Bekijk het origineel

Waar blijven ze?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Waar blijven ze?

Bijna zevenduizend doopleden verlieten in 1976 gereformeerde kerken

4 minuten leestijd

Het vorige nummer van Kerkinformatie (okt. 1977, nr. 75, pag. 14 en 15) zijn de gegevens van de ledenstatistiek over 1976 opgenomen. Niet iedereen zal zich daarin verdiept hebben; men spreekt immers van "dat dorre cijfermateriaal".
Maar als je bedenkt dat achter elk cijfer een levend mens verscholen gaat met zijn vreugden en verdriet; met zijn teleurstelling en wanhoop wordt het toch wel wat anders: het gaat om mensen. Wat zeggen ons dan deze cijfers?
Ik heb voor u een aantal gegevens bij elkaar gezet en die vergeleken met de gegevens van voorgaande jaren. Gegevens nl. over doopleden van onze kerken; in het algemeen: jongens en meisjes in een fase van hun leven, waarin ze tot volwassenheid komen en een eigen keuze gaan maken. De informatie, die daaruit voortvloeit sluit tevens aan bij het rapport dat deputaten Jeugd- en Jongerenpastoraat hebben ingediend bij de synode van Zwolle. In een bijlage is datzelfde vergelijkingsmateriaal bij het rapport opgenomen. Niet zomaar voor de aardigheid, maar vanuit de vraag: waar blijven ze?
U zult diezelfde vraag stellen als u kijkt naar onderstaande tabel.
Bij eerste oogopslag valt te constateren, dat het aantal van de doopleden, die om een of andere reden de Gereformeerde Kerken verlieten in tien jaar tijd verdubbeld is.
Nu zijn ze niet allemaal kerkelijk gesproken in de mist verdwenen. Van degenen, die zich uitdrukkelijk aan onze kerken hebben onttrokken, is een groot aantal gegaan naar andere kerken of godsdienstige groeperingen. Dat vertrek zal ook niet altijd veroorzaakt zijn doordat men zich in onze kerken niet meer thuis voelde. Er hoeft in sommige gevallen niet meer achter te zitten dan dat men getrouwd is met een partner uit een andere kerk en met hem of haar is 'overgegaan'.
Maar van degenen, die zich onttrokken zijn er toch altijd nog ruim 1600, die naar geen kerk vertrokken zijn (wat betreft 1976) of van wie de bestemming onbekend is gebleven. Voeg daar dan nog eens bij degenen, die nimmer hun doopattest afgaven of zonder meer vertrokken zijn, dan kom je voor 1976 op het respectabele getal van ruim 4100 doopleden, die, wat de kerk betreft, 'verdwenen zijn!'
Waar zijn zij gebleven? Dat is dunkt mij een indringende vraag als je let op het getal. We kunnen ons niet meer op een gemakkelijke manier van die vraag afmaken.

Administratieve slordigheid?
Er is al vaker op gewezen denk ik, dat er iets moet mankeren aan de administratie van onze kerken. Want wat gebeurt er met de mensen voor wie wel een doopattest is afgegeven, maar die dat nimmer hebben ingeleverd. Die zijn in onze administratie verdwenen! Duidt dat op een slordigheid bij ons of op onmacht omdat heel veel mensen niet meer te achterhalen zijn? Ik zal daar geen uitspraak over doen, wetend van de ernstige pogingen om mensen op te sporen, die telkens weer schipbreuk lijden.
Toch lijkt het mij niet overbodig, dat we als kerken onszelf en elkaar de vraag stellen: is het verdwijnen van veel doopleden een gevolg van onze slordigheid? Dat is dan een onverantwoordelijke slordigheid, want: het gaat om mensen. Die kunnen we niet zo maar laten gaan. Daarom, al is het niet voor de eerste keer dat zoiets gezegd wordt: laten de kerken de uiterste nauwkeurigheid betrachten in het bijhouden van hun administratie en hun gegevens van vertrekkende leden doorgeven aan de andere kerken. Helaas moet worden gezegd dat het aan dat doorgeven aan elkaar nogal eens schort. Op die manier zijn al heel wat mensen stilzwijgend verdwenen. Maar dat mogen wij die leden niet aandoen. Het is een gebrek aan wezenlijke persoonlijke aandacht voor elkaar.
In de maatschappij om ons heen zijn de mensen vaak niet meer dan nummers.
Daardoor vervreemden ze van zichzelf, met alle verdriet en wanhoop, die daar mee gepaard gaan.
In de kerk mogen de mensen nimmer het slachtoffer zijn van een dergelijke degradatie; in de kerk gaat het altijd om hem of haar persoonlijk. Het bijhouden van de gegevens is niet altijd zo gemakkelijk; ik weet het. Maar ik denk, dat dan een ernstig beroep gedaan moet worden op elke ouderling, die zich er voortdurend van moet vergewissen wat er gebeurt met de gezinsleden uit zijn wijk of sectie. Dat kost inderdaad extra moeite. Maar geen moeite moet op dit punt ons teveel zijn; immers: het gaat om mensen!

Ds. H. Hogenhuis is predikant in algemene dienst ten behoeve van jeugd- en jongerenpastoraat'.


Doopleden die de Geref. Kerken verlieten
(zie voor de tabel de originele pdf)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1977

Kerkinformatie | 32 Pagina's

Waar blijven ze?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1977

Kerkinformatie | 32 Pagina's

PDF Bekijken