Bekijk het origineel

Professor Goudzwaard en het rentmeesterschap

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Professor Goudzwaard en het rentmeesterschap

Een eigentijdse maatschappijkritiek

11 minuten leestijd

Iemand, die zo zijn vraagtekens zet achter begrippen als economische groei en materiële vooruitgang is de Amsterdamse hoogleraar prof. Bob Goudzwaard. Onlangs verscheen van zijn hand bij Van Gorkum in Assen het boek 'Kapitalisme en vooruitgang: een eigentijdse maatschappijkritiek'. Hierin gaat hij in op problemen in de hedendaagse westerse maatschappij. Problemen zowel economisch als niet-economisch, die steeds hardnekkiger blijken op te treden en steeds moeilijker oplosbaar zijn.
Leidraad in het boek is het zogenaamde vooruitgangsgeloof, dat wellicht een beslissende rol bij het tot stand komen van de moderne kapitalistische samenleving kan hebben gespeeld. Professor Goudzwaard bepleit een zekere ontsluiting bij die samenleving. Met name als het over techniek en economie gaat. Hij introduceert termen als 'rentmeesterschapseconomie' en een "gelukshorizon". Zo blijkt althans uit het volgende vraaggesprek van Gerard Klaassen van de KRO in de radiorubriek Kruispunt, dat we hier graag doorgeven (dank u, KRO). Waarom? Omdat professor Goudzwaard's visie alles te maken heeft met nieuwe levensstijl.

Prof Goudzwaard, u heeft onlangs een boek gepubliceerd, dat 'Kapitalisme en vooruitgang' heet. Waarom heeft u dit boek geschreven?
Goudzwaard: Het heeft te maken met de constatering dat je een heleboel mensen, wetenschapsbeoefenaars, hebt, die met zorgen rondlopen in deze samenleving. Biologen, bezorgd voor het milieu. Psychiaters over een toenemende frustratie bij mensen. Economen, die niet werkeloosheid en inflatie tegelijkertijd kunnen oplossen. Enzovoort. Nu trof het mij, dat ze allemaal voor zichzelf, hun vakgebied, bezorgd zijn, maar dat naar de gemeenschappelijke grondoorzaken van al die problemen samen zo weinig wordt gezocht en dat er zo weinig over wordt gesproken.

Wat is uw bezwaar tegen het kapitalisme eigenlijk?
Dat heeft te maken met die grondoorzaken, die ik gemakshalve maar grondnoemer noem. Kapitalisme is voor mij meer dan een bepaalde organisatiemethode in de samenleving. Ik kan mij een ondernemingsgewijze produktie heel best indenken. Maar het kapitalisme is méér dan dat. Het is het geven binnen een hele kultuurontwikkeling, binnen een hele samenleving. Een voorrang geven aan krachten van materiële economische groei en technologische vernieuwing. En dan als het ware als een doel in zichzèlf beschouwd: als voertuigen die je zouden brengen naar het geluk voor ieder persoonlijk en het geluk voor een samenleving als geheel.
Dat heeft die verstoringsverschijnselen daaromheen te zien gegeven. Vanaf werkloosheid, inflatie tot aan frustratie e.d. toe. Dus je moet spreken over de vooruitgang-zèlf en dan: hoe wij die in het westen verstaan.

Hoe wordt dat in uw boek konkreet ter sprake gebracht?
Laten we als voorbeeld eens de produktiesector van onze samenleving nemen. Daarin komt overduidelijk naar voren dat de noodzaak van materiële groei en technologische vernieuwing voorrang krijgt. En dat sluit dan weer aan op een sterkere gerichtheid op de produktiviteitsbevordering, de rendementsbevordering. Een manier van werken, waarvan je je kunt afvragen: dient die nu inderdaad het menselijk geluk? Ik zou dan een gebrek aan evenwichtigheid, aan balans, willen constateren. Ik zie dat gebrek aan balans duidelijk aanwezig aan de ene kant ten opzichte van wat menselijk, en uit hoofde van menselijke verantwoordelijkheid nodig is en aan de andere kant ten opzichte van wat er materieel en technisch in feite allemaal gebeurt.

Populair aangeduid zou je kunnen vragen: hoe slecht is het gesteld met onze samenleving en hoe ernstig zijn de nadelige effecten van het kapitalistische systeem op ons mensen? U introduceert in uw boek 'Kapitalisme en vooruitgang' in dit opzicht de term 'tunnelsamenleving'. Wat is dat?
Het woord tunnel is misschien de beste start om het duidelijk te maken. Een tunnel is iets, waarin je opgesloten bent, waar je niet uit kan en waar maar één mogelijkheid is om er wel uit te kunnen. En dat is, op weg naar die lichte plek aan het einde, daar daagt het daglicht. En als je daar komt, dan heb je alle verdriet achter je gelaten. Nou, iets daarvan zit in de manier waarop een eeuw geleden al over het kapitalisme werd gesproken.
Als we nu gezamenlijk de samenleving zo organiseren, dat we materieel vooruitgaan en we passen dus de meest moderne technieken daar steeds kontinu op toe, dan moet het mogelijk zijn de samenleving te brengen tot een zodanige welvaartsgroei, dat vandaar uit alle problemen oplosbaar zijn.
Ik bedoel: dat je aan iedereen voldoende kan geven. En dat je dus ook armoede kan laten verdwijnen op de wereld. Dat idee heeft onze samenleving als kuituur meegekregen. En nu zie je gewoon dat dat lichtende einde van de tunnel steeds verder wegwijkt. En dat binnen de samenleving alles in het teken is komen te staan van het op weg moeten zijn naar dat einde wat in de verte wenkt. Hard gemaakt: dat ondernemingen alleen maar jaaginstituten zijn. Dat mensen zich opgejaagd voelen. En dat tegelijkertijd de overheid ook in dat hele stroomlijningsmodel is meegenomen en een uitdeelinstituut is geworden van de verworvenheden van de welvaartsgroei, waarin ook mensen beklemd zijn geraakt. Daarom zal het inderdaad moeten gaan om een ontsluiting van de samenleving uit de beklemming van een tunnelsamenleving.
We hebben namelijk te maken met een samenlevingsstruktuur, die is gaan staan in de noodzaak van het steeds maar vooruitgaan, economisch, technisch, wat er voorrang heeft. Daar zijn ondernemingen naar gaan staan en in die sfeer werken vakorganisaties, die hun claims leggen op het nationale produkt. Op die manier is ook een overheid ontstaan die de grote samenleving van de toekomst wil baseren op voldoende economische middelen en dus óók weer groei nodig heeft. Dat betekent dat als je er tegenin wilt gaan je voor een dubbele opgave komt te staan. In de eerste plaats moet je je afvragen, wat in de samenlevingsstruktuur zou moeten veranderen om die openingen te krijgen naar een ander gebruik van techniek en een andere manier van omgaan met economie. In de tweede plaats moet je je afvragen of een kultuur daar klaar voor is. Of de mensen-zèlf er rijp voor zijn, of althans eraan toe willen komen om als het ware mee àf te denken van een gelukshorizon, die alleen maar economisch-technisch is georiënteerd en toe te denken naar een gelukshorizon die te maken heeft met de kijk op het werk zelf: de relaties die we hebben naar arme landen, de rentmeesterszorg voor het milieu, om maar enkele voorbeelden te noemen. Er komen m.a.w. normen in het geding, waarvoor je dan ook in een kuituur de bereidheid moet hebben om er offers voor over te hebben.

U gebruikt de term gelukshorizon. Wat is dat?
Gelukshorizon, ja, dat is voor mij de geluksopvatting, die je hebt, die mensen hebben en die organisaties kunnen hebben, wanneer ze konkreet handelen. Een gelukshorizon van een vakorganisatie kan bijvoorbeeld daarop gericht zijn, dat je probeert mensen, je eigen leden, zoveel mogelijk loonsverhoging mee te geven en andere materiële voorzieningen.
Dan ben ik geneigd om te zeggen: dat is dan een geluksopvatting die ik wat afgeplat vind. Het zal een vakorganisatie ook moeten gaan om een gelukshorizon, waarin juist de waarden van de mens als werkende mens, met daarin een aangepaste techniek, is opgenomen. Zo kunnen we op tal van manieren afgeplatte gelukshorizons opmerken bij ons eigen doen en laten in de westerse samenleving.

Zouden de problemen naar uw ethos (opvatting wat goed en verkeerd is — red.) worden opgelost als de plaats van de vooruitgang zèlf ter diskussie wordt gesteld? U schrijft In uw boek 'dat leven en samenleving weer hun waarde bulten de dienst van de vooruitgang dienen te krijgen.'
Inderdaad. Het zit voor mij vrij diep zelfs. Ik ben geneigd te zeggen, dat alles wat er aan technische en economische mogelijkheden in de wereld ligt, dat het daar in die geschápen wereld voor ons ligt. Niet om doel in zichzelf te zijn, maar juist bestemd om er ook als samenleving antwoord mee te leren geven.
Techniek heeft een bestemming in de zin van dienstverlening aan creatieve mensen en economie heeft een bestemming in de zin van een zorgvuldig beheer: als een goed dat niet een last van jezelf is, maar dat je als rentmeester moet beheren. Als dus een samenleving die stijl van economie en techniek gaat vertonen, dan is het duidelijk dat de vraag wat nu de voorrang van de vooruitgang moet zijn ter diskussie moet worden gesteld. Maar dan op een breed vlak! Dat zal je dan niet alleen in politieke partijen en vakorganisaties moeten doen, want het heeft ook met konsumentenorganisaties, vrouwenorganisaties, met eigen persoonlijke levensstijl te maken.

Misschien mag ik nog even verder ingaan op de plaats van de techniek. Ik ben niet tegen een technologische ontwikkeling als zodanig. Duidelijk zie ik daar positieve dingen in. Maar er is in een techniek, die Schumacher noemt 'a human technology', een menselijke techniek. Ik zou in dat verband het woord bescheiden techniek willen kiezen, die de proporties niet uit het oog verliest. Ik geloof dat er op het ogenblik vele technische ontwikkelingen aan de gang zijn, ik denk aan het militaire vlak, maar ook aan het industriële vlak, waar een zodanig grootschalige techniek wordt gebruikt, die mensen alleen maar kan vervreemden, waar de mens, ja eigenlijk ondergeschikt aan de computer dreigt te worden. Niet meer degene is die technische ontwikkelingen bestuurt, maar een techniek ontwikkeld heeft die hèm in de greep heeft en hem z'n al te bescheiden plaats geeft. Daarom ben ik geneigd het om te keren: dat we naar bescheiden vormen van techniek toe moeten, die een schaal van produceren en gezamenlijk leven mogelijk maken, welke voor kleine mensen te overzien zijn. Maar dat, en dan kom je op economie, bergt een noodzaak in zich van een andere economische keuze dan we tot nu toe hebben gedaan! Want als onze gelukshorizon is dat economisch altijd meer 'goedvoelend' is, dan ligt daarmee de keuze voor een grootschalige techniek vast. Dan heb je je vrijheidsgraad op dat punt verloren. Willen we vrijheidsgraad in de techniek krijgen, een kleinschalige techniek, dan moeten we een economisch offer brengen op het vlak van het kunnen consumeren en op het vlak van het anders kunnen vormen van inkomens. Anders krijg je nooit andere vormen van techniek in de samenleving van de grond.
Maar daarachter zit nog een diepere vraag. Komt de westerse mens wel toe aan het ter diskussie stellen van z'n eigen gelukshorizon? Zo ja, ben je dan al niet feitelijk met vragen bezig, die op het vlak van diepste houvast in het menselijk leven liggen, ook van samenlevingen? Kunnen we het wel doen zónder materiële gelukshorizon: waar ligt die vraag over de zin en de bestemming van het menselijk leven? Dat is een zaak, waarvan ik niet spontaan een verandering in de westerse samenleving verwacht. Vandaar, dat ik een zwaar woord als kentering, zelfs bekering, in mijn boek heb gebruikt om de zwaarte daarvan aan te duiden.

U zegt aan het eind van uw boek: is de grondoorzaak van de hedendaagse crisis van het westen niet, dat wij diep in ons hart weten dat onze eigen goden, in de zin van onze eigen materiële geluksmakers, ons verraden hebben? En dat wij tegelijkertijd weten dat wij nog steeds niet van hen los zijn. En dan pleit u eigenlijk voor een diepere geestelijke omwenteling. Kunt u daar iets meer over zeggen en wat bedoelt u daar eigenlijk mee?
Ik kan dat misschien het beste duidelijk maken door wat mij erg bekend is: de gelijkenis uit de bijbel van de verloren zoon. De verloren zoon, van wie de vroegere president van de Wereldraad van Kerken al gezegd heeft dat het Westen zich daar ten dele in herkennen kan. Iemand die eerst z'n hele erfenis voor zich opeist, die erdoor jaagt en dan blijkt terecht te komen in een stukje vernieuwing van zijn leven. Hij weet dan namelijk dat hij terug moet, dat hij zich op een bepaalde wijze moet heroriënteren en moet weerkeren naar het huis van z'n vader, waar hij vandaan is gekomen. Nu, iets daarvan zie ik voor christenen en voor niet-christenen van betekenis in de westerse samenleving.
Ik voeg er uitdrukkelijk de christenen bij, omdat het hier gaat om iets anders en meer dan alleen een bekering van mensen tot christenen. Een tweede bekering van christenen die opnieuw leren weer mens te zijn, die datgene wat ze religieus belijden dóór durven te denken en dóór durven te handelen naar de konkrete manier waarop ze met elkaar leven, produceren en konsumeren.
Wat dat betreft zijn het gescheiden werelden in het leven van de meeste christenen: dat hun geloof iets zou moeten zeggen over de manier waarop ze praktisch met elkaar omgaan.
Ik zou zeker niet willen uitsluiten dat je gezamenlijk met humanisten hier die vragen aan de orde stelt en gezamenlijk zoekt naar oplossing ervoor. Dat bedoel ik niet. Wel vind ik vanuit mijn levensovertuiging dat ik in wat aan het kruis gebeurd is, de diepste overwinning zie van krachten die mensen kunnen verslaven. Er is ergens het einde te zien van menselijk streven om rijk te worden. Daar heb je te maken met een arme stijl van Christus en in volstrekte machteloosheid. Met andere woorden: daar eindigt onze zin om alles te zetten op de kaart van de vooruitgang. En van daaruit kan je ook gezamenlijk wegen naar ontslaving vinden in de samenleving.

(Prof. dr Goudzwaard is hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977

Kerkinformatie | 24 Pagina's

Professor Goudzwaard en het rentmeesterschap

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977

Kerkinformatie | 24 Pagina's

PDF Bekijken