Bekijk het origineel

Onzichtbare handicap

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onzichtbare handicap

5 minuten leestijd

In 1975 werd in ’Het Diakonaat’ aandacht besteed aan de Nederlandse Christelijke Bond van Doven (NCBD) en de relatie welke deze Bond heeft met de diakonie. De heer M. Veldhoen, direkteur van het bejaardentehuis voor doven „De Gelderhorst„ te Ede, vertelde in dat artikel over de pastorale begeleiding van doven vanuit deze Bond.

Gelukkig heeft de toen reeds aangeduide ontwikkeling van het werk zich voortgezet: drie samenwerkende kerkverbanden (Christelijk Gereformeerd, Gereformeerd en Nederlands Hervormd) sloten in 1975 een overeenkomst tot samenwerking.

Deze interkerkelijke samenwerking wordt in de horende wereld beslist als uniek ervaren. Voor de doven is deze samenwerking in het algemeen niet zo opvallend daar zij van jongsaf al interkerkelijk worden opgevangen.

Integratie bevorderen

Ons land is voor de geestelijke verzorging van doven in drie rayons verdeeld. De door de onderscheiden Synodes benoemde predikanten hebben voor hun arbeid volledige ambtsbevoegdheid in eikaars kerken. Het behoort tot hun taak een ’zo sterk mogelijke integratie van de doven in het normale kerkelijke leven’ te bevorderen. Hiertoe werden en worden bestaande commissies ’omgebouwd’ tot Interkerkelijke Commissies (IC’s) of deze worden in het leven geroepen waar van enige concentratie van doven sprake is. Leden van deze commissies zijn ouderlingen of pastorale medewerkers (mensen dus met bijzondere opdracht voor het werk onder doven), benoemd door de samenwerkende kerken en zo mogelijk ook enkele dove leden uit deze kerken.

Maatschappelijk werk

Voorzover mij bekend hebben in deze commissies geen diakenen zitting. Als reden zou je daarvoor kunnen noemen dat de nieuwe opzet van het werk (onder merkbaar toezicht en met medewerking van de plaatselijke kerken) nog jong is, maar de eigenlijke oorzaak moet worden gevonden in de eigen aard van het werk.

Letterlijk van huis uit hebben doven (en hun ouders!) relatie met het maatschappelijk werk. De doven (doof-geborenen en jong doof geworden) komen omstreeks hun derde jaar naar het doveninstituut. In Nederland zijn er vijf van dergelijke instituten. In verband met plaatsing in het instituut, tijdens de opleiding (tot 18 jaar), bij sollicitatie, contactproblemen met eigen of horende wereld is veelal de hulp vanuit het maatschappelijk werk noodzakelijk. Samen met de onderwijskrachten en andere specialisten wordt zo de brug naar de horende wereld geslagen.

Godsdienstige vorming

Wat de godsdienstige vorming en kerkelijke begeleiding betreft: voor de oudere kinderen is de catechisatie op het Christelijk Instituut Effatha in Voorburg in het lesrooster opgenomen. Leden van de Interkerkelijke Commissies zorgen voor de verdere geestelijke vorming en verzorging in samenwerking met de rayonpredikanten.

Kleine wereld

De wereld van de doven is maar klein. Door de geïsoleerde opleiding (aan drie van de vijf instituten is een internaat verbonden voor degenen die veraf wonen) is ook het contact met de horende wereld beperkt. Instituut en thuis zijn vaak al twee verschillende werelden. Door de handicap zijn de doven in bijzondere mate afhankelijk van hen met wie zij — vertrouwelijk — kunnen spreken.

Zo komen problemen van allerlei aard — ook diakonale — aan de orde via de NCBD, het maatschappelijk werk, de Interkerkelijke Commissie of de predikanten. Vanzelfsprekend is er een nauwe samenwerking om op elk terrein de hulpverlening zo doeltreffend mogelijk te doen zijn.

Diakonale problemen?

Zijn er nu specifieke diakonale problemen? Het grootste probleem voor de dove blijft de communicatie. Een veel gehoorde klacht is: Onze handicap is onzichtbaar. Andere gehandicapten hebben meer aandacht dan wij. Veel horenden durven het contact met een dove niet aan.

Vanuit dit probleem komen andere voort: In het gezin:Begeleiding van horende kinderen. Dove ouders hebben hun contacten in de ’dovenkerk’. Hun kinderen worden vaak door de kerk vergeten. Zorg en bezorgdheid bij horende ouders als hun (ongehuwde) dove kinderen alleen achter moeten blijven.

Werkmogelijkheid:Velen zijn door hun doofheid beperkt in hun opleidings- en arbeidsmogelijkheden, wat ook direct gevolgen heeft voor hun inkomsten, vooral als zij bijvoorbeeld in een WAO-situatie terecht komen.

Eenzaamheid:Het normale contact met de omgeving komt vaak niet of met moeite tot stand. Hierdoor wordt het isolement versterkt. Wat nóg sterker is wanneer een dove zijn handicap niet kan aanvaarden.

Ouderdom:Wanneer een dove niet meer zelfstandig kan wonen. Er is een bejaardentehuis, maar ook in een ’gewoon’ tehuis worden doven opgenomen, die ook daar weer hun isolement ervaren, ondanks alle zorgen die aan hen worden besteed. Moeizaam verkregen contacten moeten dikwijls weer verbroken worden.

Dubbelgehandicapten(met geestelijke en/of lichamelijke handicap): Er is een gezinsvervangend tehuis (Groningen en Schevenin-gen), maar juist deze groep kan slechts bereikt worden door zeer regelmatig contact.

Met het bovenstaande heb ik getracht een aparte groep mensen binnen het gezichtsveld te brengen. Mensen, die de kerkelijke wegen niet zo goed kennen. Mensen die echter recht hebben op volledige integratie in onze (kerkelijke) samenleving.

Met aandacht en geduld is spreken met doven gemakkelijker dan u denkt!

Ds. J. J. Lamme te Delft is predikant ten behoeve van het dovenpastoraat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979

Het Diakonaat | 36 Pagina's

Onzichtbare handicap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979

Het Diakonaat | 36 Pagina's

PDF Bekijken