Bekijk het origineel

1. Rapport van de Algemeen Diakonale Beleidsraad

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

1. Rapport van de Algemeen Diakonale Beleidsraad

1 minuut leestijd

Helpers van elkaar

Diakonaat betekent altijd een ontmoeting en beide partijen in deze ontmoeting helpen elkaar. De mensen die wij denken te helpen, de buitenlandse werknemer en de gehandicapte in onze eigen omgeving, de hongerige landarbeider in India en de verdrukte zwarte in Zuid-Afrika, zijn tegelijk onze helpers. Ze laten ons zicht krijgen op onszelf, ze laten ons zien dat we ons vaak superieur voelen, ze wijzen ons op onze angst voor verandering, op het feit dat wij betrokken zijn bij hun onderdrukking.

Als individuele christenen en als christelijke gemeente worden ons zo heel ingrijpende vragen gesteld over wat het betekent om in de wereld van vandaag navolgers en gemeente van Jezus Christus te zijn.

We moeten die vragen echter willen horen en geholpen willen worden. De verleiding is groot om te vluchten in het eenzijdige helpen en ons vast te klampen aan de veilige positie van de helper, die alleen maar geeft wat hij zelf wil geven en die door zijn druk ke helpen de vragen van de geholpene niet meer horen kan. Vragen die lastig en gevaarlijk zijn, omdat ze van ons meer eisen dan wat geld. Vragen die ons willen dwingen onszelf bloot te geven.

Wij zien het als een belangrijke opdracht dat wij, die namens onze kerken in binnen- en buitenland betrokken zijn bij de hulpverlening aan armen, vergetenen en verdrukten, deze vragen aan de gemeente doorgeven. Zo kunnen de mensen die wij helpen tegelijkertijd de helpers van óns allen worden.

Wederkerigheid tussen ADB en gemeente

Als we met deze ervaringen en met deze vragen weer naar onze kerken terugkeren, werken we naar onze overtuiging ook wezenlijk ten behoeve van onze kerken. In het denken over deze zaken gebruiken we binnen onze eigen kring de woorden ’plaatsvervangend optreden’ en ’communicatie met de gemeente’. We zijn steeds beter gaan zien dat beide begrippen door ons moeten worden vastgehouden, ook al verkeren ze wel eens op gespannen voet met elkaar.

Het is niet mogelijk om het plaatsvervangend optreden los te maken van de communicatie met de gemeente. Zouden we dat wel doen, dan raakt die plaatsvervanging helemaal uitgehold en blijft er niets anders over dan een wellicht wel waardevol en juist handelen van onze kant, maar ook een zeer solistisch en eigenzinnig handelen.

Dat geldt echter ook omgekeerd. Wij staan in contact met de noodlijdenden en verdrukten. Ook zij vragen ons om onze verbondenheid en zij vragen ons om hun pleitbezorgers te zijn bij onze kerken.

Binnen en buiten zijn vervlochten

Daarom is het gesprek, waar het hier om gaat, niet het gesprek van de gemeente met ons, maar het gesprek van de gemeente met de helpers en geholpenen die wij in Nederland en overzee namens onze kerken proberen te dienen. Daar ligt de echte wederkerigheid. Uiteindelijk is de spanning dan ook niet een spanning tussen onze plaatsvervangende functie en onze communicatiefunctie, maar tussen de helpende gemeente hier én de geholpene vérweg en dichtbij die onze helper wil zijn. Het is onze functie dit gesprek zo helder mogelijk te doen plaatsvinden. Dit is natuurlijk een moeilijke opgave, waaraan we nog maar zeer gebrekkig voldoen.

Inmiddels is uit dit alles wel duidelijk, dat een optreden ’namens’ en ’ten behoeve van’, evenals een optreden in buitenland en binnenland, gezien vanuit de gedachte van de wederkerigheid, onlosmakelijk met elkaar zijn vervlochten.

De gevolgen van de bundelingsbesluiten

In het licht van het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat we er zeer veel belang aan hechten om binnenlands diakonaat en werelddiakonaat bij elkaar te houden. Daarom willen we ook het Algemeen Diakonaal Bureau als een ongedeeld bureau handhaven. De vorige synode heeft dit ook zo besloten. In de praktijk is dit echter een verre van eenvoudige zaak, want door het besluit van de synode om het werk dat op landelijk niveau gebeurt te herstructureren, is de bestuurlijke opzet voor het landelijke diakonaat geheel veranderd. De twee afdelingen van het ADB, de afdeling binnenlands diakonaat en de afdeling werelddiakonaat, vallen nu bestuurlijk onder secties van twee verschillende deputaatschappen, Gemeente-opbouw en Zending-Werelddiakonaat. Het is daardoor niet mogelijk dat de directeur van het ADB of in laatste instantie de Algemeen Diakonale Beleidsraad bepaalde besluiten van de secties opschort of tegenhoudt. Daardoor zou de besluitvorming binnen Gemeente-opbouw en Zending-Werelddiakonaat op losse schroeven komen te staan. Of het ADB zal kunnen blijven bestaan zal daarom blijven afhangen van de waarde van het inhoudelijke gesprek tussen binnenlands diakonaat en werelddiakonaat en van de sterkte van de relatie tussen het ene ongedeelde bureau enerzijds en de diakonieën en de gemeenten anderzijds.

We willen, zowel wat de inhoud als de uitvoering betreft, ons uiterste best doen om de eenheid van het diakonaat ook in ae nieuwe opzet te bewaren. Door dit alles zal het werk van de nieuwe secretaris-directeur van het ADB niet alleen op het beheer van het bureau gericht moeten zijn, maar vooral ook op de inhoudelijke doordenking van het diakonaat en op de bevordering van het gesprek hierover tussen de beide secties en stafgroepen.

Bij de rapportages over het binnenlands diakonaat en het werelddiakonaat gaan we nader in op onze relatie met de deputaatschappen Gemeente-opbouw en Zending-Werelddiakonaat.

Het vertrek van dr J. van Klinken

Vanaf het moment dat het Algemeen Diakonaal Bureau in 1960 als volop kerkelijk bureau ontstond, heeft het onder leiding gestaan van dr J. van Klinken. Zijn vertrek per 1 januari 1981, vanwege de hierbovengenoemde herstructurering, hebben we zeer betreurd. Zonder overdrijving kunnen we zeggen, dat het diakonaat en het ADB vooral dankzij zijn visie en geweldige daadkracht geworden zijn tot wat ze nu zijn. Het diakonaat heeft in deze twintig jaar nieuwe impulsen gekregen, zowel met betrekking tot het diakonaat in eigen land als met betrekking tot het diakonaat buiten onze grenzen. De heer Van Klinken is daar intens bij betrokken geweest en heeft op allerlei wijzen aan dit nieuwe verstaan van het diakonaat een eigen bijdrage geleverd. Het diakonaat kreeg de laatste twintig jaar veel meer oog voor de gerechtigheid. Het ging zien dat talloze mensen verdrukt worden door onrecht vaardige machtsverhoudingen en dat het tot de taak van het diakonaat behoort om een stem te zijn voor de stemmelozen en een naam te geven aan de naamlozen.

De heer Van Klinken was sterk betrokken bij dit diakonaat in het groot. Maar tegelijk had hij ook altijd aandacht voor die enkeling, die in de knel kwam en die hij op zijn weg vond. Diakonaat bleef voor hem daarom altijd iets persoonlijks en warms houden. Het diakonaat dat hij voorstaat is dan ook zo eenvoudig, dat gewone, gelovige mensen het kunnen begrijpen en kunnen doen. Hij was er ook altijd van overtuigd dat ingewikkelde problemen in het werelddiakonaat verduidelijkt kunnen worden door eenvoudige voorbeelden uit eigen omgeving, zoals dat van een vergeten bejaarde of een gebroken gezin. Het gaat toch steeds weer om diezelfde diep-menselijke behoefte aan eigenwaarde, de mogelijkheid tot ontplooiing en het hebben van een eigen naam.

Het was vanuit deze overtuiging, dat de heer Van Klinken ook altijd geloofde dat het diakonaat een zaak is voor gewone kerkmensen en niet iets voor specialisten.

In dit alles heeft hij voor het diakonaat en daardoor voor onze kerken erg veel betekend. Wij zijn hem voor dat alles dankbaar en zullen hem in de toekomst zeer missen.

Racisme

Naar aanleiding van de verslagen van de Nederlandse, Europese en wereldconsultaties van het Programma ter Bestrijding van het Racisme (PCR) van de Wereldraad van Kerken hebben we in de verslagperiode in de Algemeen Diakonale Beleidsraad een begin gemaakt met een discussie over de uitkomsten van deze beraadslagingen over het racisme, om te zien wat dit alles voor ons eigen beleid betekent.

Juist omdat we ons zo sterk bij de zaak van het racisme betrokken weten, moet het ons van het hart dat we het betreuren dat de synode gemeend heeft het PCR en de daarmee samenhangende vragen rondom het racisme op te moeten dragen aan een apart deputaatschap PCR.

We beseffen dat we niet alleen door onze betrokkenheid bij het PCR, maar ook in ons eigen binnenlands diakonaat en in het werelddiakonaat tegen het racisme oplopen en tegen de gevolgen ervan voor grote groepen mensen. We noemen hier slechts de gastarbeiders en hun vrouwen in Nederland, Indianen in Latijns-Amerika en zwarten in Zuid-Afrika. Het is ons duidelijk geworden dat racisme altijd onderdrukkend is, doordat het discrimineert en de eigenheid van de ander niet accepteert, maar veracht.

Racisme zal ook vaak leiden tot pogingen om het anders-zijn van anderen aan te tasten en hen te dwingen om gelijk te worden aan de anderen. Tenslotte is steeds duidelijker geworden dat racisme zich in de praktijk vaak uit in sterke economische discriminatie, bijvoorbeeld onder meer op het gebied van recht op land en arbeid.

In Europa zien we ook steeds meer racistische uitingen die samenhangen met de economische achteruitgang. Daarom verklaarden de Europese kerken, dat de relatie tussen het racisme elders en het racisme in eigen land nadruk moet blijven krijgen. Er zijn duidelijke overeenkomsten. Zo bestaat de relatie tussen economie en racisme niet alleen in Zuid-Afrika; bij ons zijn het de buitenlandse werknemers, die in de verdrukking dreigen te komen nu het hier wat minder gaat.

Zo komen de kerken ook in Europa voor de dringende vraag te staan hoe ze kunnen helpen voorkomen dat het ’emotionele racisme’ sterker wordt en dat er een ’structureel racisme’ ontstaat, doordat de overheid wettelijke maatregelen neemt, die mede hun oorzaak vinden in de werkloosheid en economische crisis hier.

Naast deze problemen maken we ons ook zorgen over het herlevende anti-semitisme in Europa.

We zullen ons ook in de komende jaren blijven keren tegen het racisme en we vrezen dat het in ons werk nog meer voorrang zal moeten krijgen.

Missionairdiakonaal overleg

Vanuit het diakonaat is er op landelijk niveau samenspel met Zending en Gemeente-opbouw. Ook bestaat er al enige jaren een missionair-diakonale overleggroep van Zending, Evangelisatie en Diakonaat. Evenals in begin 1979 was er eind 1980 een ontmoeting tussen deputaten en medewerkers uit deze drie werksectoren. De laatste keer gebeurde dit aan de hand van een rapport over: Samenwerken aan de openheid van de kerkelijke gemeente.

In een, langzaam maar zeker, groeiend aantal gemeenten ontwikkelen zich vormen van contact tussen zendings- en evangelisatiecommissies en diakonieën. Het samenspel beperkt zich vaak tot twee van deze drie.

De communicatie met de gemeente

Ons uitgangspunt is, dat de gemeente van Christus zélf geroepen is om oog en oor te hebben voor armen en verdrukten, zowel binnen als buiten de eigen kring. Met dit uitgangspunt stellen we het diakonaat van de gemeente dus principieel voorop en zien we onze eigen activiteiten als een aanvulling daarop en een ondersteuning ervan. Tegen deze achtergrond spelen zich dus ook onze contacten met de gemeente af.

Van de gemeente ontmoeten we doorgaans alleen de diakenen. We horen van hen dat ze er vaak moeite mee hebben om bij mede-ambtsdragers en gemeenteleden voldoende klankbodem te vinden voor de nieuwe gedachten over het diakonaat, die we samen ontwikkelen en de nieuwe ervaringen, die we samen opdoen. Ook geldt, dat de diakonale antenne van weer andere gemeenteleden vaak op een andere golflengte is afgestemd dan die van hun diakonie. We denken daarbij aan gemeenteleden, die bijvoorbeeld hun aandacht geven aan minderheden in onze samenleving of die in groepsverband bezig zijn met vraagstukken van gerechtigheid en leefbaarheid, terwijl hun diakonie zich beperkt tot de aloude aandachtsvelden.

Deze ontwikkelingen maken ondersteunende en toerustende contacten van onze kant nog wenselijker. De behoefte daaraan bij diakenen neemt bovendien sterk toe.

De rol van het provinciale en het regionale niveau wordt hierdoor steeds belangrijker. Met provinciale deputaatschappen voor de diakonale arbeid, de gereformeerde instellingen voor maatschappelijk activeringswerk en de stichting Gereformeerde Raad voor Samenlevingsaangelegenheden (GSA) beraden wij ons op de mogelijkheden om het toerustingswerk te intensiveren en tot een grotere samenwerking te komen.

Jaarplan communicatie

Ook in de verslagperiode kwamen jaarplannen tot stand, waarin in kaart werd gebracht alles wat door de verschillende afdelingen van het ADB in de loop van het komende seizoen aan activiteiten zou worden ontplooid. Het ging hierin om publiciteit en om cursussen, conferenties en andere toerustende bijeenkomsten, voor een deel in samenwerking met provinciale deputaatschappen. Door middel van deze jaarplannen willen we onze diverse activiteiten met elkaar in verband brengen en komen tot een duidelijker communicatiebeleid van het ADB als geheel.

Wij willen in toekomstige plannen proberen ook iets verder te komen met het bepalen van wat in een bepaald seizoen voorrang dient te hebben. Daarbij lijkt het ons zeer wel mogelijk dat vanuit het werelddiakonaat en vanuit het binnenlands diakonaat zaken de aandacht vragen, die in de voorlichting in hun onderlinge samenhang kunnen worden gebracht en elkaar zo kunnen versterken. Wij denken hierbij vooral aan de vragen betreffende de relatie van de kerk tot de armen en verdrukten in de samenleving.

Het is duidelijk dat de bundeling van deputaatschappen ook zal leiden tot een grotere mate van afstemming van het voorlichtingsbeleid op wat door andere secties van het deputaatschap Gemeente-opbouw en door de Zending wordt gedaan. Ook is er op allerlei punten een groeiende samenwerking op het gebied van de publiciteit met de Generale Diakonale Raad van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Activiteiten

Bij de werksectoren, die elders vermeld zijn, komt de communicatie met de gemeente eveneens voor. Daarom beperken wij ons hier lot het vermelden van de volgende activiteiten in de verslagperiode.

Centrale Diakonale Conferentie: deze jaarlijkse bijeenkomst had in 1979 en 1980 achtereenvolgens als thema: ’Kinderen en wij, verweg-vlakbij’ en ’Een ander kan mij nog meer vertellen’.

Lunterense dagen: deze naam is verbonden aan de drie informatie- en ontmoetingsdagen voor diakenen, die ieder jaar op ’de Blije Werelt’ gehouden worden. De belangstelling is groot en tevens gebonden aan een maximum aantal (250 per dag). De ontmoeting in een overzichtelijke groep vinden wij van groot belang voor door ons belegde bijeenkomsten.

Gespecialiseerde diakenen: voortgegaan werd met het organiseren van werkavonden voor de werelddiakenen. In 1980 werd ook een begin gemaakt met avonden voor gehandicapte gegemeenteleden en diakenen. Met voorzitters van diakonieën was er weer een toerustingsdag.

’Samen in gesprek’: op deze noemer deden wij - door middel van ons foldertje ’Samen werken aan diakonaat’ - het aanbod vier avonden bij een klein aantal diakonieën te willen komen. Doel: hulp bieden bij hun functioneren en - in wisselwerking een verrijking voor òns werk. Met vijf groepen diakenen gingen we aldus in zee.

Serie avonden/cursussen: we vinden het een verheugende ontwikkeling dat we de laatste jaren kunnen inspelen op de behoefte bij diakenen om zich gedurende een aantal avonden in een korte periode te willen oriënteren. Aan dergelijke initiatieven vanuit groepen diakenen uit naburige plaatsen werd vanuit het ADB in enkele provincies graag medewerking verleend. Zij vormen ook een van de oriënteringsmogelijkheden voor nieuwe diakenen.

Bijeenkomsten: op provinciaal niveau en in veel classes werden er bijeenkomsten gehouden ter ondersteuning van het werk van de diakenen. Het ADB biedt daarbij regelmatig assistentie.

Eveneens werd regelmatig medewerking verleend aan gemeenteavonden over het (wereld) diakonaat en aan kerkdiensten die gewijd waren aan de diakonale roeping van de gemeente.

Samenwerking met het hervormde diakonaat

In de verslagperiode is er een voortgaand overleg geweest tussen de Generale Diakonale Raad van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Algemeen Diakonale Beleidsraad, zowel over de beleidsvorming als over de uitvoering. Dit is niet alleen gebeurd omdat beide synodes ons de opdracht hebben gegeven om ’samen op weg te gaan’, maar ook omdat in de praktijk van het samen-bezig-zijn een verdergaande samenwerking tussen ADB en GDR wenselijk blijkt. Deze samenwerking is nu al aanwezig in de vorm van:

• advisering aan de diakonieën over financiële bijdragen aan diakonale instellingen met een landelijke werkingssfeer;

• een gezamenlijke beurzencommissie, waaraan ook wordt deel genomen door de Stichting Oecumenische Hulp;

• een gezamenlijk beleid ten aanzien van de integratie van lichamelijk gehandicapte mensen in de (kerkelijke) samenleving;

• het vakantiewerk voor lichamelijk gehandicapten, voor wie al vele jaren in het najaar in het F.D.Roosevelthuis in Doorn gemeenschappelijke vakantieweken worden georganiseerd;

• een gezamenlijk beleid ten aanzien van in ons land verblijvende vluchtelingen;

• een goed overleg tussen de beide diakonale maandbladen Diakonia en Het Diakonaat.

In de voor ons liggende jaren zullen we naar een nog nauwere samenwerking moeten zoeken vanwege de voortgang in het ’samen op weg zijn’ van veel plaatselijke gereformeerde kerken en hervormde gemeenten. In de eerste plaats gaan we daarom werken aan een gezamenlijke brochure over het samen dienstbaar zijn als plaatselijke gemeenten. Vervolgens zullen we ook aandacht moeten geven aan de vragen rondom de financiële verhouding tussen beide diakonale organen, toegespitst op de vraag vanuit de gefedereerde gemeenten of er een gemeenschappelijk gironummer kan komen. Daarnaast zal er een inventarisatie moeten worden gemaakt van knellende kerkordelijke verschillen op diakonaal terrein.

Het overleg tussen ADB en GDR wordt echter enigszins bemoeilijkt door het verschil in structuur tussen ADB en GDR, welke laatste ook werk verricht dat in gereformeerde kring wordt gedaan door de Gereformeerde Raad voor Samenlevingsaangelegenheden (GSA).

Financiën

Bij de presentatie van de jaarstukken over 1979 werd melding gemaakt van het feit dat in 1979 voor het werelddiakonaat een tekort was ontstaan van ongeveer drie ton. Dit was het gevolg van een minder sterke groei van de ont vangsten in deze sector.

Aanvankelijk gaf 1980 hetzelfde beeld te zien. Daardoor werd het noodzakelijk om in de loop van dat jaar maatregelen te treffen in de sfeer van de uitgaven, maar tegelijk hebben we ook de cliakonieën en gemeenteleden opgeroepen om onverminderd aandacht te blijven geven aan het lenigen van de nood in de wereld.

Deze maatregelen hadden in zoverre succes, dat 1980 afgesloten kon worden met in totaal ruim 4% meer inkomsten dan in 1979. De bijgestelde begroting voor het werelddiakonaat en de meest noodzakelijke extra besluiten in deze sector konden worden uitgevoerd, al had dit wel tot gevolg dat er in 1980 tijdelijk een liquiditeitstekort optrad.

De optredende problemen in 1980 gaven ons reden om bij de opstelling van de begroting voor 1981 strenge normen te hanteren, omdat we er rekening mee moeten houden dat de inkomsten voor het werelddiakonaat op dit moment, vanwege de economische teruggang, niet meer zo sterk zullen groeien.

Hierbij moeten we wel aantekenen, dat ook de landen in de Derde Wereld, en dan in nog sterkere mate dan wij, getroffen worden door een voortschrijdende inflatie, en dat ook de nood in de wereld als gevolg van natuurrampen en menselijk geweld toeneemt. Dat betekent dat we elk jaar voor de hulpverlening meer geld nodig hebben.

In dit spanningsveld zijn we realistisch genoeg om rekening te houden met de gevolgen van de economische teruggang, maar we hopen en vertrouwen er ook op dat de gemeenteleden ons in staat zullen stellen om de opdracht van het werelddiakonaat te blijven vervullen.

In de loop van 1980 hebben we eveneens maatregelen genomen, waardoor verwacht mag worden, dat zich in 1981 geen liquiditeitstekorten van enige omvang zullen voordoen. Tussentijdse aanvragen kunnen echter voorlopig een aanzienlijk minder belangrijke rol spelen dan in het verleden het geval was. Dat valt om twee redenen te betreuren. Ten eerste zijn uit dit soort aanvragen vaak zeer goede relaties gegroeid, ook zonder dat dit langdurige financiële verplichtingen tot gevolg had. In de tweede plaats vertonen deze aanvragen (wellicht door het feit dat zij vaak een zeer dringend karakter hebben) niet zelden aspecten, die in onze ’Beleidsoverwegingen’ als zeer wezenlijk worden aangemerkt.

De actie die we in de verslagperiode hebben gevoerd voor de verbouwing en aanpassing van ’de Blije Werelt’, heeft een bedrag opgeleverd van bijna ƒ 1,2 miljoen. Daarmee werd het gestelde doel van ƒ 1 miljoen dus ruimschoots bereikt. Inmiddels is de verbouwing en aanpassing volledig verwezenlijkt, waardoor ’de Blije Werelt’ opnieuw zo goed mogelijk gebruikt kan worden voor de diakonale vakantieweken.

De overige werksectoren gaven geen afwijkingen van betekenis te zien ten opzichte van de vastgestelde begrotingen.

Wel moet nog worden vermeld, dat ook op het terrein van de binnenlandse hulpverlening er in toenemende mate door instellingen en personen een beroep op de diakonale middelen wordt gedaan, onder meer als direct gevolg van de economische teruggang. Voor een verdere toelichting hierop verwijzen we u naar het verslag van de commissie instellingen in het rapport van de sectie binnenlands diakonaat.

In de loop van deze verslagperiode namen we afscheid als deputaat van de heren ds A.N. Dekkers te Tilburg, drs L.Schut te Driebergen en mr J. van Viegen te ’s-Gravenhage. Ook op deze plaats willen wij hen hartelijk danken voor hun grote toewijding en inzet voor het diakonaat van onze kerken.

Als nieuwe deputaten werden benoemd de heren T. Kruijswijk Jansen te Amsterdam, D.H.W. van Santbrink te Soest en dr ir K.W.Smilde te Haren(Gr).

De heer J. van Viegen, die tevens als voorzitter van de Algemeen Diakonale Beleidsraad aftrad, gaf de voorzittershamer over aan de heer M. van den Heuvel.

Binnen het bureau hebben in deze verslagperiode de volgende veranderingen plaatsgevonden. Uit onze dienst zijn gegaan: de dames J.E. van Berge-Rozema (staflid werelddiakonaat), S. Kroonder-Kammenga (parttime-secretaresse), A. van Leeuwen-Valk (secretaresse) en J. Meeuwissen-Koopman (parttimesecretaresse) en de heren H. Gmelig-Meyling (archief-medewerker) en dr J. van Klinken (directeur). Ook hier willen we hen danken voor het vele werk dat zij ten behoeve van het diakonaat hebben willen verrichten.

In onze dienst zijn getreden de dames P.H.W. Bisschops-Vissers (parttime-secretaresse), J.Z. Borger (staflid binnenlands diakonaat), M. Brinkman (secretaresse) en J. Sasbrink-Kamphuis (secretaresse) en de heren drs A.M. Mook (staflid werelddiakonaat) en J. Ruizendaal (archief-medewerker).

Tot slot willen we er ook hier onze blijdschap over uitspreken dat we er in korte tijd in mochten slagen te voorzien in de vacature van secretaris-directeur door de benoeming van ds H. Bijlsma, die per 1 juli 1981 in onze dienst is getreden. Deputaten en medewerkers op het bureau verwachten veel van de samenwerking met hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 augustus 1981

Het Diakonaat | 90 Pagina's

1. Rapport van de Algemeen Diakonale Beleidsraad

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 augustus 1981

Het Diakonaat | 90 Pagina's

PDF Bekijken