Bekijk het origineel

Van den haaq naar de eigen plaats

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van den haaq naar de eigen plaats

7 minuten leestijd

Hoe het begon.


Op het terrein van het welzijnswerk gaat veel veranderen. Er komt een wet voor dat werk en het zal niet meer de rijksoverheid zijn, die bepaalt wat er op plaatselijk, regionaal en provinciaal niveau moet gebeuren. De gemeente- en provinciale besturen zullen dat gaan doen. Dat is een essentiële koerswijziging in het welzijnsbeleid in Nederland, waar buitenstaanders misschien niet veel van zullen merken. Voor diakenen kan het van groot belang zijn de komende tijd in de eigen omgeving en de eigen gemeente nauw keurig te volgen wat er gaande is.


Het is vooral de rijksoverheid geweest, die na de tweede wereldoorlog door middel van een beleidsvoering en financiering de grote stimulator is geweest van het welzijnswerk. Op een breed terrein zijn daardoor veel voorzieningen tot stand gekomen:

in de dienstverlening (de z.g. zorgsector) behoeven we alleen maar te denken aan het maatschappelijk werk, de gezinsverzorging en het kinderbe- schermingswerk

— op het meer educatief terrein is o.a. te noemen het club- en buurthuiswerk, de bibliotheken, het opbouwwerk, vormings- en cultureel werk

en bij de recreatie denken we aan sport en spel, open lucht-recreatie en die in de steden.

In het begin van de vijftiger jaren ontstond het Ministerie voor Maatschappelijk Werk, waaruit later dat van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk werd opgebouwd.

Steeds was het de rijksoverheid met wie men te maken kreeg, als nieuwe initiatieven op het welzijnsterrein werden genomen of bestaand werk om uitbreiding vroeg. Het Rijk heeft het welzijnswerk in Nederland de afgelopen dertig jaar in hoge mate bepaald. Weliswaar werden door de jaren heen de provinciale en gemeentebesturen in toenemende mate betrokken bij de beslissingen en financiering, maar het laatste woord werd uiteindelijk in Den Haag gesproken. Deze gecentraliseerde beleidsvoering heeft er toe geleid, dat als in weinig andere landen op een zeer breed terrein veel voorzieningen tot stand zijn gekomen, al werden ook wel de bezwaren van zo’n grote invloed van de rijksoverheid gesignaleerd.

Dit gebeurde met name in de z.g. “Knelpuntennota”, een kritische doorlichting van het Nederlandse welzijnsbeleid en welzijnswerk, die een kleine vijf jaar geleden werd gemaakt. In die nota wordt o.a. krachtig gepleit voor de decentralisatie van het welzijnsbeleid. De redenering is: als de welzijnsvoorzieningen zo goed mogelijk afgestemd willen zijn op de behoeften ter plaatse, dan moeten gemeentebesturen en bevolking bij het tot stand komen van die voorzieningen ook meer betrokken zijn. Ook laat de nota zien, dat het centraal geleide welzijnsbeleid heeft geleid tot een lappendeken van voorzieningen, waardoor de onderlinge afstemming niet altijd even goed is. Bovendien blijken allerlei voorzieningen vaak onvoldoende bereikbaar en overzichtelijk voor die mensen, voor wie ze bedoeld zijn.

Sinds de knelpuntennota is er in “Den Haag” (Rijswijk) krachtig verder gewerkt aan die decentralisatie. Op allerlei terreinen van het welzijnswerk worden rijkssubsidieregelingen omgezet in z.g. bijdrageregelingen, waardoor de financiële zeggenschap van gemeente- en provinciale besturen vergroot wordt. Op 20 mei j.l. hebben de minister-president en de minister van CRM de Tweede Kamer een ontwerp kaderwet specifiek welzijn aangeboden, waarin “regels voor gedecentraliseerde beleidsvoering” worden aangegeven.

Waar gaat het om?

In de toelichting op de zojuist genoemde kaderwet wordt aangegeven wat precies de bedoeling is:

Gemeenten en provinciesen daarmee de gebruikers van de voorzieningen, de burgers zelf duseen grotere invloed geven op het welzijnsbeleid.

Deze instanties staan dichter bij degenen voor wie het welzijnswerk is bestemd en zij kunnen de mensen, die het betreft dus ook beter bij de bepaling van dat beleid betrekken.

Het is duidelijk wat wordt beoogd:

— het bestuur zo dicht mogelijk bij de burgers brengen,

— de spreiding van macht en verantwoordelijkheid.

Met deze decentralisatie stelt de rijksoverheid zich voor, dat er tevens meer gaat gebeuren: n.l. de “planning” van de gewenste welzijnsvoorzieningen. In de nieuwe rijksbijdrageregelingen voor allerlei werk terreinen en in de kaderwet wordt de noodzaak van die planning steeds genoemd. Provinciale en gemeente besturen moeten steeds een vierjarenplan opstellen en jaarlijks een meer gedetailleerd programma maken om voor een uitkering van het Rijk in aanmerking te kunnen komen. Men moet aangeven wat men wenst, waarom men dat wil, of men bestaand werk wil voortzetten, dan wel dat vervan gen wil door nieuw werk. Het betekent dus, dat de keuze van de welzijnsvoorzieningen en de omvang daarvan in de toekomst door de lagere overheden zal ge beuren.

Dit alles is wel duidelijk aan allerlei grenzen gebonden, want het Rijk is niet van plan in de toekomst meer geld uit te geven dan al werd gedaan. Het verschil is, dat in het verleden de welzijnsinstellingen rechtstreeks door het Rijk werden gesubsidieerd, terwijl straks de gemeenten en provincies via gemeente- en provinciaal fonds van het Rijk uitkeringen zullen krijgen om het zelf gekozen welzijnspakket mede te kunnen betalen. Anders gezegd: bedragen uit de rijksbegroting voor het welzijnswerk zullen straks worden overge heveld naar het provincie- en gemeentefonds.

Het is ook nadrukkelijk de bedoeling van het Rijk om de bevolking en de welzijnsinstellingen bij de voorbereiding van dat welzijnsplan te betrekken. De wijze, waar op dat zal gebeuren, geeft men echter niet aan. Dat wordt — volgens de toelichting op het ontwerp kaderwet — zeer bewust niet aangegeven: “Juist een welzijnsbeleid, dat mensen wil voorbereiden op een meer democratische samenleving, waarin zij zelf meer invloed en zeggenschap krijgen, moet ook zèlf gedemocratiseerd zijn”.

We mogen uit het bovenstaande concluderen, dat de decentralisatie van het wel zijnsbeleid dus gepaard gaat met de in voering van de z.g. welzijnsplanning. De verantwoordelijkheid voor die planning ligt voor de gemeentelijke plannen bij het gemeentebestuur en voor de provinciale plannen bij G.S. Het is de bedoeling, dat per provincie en gemeente (of groep van gemeenten) een “orgaan voor het kaderwet welzijn” in het leven wordt ge roepen of wordt aangewezen, dat de voor bereiding van die planning democratisch ter hand neemt.

Tenslotte vermelden we nog, dat het de bedoeling is, dat de decentralisatie en de daarmee gepaard gaande planning op provinciaal en gemeentelijk niveau niet abrupt, maar geleidelijk zullen worden ingevoerd.

Wat betekent deze verandering?

Dat is op dit moment nog niet in alle consequenties te overzien. Wel is het duidelijk, dat gemeentebesturen er een niet ge makkelijke taak bijkrijgen en dat de plaatselijke bevolking op een heel andere wijze dan in het verleden betrokken kan worden bij het welzijnswerk. Wij schrijven dit artikeltje in de eerste plaats als algemene informatie voor de diakenen. Het is niet waarschijnlijk, dat er op heel korte termijn in uw gemeente véél gaat veranderen op het terrein van de welzijnsvoorzieningen. Maar het moment gaat komen, dat ook in uw gemeente de voorbereiding van de welzijnsplannen ter hand genomen gaat worden. Het is goed ais diakenen daarop attent te zijn.

Het is nog helemaal niet duidelijk hoe de gemeentebesturen de burgers zullen be trekken bij de voorbereiding van de welzijnsplannen. Ook is nog helemaal niet duidelijk of en hoe de prioriteit van de welzijnsvoorzieningen in een gemeente of provincie zal worden gepeild. In de wel- zijnswereld zullen dezelfde krachten spelen als in andere sectoren van de samenleving en het staat geenszins vast, dat groepen en mensen voor wie de voorzieningen het meest urgent zijn, deze voorziening ook gebruiken of krijgen. Dat is iets om attent op te zijn voor het diakonaat: krijgen minderheidsgroepen en de maatschappelijk zwakkeren voldoende kans (en nemen ze die ook) om straks hun zegje te zeggen bij het opstellen van de prioriteiten?

Op nog een heel andere wijze kunnen diakonieën en kerkelijke gemeenten in de toekomst met de welzijnsplanning te maken krijgen. Vaak zijn ze rechtstreeks of meer indirect betrokken bij uitvoerend welzijnswerk: maatschappelijk werk, be- jaardenwerk, werk voor gehandicapten, jeugdwerk en werk van vrouwenorganisaties. Ook al deze werkvormen krijgen straks met die welzijnsplanning te maken en zullen dan hun geluid moeten (kunnen) laten horen.

Redenen genoeg om als diakonie attent te zijn: b.v. één van de diakenen of gemeenteleden, die een beetje thuis is op dit werkterrein, te vragen de ontwikkelingen goed te volgen. Als U daarbij assistentie meent nodig te hebben, dan weet U ongetwijfeld uw provinciale diakonale commissie of de provinciale (diakonale) consulent te vinden. Zij zijn vast graag bereid mèt U te zoeken naar mogelijkheden, waarop in uw situatie gehandeld kan worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977

Diakonia | 40 Pagina's

Van den haaq naar de eigen plaats

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977

Diakonia | 40 Pagina's

PDF Bekijken