Bekijk het origineel

Wat er aan uw begroting vastzit…

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wat er aan uw begroting vastzit…

11 minuten leestijd

leder jaar komt in elke diakonie, elke kerkvoogdij, elke kerkeraad ‘de begroting’ op de agenda. Veel mensen houden zich daar maar liever niet mee bezig. Het is te moeilijk, je kunt het niet allemaal overzien, het is een karwei voor specialisten; dat zijn zo de argumenten, waarmee men zich van de begroting afmaakt.

Geen aangelegenheid van specialisten

Eigenlijk is het jammer, als we een begroting als een specialistische aangelegenheid opvatten. Dat zou concreet gaan betekenen dat we de diakoniebegroting b.v. aan de administrerende diaken overlaten.

Het gaat echter om méér dan een dorre opsomming van cijfers.

Volgens de heer C. M. Boet, penningmeester van de Generale Diakonale Raad, is een begroting ‘een weergave van verwachtingen en plannen voor de komende periode in geldbedragen’.

Met andere woorden:

— achter de cijfers vind je de verwachtingen en plannen terug

— verwachtingen en plannen moeten, als zij tot werkelijkheid willen worden en niet in mooie woorden willen blijven steken, worden vastgelegd o.m. in een begroting.

Maar zo werkt het niet in de praktijk. Cijferopstellingen schrikken af. Ook de mensen, die met ‘verwachtingen’ en ‘plannen’ in en van de gemeente hebben te maken, zeggen vaak dat ze er geen verstand van hebben.

Volgens de heer Boet ligt dat aan twee dingen. Begrotingen worden doorgaans ‘ondoorzichtig’ opgesteld: welke overwegingen op de achtergrond een rol hebben gespeeld, wordt niet verduidelijkt. En de mensen, die een begroting moeten beoordelen en meehelpen bij de vaststelling ervan, doen vaak te weinig moeite zich erin te verdiepen. ‘Het zal wel goed zijn’. Maar in werkelijkheid is dat lang niet altijd het geval.

‘Verantwoord beleid’

In de gemeenschappelijke kerkvoogdelijk-diakonale publicatie ‘Naar een verantwoord beleid’1, gaat het om samenwerking van kerkvoogden en diakenen. Beter misschien: om het financiële beleid van de gemeente.


In dit nummer van Diakonia treft u twee bijdragen aan, die te maken hebben met de oproep van de landelijke kerkvoogdelijke en diakonale organen in het boekje ‘Naar een verantwoord beleid’. Bijgaand artikel, geschreven door de eindredakteur, is een weergave van een gesprek met de penningmeester van de GDR, de heer Boet, die daarin wat kanttekeningen maakte bij de procedure voor het begrotingsoverleg, zoals dat in de brochure wordt voorgesteld.

Dit artikel is algemeen gesteld. In de volgende nummers hopen wij wat nader in te gaan op praktische problemen rond begroting en rekening, uit verschillende gemeenten, en ook op de geldwerving.

De tweede bijdrage in dit nummer rond het ‘verantwoord beleid’ is van de hand van de heer K. Doornbos, lid van de PDC van Overijssel en tevens van de GDR. De vragen, die hij stelt over het diakonaal gebruik van diakonale middelen, spreken naar onze mening wel voor zichzelf.

Red.


Al op de eerste pagina’s komt naar voren welke ontwikkelingen deze gemeenschappelijke publicatie op z’n minst hebben gestimuleerd. ‘De enorme kostenstijgingen veroorzaken in de meeste, zo niet alle, gemeenten problemen, die blijvende aandacht opeisen’ (pag. 5). Ernstige financiële problemen hebben de vraag naar een gemeenschappelijk financieel beleid een bijzondere nadruk gegeven.

Die vraag ligt nogal voor de hand. Diakonie en kerkvoogdij horen tot een en dezelfde gemeente. Overleg en samenwerking binnen de gemeente ook op financieel terrein mogen daarom worden verwacht. Maar zonder de grote zorgen vooral in kerkvoogdelijke kring zou het zeker niet tot deze uitgave zijn gekomen. Dat valt o.m. af te leiden uit de aandacht, die het op vele plaatsen toegepaste ‘redmiddel’ van lening of overheveling in deze uitgave krijgt.

‘Naar een verantwoord beleid’ kiest voor een andere weg. Lening of gift kan volgens de opstellers best een keer plaatsvinden, als men daarbij aan de nodige voorwaarden voldoet en vooral: als dit staat in een veel breder kader. Dat kader ligt in de titel opgesloten. Het gaat om beleid. Want pas als je een beleid hebt bepaald (huiselijker uitgedrukt: met elkaar hebt afgesproken wat je van plan bent te gaan doen), kun je bekijken of alle geplande uitgaven kloppen en welke inkomsten daartegenover moeten staan, waar de inkomsten vandaan moeten komen. En daarmee zijn we bij de begroting terug.

Zet het op papier!

Het voorgaande kan in het kort worden samengevat met: maak eerst een plan. En zet de financiële zorgen daarbij maar even opzij. Wat vinden we dat er in onze gemeente moet gebeuren? Wat behoort tot onze verantwoordelijkheid?

Volgens de brochure zou in maart (om alles behoorlijk te kunnen laten verlopen) een eerste beraad moeten plaatsvinden in diakonie en kerkvoogdij over de beleidspunten voor het komende jaar. Het is het beste om dat te doen aan de hand van een korte nota, die is ontworpen door het moderamen. Dat voorkomt chaotisch gepraat over allerlei details.

Uitvoerige theoretische beschouwingen zijn niet nodig. Wel is het misschien goed om aan te geven wat u als de diakonale taak van uw gemeente beschouwt, waarna de concrete uitwerking kan volgen. Hetzelfde geldt voor de kerkvoogdij ten aanzien van die zaken, waarvoor zij financiële verantwoordelijkheid draagt.

In april en mei zou volgens ‘het boekje’ verder gesproken moeten worden over de plannen (nog steeds: in de vergaderingen van diakonie en kerkvoogdij afzonderlijk), wat zijn afronding vindt in twee beleidsnota’s met daarbij behorende ontwerp-begrotingen.

Dat alles wordt aan de gemeente gepresenteerd, die wijzigingen kan voorstellen, en komt dan in juni aan de orde in de kerkeraad. Die zegt er het hare over en brengt in augustus (of juli, maar daar zullen de meeste kerkeraden wel niet voor voelen) de besprekingen tot een goed einde. Volgens de geldende kerkordelijke bepalingen wordt de diakoniebegroting daarna vastgesteld door de kerkeraad en de kerkvoogdijbegroting door de kerkvoogdij. Overigens: een béétje speling is er nog wel in dit schema, want eerst vóór half november moeten de begrotingen ter goedkeuring worden toegezonden aan respectievelijk Provinciale Diakonale en Provinciale Kerkvoogdij Commissie.

Het vooroverleg

De procedure voor het voorbereiden en vaststellen van de begroting is hiermee wel erg kort aangeduid. De volgende opmerkingen en suggesties kunnen u misschien helpen er wat meer inhoud aan te geven.

Allereerst: het beleidsplan. Daarin geeft u aan wat u belangrijk acht; in vaktaal: u stelt uw prioriteiten. Er zijn zaken, die om zo te zeggen in de boezem van het college van diakenen thuishoren, onversneden diakonale onderwerpen als zorg voor bejaarden en gehandicapten, maatschappelijk werk en gezinsverzorging, individuele hulpverlening, welzijnsvoorzieningen en werelddiakonaat. Allemaal belangrijk. Toch is het goed dat u aangeeft wat (zoals dat heet) ‘de hoogste prioriteit heeft’, d.w.z.: waar u vooral de aandacht op wilt richten. Daarna kunt u de punten noemen, die u óók wilt doen, maar die naar uw mening toch minder belangrijk zijn. Dat hangt allemaal mede van de plaatselijke situatie af.

Vergeet u vooral ook niet de taken, die door commissies of groepen worden behartigd. Het kan de vraag zijn of iets ‘diakonaal’ is of niet. Dat speelt onder meer in vormen van jeugdwerk, sociale/politieke aktie en vormingswerk. Maar ook hier zijn er grote plaatselijke verschillen.

In elk geval is het niet juist als diakonie en kerkvoogdij op eigen houtje aan het plannen- maken en begroten slaan zonder andere organen en groepen, die óók hun ‘plannen’ en ‘verwachtingen’ hebben, daarin te kennen. Zeker geldt dat ook voor de zendingscommissie.

Het is erg verstandig om de hele gang van zaken eerst eens in de kerkeraad te bespreken. Dat is geheel en al in de lijn van ‘Naar een verantwoord beleid’, dat óók aan de kerkeraden is gericht. Trouwens, de kerkeraad komt verderop in het ‘schema’ terug, bij de bespreking van plannen en ontwerp-begrotingen, en het éérste wat er moet gebeuren, is dan ook dat de kerkeraad zich voorneemt om de diakonale en de kerkvoogdelijke begroting als een samenhangend geheel en dus gelijktijdig te behandelen.

Een oriënterend gesprek in de kerkeraad is zeker gediend met de handleiding voor gesprekken, die achterin de brochure is te vinden (voor een aantal vragen: zie pag. 28 en 29). Maar het is ook heel goed denkbaar dat deze vragen, althans gedeeltelijk, worden gereserveerd voor het gesprek in het college.

In elk geval zullen diakonie en kerkvoogdij na dit eerste overleg aan het werk moeten gaan. Eerst kijken wat moet, dan kijken wat kan (pag. 19). Met andere woorden: geen onderdelen weglaten, omdat u denkt dat er toch geen geld voor is. Juist dat weglaten trekt het beeld van wat u allemaal wilt realiseren, scheef. En óf iets kan worden uitgevoerd, blijkt later wel. U zit immers nog steeds in de fase van het begrotingsoverleg en niet in die van de definitieve vaststelling van de begroting.

Nu komt de ‘begroter’, de administrerende diaken, op de proppen — al is het natuurlijk voortreffelijk als hij zich door een financieel deskundige in de gemeente laat assisteren. In zijn ontwerp zullen de ‘doorlopende’ kosten — de diakonale bijdrage (‘quotum’), salarissen, vaste lasten — moeten worden opgenomen en daarnaast de nieuwe plannen, alles zo nauwkeurig mogelijk in guldens uitgedrukt. Tegenover de verwachte uitgaven staan de inkomsten. Als hulp kan gelden wat het afgelopen jaar is binnengekomen, maar als u andere mogelijkheden ziet, moet u die natuurlijk ook laten meespreken. Voor de duidelijkheid is het goed aan de inkomsten-èn aan de uitgavenkant ook de collecten te vermelden, die direct worden afgedragen b.v. aan de GDR.

In de kerkeraad

Het is inmiddels juni geworden, en het huiswerk van diakonie en kerkvoogdij (eventueel geamendeerd door de gemeente) ligt in de kerkeraad op tafel. In de beide beleidsplannen zal voor alle kerkeraadsleden heel wat stof te vinden zijn om over door te praten en te vragen. Alleen al vanwege de onderlinge informatie is dat nuttig.

Maar de aandacht richt zich vanzelfsprekend ook op de begrotingen. En u weet hoe het met begrotingen gaat: ze vertonen een overschot of een tekort (al kunnen ze natuurlijk ook helemaal ‘sluiten’).

Drie mogelijkheden zijn denkbaar:

— beide begrotingen hebben een tekort

— één van beide begrotingen heeft een tekort

— beide begrotingen hebben een overschot.

Wat te doen bij een tekort?

Laten we pessimistisch zijn en veronderstellen dat zowel de diakonie als de kerkvoogdij een tekort verwacht. Wat te doen? De kerkeraad kan gaan schrappen (of de heren kerkvoogden adviseren dat in hun begroting te doen).

Toch is er wellicht een betere manier om een oplossing voor de problemen te vinden.

De kerkeraad zou beide plannen met de bijbehorende begrotingen aan de gemeente kunnen voorleggen. Dat moet natuurlijk wel goed worden voorbereid: tijdig de stukken voor ieder gemeentelid beschikbaar stellen of ter inzage geven, en de zaak begeleiden in het kerkblad.

Na de kerkdienst of op een gemeente-avond kan worden gevraagd: Vindt u dat deze plannen moeten worden uitgevoerd, of niet?

Zo niet, waar schrappen? En zo ja, hoe kunnen we met elkaar zorgen dat het geld bij elkaar komt? Op die manier worden gemeenteleden voor een duidelijke keuze geplaatst.

Tweede mogelijkheid: één van beide begrotingen heeft een tekort. De verleiding is groot om dan maar te gaan ‘schuiven’. Dat lijkt handig, maar is allerminst verstandig. Juist in de voorbereiding van plannen en begrotingen moet duidelijk zijn geworden onder welk ‘hoofd’ een vorm van kerkelijk werk berust.

Dat houdt ook in dat verantwoordelijkheid wordt aanvaard. Een diakonie, die b.v. een stuk jeugdwerk financiert, is er daarmee niet vanaf, maar zit eraan vast: zij aanvaardt daarmee dat dit werk namens haar plaatsvindt. Natuurlijk heeft de diaken als kerkeraadslid zijn medeverantwoordelijkheid voor àl het werk van de gemeente. Maar die verantwoordelijkheid wordt tot een door de kerkeraad gedelegeerde taak, als er een begrotingspost mee is gemoeid.

En het is eigenlijk niet oprecht, als kerkewerk eerst tot verantwoordelijkheid van de één is gemaakt en later weer, om ‘administratieve’ redenen, aan de ander wordt toegeschoven.

Verschuiving van inkomsten

Veel juister is de stelling op pagina 21 van de brochure: ‘verschuiving in inkomsten is meer verantwoord dan oneigenlijke uitgaven’. Dus: als de diakonie of de kerkvoogdij niet kan rondkomen, moet de ontvangstenkant in de kerkeraad extra aan de orde komen. Is het mogelijk de verdeling van collecten te veranderen, speciale akties te voeren (of wat minder aandacht te vragen voor andere akties) en niet in het minst: gemeenteleden duidelijker voor bepaalde doeleinden aan te spreken door goede voorlichting, bij voorbeeld in de kerkdienst?

Ook kan het de vraag zijn, of er met toevertrouwde gelden wel zuinig genoeg wordt omgesprongen. De brochure geeft op pagina 23 ‘nog meer mogelijkheden voor samenwerking’, n.l. op technisch en administratief gebied, die zeker in de grotere gemeenten het overwegen waard zijn.

Tenslotte is er de mogelijkheid dat kerkvoogdij en diakonie beide met een overschot uit de bus komen. Wat dán te doen? Natuurlijk: het geld bestemmen voor werk, dat schrééuwt om steun. Het werelddiakonaat b.v. Want ook dat hoort bij een ‘verantwoord beleid’!


1) ‘Naar een verantwoord beleid door samenwerking van kerkvoogden en diakenen’, uitgave Centrale voor vormingswerk/HVD, De Horst 5, Driebergen, prijs ƒ3,–, bestelnummer AK 236, giro: 42618.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976

Diakonia | 38 Pagina's

Wat er aan uw begroting vastzit…

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976

Diakonia | 38 Pagina's

PDF Bekijken