Bekijk het origineel

Leergeld uit een mislukking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Leergeld uit een mislukking

7 minuten leestijd

Eén van de probleemvelden, waar wij in onze diakonie niet aan voorbij kunnen gaan, is dat van de jeugdwerkloosheid. De verwachting is dat in de loop van dit jaar het aantal jeugdige werklozen op zal lopen tot ongeveer 140.000. Dat betekent dat we op alle gebieden, waar we als kerkelijke gemeente met jongeren in contact komen, te maken hebben met het verschijnsel, dat sommigen of meerderen van hen zonder werk zijn.

Er wordt van vele kanten aandacht gegeven aan deze problematiek. In vele plaatsen zijn projecten opgezet, die zich in het bijzonder richten op jongere werklozen. Het initiatief tot een dergelijk project kan genomen worden door een diakonie; in dat geval zal zij er goed aan doen, samenwerking met anderen te zoeken.

In veel gevallen zal het initiatief van anderen uitgaan. Dan zal een diakonie moeten overleggen, of het niet op haar weg ligt, contact op te nemen met de initiatiefnemers. Gebrek aan initiatieven is er zeker niet. Overal in het land worden projecten voorbereid en uitgevoerd. In de praktijk blijken de moeilijkheden legio te zijn. Het aantal voorbeelden van hele en halve mislukkingen stijgt met de dag.

Het is goed om eens bijzonder de aandacht te richten op zo’n mislukking. Als ‘leerstuk’ kan dat soms wel eens belangrijker zijn dan een juichend verslag over een goed lopend en goed geslaagd project.

Participanten

Het project, waar het hier om gaat, werd gesteund door een aantal instellingen, die alle op de een of andere manier met jeugdwerkloosheid te maken hadden.

Men vond elkaar op een doelstelling. Dat was: het bieden van hulp bij het doorbreken van de probleemsituatie, waarin jeugdige werklozen en/of hun directe omgeving als gevolg van werkloosheid, en de sociale, financiële en economische consequenties ervan, verkeren.

Er kwam een participantenvergadering. Die had tot taak de doelstelling te bewaken en het beleid te bepalen, en droeg voorts de verantwoordelijkheid voorde middelen.

Tot zover zat het dus goed in elkaar.

Geen van de instellingen maakte echter het project tot een deel van het eigen werk. Het bleef een randverschijnsel, dat van de instellingen uit, nauwelijks werd gesteund.

De bereidheid, om tijd en middelen te investeren, vond haar grens in de voortzetting van het ‘eigenlijke’ werk.

Men wilde wel verantwoordelijkheid dragen, zolang het maar niets kostte. Voor iedereen bleef het een zijlijntje, dat ergens te maken had met een storend effect op de eigen doelstelling.

Vanuit de instellingen werd een begeleidingsteam gevormd. Maar ook deze mensen ondervonden te weinig steun van hun instelling.

Verwachtingen

Alle betrokkenen brachten hun eigen verwachtingen naar het project, zonder dat deze eigenlijk goed duidelijk werden. De doelstelling leek heel mooi, maar in feite was die zo ruim, dat iedereen daar zijn eigen wensen in kon onderbrengen.

Het maakt nogal wat verschil, of men aan zo’n project begint om de jeugd van de straat te houden, een maatschappij-kritisch bewustmakingsproces op gang te brengen, jeugdcriminaliteit te bestrijden, of zinnige bezigheid voor jongeren te zoeken. Het één zal het ander niet uitsluiten. Maar het is wel belangrijk het er met elkaar over eens te worden, op welk aspect de eerste aandacht wordt gericht.

Worden de verwachtingen van een participant niet vervuld, dan zal de betrokkenheid daaronder zeker te lijden hebben.

Ook tussen de mensen, die er het nauwst bij betrokken waren, was een duidelijk verschil in verwachtingen.

De staffunctionarissen, die aangetrokken waren, verwachtten dat zij met de jongeren, waarmee zij in contact kwamen, een bewustmakingsproces zouden kunnen doormaken. Dat proces zou erin resulteren dat de jongeren beter en kritischer gingen functioneren in de samenleving.

De jongeren hoopten echter een groep te vinden, waarin zij zich thuis zouden voelen en waarin een oplossing gevonden zou worden voor de dingen, waar zij mee zaten: eten, werk, uitkering en wonen.

De eigen ruimte

Gezocht werd naar een ruimte, waarin de hulpverlening concreet gemaakt kon worden. Men vond een oud winkelpand en maakte er met een groep jongeren een zonder-werk-winkel van. De idee erachter was: drempelloos, ieder kan binnenkomen, een plek waar je je niet hoeft te schamen zonder werk te zijn.

Het samen opknappen liep voortreffelijk. Maar naarmate jongeren de weg naar de winkel vonden en andere aktiviteiten tot ontwikkeling kwamen, ontstonden er spanningen, die grotendeels ook weer te maken hadden met de verschillende verwachtingen van de direct betrokken deelnemers.

Wie heeft het voor het zeggen?

Andere aktiviteiten brachten namelijk ook spanningen tussen degenen, die de winkel opgeknapt hadden, en de nieuwkomers, die er andere dingen in wensten te doen.

De stafleden hadden de verantwoordelijkheid bij de jongeren gelegd, in het bijzonder bij een kerngroep. Maar dit bracht met zich mee dat in een vrij vroeg stadium voor één werkwijze werd gekozen.

Helemaal onduidelijk werd nu, wie beslissingsbevoegdheid had: de staffunctionarissen, de kerngroep of de participantenvergadering.

Het ging zich wreken dat er geen duidelijkheid was over de verschillende verwachtingen.

Klussendienst

Door de jongeren werden ideeën naar voren gebracht als: het oprichten van eethuisjes, het starten van een opvangproject voor jongeren, die geen huisvesting hadden, het voeren van aktie.

Eén van de ideeën, die vorm kregen, was die van een klussendienst. De bedoeling was geld verdienen (zonder de hele week te hoeven werken) met het doen van leuke dingen, wat leren onder leiding van een coördinator. Het idee sprak zo aan dat er veel te veel jongeren kwamen voor de klussendienst.

De coördinator was zelf een jongere zonder werk. Hij bleek niet in staat om zelfde goede begeleiding te geven. Tussen hem en de staf kwam het tot spanningen.

Het hele idee van de klussendienst verzandde vrij spoedig, omdat geen behoorlijke begeleiding kon worden gegeven.

Er zijn jongeren in soorten

Het project was gericht op jongeren zonder werk. Maar in de praktijk bleek het te gaan om heel verschillende categorieën van jonge mensen.

Heel globaal zouden we mensen, die door zo’n project aangesproken worden, kunnen onderverdelen in:

a. De mensen, die niet mee willen doen in deze samenleving, die gekenmerkt wordt door het ‘loon naar arbeid’-principe, maar die wel zinvol bezig willen zijn.

b. De mensen, die wel willen werken, maar dat niet kunnen, omdat zij uitgesloten worden van het arbeidsproces (minimale scholing, achtergrondsituatie, emotionele problematiek etc.).

c. De groep, die wel wil werken, maar helaas niet is te plaatsen in het bedrijfsleven, door conjunctuurverschijnselen en andere maatschappelijke processen.

Gebleken is dat we ons daarvan niet goed bewust zijn geweest. We moeten wèl weten, aan wie we een project aanbieden, om op een zinnige manier te kunnen werken.

Te weinig mensen moeten te veel doen

De staffunctionarissen kregen zoveel werk toegeschoven dat ze er na enige tijd vrijwel letterlijk in omkwamen.

Van hun eigen ‘vak’ uit waren zij bezig met ontmoetingsgroepen. Daarnaast ontstond de behoefte aan meer therapeutisch gericht groepswerk. Ook individuele begeleiding bleek noodzakelijk. Daar kwamen nog bij de noodzakelijke administratie (subsidie), contact met ‘werkgevers’ voor de klussendienst, het geven van informatie over werk en opleidingsmogelijkheden, het samenspel met vrijwillige medewerkers, etc. etc.

In de loop van het proces werd dit zo’n onoverzichtelijk geheel dat de functionarissen voortdurend tijdgebrek hadden, en ook niet meer toekwamen aan een noodzakelijke overdracht van werk.

Dramatisch

Het is geen historisch overzicht geworden van een mislukt projekt.

Het voorlopige einde was wat dramatisch. Jongeren hebben de zonder-werk-winkel bezet, en na een paar dagen heeft een andere protesterende groep door brandstichting een eind aan de bezetting gemaakt.

Zo hoeft het zeker niet af te lopen.

Ook wij hebben geen punt gezet achter onze contacten met jongeren zonder werk. Maar in de nieuwe opzet hebben we wel geleerd van de fouten, die gemaakt waren. Een paar daarvan heb ik maar eens aan u doorgegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Diakonia | 36 Pagina's

Leergeld uit een mislukking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken