Bekijk het origineel

Overwegingen bij een rapport

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Overwegingen bij een rapport

Problematiek — Mentaliteit — Aanbevelingen

10 minuten leestijd

Niet over, maar met

Ja, eigenlijk moet ik direct al een fout corrigeren in de titel hierboven. Want — wat is het belangrijke in dit rapport, en wat maakt het zo indringend? Dat is, dat van de acht samenstellers van dit rapport de meerderheid bestaat uit mensen die zelf één-ouder zijn. Zij hebben zelf meegemaakt wat ergebeurt en wat de gevolgen ervan zijn, wanneer in een gezin òf de vader òf de moeder er voortaan niet meer zal zijn, hetzij door sterven, hetzij door echtscheiding.

In dit rapport wordt er dus niet alleen maar óver deze mensen gepraat. Nee, zij hebben zelf mee-gepraat. Zo staat het ook op bladzijde 4: Dit rapport is mede gebaseerd op de persoonlijke ervaringen van commissieleden en van hun „lotgenoten„ in de organisatie die hen voordroeg.

Niet voor, maar door

Een tweede opvallende eigenschap van dit rapport vind ik, dat het zo nadrukkelijk de aandacht vraagt voor het belang van hulpverlening op basis van wat de betrokkenen en hun naaste omgeving (buren, familie, vrienden) zelf kunnen. Dus niet onmiddellijk de instanties, de bureaux, de beroepshelpers erbij roepen, want dat betekent zo gauw het éénrichtingsverkeer van alleen maar vóór de mensen iets doen — zorgen vóór, hulp vóór, opvang vóór, enz..

Natuurlijk is en blijft deze hulpverlening ook van belang. Het zou bovendien onjuist zijn om te stellen dat beroepshulp nooit een appèl zou doen op de zelf-hulp waartoe mensen in staat zijn. Niettemin blijft het opmerkelijk, dat direct al bij de eerste serie aanbevelingen of „wenselijkheden„ (blz. 9) gepleit wordt voor het grote belang van het „weerbaar„ maken van alle mensen. Terwijl er dan volgt: „Indien de alleenstaande ouder ondanks dat hulp nodig heeft, zou dat in eerste instantie een taak zijn van de directe omgeving, die spontaan hulp dient te geven. Ook hulp van lotgenoten is wenselijk. Pas in de tweede plaats zou georganiseerde hulp van vrijwilligers, resp. professionals nodig en wenselijk zijn.„

De feiten. En de normen?

Wat ik in de derde plaats wil signaleren is dit, dat het rapport zich zorgvuldig beperkt tot de beschrijving van de feitelijke toestanden, die zich in onze maatschappij voordoen in de man/vrouw- en kindrelaties. Het laat zich niet in met be-oordelingen, laat staan ver-oordelingen van beweegredenen of menselijke eigenschappen die b.v. bij echtscheiding of bij wel of niet hertrouwen een rol spelen. Er staan in dit rapport vele „wenselijkheden„, — elk hoofdstukje eindigt systematisch daarmee. Maar deze wenselijkheden hebben allemaal betrekking op de gevolgen en niet op het ontstaan van de beschreven situaties.

Anders gezegd: het rapport spreekt ons wel aan op de normen voor het ruimen van puin, maar niet voor het voorkomen van puin. Ik vind dit niet zozeer een tekort van dit rapport, het is een beperking. Overigens, op blz. 25 laat het zich toch al „verleiden„ tot deze uitspraak: „Door opvoeding en voorlichting zal op den duur duidelijk moeten worden, dat alles wat afwijkt van de norm, nog niet slecht is . . . „. Maar — dit prikkelt wel tot vragen stellen.

Wel wennen

De nu genoemde karakteristieken van dit rapport („Niet over, maar met„, „Niet voor, maar door„, „De feiten. En de normen?„) zullen het niet voor iedereen tot direct vertrouwde lectuur maken.

Zo denk ik, dat het van ons een andere houding vraagt om van mensen niet alleen nog maar hun omstandigheden te zien — hun eenzaamheid, hun verdriet, hun gemis — die ons kunnen bewegen tot meeleven en hulp. Maar om die mensen allereerst te blijven zien als mensen. Mensen die in veel gevallen best nog in staat zijn om minstens zelf mee te praten over de vraag of en hoe zij geholpen kunnen worden. Misschien is juist in veel gevallen hun eigenlijke nood wel, dat hun niets meer gevraagd wordt. Dat zij zich dus niet meer gerespecteerd voelen allereerst in hun mens-zijn, maar dat zij zich behandeld voelen als gevangenen van hun omstandigheden.

Niet over, maar met

Het zal wel niet meer voorkomen, maar er doen nog verhalen de ronde over „de diakonie„, die zonder (veel) overleg met weduwe A. beslist had, dat zij zoveel gulden per maand toebedeeld zou krijgen voor de dringendste levensbehoeften. Toen zij vervolgens haar dochtertje pianoles liet nemen, kwam een diaken zeggen dat dat niet de bedoeling was. Wat nog wèl voorkomt is, dat wij besluiten te gaan praten over werkloosheid zonder een werkloze te vragen om mee te denken over hoe en waarover precies we dan zullen pralen.

Op dit punt kunnen we van dit rapport veel leren.

En we moesten ons eigenlijk direct maar voornemen, als we willen gaan praten over één-ouder-gezinnen, om dat van het begin afaan te doen met hèn.

Waarschijnlijk betekent dit ook dat we moeten leren wennen aan een houding die niet gekenmerkt wordt door vóór mensen allerlei initiatieven te ondernemen, maar door een aandacht die hen stimuleert en bemoedigt tot initiatieven onder nomen dóór henzelf.

Natuurlijk betekent dit niet een scherpe scheiding, nog minder een tegenstelling tussen „voor hen„ en „door hen„.

Evenmin is het zo, dat we nu pas ontdekken hoe het moet en dat we het dus altijd fout hebben gedaan.

Uit de Bijbel al konden we weten hoe moeilijk het is voor ons op-onszelf-bedachte mensen om zelfs onze beste bedoelingen niet onderdrukkend en niet vernederend te laten zijn voor onze naaste in moeilijkheden.

De schuldvraag?

Hel allermoeilijkste zal wel blijven, dat wij onze naaste van dienst willen zijn, ook als hij in moeilijkheden is gekomen door eigen schuld, of door in te gaan tegen de — in onze ogen — duidelijke geboden van God.

Wij spelen graag zelf voor rechter. En de schuldige moet straf ontvangen. Als hij berouw toont en zijn leven betert, dan valt het ons veel makkelijker onze handen naar hem of haar uit te steken. En dat heet dan: genade voor recht laten gelden.

Deze mentaliteit wordt vaak ervaren door met name gescheiden mensen, in het bijzonder door mensen die tot scheiding zijn gekomen omdat het homofiel zijn van één van beide partners een onoverkomelijke moeilijkheid bleek te zijn.

Op vele bladzijden van dit rapport valt dit te lezen, in al die onderdelen waarboven het kopje staat „Mentaliteit„. Zo b.v. op blz. 9: „Eén-ouder-gezinnen wijken af van de norm. Weduwen en weduwenaars zijn „zielig„. Ge-scheidenen hebben „gefaald„; indien er sprake van verlating is: de verlater is „gemeen„, de verlatene „zielig„. De ongehuwde moeder is „dom„ of„slecht„.„

Het mag begrijpelijk zijn dat we dan weleens de verontwaardigde vraag willen stellen of dan tegenwoordig alles maar „gewoon„ gevonden moet worden.

Bijbelse vraag

Maar de bijbelse vraag is toch of wij willen (blijven) leren, dat ons antwoord op een naaste in nood niet mag bestaan in het stellen van de schuldvraag. En nog minder, zelfs niet bij gebleken schuld, in een vergeldende afstraffing door hem of haar onze hulp, onze dienst te weigeren.

Als ergens genade voor recht mag gelden — maar dan niet in vergoelijkende of vernederende zin —, zou dat dan niet allereerst verwacht mogen worden in en van de gemeente van Jezus Christus, die belijdt uitsluitend van genade te leven.

We mogen dankbaar zijn, dat zo’n rapport als dit deze vraag weer eens aan ons voorlegt, — overigens niet met deze opzettelijke bedoeling.

Waarom deze niet-beoordelende beschrijving?

De eerste vraag die ik aan de samenstellers van dit rapport zou willen stellen betreft hun niet-beoordelende beschrijving van het ontslaan van één-ouder-situaties. Ik wil graag herhalen, dat ik dit niet een tekort vind. Ik zou dan zelfs in tegenspraak kunnen komen met mijn eigen afwijzing dat je niet eerst de schuldvraag mag stellen voordatje je naaste in moeilijkheden zou willen helpen. Wel mis ik een uiteenzetting, beter nog een verantwoording, van het waarom van deze niet-beoordelende beschrijving. Om twee redenen. In de eerste plaats kun je verwachten, dat in zo’n puur constaterende beschrijving van zoveel één-ouder-problematiek toch nog iets meer beluisterd wordt. Zoiets als een beschuldiging aan het adres van hen die deze problematiek (nog) niet kennen. En wat is menselijker dan deze schuldgevoelens te willen pareren met de tegenvraag „ja, maar is hel ook niet mee hun eigen schuld, dat zij zo in de problemen zijn geraakt?„.

Verontrustend en bedreigend

Bovendien denk ik dat zo’n puur constaterende beschrijving toch ook verontrustend en bedreigend kan werken. In deze zin dat de „normale„ oudergezinnen zich bewust kunnen gaan worden van hun eigen kwetsbaarheid. Waarna men zich kan gaan afvragen welke zin het heeft om met veel moeite en pijn te proberen de eigen situatie nog te redden „wanneer tegenwoordig toch alles zomaar geaccepteerd wordt„. Van beide reacties kunje zeggen: ze zijn onjuist. Niettemin zijn ze reëel te verwachten.

Daarom vind ik, dat het rapport nog indringender zou zijn geworden, wanneer de samenstellers deze reacties bij voorbaat al als mogelijk zouden hebben gesignaleerd. Het zou dan ook duidelijker geworden zijn, dat achter zo’n ogenschijnlijk neutrale beschrijving van problematieken toch een keus en een visie schuil gaan.

En dit brengt mij bij de tweede reden waarom ik in dit rapport een meer uitdrukkelijke verantwoording gemist hebt.

Wat kunnen wij zelf?

Dit is tegelijk mijn tweede vraag. En het is een echte vraag — ik bedoel dat ik hem alleen maar stel om vervolgens zelf het antwoord te geven. Want — ik vind het moeilijk.

Het gaat om deze kwestie: wat kunnen wij mensen echt zelf om onszelf uit de moeilijkheden te halen?

Ik denk nu dus aan de nadruk die dit rapport legt op de mogelijkheden van mensen om zichzelf en elkaar te helpen, voorafgaande aan degeorganiseerde hulp van vrijwilligers, resp. professionals. Maar mijn punt is nu juist: kun je ook buiten dit geloof om met elkaar praten en er samen aan werken om met een beroep op de positieve menselijke mogelijkheden mensen te stimuleren tot zelfhulp?

Verwachtingen

Waar heb je het dan precies over? En welke verwachtingen wek je dan, waarvoor wie „garant„ kan staan? Ik bedoel deze vragen niet goedkoop, alsof wanneer je wèl opereert vanuit het christelijke geloofde antwoorden en de oplossingen ons zomaar in de schoot vallen. Maar daarom juist — àls we dan verwachtingen wekken op grond van wat mensen zelf kunnen (zo b.v. het lijstje op blz. 44 van het rapport: „het leren, dat je nooit een ander mens bezit„, „het leren opbouwen en ouderhouden van relaties (weten dat dit moeite kost)„, „het leren verliezen (o.a. voorbereiden op overlijden)„, „het leren hulp te vragen en te aanvaarden„, dan wil ik graag mee-verantwoordelijk zijn voor het hoe en het hoever we daarmee kunnen komen. Vandaar deze vragen.

Tenzij het toch zo zou zijn, dat de aanvaarding van vergeving de onmisbare stimulans is voor ongedachte menselijke mogelijkheden ten goede.

* Een uitgave van de Nederlandse Gezinsraad, Den Haag, sept. ’78. Voor f 10,— verkrijgbaar bij de NGR, Duinweg 1, Den Haag, tel. 070-54 85 00

Ds. J. J. Brinkman is stafmedewerker op het Algemeen Diakonaal Bureau voor de opbouw van de diakonale gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979

Het Diakonaat | 35 Pagina's

Overwegingen bij een rapport

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979

Het Diakonaat | 35 Pagina's

PDF Bekijken