving, waarin aandacht en eerlijke inzet bestaat voor de armen, de hongerigen, de rechtelozen, de ‘have-nots’.

‘Als we die aandacht en inzet kunnen opbrengen en als we gaan handelen overeenkomstig de noodzaak, dan heeft dit ingrijpende gevolgen voorde manier, waarop we alles om ons heen bekijken. De mens is dan het doel van o.a. het economisch handelen en niet langer het middel’.

Voor aktiviteiten, die u gezamenlijk wilt ondernemen om wat aan de bestaande situatie te veranderen, geeft de werkgroep Nieuwe Levensstijl enkele tips.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Diakonia | 36 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken