Bekijk het origineel

Marcuskerk Utrecht werd toch nog echte werkplaats

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Marcuskerk Utrecht werd toch nog echte werkplaats

De tweede ontmoeting

12 minuten leestijd

De gezamenlijke vergadering van de gereformeerde en de hervormde synode in Utrecht, op 17 en 18 september, ligt achter ons.

Het was een echte vergadering, gekenmerkt door stapels papier en door lange rijen sprekers (een 'piek' van 25 bij de bespreking van het rapport van de werkgroep 'kernen van belijden').
Toch was het m.i. méér dan een vergadering: het werd een ontmoeting van (de leden van) beide synoden.
Ondanks tal van problemen waardoor het proces van het samen-op-weg-gaan óók wordt gekenmerkt, was er de herkenning, de blijdschap van het zó met elkaar kunnen omgaan na lange jaren van vervreemding en gescheidenheid. Er was ook een duidelijke bereidheid om na het beëindigen van de gezamenlijke vergadering elkaar niet meer los te laten, en in de nabije toekomst het beleid en de werkwijze van de beide afzonderlijke synoden zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het was in ieder geval géén vrijblijvende ontmoeting.

Een vergelijking
Het was in 1973 dat de hervormde en de gereformeerde synode voor het eerst gezamenlijk vergaderden, eveneens in Utrecht.
Over deze vergadering schreef ds. A. A. Spijkerboer (in 'Eén belijdende kerk; over hereniging van hervormden en gereformeerden', pag. 16): 'De beide synodes deden denken aan twee zeilschepen, die bij windstil weer proberen bij elkaar langszij te komen'.

De vergadering van beide synodes in 1976 leek m.i. niet op de beide zeilschepen van ds. Spijkerboer, maar op één schip, waarvan de dubbel-bemanning goed samenwerkte zo dat je dikwijls niet merkte van welk schip iemand afkomstig was. De opstelling van de zaal was ook zó, dat hervormden en gereformeerden niet als afzonderlijke 'blokken' te onderscheiden waren. 'Windstil weer' was niet kenmerkend voor de vergadering. Tijdens het eerste deel van de tocht (bespreking van het rapport 'kernen van belijden') moest er gezeild worden met tegenwind, maar ook dén komt het schip vooruit al duurt het langer voor het doel wordt bereikt.
Het tweede deel (rapport kerkordeaangelegenheden) werd af en toe gekenmerkt door het wegvallen van de wind, maar met een klein briesje kwam het schip toch verder. De volgende morgen bleek de wind gedraaid te zijn (rapport plaatselijk vlak), en kreeg het schip zóveel wind in de zeilen dat het sneller vooruit kwam dan menigeen verwacht had. Het 'huiswerk' dat de raad van deputaten als gevolg hiervan meekrijgt is zó omvangrijk dat er in de drie jaar vóór de volgende synode door de raad en de werkgroepen hard gewerkt zal moeten worden.

Samen op de goede weg?
De vergadering van 1973 stond in het teken van het gesprek van hervormden en gereformeerden. De vergadering van 1976 was veel meer: een gezamenlijk gesprek van hervormden én gereformeerden met de leden van beide kerken die aarzelend of afwijzend staan tegenover de toenadering.
Men kan zich afvragen hoe het komt dat na 1973 de probleemstelling in deze richting verschoven is. Zijn de (leden van de) beide synoden na een aarzelend begin reeds zó op elkaar afgestemd dat de eerste vraag: 'gaan we samen op weg' verschuift in de richting van een iets andere vraag: 'welke weg gaan we samen?'
Zijn degenen die (evenals in 1973) bezwaren hebben tegen het samen op weg gaan van beide kerken zich bewust van de verschuiving in de vraagstelling, zodat zij nu met meer nadruk dan voorheen vragen of er wel een goed uitgangspunt is gekozen om samen op weg te gaan? Het is m.i. positief te waarderen dat er met name door synodeleden afkomstig uit de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk en door verontruste synodeleden van onze kerken indringende vragen aan de orde zijn gesteld. Daarmee toonden zij dat zij niet aan de kant willen gaan staan, en de kerkelijke ontwikkeling op een afstand bekritiseren, maar aan het gesprek over de grondvragen van het kerk-zijn en het sémen kerk-zijn willen deelnemen. Dit geeft ons hoop dat er ook verandering zal kunnen komen in de zogenaamde witte plekken die nu nog op de kaart van de kerkelijke samenwerking te zien zijn.

Waar zijn de jongeren?
Hoe komt het eigenlijk dat er op de gezamenlijke vergadering zo weinig te merken is geweest van de inbreng en de activiteit van jongeren uit beide kerken? Het initiatief van Samen op Weg kwam van de kant van de jongeren die in 1969 een tienjarenplan op de tafel van beide synoden legden dat tintelde van ongeduld. Toen voor het eerst een gezamenlijke vergadering van beide synoden werd gehouden gaven zij nog wel enige 'acte de presence'. Nu, in 1976, waren er wel wat jongeren betrokken bij de 'technische dienst', en onder de gasten ontbraken ze ook niet, maar er was geen inspraak en geen tegenspraak. Nu kan men wel zeggen dat het jongereninitiatief in 1969 kenmerkend was voor een tijd van studentenopstanden in Parijs, Vondelparkhappenings in Amsterdam, en synode- 'begeleiding' door Synoodkreet, maar daar is toch de kous niet mee af. Ook voldoet het niet wanneer wordt opgemerkt dat de jeugd zich terugtrekt als de zaken die zij met élan en ongeduld naar voren hebben gebracht door de kerken worden geijkt en geïnstitutionaliseerd. De kerk kan niet zonder jeugd, en Samen op Weg niet zonder jongeren die hun enthousiasme en hun ongeduld dienstbaar maken aan het werk voor de eenheid van de christelijke gemeente.

Kernen van belijden
'De interimraad van deputaten verzoekt de gezamenlijke vergadering zich duidelijk erover uit te spreken of het voorstel van de werkgroep 'kernen van belijden' een weg kan openen naar een nieuw belijdend geschrift voor onze kerken'. Deze vraag hield de gezamenlijke vergadering in zijn eerste zitting intensief bezig. De werkgroep had aan de vergadering een aantal modellen voorgelegd, en daarbij zelf zijn voorkeur uitgesproken voor het zogenoemde 'aanvullingsmodel'.
Tal van vragen kwamen aan de orde. Wat is de bedoeling van een nieuw belijdenisgeschrift? Is het eerste doel om te dienen als geloofsovereenstemming van beide kerken? Of is het primair bestemd om — in dialoogvorm — te fungeren ten behoeve van prediking en onderricht? Of moet het breder opgezet worden, gericht op de vragen die vandaag door de kerk en door de samenleving gesteld worden, afgestemd op het vormings- en toerustingswerk? Hoe is de verhouding van een nieuw geschrift tot de oude belijdenisgeschriften? Kan men wel een dergelijk geschrift opstellen 'van boven af?' In dit verband werd gewezen op het ontstaan van de Barmer Thesen, niet vanuit of door een synode, maar door leden van de christelijke kerk in de tijd van de opkomst van het Nazi-regiem in Duitsland.
Er werden zoveel indringende vragen gesteld, zulke ingrijpende problemen van confessionele aard aan de orde gesteld dat het een rqoment leek dat de vergadering door de veelheid van bomen het bos niet meer zou zien. Toch kwam er aan het einde van de discussie een duidelijke uitspraak tevoorschijn. Drie elementen trekken daarin de aandacht.
Allereerst de verbondenheid met de belijdenis die de kerken gemeenschappelijk hebben. We behoeven ons niet op een nieuwe, onbetreden weg te begeven. We zijn dankbaar voor de belijdenis, we spreken uit dat we er ons aan willen houden, en ook er uit willen leven.
In de tweede plaats wordt de verlegenheid onder woorden gebracht om te komen tot een geheel nieuw belijdenisgeschrift. Die mogelijkheid wordt voor dit ogenblik niet aanwezig geacht. Wel geeft tenslotte de vergadering als aanbeveling door aan de beide synoden een geschrift te doen opstellen waarin enkele grondlijnen van het belijden in kaart worden gebracht. Bedoeld is daarmee dat enkele centrale posities van het belijden worden geformuleerd, en dat vandaaruit lijnen worden getrokken naar sociale en ethische vragen waarvoor de gemeente in deze tijd wordt geplaatst: het gaat er om 'de gemeente van dienst te zijn in de uitdagingen en aanvechtingen van deze tijd'.

Kerkorde-aangelegenheden
Wanneer beide kerken samen op weg gaan zullen diverse vragen op kerkordelijk terrein beantwoord moeten worden. De werkgroep die zich met de bestudering van deze vragen bezighoudt had een begin van een vergelijkende studie tussen de hervormde en de gereformeerde kerk gemaakt. De gezamenlijke vergadering sprak uit dat het gewenst was dit onderzoek voort te zetten, en daarbij vooral aandacht te geven aan de kerkordelijke grondbegrippen. Ook sprak men zich uit voor de formulering van een aanvangsartikel dat betrekking heeft op het wezen van de kerk die we bij het samen op weg gaan vóór ons zien. Ook de tweede vraag: wie behoren tot deze kerk? is van groot belang. Omdat dit punt op het ogenblik in de hervormde kerk in discussie is (rapport 'geboorteleden'), oordeelde de vergadering dat een uitspraak van de synode van de hervormde kerk hierover afgewacht zou moeten worden, waarbij een voorstel van de werkgroep van Samen op Weg in de discussie betrokken zou kunnen worden.
Naast de vergelijkende studie had de werkgroep ook een kerkorde-model voorbereid, met een aantal suggesties voor kerkelijke indeling. Tegen dit model werden veel bezwaren ingebracht o.m. tegen de vorming van kerken die 10 a 15 wijkgemeenten zouden omvatten, en tegen de samenstelling van de kerkelijke vergaderingen uit ambtsdragers met algemene opdracht en ambtsdragers met bijzondere opdracht (deel uitmakend van werkgroepen voor het vervullen van bijzondere taken in jeugdwerk, evangelisatie, toerusting enz.).
De gezamenlijke vergadering oordeelde dat het gewenst was een andere opzet voor een kerkorde-model te zoeken. Ook al werd daarmee het gepresenteerde model teruggewezen, de vergadering sprak zich toch positief uit voor het opstellen van een model, zodat de ontwikkeling op het plaatselijk vlak doorgetrokken kan worden in een kerkorde-model dat betrekking heeft op de plaatselijke kerk, de kerken in een ressort, en de gezamenlijke kerken. Ook al was dit gedeelte van de gezamenlijke vergaderingwellicht voor velen niet het meest boeiend, toch werd ook hier vooruitgang geboekt.

Plaatselijk vlak
In zijn openingswoord had ds. Mak gezegd: 'Synoden zijn er nooit om zichzelf.
De synode is ook niet de belangrijkste vergadering. Het hart van de kerk is: de plaatselijke gemeente,' Dat de gezamenlijke vergadering dit met de voorzitter eens was bleek zaterdagmorgen, toen het rapport van de werkgroep plaatselijk vlak in bespreking kwam. Waar de vorige avond bij de bespreking van de kerkordelijke aangelegenheden de reacties veelal aarzelend waren, kwam er nu een stroom van positieve opmerkingen en suggesties los. En de bespreking eindigde in een aantal aanbevelingen die als ze geëffectueerd worden de plaatselijke samenwerking sterk kunnen bevorderen.

Er komt een brochure als handreiking voor de plaatselijke samenwerking. Het concept van de werkgroep zal met het oog daarop worden herzien. De vergadering achtte het gewenst dat er enkele samenwerkingsmodellen komen, aangepast aan de verschillende fasen van plaatselijke toenadering. Er zullen wegen gezocht moeten worden voor gezamenlijke kerkvisitatie. Het wordt nodig geacht een gemeenschappelijk dienstboek uit te geven. Aan de toerustingscentra van beide kerken zal gevraagd dienen te worden om — waar mogelijk — het toerustingswerk van de gemeenten gezamenlijk ter hand te nemen. Met het oog op de plaatselijke samenwerking wordt ook aan een meer intensief contact van de andere kerkelijke vergaderingen gedacht (bijv. de classicale vergaderingen), waarbij het belang van het afstemmen van de kerkelijke grenzen op elkaar (nu zijn de indelingen vaak sterk verschillend) wordt onderstreept.

Verslag Interimraad
Tijdens de laatste zitting kwamen werkverslag van de Interimraad en de voorstellen die daarin waren opgenomen, in bespreking. Door de beide moderamina, die als commissie van rapport hadden gefungeerd waren de voorstellen grotendeels overgenomen, en aangevuld. Ook nu, evenals bij de bespreking van de voorstellen die betrekking hadden op het plaatselijk vlak, reageerde de vergadering zéér positief.
Er kwam een aanbeveling voor het instellen van een werkgroep voor organisatie en financiën (een oude wens van Samen op Weg, die echter in 1973 nog niet werd ingewilligd). Een speciaal onderzoek van de vraagstellingen die de samenwerking in een aantal gemeenten en in bepaalde streken van ons land blokkeren, werd noodzakelijk geacht. Verder was men het er over eens dat ook de synoden meer gezamenlijk moeten handelen, zodat er niet tegelijkertijd onafhankelijk van elkaar dezelfde zaken in studie worden gegeven, of tot besluitvorming komen.
Er wordt in dit verband gedacht aan het benoemen van twee vaste adviseurs in elkaars synode, één vaste adviseur in eikaars moderamen, waar mogelijk instelling van gezamenlijke commissies van ontwerp, en ter voorbereiding van de behandeling in de synode van beide zijden een commissie van rapport, en een zodanige afstemming van de agenda's op elkaar dat gezamenlijke en wederzijdse bespreking van eikaars stukken mogelijk wordt gemaakt. Ook de erkenning van de predikantsopleiding in beide kerken werd van belang geacht, zodat naar wegen dient gezocht te worden om daartoe te komen.
Tot zover een (onvolledige) opsomming van het aanbevelingenlijstje dat (nadat de raad van deputaten de kerkordelijke aspecten heeft onderzocht), naar de afzonderlijke synoden zal worden gezonden.
Dit alles overziende kan men weliswaar niet zeggen dat reeds een aantal staketsels die we ontmoeten als we samen op weg gaan, zijn opgeruimd, maar wel dat er een inventarisatie is gemaakt van deze hinderpalen, en dat er duidelijke aanbevelingen en adviezen zijn gekomen voor het werk dat nu moet gebeuren.
Daarmee was de Marcuskerk in Utrecht, waar de synoden van de beide kerken hun gezamenlijke vergadering hielden (die ook door vertegenwoordigers van andere kerken werd bijgewoond) méér dan een plaats van ontmoeting en herkenning: het was een werkplaats voor de kerk waarheen we samen op weg zijn.

(Ds. Wouters, predikant in Amsterdam, is voorzitter van de Interimraad van Deputaten 'Samen-op-Weg')

*) Voor de totale reeks aanvaarde voorstellen, zie rubriek officiële mededelingen.


Ds. B. J. Aalbers van de werkgroep 'Samenwerking plaatselijk vlak' heeft in de gezamenlijke vergadering applaus gekregen voor zijn beantwoording van de vragen, die over dit onderwerp waren gesteld. Wie prijs stelt op een samenvatting van zijn relaas kan dit bij het Toerustingscentrum aanvragen. Door overmaking van één gulden (vergoeding inclusief porto) met vermelding 'stencil Aalbers' komt men in het bezit van de samenvatting. Giro 513151, Dienstencentrum, Leusden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976

Kerkinformatie | 28 Pagina's

Marcuskerk Utrecht werd toch nog echte werkplaats

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976

Kerkinformatie | 28 Pagina's

PDF Bekijken