Bekijk het origineel

Hoe voorzien we in de vacatures?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hoe voorzien we in de vacatures?

16 minuten leestijd

Tussen de ingekomen stukken voor de diakonie zit een brief van diaken Ridder; hij legt zijn ambt neer, ward het was toch niet wat hij er van had verwacht. De voorzitter zucht. Dat is dan de derde open plaats. ’Nou ja’, zegt mijnheer Vreden bemoedigend, ’daar ver liezen we nou ook niet zo erg veel aan, want hij moest zondags altijd naar z’n ouders en kon nooit dienst doen in de kerk’. Later op de avond komen ze er op terug, want ’vacatures’ is al een half jaar een vast punt op de agenda.

’Het was niet wat hij er van verwacht had’

Wat had hij er van verwacht?

Wist hij wat hij er van verwachten kon?

Had iemand hem dat verteld?

En zo zijn we met die laatste vraag bij ons zelf aangekomen. Wij kunnen zulke teleur-stellingen natuurlijk niet altijd voorkomen, maar de kans op teleurstellingen wordt wel een stuk kleiner als we altijd zouden bedenken: alleen de vraag ’wilt u diaken worden?’ is niet voldoende.

Er zijn nu eenmaal erg weinig gemeenteleden, die weten wat ze zich bij het diaken- schap moeten voorstellen. Trouwens, wist u het zelf, toen u gevraagd werd? Als u iemand vraagt om diaken te worden, zult u hem/haar moeten vertellen wat dat inhoudt. Bij het agendapunt ’vacatures’ moet u dus in elk geval overleggen, hoe dat het beste kan gebeuren, want dat is niet zo eenvoudig. U zou niet de eerste zijn, die tot de conclusie kwam, dat u het zelf eigenlijk niet precies weet.

Er is immers nogal wat veranderd in de opvattingen over de taak van de diaken. Het wordt — om één voorbeeld te geven — steeds belangrijker, dat de diaken in de eerste plaats probeert om de gemeenteleden bewust te maken van hun diakonale roeping en hen diakonaal actief te doen zijn. Alleen als het nodig is (als het ware plaatsvervangend voor de gemeente) is de diaken zelf bezig in de concrete uitvoering van het diakonaat.

Degene die wordt gevraagd om diaken te worden, moet echter nog meer weten dan algemene informatie. Hij/zij moet ook aan u horen aan welk onderdeel van het totale diakonaat, of aan welke functie binnen de gehele diakonie, speciaal gedacht wordt. Tenslotte moet u nooit vergeten om al bij het eerste bezoek te vertellen, hoeveel tijd het van die ander zal vragen als hij/zij diaken wordt. Helaas zijn er nog steeds velen, die menen dat je de zaak vooral een beetje luchtig moet voorstellen: ’Het kost niet zoveel tijd, en het is echt niet zo moeilijk.’ Als je het zo voorstelt, zegt men niet zo gauw ’nee’.

Dat kan best waar zijn, maar bedenk wel dat u zich dan van oneerlijke voorlichting bedient. Zoiets doet altijd vroeg of laat aan de naaste en aan de hele gemeente schade. Als uw list lukt, krijgt u een collega-ambtsdrager, die voelt dat hij er ingelopen is. Een briefje zoals dat van de heer Ridder is dan alleen maar het eerlijke antwoord daarop. Maar niet iedereen durft zo’n briefje te schrijven. Zulke mensen blijven diaken, terwijl ze er eigenlijk geen interesse of geen tijd voor hebben. Dat is erg. Het is eigenlijk dubbel erg, want zulke mensen houden een stoel bezet waarop iemand anders zou kunnen zitten.

Het is natuurlijk mogelijk dat u nog niet precies weet hoeveel tijd er nodig is, bijv. als het gaat over een nieuw stukje werk dat moet worden opgezet. Maar ook dan komt u met openheid en eerlijkheid het verst.

Tijd gunnen

We kunnen de kans op teleurstellingen ook kleiner maken door de ander de tijd te geven. Laat iemand nooit direct beslissen. Iemand kan beter overzien waar hij aan begint, als hij niet alleen uit hetgeen u hem heeft verteld, maar ook in de werkelijkheid een idee heeft kunnen krijgen wat er aan vast zit.

Dat kan bijv. door hem/haar een paar vergaderingen te laten bijwonen en door hem/haar in contact te brengen met mensen waarmee in dat speciale stukje werk samengewerkt moet worden. Dat betekent dan een soort proeftijd, waarin de betrokkene geheel vrij blijft om tenslotte ja of nee te zeggen op de vraag die is gesteld.

Tenslotte is er nog een mogelijkheid om een briefje als dat van de heer Ridder te voorkomen, door er een gewoonte van te maken telkens als iemand ongeveer een half jaar diaken is tijdens uw vergadering er tijd voor uit te trekken om terug te kijken: was het dit nu wat hij/zij er van verwachtte? Een dergelijk gesprek kan erg verhelderend zijn voor alle anderen, die al langer mee lopen, en het geeft de nieuweling de kans eens dingen te zeggen waar hij anders niet toe komt. Maar als er nu tóch zo’n briefje komt?

Moet u het er dan bij laten? In elk geval is het goed eens te gaan praten. Niet in de eerste plaats om de betrokkene op zijn besluit te laten terugkomen, maar om er achter te komen in hoeverre wijzelf de oorzaak zijn van de teleurstelling.

’Hij moest zondags altijd naar zijn ouders’

Heel vaak zijn we geneigd om bepaalde werkzaamheden te zien als onlosmakelijk verbonden aan het diakenschap, zoals het dienstdoen op zondag, het bijwonen van bepaalde vergaderingen, het tellen van de collecte en misschien nog geheel andere zaken, die in uw situatie vanzelfsprekend horen bij het diaken-zijn.

Iemand, die in ploegendienst werkt, kan niet alle vergaderingen bijwonen. Iemand in een rolstoel kan niet naar de kerkeraadsvergaderingen, want daarvoor moet je de trap op. Iemand die zondags verplichtingen elders heeft kan geen dienst doen in de kerk. Maar al die mensen zijn misschien wel erg geschikt om diaken te worden of om als gemeentelid bepaald diakonaal werk te doen. Daarom zou u zich op uw vergadering bij de bespreking van het agendapunt ’vacatures’ twee vragen moeten stellen. In de eerste plaats: ’is het noodzakelijk dat alle diakenen alles doen wat wij vanzelfsprekend vinden?’

Bij de bespreking van deze vraag zou u tot de ontdekking kunnen komen, dat iets, waarvan iedereen aannam dat het onlosmakelijk bij het diaken ambt behoorde, daar toch wel van losgekoppeld kan worden. Dat opent dan nieuwe perspectieven. U kunt dan bijv. proberen een soort taakverdeling te maken. De een legt zich vooral toe op contact met gezinnen en personen, die problemen hebben; een ander op het werelddiakonaat; weer een ander wordt afgevaardigd naar bepaalde vergaderingen, waaraan volgens de kerkorde diakenen moeten deelnemen. U moet er natuurlijk wel voor oppassen dat u iemand, die in de toekomst misschien niet meer alles zal doen wat een ’echte diaken’ altijd deed, nu als surrogaat-diaken gaat beschouwen.

In de tweede plaats kunt u zich afvragen: ’Is het voor het diakonale werk, waar we nu iemand voor zoeken, beslist noodzakelijk dat de betrokkene diaken wordt?’ Misschien kan de taak, die u voor ogen hebt, ook heel goed door een gemeentelid worden behartigd of door een aantal gemeenteleden, die dan samengebracht kunnen worden in een werkgroep.

Als gemeenteleden diakonaal werk op zich nemen, ontslaat dat u als diakenen natuurlijk niet van de plicht om voortdurend aandachtig en belangstellend met deze mensen mee te blijven denken en hen zo nodig te ondersteunen.

Elk gemeentelid dat op verzoek van de diakenen een stuk werk op zich neemt, heeft er recht op dat er concrete afspraken gemaakt worden over de wijze waarop de diakenen zich mee-verantwoordelijk zullen tonen voor dit werk. Dit zal al in het eerste gesprek, dat u met iemand voert, duidelijk besproken moeten worden.

’Ze hebben al iedereen die ze kennen gevraagd’

Iedereen die ze kennen …

Wie kennen zij van onze gemeente? Dat zijn in de eerste plaats de mensen, die op de een of andere manier al actief zijn. Die mensen kunnen we dus verder met rust laten. Helaas gebeurt dit echter lang niet altijd, met het gevolg dat er mensen worden overbelast.

Als zulke mensen eens gaan verhuizen, dan komt het voor, dat ze in hun nieuwe gemeente weigeren om zich ook maar voor iets in te zetten, want zij hebben er schoon genoeg van. Daarom is een heilzame stelregel: vraag iemand nooit voor meer dan één duidelijk omschreven en afgebakende taak.

Als iemand meer wil doen, kan hij zich daarvoor aanmelden, maar wij vragen het hem niet!

Zoekend naar nieuwe medewerkers wordt er dikwijls met name rond gekeken onder mensen die regelmatig de zondagse kerkdienst bezoeken. Op zichzelf is dat een goede zaak. Het brengt ons er toe om goed te letten op nieuwe gezichten en eens kennis te gaan maken met onbekenden.

Anderzijds moeten we natuurlijk wel bedenken, dat alleen het feit dat iemand geregeld de kerkdienst bezoekt hem/haar nog niet geschikt maakt voor een bepaalde taak. Bovendien beperken we op deze wijze onze gezichtskring wel erg. Alle mensen, die slechts af en toe naar de kerk gaan en diegenen die niet naar de eigen (wijk)kerk maar naar een naburige wijkgemeente toe gaan, komen niet in ons vizier. Ook wordt door ons zelden of nooit een beroep gedaan op diegenen, die moeite hebben met de wijze waarop de zondagse erediensten over het algemeen verlopen, maar die zeker wel op de een of andere wijze bij de gemeente willen horen. Het is te verwachten dat deze mensen er niet voor zullen voelen om ambtsdrager te worden, maar wellicht interesseert het hen wel lid te worden van een werkgroep voor werklozen of mee te helpen bij de vakantieweken voor gehandicapten.

Om al deze redenen is het dus aan te bevelen bij het probleem ’vacatures’ niet alleen te denken aan de mensen die wij kennen. U kunt bijv. contact leggen met huisbezoekers, bezoekers van nieuw-ingekomenen, met mensen die een gesprekskring leiden, met een groep kamerbewoners, met de leiding van de zondagsschool of jeugdsoos, enz. Het is natuurlijk niet voldoende als u aan die mensen vraagt: ’Weet u nog iemand?’ Wil zo iets zin hebben, dan zult u de moeite moeten nemen om de ander eerst uit te leggen welk stuk diakonaal werk u iemand nodig heeft. Daarna kunt u dan samen systematisch alle mensen de revue laten passeren met wie de ander bijv. het afgelopen half jaar contact heeft gehad. Op die manier kunt u beiden wel eens tot onverwachtse ontdekkingen komen. Er zijn gemeenten waar men er naar streeft in het kaartsysteem per gemeentelid te noteren welk beroep, welke interessen en hobby’s iemand heeft. Op die wijze is het mogelijk bepaalde mensen gericht te vragen voor een bepaalde taak.

’De dominee moet het doen’

Als de dominee een beroep op de mensen doet, durven ze minder gauw ’nee’ te zeggen. Helaas is dit nog maar al te vaak waar, ook al zouden veel predikanten het graag anders zien. Toch moeten we ons heel ernstig afvragen of dit een goede methode is. Natuurlijk is het mogelijk dat de predikant tijdens een pastoraal contact met een gemeentelid of tijdens bijeenkomsten ook spreekt over de mogelijkheid om actief mee te gaan doen. In dat geval is het goed als de predikant er van op de hoogte is, voor welke onderdelen van het gemeentewerk op een bepaald moment nog mensen nodig zijn. Maar we mogen de dominee er niet op uit sturen om voor ons mensen te gaan ’bewerken’. We zoeken geen mensen die geen ’nee’ durven zeggen, maar mensen die in alle vrijheid, nadat zij open en eerlijk zijn geïnformeerd over wat er aan vast zit, een beslissing nemen. Die informatie kunt u zelf als diaken veel beter geven dan de predikant. Kortom: omdat er een zo uitvoerig mogelijke uitleg noodzakelijk is en de mensen geheel vrij moeten zijn om hun eigen beslissing te nemen, daarom moet de diaken zelf een beroep doen op gemeenteleden als er diakonaal werk is te doen.

Maar de volgende keer …

Misschien volgt u de hierboven genoemde aanwijzingen en suggesties op en misschien vindt u dan iemand. Dat neemt echter niet weg dat u bij de eerstkomende vacature weer dezelfde procedure zult moeten volgen. Er is immers niets wezenlijks veranderd. Het probleem komt steeds weer terug. Is daar nu niets aan te doen? Ook die vraag moet bij het agendapunt ’vacatures’ onder ogen gezien worden. Nog beter is het als dit onderwerp van gesprek wordt in de hele kerkeraad. De diakenen zijn immers niet de enigen die met dit probleem kampen.

Op zoek naar één van de mogelijke diepere oorzaken is het misschien goed om eens te luisteren naar ons spraakgebruik in de kerk. We spreken over ambtsdragers, kerkelijke medewerkers en gemeenteleden. Blijkbaar zijn er werkers, medewerkers en niet-werkers. In een folder voor een financiële actie staat te lezen: de kerk vraagt van u een bijdrage voor …

In een welkomstbrief wordt aan nieuw-ingekomenen meegedeeld dat de kerk voor hen allerlei activiteiten organiseert.

In een kerkblad wordt opgeroepen om gedurende een jaar twee uur per week voor de kerk beschikbaar te stellen.

In al deze formuleringen is het onduidelijk wie nu eigenlijk ’de kerk’ is. In elk geval wordt er een onderscheid gemaakt tussen de kerk en degenen, die aangesproken worden. Blijkbaar leeft er in onze gedachten ongeveer het volgende beeld: er is zo iets als een kerk en de werkers en medewerkers zetten zich daarvoor in. De niet-werkers doen dat niet. Die helpen op zijn hoogst mee om de kerk financieel in stand te houden en verder kunnen ze gebruik maken van de kerk. Deze manier van denken is heilloos voor ons allemaal. We houden daarmee een verkeerde visie op het kerk-zijn in leven. We versterken die visie zelf steeds weer.

Wij zijn de kerk

Wie of wat is de kerk? De eerste de beste catechisant kan het u vertellen: ’De kerk, dat zijn wij allemaal samen. En wij allemaal samen zijn er om in navolging van onze Heer elkaar en de wereld te dienen.’ Dat is heel mooi gezegd, maar hoe maak je dat nu waar?

In elk geval zullen we moeten beginnen met onze gedachtenwereld en daarna ook ons spraakgebruik zodanig te veranderen, dat deze overeenkomen met wat de kerk eigenlijk is. Zo’n kerk als de catechisant ons voorhoudt is geen instelling ergens buiten ons, waarvoor wij al of niet aan het werk kunnen gaan. De kerk, dat zijn wijzelf. Zij kent ook geen niet-werkers, die alleen maar bediend worden en niet zelf dienen. De kerk kan niet met een financiële bijdrage in stand gehouden worden. Zij kan alleen door activiteit in beweging worden gehouden.

Nu denkt u misschien: maak dat maar eens duidelijk aan die mensen die alleen maar vrijblijvend lid van de kerk willen zijn. Dat is inderdaad heel moeilijk. Dat zal echter moeten beginnen met een verandering van ons eigen denken en spreken, want dan kan er iets op gang komen dat doorwerkt.

Zo’n veranderde manier van denken en spreken zal gevolgen hebben voor de praktijk. Bij elk huisbezoek, vooral bij nieuwin- gekomenen, gaat het gesprek er dan niet alleen over wat het lid-zijn van de kerk voor de bezochte kan betekenen, maar vooral ook over de wijze, waarop hij/zij zich voorstelt zelf het kerklidmaatschap gestalte te geven.

Dan wordt zo’n bezoek niet alleen een tentoonspreiden van wat de kerk allemaal te bieden heeft, maar ook een luisteren naar wat de ander te bieden heeft en samen met hem/haar zoeken naar een manier waarop hij/zij dat binnen het geheel van onze gemeente zou kunnen verwerkelijken.

Verandering van onze visie op het kerk-zijn heeft ook invloed op ons gesprek met randkerkelijken. Daarbij moet u dan denken aan mensen die zich niet meer zo erg bij ons thuis voelen, omdat de kerk te links of te rechts is, te zwaar of te licht, te heet of te koud. Een aantal van hen heeft echter wel ideeën over hoe zij samen met anderen kerk zouden willen zijn in de wereld.

Een gesprek met hen zal altijd moeilijk voor ons zijn, want het kerkelijk leven heeft voor hen een andere betekenis dan voor ons. We kunnen echter toch proberen in zo’n gesprek niet al teveel de nadruk te leggen op het feit, dat de ander toch vooral niet helemaal moet afhaken, omdat hij/zij nou eenmaal bij de kerk behoort. In zo’n gesprek zou centraal moeten staan de vraag of de ander binnen onze gemeente een mogelijkheid heeft de mensen en de wereld te dienen zoals hij/zij meent dat de Heer dat vraagt. En we zouden samen moeten zoeken op welke manier hij of zij dat zou kunnen ver werkelijken.

Dat betekent natuurlijk wel, dat er binnen onze gemeente ruimte moet zijn, zou moeten komen, voor eventuele andere wijzen van kerk-zijn, en dus ook van diakonaal bezig-zijn, dan we tot nu toe gewend waren. In een gemeente waarin iedereen de mogelijkheid heeft op zijn of haar manier gestalte te geven aan het kerklidmaatschap, hoeft u als diaken niet meer te zoeken naar medewerkers. De mensen die diakonaal actief willen zijn, komen dan vanzelf naar voren. Is dit een onwerkelijke droom? Ja, voorlopig nog wel. Maar dat mag ons er niet van weerhouden om aan de verwerkelijking ervan te beginnen. Intussen zit u dan nog wel met vacatures in uw diakonie. Om daar zo goed mogelijk in te voorzien heeft dit artikel u wellicht een paar ideeën aan de hand gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979

Diakonia | 32 Pagina's

Hoe voorzien we in de vacatures?

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979

Diakonia | 32 Pagina's

PDF Bekijken