Bekijk het origineel

Hoe beleggen we ons geld?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hoe beleggen we ons geld?

13 minuten leestijd

In de najaarszitting van de Hervormde Synode kwam — zoals bekend — ook het verslag van de GDR over de jaren 1974 tot en met 1976 aan de orde. Min of meer door een typografische onvolkomenheid in het jaarverslag viel de aandacht nogal sterk op een zinsnede over beleggingen van reserves. Er werden wat vragen over gesteld, maar zoals dat wel vaker gaat: de tijd was te kort om er volledig op in te gaan. De vragen blijven liggen en mogelijke misverstanden gaan een eigen leven leiden. Aangezien het hier om vragen gaat, die zich niet alleen bij de GDR voordoen maar ook bij de diakonieën, willen we er hier in algemene zin aandacht aan besteden. Voor de goede orde, onder een reserve verstaan we dat gedeelte van ons geld en bezit dat afzonderlijk kan worden gehouden zonder dat de voortgang van de werkzaamheden erdoor wordt verhinderd.

Waarom hebben we reserves? Mag dat ei-genlijk wel? want dat is de eerste vraag die we ons moeten stellen: welke motieven hebben we voor het aanhouden van de reserves?

Wij zien er twee:

— Krachtens testamentaire beschikking of overeenkomst beschikken we over een kapitaal en we zijn gehouden uit de rente bepaalde bestedingen te doen.

— Door de tijd die verloopt tussen de ontvangst en de besteding van de ons toevertrouwde geldmiddelen beschikken we over een overschot, dat we als goede rentmeesters rentedragend willen maken.

Dit tweede geval is nog onder te verdelen in enkele varianten, maar daar komen we later op terug.

”Doelvermogen”

Het eerstgenoemde geval heeft geen nadere rechtvaardiging van node. We hebben de beschikking over een kapitaal en bij de aanvaarding van dit kapitaal hebben we de verplichting op ons genomen om uit de rente daarvan voor bepaalde — meestal nauwkeurig omschreven — doelen uitkeringen te verrichten.

We duiden dit kapitaal verder aan met de term ”doelvermogen”.

Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht. Er kunnen echter ernstige problemen ontstaan, wanneer de opbrengst van het doelvermogen niet meer voor het aangegeven doel kan worden besteed. Bijvoorbeeld: het geval waarin bepaald is dat het geld moet worden aangewend voor het levensonderhoud van weduwen en wezen of voor de instandhouding van een wezeninrichting.

In dergelijke situaties, waarin het nagenoeg uitgesloten moet worden geacht dat nog uitvoering kan worden gegeven aan de destijds aangegane verplichtingen, is het zaak om te overwegen of het geld niet besteed kan worden voor een doel dat zo dicht mogelijk ligt bij de bedoeling van de kapitaalverschaffer van destijds. In het geval van de wezen zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan financiële adoptie van buitenlandse wezen.

Het is wel zaak om in zo’n geval degelijk juridisch advies in te winnen en zonodig een gerechtelijke uitspraak uit te lokken over de bestemmingswijziging.

Dat kan heel wat rompslomp teweeg brengen, maar men dient wel te bedenken dat men door de rente eenvoudigerweg bij het kapitaal te voegen en te blijven oppotten niet handelt overeenkomstig de verplichtingen die bij aanvaarding van het doelvermogen zijn aangegaan.

Tijdsverloop

In het tweede geval, het overschot dat ontstaat door het tijdsverloop tussen ontvangst en besteding van de gelden, zijn verschillende varianten mogelijk.

De eerste mogelijkheid is voornamelijk van historisch belang. Toch zullen er heel wat diakonieën zijn, die vanuit die historische situatie nog een post in de boeken hebben staan. Vandaar dat we hem hier noemen. Het is nog niet zo heel lang geleden dat bepaalde objecten als bejaardenhuizen niet van de grond konden komen zonder een grotere of kleinere financiële deelneming van de diakonie. Er werden plannen gemaakt, er werd een aantal jaren gespaard en na zekere tijd werd het bijeengegaarde kapitaal geïnventariseerd in het desbetreffende object. In feite is hier ook sprake van een ”doelvermogen”.

Een volgende variant is, dat de geldmiddelen die in het ene jaar worden ingezameld in het volgende jaar worden besteed.

Voordeel hiervan is, dat men aan het begin van elk jaar exact weet hoeveel men te besteden heeft. Maar het houdt wel in, dat men permanent de gemiddelde jaarontvangst in kas heeft. Een aantal landelijke algemene fondsen werkt op deze manier.

Voor diakonieën lijkt deze handelswijze niet noodzakelijk, omdat bijna op elk gewenst moment een beroep op de gemeente kan worden gedaan als de noodzaak daartoe aanwezig is. De bedoelde landelijke fondsen zijn meestal afhankelijk van de uitkomst van één bepaalde actie (b.v. de Kinderpostzegels) en kunnen dus moeilijk anders handelen.

De derde variant is, dat regelmatig, gedurende het gehele jaar, geld wordt ingezameld, dat vervolgens op één bepaald moment — meestal aan het einde van het jaar wordt besteed. Zó zwart/wit als hier gesteld zal het wel nergens voorkomen, maar het is toch een factor die ertoe kan leiden dat er regelmatig een bepaald bedrag in kas is.

Onvermijdelijk

Dit brengt ons dan meteen bij de laatste en voor diakonieën belangrijkste mogelijkheid.

Deze is hierin gelegen dat we in het diakonaat — enkele grote diakonieën uitgezonderd — over het algemeen weinig of geen vaste verplichtingen kennen.

Dit betekent naar de inkomstenkant, dat aard en omvang van wat we gaan besteden niet van tevoren vaststaat, zodat we onze werving daarop niet nauwkeurig kunnen afstemmen.

Naar de uitgavekant betekent het dat we niet meer kunnen besteden dan waartoe de gemeente ons in staat stelt. Uit dien hoofde is het onvermijdelijk, dat er altijd een zekere hoeveelheid geldmiddelen in kas is. Om dezelfde redenen is het een verantwoord beleid om als diakonie altijd een kleine reserve achter de hand te hebben voor noodsituaties. Hoe groot die in elk concreet geval mag zijn, is moeilijk in het algemeen aan te geven, maar hij zal in ieder geval in relatie moeten staan tot het gemiddelde uitgavenpeil van de diakonie.

Uiteraard blijven bij de bepaling van de grootte van die algemene reserve de eerdergenoemde doelvermogens buiten beschouwing.

Hier bedreigen ons twee gevaren, het ene kleiner dan het andere. Het eerste gevaar is, dat we in een gemeente die de eindjes maar moeilijk aan elkaar weet te knopen het op een akkoordje gooien met ons diakonale geweten en een (te) bescheiden beroep op de gemeente doen. We hebben immers toch geen vaste verplichtingen?

Het tweede is, dat we ons te weinig zorgen maken om de diakonale besteding van de ons door de gemeente ter beschikking gestelde middelen. Oude taken vielen weg en nieuwe zien we niet, maar als we overhouden is er toch altijd nog een dankbare kerkvoogdij. We gaan er vanuit dat het geld in ieder geval niet doelloos wordt opgepot.

Beleggingsvormen

Het zal duidelijk zijn, dat de aard en be-stemming van de reserves en de overschotten die we willen beleggen ook bepalend is voor het soort belegging dat we kiezen.

Elke beleggingsvorm heeft zijn eigenaardigheden waarmee we terdege rekening moeten houden.

We laten een aantal de revu passeren. Allereerst kunnen we onderscheid maken tussen langlopende en kortstondige beleg-gingen. bijv. onroerend goed enerzijds en korte termijn deposito’s anderzijds.

Een volgend verschil is gelegen in de waardevastheid van de belegging. Onroerend goed heeft in het algemeen een grote waardevastheid; obligaties daarentegen leveren na uitloting nooit meer op dan het nominale bedrag, dat er bij de inschrijving voor uitgegeven is. In tijden van snelle geldontwaarding kan dit tot gevolg hebben dat de koopkracht van onze belegging aanmerkelijk in waarde daalt.

Weer een ander onderscheid is te maken naar het rendement van de belegging. Het rendement van obligaties bijv. is momenteel vele malen hoger dan van onroerend goed in de agrarische sector.

Een volgend punt is de mate van verhandel baarheid van de belegging. Men zal er rekening mee moeten houden, dat de belegging zonder al teveel of geldelijk verlies afgestoten kan worden wanneer dat nodig mocht zijn.

Tenslotte wordt nog wel het onderscheid gemaakt tussen risicodragend en risicovermijdend. Beleggingen in aandelen zou risicodragend zijn in tegenstelling tot belegging in obligaties.

Bedoeld wordt dan, dat de koersen van aandelen veel grotere schommelingen vertonen dan de koersen van obligaties, die in ieder geval bij uitloting weer het normale bedrag opleveren, terwijl aandelen in het eerste ge val helemaal waardeloos kunnen worden.

Al mag dan het koersrisico gering zijn, we hebben hierboven al geconstateerd, dat obligaties in tijden van inflatie in ieder geval niet ontkomen aan het risico van het inboeten aan koopkracht.

Wanneer we het over risico’s hebben, zullen we ons goed moeten realiseren welke risico’s we precies bedoelen.

Keuze

Met deze laatste opmerkingen zitten we dan midden in een volgend discussiepunt. Het is namelijk niet altijd zo, dat een beleggingsvorm duidelijk één van de tegenover elkaar gestelde eigenschappen heeft.

Veelal is het een kwestie van meer of minder.

Er is een grote variëteit in de looptijden en in rendementen. Ook waardevastheid en verhandelbaarheid zijn vaak een zaak van meer of minder. Het wordt echter nog ingewikkelder, want bepaalde kenmerken en eigenschappen kunnen veranderen tijdens de periode waarover we beleggingen in bezit hebben. Een voor de hand liggend geval is een deposito met een vaste looptijd van bijvoorbeeld vijf jaar. Eenvoudig door het verloop van de tijd verandert de belegging van middellange termijn in een korte termijn. We hebben al vastgesteld, dat een hoge inflatiegraad een nadelige invloed heeft op de waardevastheid van obligaties. Ook het rendement kan in de loop der jaren grondig veranderen. Wie in het midden van de vijftiger jaren inschreef op obligaties van de Staat maakte voor die tijd redelijk goed rendement van 3 à 3½% en had niet veel last van waardevermindering, doordat het tempo van de inflatie laag lag. Tegenwoordig zijn er nog veel van deze obligaties in omloop maar het rendement is minder dan de helft van wat tegenwoordig wordt aangeboden en de waarde is sinds de uitgifte ook behoorlijk afgekalfd.

Tenslotte kan ook de verhandelbaarheid onder invloed van bepaalde omstandigheden in de tijd variëren. Zo kan door krediet beperkende maatregelen en het oplopen van de hypotheekrente de handel in onroerend goed tot stilstand komen. Ook het bieden van een grote partij effecten van één fonds in een ”dunne” markt kan een tijdelijke koersval veroorzaken waardoor het aanbevelenswaardig is om zo’n transactie gespreid over enige tijd uit te voeren. En dan is er nog een heel vervelend aspect: er is nooit een belegging te vinden die alle door ons gewenste eigenschappen heeft, met andere woorden: wanneer een beleggingsvorm een bepaalde eigenschap bezit, dan houdt dit automatisch in, dat een andere eigenschap ontbreekt.

Wanneer een diakonie ons vraagt naar een beleggingsvorm die waardevast is, bovendien nog een redelijk rendement oplevert en tevens in de diakonale sfeer ligt, (het is historisch!) dan moeten wij antwoorden dat iets dergelijks niet bestaat.

Waardevastheid en een hoog rendement gaan nooit samen evenmin als lange looptijd en gemakkelijke verhandelbaarheid. We zullen dus bij elke belegging het voor en tegen van de verschillende vormen tegen elkaar moeten afwegen, rekening houdend met het doel dat we met onze belegging beogen.

Gelukkig wegen niet in alle gevallen alle eigenschappen even zwaar.

Wanneer we voor kortere tijd een bedrag rentegevend willen maken, behoeven we ons niet zoveel zorgen te maken over de waardevastheid, omdat zich over een kort tijdsverloop meestal niet zulke grote waardeveranderingen voordoen. We kunnen ons dan voornamelijk richten op een hoog rendement. Aan de andere kant, wanneer we voor een bepaald doel voor een zekere vaste termijn een bedrag in reserve willen houden, dan zullen we niet zoveel aandacht hebben voor de mogelijkheid om de belegging op elk gewenst moment weer te gelde te kunnen maken.

Advies

De kritische lezer zal opmerken, dat we nog steeds geen aanbeveling hebben gedaan ten aanzien van de meest verkieslijke beleggingsvorm in het concrete geval voor een bepaald soort reserve. We hebben dat bewust nagelaten, omdat het vrijwel ondoenlijk is hiervoor vaste richtlijnen op te stellen gezien de steeds wisselende situatie op de geld- en kapitaalmarkt.

We hebben daarom slechts aangegeven, welke elementen en overwegingen een rol kunnen en moeten spelen bij de besluiten over beleggingen. Het is aan te bevelen steeds deskundig advies in te winnen alvorens concrete stappen te nemen.

We willen hierbij nog op één bijzonderheid wijzen.

De meeste beleggers hebben te maken met de omstandigheid dat de fiscus een deel van het voordeel, dat met de beleggingen wordt behaald, opeist in de vorm van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. De diakonieën verkeren in de gelukkige omstandigheid, dat zij niet belastingplichtig zijn ten aanzien van de opbrengst van hun beleggingen, zij kunnen dan ook ingehouden dividendbelasting terugvorderen. Daardoor kunnen bepaalde beleggingsvormen, die voor belastingplichtigen minder aantrekkelijk zijn, juist voor diakonieën zeer geschikt zijn. Het is van belang de beleggingsadviseur uitdrukkelijk op deze uitzonderingspositie te wijzen, omdat hij gewend is haast routinematig een latente belastingplicht in zijn adviezen in te calculeren.

Ten overvloede herinneren wij er nog aan. dat een diakonie verplicht is voor iedere belegging voorafgaand toestemming te vragen aan het provinciaal college van toezicht, di-akonale kamer.

Tot slot keren wij nog even terug naar ons uitgangspunt: de behandeling van het GDR verslag in de Synode. Eén van de vragen luidde ongeveer: is het geoorloofd om geld, dat bestemd is voor het doen van uitkeringen op lange termijn te beleggen, in casu in obligaties?

Bij de beantwoording van deze vraag moeten we eerst herinneren aan onze beschrijving, hoe bij een regelmatige doorloop van geldmiddelen toch permanent een zeker deel daarvan in kas zal zijn. Naarmate de omvang van die middelen groter is, zal ook het deel dat daarvan steeds in kas is groter zijn, welnu, wanneer we er (bijna) zeker van zijn, dat wij permanent een bepaald bedrag in kas zullen hebben, waarvan dan nog een deel moet dienen als een soort ”ijzeren reserve” voor onverwachte tegenvallers, dan is er naar ons inzicht geen bezwaar tegen om dit bedrag grotendeels te beleggen; deels op korte termijn maar ook voor een zeker deel op lange termijn.

Als de nood op een bepaald moment zo hoog wordt dat ook de ”ijzeren reserve” moet worden aangesproken? En als die lange termijnbelegging dan niet op korte termijn gerealiseerd (te gelde gemaakt) kan worden? Dan is er altijd nog de mogelijkheid om op onderpand van die belegging een tijdelijk bankkrediet te verkrijgen. Dat kost dan op dat moment wel rente, maar over een langere periode gerekend zal dit voordeliger zijn dan ons geld permanent beschikbaar te houden tegen een lage rente. Tenslotte zullen we er toch voor moeten zorgen, dat onze ”ijzeren reserve” zo snel mogelijk weer op peil komt.

Wij hebben geprobeerd in het voorgaande wat overwegingen aan te reiken, die kunnen helpen bij het bepalen van het beleid met betrekking tot het aanhouden van reserves en de belegging daarvan.

Wij zijn ons ervan bewust, dat we daarbij waarschijnlijk veel vragen onaangeroerd hebben gelaten. Mocht dit zo zijn, stel ze ons alsnog en we zullen van onze kant proberen ze zo goed mogelijk te beantwoorden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978

Diakonia | 32 Pagina's

Hoe beleggen we ons geld?

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978

Diakonia | 32 Pagina's

PDF Bekijken