Bekijk het origineel

De gemeente helpen zich waar te maken in de samenleving

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De gemeente helpen zich waar te maken in de samenleving

9 minuten leestijd

Hopelijk slaat u dit stuk niet zonder meer over vanwege die moeilijke term F2. Want het gaat over mensen van wie er in iedere provincie één of meer werkzaam zijn, ten dienste van samenleving en gemeente.

In en kort na de laatste oorlog spanden de kerken zich flink in om ontredderde mensen en gezinnen van dienst te zijn bij maatschappelijke moeilijkheden. Aanvankelijk werd dit gedaan door vrijwilligers(sters). Al spoedig bleek dat beroepskrachten niet gemist konden worden. Dit betrof vooral de werksoorten maatschappelijk werk en gezinsverzorging. De (karige) betaling kwam uit de kassen van de diakonieën en r.-k. armbesturen. Dit betrof uiteraard alleen de beroepskrachten.

Al spoedig kwam er een kleine subsidie los van een of andere overheid. Daaraan werd vanzelfsprekend een aantal voorwaarden verbonden, omdat men er zeker van wilde zijn, dat het geld overeenkomstig de doelstelling zou worden gebruikt. Aan de kerken, die veelal de organen waren die het werk aanpakten (naast een enkel Algemeen Orgaan voor Gezinsverzorging en naast de Vereniging Humanitas), werd aangeboden via subsidie mogelijk te maken, dat Organen van Samenwerking per provincie in het leven werden geroepen. Iedere kerk moest dan voor haar eigen plaatselijke/regionale werk zorgen en min of meer garant staan dat het geld overeenkomstig de subsidievoorwaarden werd gebruikt.

De Organen van Samenwerking gingen twee taken behartigen:

• begeleiding van de uitvoerende beroepskrachten het maatschappelijk werk en de gezinsverzorging en helpen, dat het goed zou gaan tussen het bestuur en maatschappelijk werkers/gezinsverzorgenden;

• ogen openen en geopend zien te houden van de desbetreffende kerkgemeenschap voor het feit, dat het werk van de beroepskrachten gedragen dient te worden door de gemeenschap.

Men zou i.p.v. ’taak’ kunnen spreken van ’functie’ — twee functies: functie 1 en functie 2 oftewel F1 en F2. U begrijpt het al. Er vond een scheiding plaats.

Functie 1 ging van de kerken weg toen in vele plaatsen/regio’s apart maatschappelijk werk en aparte gezinsverzorging voorbij waren. Functie 1 (F1) kwam in de meeste provincies in handen van een G.I.M.D. of G.I.S.D. (gemeenschappelijke instelling voor maatschappelijke/sociale dienstverlening) en landelijk bij de Joint en de Centrale Raad voor de Gezinsverzorging.

Functie 2 (F2) bleef in iedere provincie over, gesteund door landelijke F2-ers en dat zowel provinciaal als landelijk per levensbeschouwelijke groepering (Gereformeerd, Rooms katholiek, Humanitas en Hervormd; landelijk werkt voorts de Vrijzinnig Protestantse Centrale).

Wat beoogt F2?

Een stukje historie, al is het hier erg beknopt gegeven, is best aardig om te lezen, maar nu komt dan de vraag: maar wat houdt F2 feitelijk in?

Ik kan het eigenlijk slecht hebben als mensen, die echt wel op kerkelijk terrein actief zijn — dus o.a. ouderlingen en diakenen, zelfs ook predikanten — de neiging hebben om ineens niet te begrijpen wat F2 is en wat F2-ers doen. Men zegt zo gemakkelijk (en zo modieus) dat men zich er niets bij kan voorstellen. Hierboven werd als taak voor F2 aangegeven: ogen openen en open houden van de desbetreffende kerkelijke gemeenschap voor het feit, dat het werk van beroepskrachten op maatschappelijk terrein gedragen dient te worden door die gemeenschap. Het is toch niet zo moeilijk om zich daar wat bij voor te stellen? Bijvoorbeeld t.a.v. het werk van maatschappelijk werkers.

Als ik diaken was of gewoon predikant, dan zou ik heus wel aan de maatschappelijk werker denken als ik zou stuiten op een gezin of persoon, dat of die wat moeite heeft om zich in de samenleving staande te houden. Ik zou ook maken, dat de maatschappelijk werker graag met mij zou samenwerken op het punt van inspringen als vrijwilliger of door een vrijwilliger. Dit is bedoeld met dragen (meedragen) van een stukje werk. Ik zou ook best begrijpen, dat die maatschappelijk werker een goed en plezierig bestuur nodig heeft, waarin ook hervormde mensen meedoen en zo zou ik rondkijken onder m’n gemeenteleden naar zo’n man of vrouw. Ik zou dat maatschappelijk werk beschouwen als werk ook van mijn gemeente (gemeenschap). Zo is verder door te gaan t.a.v. een heel stel activiteiten, die in de samenleving plaats vinden en zonder welke de samenleving het niet kan stellen. Eenvoudig is het niet om op die wijze als ambtsdrager bezig te zijn.

Overigens: het houdt niet op bij ambtsdragers (de manlijke vorm wordt gebruikt, terwijl wij het dikwijls van de vrouwen moeten hebben!). Mensen van een vrouwengroep, een H.V.D., het jeugdwerk behoren ook zo met open oog door de gemeente te gaan en eigenlijk niet minder het gewone gemeentelid met ’alleen maar’ het ambt van gelovige. Het is niet eenvoudig, omdat er erg veel gezamenlijk wordt gedaan (interconfessioneel of met iedereen samen) en ook omdat ieder werk momenteel zo in beweging is. Nog afgezien van wat het vraagt om een goede verhouding te hebben tussen bestuur, vrijwilligers en beroepskrachten.

Maar men moet niet zeggen, dat men zich niet kan voorstellen wat F2 is en wat een F2-er doet. Het werk beoogt de kerkelijke gemeenten van dienst te zijn bij haar meedoen in het maatschappelijk leven van plaats, regio, provincie of land.

Alles zelf doen?

Een plaatselijke gemeente kan natuurlijk alles zelf doen zonder assistentie of stimulering door de F2. Zij kan zelf inspelen op wat van haar verwacht mag worden in de eigen stad of het eigen dorp. Als men het dan goed doet: fijn en alle respect. Er zijn best plaatsen aan te wijzen waar het zo gaat. Dat dit evenwel regel is, zal wel niemand beweren. Veelal is men allang blij als men de predikantsplaats in stand kan hou den en het eigen winkeltje weet gaande te houden. Dat zijn — laat daar geen misverstand over ontstaan — goede zaken en er moet geen kwaad over worden gezegd. Er staat toch niet voor niets, dat wij onze naaste moeten liefhebben als ons zelf. Zich zelf goed in stand houden is een goede zaak en voorwaarde voor het in stand houden van de naaste. ’Hand in hand’ is het beste. En: men moet niet te lang met zich zelf bezig zijn!

Praktijk heeft eehter bewezen, dat bijna ie dere gemeente bij haar functioneren wel wat hebben kan aan de F2. Dat zit in het trage hart en in ’het voor jezelf’, dat zich steeds weer naar voren dringt. Een heel stel levensterreinen zijn hier te noemen. De volgorde is betrekkelijk willekeurig, maar er spreekt ook een zekere persoonlijke voorkeur uit van een ’toevallige’ F2-er. (Overigens: de F2-invulling, dus wat feitelijk gedaan wordt, is niet zaak van een F2-er, maar van de in stelling (stichting) waarbij hij of zij in dienst is. Die instelling (stichting) dient duidelijk gestempeld te zijn door de levensbeschouwelijke groep (bijv. kerk), waaraan het werk is toevertrouwd).

Als werkterrein, waaraan een plaatselijke hervormde gemeente, al of niet samen met naburige hervormde gemeenten, niet voorbij mag gaan, melden zich:

— het terrein van de arbeid/niet-arbeid;

— de plaats en het hele leven van lichamelijk en verstandelijk gehandicapten;

— het goed reilen en zeilen van voorzieningen als maatschappelijk werk en gezinsverzorging, buurtwerk etc.;

— het verschijnsel trekarbeid en vooral de plaats van de desbetreffende mensen en hun gezinnen;

— het aandeel van ouderen t.b.v. een gezonde samenleving (jongere generaties kunnen niet zonder de mensen van 65-plus);

— het solidariteitswerk van mens tot mens, o.a. via gericht bezoek werk;

— de zaak van de vrede en dus van de gerechtigheid.

Dit lijstje schrijvende slaat de schrik wel om ’t hart: hoe kan de zaak van vrede en gerechtigheid onderaan komen te staan? Als excuus zou kunnen gelden, dat ook een F2-er op een ogenblik vol zit, nog afgezien van zijn of haar eigen beperktheid. En toch ook het feit dat de aandrang uit de gemeenten en uit de kerkelijke kaders (o.a. het eigen Stichtingsbestuur) ook niet zo groot is dat een andere volgorde, met dus andere voorkeuren, er vanzelf uitkomt.

Een kleine aanvulling

Het is mogelijk, dat de overgang van ’het mede dragen van het werk van beroepskrachten’ naar het rijtje werkterreinen, waaraan een plaatselijke gemeente niet voorbij mag gaan, wat al te vlot is gemaakt. Gezegd moet worden, dat de werkzaamheden van de Organen van Samenwerking oude stijl en die van deze organen nieuwe stijl (dus als F2) inderdaad een grote verbreding hebben gekregen en dat de accenten zijn verlegd. Wij dachten kort na de oorlog, dat wij met maatschappelijk werk en gezinsverzorging en met daarbij horend vrijwilligerswerk al heel veel deden. In die jaren was het ook belangrijk en misschien het gebod van het ogenblik. Maar de maatschappij ontwikkelde zich verder en anders en zo werden de bakens keer op keer verzet, met als gevolg dat thans het genoemde rijtje voor de dag komt, dat overigens geen aanspraak maakt op volledigheid.

De werkwijze

In het algemeen kan ik zeggen dat het F2-werk er is om — in ons geval — hervormde gemeenten te helpen zich ook enigermate op maatschappelijk terrein in te zetten. De wijze waarop dit gebeurt, verschilt van geval tot geval. Dit geldt ook t.a.v. de intensiteit van de bemoeienissen en de duur daarvan. In onderling overleg met diakenen bijv. of met leden van één of andere plaatselijke werkgroep wordt afgesproken wat men aan het F2-werk zou kunnen hebben. Hierbij leeft de gedachte dat het initiatief tot overleg niet is uitgegaan van het F2-werk. Praktijk is echter dikwijls dat wel het F2-werk ergens aanklopt en belet vraagt, in de hoop dat wat ingebracht wordt, opgenomen zal worden. Veel meer over de werkwijze is in dit stuk niet meer ter zake. Laat het voldoende zijn, dat getracht wordt op verantwoorde wijze te handelen.

Wel moet hier nog nadrukkelijk worden vermeld, dat de F2 in hoofdzaak werkt met vrijwilligers, met gemeenteleden, diakenen, leden van werkgroepen en vrijwilligersorganisaties. Zij zuilen het tenslotte moeten doen van mens tot mens en/of op een plaats waar het functioneren op een bepaald arbeidsterrein moet worden georganiseerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Diakonia | 32 Pagina's

De gemeente helpen zich waar te maken in de samenleving

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Diakonia | 32 Pagina's

PDF Bekijken