Bekijk het origineel

Diakonie-kerkvoogdij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Diakonie-kerkvoogdij

5 minuten leestijd

Een vraagstuk, dat al geruime tijd om bestudering en oplossing vraagt, betreft de verhouding en het werk van kerkvoogden en diakenen.

Reeds in 1969 heeft de Generale Diakonale Raad deze zaak op de jaarvergadering van de diakenen aan de orde gesteld aan de hand van een discussie-nota, waarin een aantal vraagpunten werden genoemd, vergezeld van een kort overzicht van het ontstaan en de historische groei van deze beide sectoren van de gemeentelijke organisatie: hoe zij eeuwen lang naast en los van elkaar hebben bestaan; wat de bezwaren en gebreken van de huidige situatie zijn; en hoe daarin verbetering zou kunnen worden gebracht.

Plantje

De bespreking van dit vraagstuk mag in 1969 in de kerk enige wortel geschoten hebben, het heeft toch nog tot 1975 geduurd, eer het plantje boven de grond kwam en dan nog wel door de omstandigheden gedwongen. De financiële problemen in vele gemeenten deden namelijk de vraag rijzen, of - waar de diakenen de financiering van een belangrijk deel van hun werk door de overheid zagen overgenomen een deel van de naar het diakonaat vloeiende middelen uit ‘dood’ of ‘levend’ geld niet beter naar de plaatselijke kerkekas kon worden geleid.

Men dacht daarbij dan meestal en alleen aan een overheveling van kerkvoogdelijke uitgaven naar de diakonie en van diakonale inkomsten naarde kerkvoogdij.

Deze nood der tijden heeft ook dit goede gevolg gehad dat het hele vraagstuk rond deze beide gescheiden sectoren weer naar voren kwam. De betrokken ‘top-organen’ van de diakonale en kerkvoogdelijke pyramides, de Generale Diakonale Raad en de Algemene Kerkvoogdijraad, in samenwerking met het hoofdbestuur van de Vereniging van Kerkvoogdijen, hebben in 1975 de hoofden bij elkaar gestoken.

Na diepgaand en tot een eensgezind resultaat leidend overleg, is de draad van 1969 weer opgenomen. De verschillende kanten en gebreken van de huidige situatie werden geïnventariseerd en lijnen werden getrokken, om uit de bestaande problemen te komen.

Knelpunten

In het kort kan men de knelpunten als volgt aanduiden:

a. zowel diakenen als kerkvoogden beheren gelden, goederen en gebouwen;

b. beiden hebben personeel in dienst en dikwijls een eigen bureau;

c. beiden zijn er op ingesteld om levend geld te (w)innen;

d. beiden moeten planmatig en met prioriteiten werken;

e. beiden zijn in feite concurrerend — aangewezen op dezelfde bron: de beurs der gemeenteleden.

Dit alles leidt tot doublures van werkzaamheden, verspilling van mankracht en verzwakking van het draagvermogen der gemeente. Men dient te komen tot een functionele taakverdeling. Tussen beide lichamen, diakonie en kerkvoogdij, heeft - mede doordat ze eeuwen lang voornamelijk op de dode hand en op overheidszorg steunden en de kerkvoogden buiten de kerkeraad stonden een hoge scheidsmuur gestaan. Die tussenmuur wil men nu afbreken; de gezamenlijk opgestelde brochure Naar een verantwoord beleid door samenwerking van kerkvoogden en diakenen1) wil daarvoor het breekijzer zijn.

Alle ambtsdragers

Het is daarom van veel belang dat ook de andere leden van de kerkeraden, de predikanten en de ‘gewone’ ouderlingen, die toch allemaal direct of indirect bij het organisatorische en financiële leven der gemeente zijn betrokken en daarvoor medeverantwoordelijkheid dragen, naar de in deze brochure aangegeven richtlijnen en doelstellingen gaan denken en handelen. Op drie punten moge hier gewezen worden.

Ten eerste: de kerkeraad moet niet volstaan met het, ook nu al in de kerkorde voorgeschreven, overleg met de kerkvoogden en diakenen over het collecterooster voor de kerkdiensten. Reeds nu (in afwachting van een kerkordelijke regeling) moeten de ontwerp begroting van de diakenen en die van de kerkvoogden tegelijk, in samenhang en in balans met elkaar, in een plenaire kerkeraadsvergadering worden behandeld.

Deze begrotingen immers zijn in belangrijke mate mede bepalend voor het pastorale beleid in de gemeente, en voor de vraag, voor welke doeleinden en voor welke bedragen men de gemeenteleden zal aanspreken.

Ten tweede: de ‘overheveling’ van diakonale gelden naar de plaatselijke kerkekas is wel aanleiding geweest om het onderhavige vraagstuk naar voren te brengen; dit betekent niet dat dit het eigenlijke doel zou zijn.

Terecht stelt de brochure dat de beslissing over zulk een bijstand niet aan de orde mag komen, als niet tevens twee hoofdvragen in behandeling zijn genomen: een betere bestuurlijke taakverdeling tussen kerkvoogden en diakenen, en vervolgens een permanente coöperatie van kerkeraad, diakonie en kerkvoogdij.

En dan ten derde: er zal niet alleen op het ‘grondvlak’ in de gemeenten, maar ook in de ‘top organen’ van de kerkelijke pyramides (Generale Financiële Raad, Generale Diakonale Raad en Algemene Kerkvoogdijraad) permanent contact, overleg en overeenstemming moeten zijn over algemene kerkelijke akties of inzamelingen voor bepaalde doeleinden, waarbij de gezamenlijke diakonieën of kerkvoogdijen betrokken zijn, of worden. Dit overleg is trouwens reeds in de kerkorde (in ordinantie 16 -16-3 en 4) voorgeschreven.

Als voorbeeld kan hier worden gewezen op het feit dat zich in het werelddiakonaat nieuwe terreinen melden, waarvoor een beroep wordt gedaan op de beurs van het gemeentelid.


1) Uitgave Centrale voor Vormingswerk/Hervormde Vrouwendienst, Driebergen, giro 42618, prijs ƒ 3, — Bestelnummer AK 236.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1976

Diakonia | 40 Pagina's

Diakonie-kerkvoogdij

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1976

Diakonia | 40 Pagina's

PDF Bekijken