Bekijk het origineel

Uitvoerig overleg over christenen in Turkije — en nu verder?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uitvoerig overleg over christenen in Turkije — en nu verder?

10 minuten leestijd

Islam en christendom, het Koerden-probleem, de massamoord op de Armeniërs, het Nederlandse vluchtelingenbeleid, burgerlijke ongehoorzaamheid: dit alles en meer komt aan de orde, als we ons bezighouden met de vragen die worden opgeroepen met de komst van Turkse christenen als vluchtelingen in ons land. ’Turkse christenen’ is gaandeweg de verzamelnaam geworden. Daarmee worden de Syrisch-orthodoxe en Armeens-orthodoxe christenen uit (of in) Turkije aangeduid. Wij spreken hier liever van christenen uit Turkije, want Turks is alleen hun staatsburgerschap dat de meesten graag inruilen voor een ander. Hun eigenheid wordt er juist door bepaald dat zij ten aanzien van kerk- en moedertaal en herkomst niet Turks zijn. Samen met hun ’minderheidsgeloof’ brengt dat in Turkije vaak discriminatie en vervolging met zich mee. Het is begrijpelijk dat zij zelf dan niet meer zoveel prijs stellen op het predikaat ’Turks’.

In dit artikel willen we iets vertellen over de aandacht, die de problematiek van de christenen uit Turkije de laatste tijd in de kerken heeft gekregen en de discussie die daaruit in Nederland is gevolgd. We kunnen er niet omheen te beginnen met een korte samenvatting van de situatie waarin deze christelijke minderheidsgroep verkeert. Al bestaat het gevaar dat dit overbodig is voor wie al met de zaak bekend is en totaal onvoldoende voor wie er voor het eerst kennis van neemt.

Eeuwenlang hebben er christenen in islamitische maatschappijen geleefd, vaak als aparte gemeenschappen met een eigen taal. Nu eens waren de verhoudingen goed, dan weer leefden de christenen onder een juk. In de twintigste eeuw zijn christenen op grote schaal gevlucht, onder dwang van vaak dramatische ontwikkelingen.

Emigratie of vlucht van christenen uit islamitische landen is vandaag de dag weer een acuut probleem. Turkije is een apart geval. Was aan het eind van de vorige eeuw nog 30 pet van de bevolking christen, nu gaat het nog maar om tienden van procenten: naar schatting minder dan 100.000 christenen op een bevolking van 43 miljoen. De massamoord op anderhalf miljoen Armeniërs rond 1951 heeft een afschuwelijk trauma veroorzaakt. Het ledental van de drie grootste kerken in Turkije — Grieks-, Armeens- en Syrisch-orthodox — is sindsdien gestaag teruggelopen.

Toen in de zeventiger jaren het steeds moeilijker werd ’geruisloos’ als gastarbeider naar een ander land te verdwijnen, kwamen Syrisch-orthodoxen en Armeniërs als vluchtelingen naar landen als West Duitsland, België, Nederland en Oostenrijk. De toelating als vluchteling ging meestal niet van een leien dakje, desondanks slaagden tienduizenden erin asiel te krijgen.

Nederland onderscheidt zich hierbij langzamerhand in ongunstige zin. Weliswaar kregen ongeveer 1400 asielzoekers toelating, maar allen moesten zich tevreden stellen met de status van asielgerechtigde, ’tweede- rangs-vluchtelingen’. In de eerstgenoemde landen wordt de vluchtelingenstatus toegekend.

Ook ziet het er naar uit dat we het laagste percentage toelatingen hebben en dat de uit zettingspolitiek (het terugsturen van vluchtelingen) wordt verscherpt. De ongeveer 400 asielzoekers, die hier nog op een beslissing wachten, hopen dat er een gunstige wending in het beleid komt.

Visumplicht

Najaar 1980 gaf een aantal ingrijpende wijzigingen te zien. In navolging van Zweden en West Duitsland voerde Nederland een visumplicht in voor Turkse burgers. De stroom van asielzoekers werd hierdoor abrupt afgesneden. Nu zaten er aan die grote toevloed benauwende kanten en het was begrijpelijk dat men hier en daar opgelucht ademhaalde. Hier staat echter tegenover dat het belemmeren van de uitreis van mensen, die wellicht goede redenen hebben om asiel te zoeken, ook bedenkelijk is.

Een tweede gebeurtenis van betekenis was de militaire staatsgreep in Turkije van 12 september 1980. Sindsdien leeft Turkije onder een militaire dictatuur. Wel is er een eind gekomen aan de golf van politiek geweld, die Turkije in een chaos had gevoerd. Hieraan zitten voor de christenen positieve kanten. Toch lijkt het er op dat de prijs voor het ’rust en orde’ hoog is en aan de duurzaamheid ervan valt te twijfelen. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het nu beter is gesteld met de eerbiediging van de (minderheids)rechten van de christenen en dat de nieuwe overheid zich minder discriminerend opstelt.

Kerkelijke betrokkenheid

In 1978 is het initiatief genomen een kerkelijke werkgroep te vormen met deelnemers uit Zweden, West-Duitsland, België en Nederland omdat hulpverleners in deze landen tegen dezelfde problemen aanliepen. Ook de Wereldraad van Kerken verleende medewerking. Door het uitwisselen van informatie, het verzamelen van gegevens uit Turkije en het publiceren daarvan kon er een steviger pleidooi voor de toelating van christenen uit Turkije worden gevoerd. Ook kon de werkgroep de hulpverlening in Turkije zelf, met name Istanbul, stimuleren. (Istanbul was als het ware een vluchtheuvel voor zo’n 15.000 christenen, deels van plan de sprong naar West-Europa te maken, deels vastgelopen na uitzetting uit een Westeuropees land.)

De werkgroep heeft onder meer voorgesteld de landengrenzen te openen voor de in nood verkerende christenen, waarbij elk land een bepaald aantal zou moeten opnemen. De hoop bestond dat ook ’traditionele’ immigratielanden als de VS en Australië zouden meewerken.

De Wereldraad vond het nodig, gezien de ingrijpende voorstellen, eerst stevig overleg met betrokken kerken te voeren. Bovendien pleitte de Wereldraad ervoor het probleem van de christenen in Turkije te plaatsen in het bredere vraagstuk van christenen in het hele Midden Oosten.

Standpunt Wereldraad

In augustus 1980 sprak het Centrale Comité van de Wereldraad van Kerken zich uit.

In deze ’Richtlijnen voor toekomstig werk met betrekking tot het Midden-Oosten’ kwam eerst de rol van de plaatselijke kerken aan de orde. Dat is een bijzondere rol, gezien de relaties met enerzijds de islam, anderzijds met het jodendom. Vervolgens werd ingegaan op het christelijke emigratiebeleid:

— hulp geven aan christenen in het Midden-Oosten om hen te helpen te blijven — waar mogelijk — in landen waar ze altijd hebben gewoond en hen in staat te stellen hun geloof te beleven;

— kerken in ’ontvangende’ landen vragen christenen uit het Midden-Oosten in oecumenische geest te helpen om hun religieuze en culturele waarden ook daar te bewaren.

Tenslotte werd voorgesteld een vergadering te beleggen over de emigratie van christenen uit het Midden-Oosten, te organiseren door de Raad van Kerken in het Midden-Oosten. Dit overleg vond plaats in Beirut in oktober 1980. Het motto ’christelijke aanwezigheid en getuigenis in het Midden-Oosten’ geeft al aan dat er zwaar accent lag op de vraag hoe christenen te helpen daar te blijven. Maar ook de andere kwestie kwam aan de orde: wat moet er in de opvanglanden gebeuren voor hen die gedwongen werden om te vluchten. Er zat een ’bont’ gezelschap rond de tafel: aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters en een enkele leek uit kerken in het Midden-Oosten en vertegenwoordigers van kerken en kerkelijke organisaties in Europa, de VS, Canada en Australië. Helaas ontbraken afgevaardigden uit Turkije, wat niet belette ook de situtatie daar ter sprake te brengen.

Het kostte soms moeite eikaars visie te begrijpen. Met name leek het voor sommige deelnemers uit het Midden-Oosten nieuw om te horen hoe moeizaam de opvang van vluchtelingen en immigranten in de Westerse landen verloopt.

De ruimte ontbreekt om uitvoerig op de hier bereikte conclusies en aanbevelingen in te gaan. Ze sluiten aan bij die van het Centrale Comité, zij het meer toegespitst op de praktijk. Voor ons houden ze een oproep in om kerken en christenen te helpen zich te handhaven in Turkije en andere landen in het Midden-Oosten, om materiële en niet-materiële steun te geven, om op te komen voor hun mensenrechten. Daarnaast wordt hulp bepleit aan vluchtelingen/asielzoekers die tot ons komen.

Na Beirut: Utrecht

Vervolgens belegde een commissie van de (Nederlandse) Raad van Kerken een beraad in Utrecht om de aanbevelingen van Beirut door te vertalen naar de Nederlandse situatie — januari 1981. Naast deelnemers van Nederlandse kerkelijke organisaties en uit Syrisch-orthodoxe en Armeense kring waren tal van andere betrokkenen aanwezig: Wereldraad, vluchtelingenwerk, Amnesty International, Actie 41 +, de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen van de VN, parlementsleden en wethouders. Het hoofd van de afdeling asielzaken van het ministerie van justitie woonde de vergadering als waarnemer bij.

Waaraan is het succes van zo’n ontmoeting af te meten? Aan de bereikte standpunten of aan het duidelijk worden van uiteenlopende opvattingen? Aan de levendige discussie of de veel te krappe tijd? Feit is dat de commissie van de Raad van Kerken zich geholpen voelde, maar dat sommige deelnemers erg teleurgesteld naar huis gingen. Zij hadden veel meer aandacht verlangd voor het gevecht om toelating van de asielzoekers en daarvoor verdergaande voorstellen verwacht.

Die teleurstelling uitte zich onder meer in een open brief aan de Nederlandse kerken van de Syrisch-orthodoxe aartsbisschop Julius Yeshua Cicek, die zelf het beraad had bijgewoond. Deze en andere reacties werden door de Raad van Kerken beantwoord in een brief d.d. 26 februari.

De argumenten van beide kanten hebben deels te maken met de vraag hoe er geluisterd moet worden naar de verschillende stemmen die ons uit de kerken in het Midden-Oosten bereiken. Moeten de positie van kerk en christendom in Turkije al dan niet worden afgeschreven? Moet er dus wel of niet geijverd worden voor een ’evacuatieplan’ voor de christenen uit Turkije? Overigens, als het gaat om de asielzoekers die al in ons midden verblijven, mag het afwijzen van zo’n evacuatie er niet toe leiden dat wij — in onze comfortabele positie — van anderen een heldhaftigheid en inzet als christenen vragen die wij zelf niet hoeven op te brengen. Blijft dus voluit de vraag hoe wij zoveel mogelijk asielzoekers zo goed mogelijk kunnen helpen: via het vragen van collectieve toelating of via het maximaal benutten van het ’gewone’ systeem?

Waar allen het over eens zijn, dat is de wenselijkheid van een ander toelatingssysteem. En iedereen deelt de hoop dat de overheid hiervoor zal openstaan. Is dit onverhoopt niet het geval, dan moet met elkaar geprobeerd worden ook in het politieke krachtenspel voldoende overtuigingskracht op te brengen.

Na woorden daden

Het lijkt op de leus van een voetbalclub, maar het moet toch eens worden gezegd. In de kerken, zoals ook in de politiek, is er de verzoeking van overleg naar overleg te gaan en al pratend de tijd te laten passeren. Maar er moet wat gebeuren: om een beter beleid te krijgen voor de asielzoekers, om de christenen in Turkije een kans te geven tot hun recht te komen, om deze christenen een hart onder de riem te steken.

Al het beraadslagen is alleen dan zinvol, wanneer alle betrokkenen de noodzaak van de intussen door de Raad aanvaarde aanbevelingen onderschrijven én er naar handelen.

Dit artikel is ook gepubliceerd in Saamhorig, het blad van de Raad van Kerken.

Naschrift

Het voorgaande werd geschreven nog voordat de adviescommissie voor vluchtelingenproblematiek van de Raad van Kerken met de staatssecretaris van Justitie de aanbevelingen van de Raad had besproken.

Geschreven nog vanuit de verwachting dat men op het Ministerie van Justitie open zou staan voor redelijke voorstellen en voor serieus overleg.

Het resultaat van het gesprek was mager, toch leek het erop dat de commissie niet ge heel met lege handen wegging. Sindsdien is ook dat beetje hoop ons uit handen geslagen.

Kort na het gesprek werden we verrast en geschokt door verhevigde oppakacties, die in Nederland veel verontwaardiging wekten. Zelfs mensen voor wie serieuze emigratie- pogingen lopen, probeert de overheid binnen de kortste keren naar Turkije terug te zenden.

Niets blijkt van de door de staatssecretaris geclaimde grondhouding van mededogen waarop ze, naar ze zegt, haar beleid ten aanzien van deze asielzoekers baseert.

Dat in dit ijzige klimaat Syrisch-orthodoxe en Armeense asielzoekers uit Turkije weer in kerken toevlucht zoeken is alleszins begrijpelijk en het is toe te juichen dat kerken hiervoor desgevraagd hun deuren openzetten en zich zo solidair en bewogen tonen.

Hopelijk zal de overheid zich toch nog bezinnen. Op geen enkele wijze kan ze aannemelijk maken dat de regels en realiteiten waarbinnen ze moet werken, haar dwingen tot een optreden waarin voor humanitaire afwegingen geen ruimte meer lijkt te zijn.

H. Glimmerveen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1981

Diakonia | 28 Pagina's

Uitvoerig overleg over christenen in Turkije — en nu verder?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1981

Diakonia | 28 Pagina's

PDF Bekijken