Bekijk het origineel

Het jaar 1573

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het jaar 1573

10 minuten leestijd

Als een vlam was de opstand in 1572 opgelaaid in de Nederlanden. Vele steden hadden zich voor de Prins verklaard. Nog in hetzelfde jaar opende Alva zijn tegenoffensief: in het Zuiden vielen alle afgevallen steden wederom in zijn handen. In het Noorden werd bloedig afgerekend met Zutphen en Naarden. De ring rondom de haard van het verzet, de Hollandse en enkele Zeeuwse steden, temidden van slikken en moerassen, werd samengetrokken. Haarlem, de grootste doch tevens de zwakste stad tussen Noord en Zuid, werd belegerd. Alva's zoon. Don Frederik, overmoedig geworden door de snelle successen op zijn veldtocht, hield het beleg voor een kwestie van enkele V. eke:i. Het zou meer dan zeven maanden vergen. Zo liep zijn offensief vast in een verwoede strijd van burgers tegen de getrainde legers van Alva. Enkele namen zijn aan de onbekendheid ontrukt om tot symbool te dienen van Hollandse onverzettelijkheid: Kenau Symonz Hasselaar, Pieter 't Hoen. De Spanjaarden waren volkomen verrast door dit voor hen vreemde krijgsbedrijf. Alva verontschuldigde zich jegens de Koning dat het hier niet ging om een krijg tegen een vorst - dan zou hij allang zijn beslecht doch tegen een menigte die steeds talrijker werd. Via het Haarlemmer Meer werden grote voorraden proviand, oorlogstuig en soldaten de stad binnen gevoerd met schepen van uit Leiden. Toen het water tot ijs stolde joegen snelle sleden af en aan.

Gruwelijk zijn de wreedheden bij de ene partij die nog grotere wreedheden bij de andere partij opriepen. Uitvallen van de belegerden brachten dood en verderf bij de belegeraars, buit voor de belegerden, de bestormingen van de belegeraars hadden dezelfde uitwerking. Vreselijk waren de voortdurende bombardementen van de stad doch zij versterkten eerder het moreel dan dat zij militair iets uitrichtten. Don Frederik liet de moed zinken doch bleef vanwege de barse dreigementen van Alva.

Tenslotte werd de stad door versterkingen van schepen op het Meer, vanuit het verraderlijk Amsterdam aan de Spanjaarden geleverd, van aanvoer verstoken. Honger waarde rond de spookachtige stad, honden katten en ander „ongebruikelijk" gedierte, koeken van lijnzaad en hennepzaad, veehuiden strekten tot voedsel. Postduiven van de Prins brachten berichten over.

In wanhoop besloot de bezetting de stad te verlaten en te pogen zich met geweld een uitweg te banen dwars door de vijandelijke gelederen. Vrouwen en kinderen die niet achter wilden blijven, verhinderden de opzet doordat zij verward gillend zich mengden tussen de troepen. Toen rees het plan om met zijn allen door te breken. Een laatste wanhoopspoging van de Prins was geweest vrijwillige burgers uit de steden Delft, Gouda en Dordrecht onder de wapenen te roepen om de belegeraars aan te vallen. Tegelijkertijd zou vanuit de stad een uitval worden gedaan. Een der duiven met dit bericht viel in 's vijands hand. Het plan raislukte jammerlijk. De burgers vonden de dood bij het Manpad. Dit was geen „burgeren werk". Bor vermeldt als een laatste eerbewijs de namen der vele Delftse burgers met hun beroepen: medicijnmeesters, mandenmakers, timmerlieden, brouwers enz., die het leven hadden gelaten. Het offer der „kleine luiden".

Dan geeft de stad zich op genade en ongenade over. De prijs viel mee. De plundering kon worden afgekocht. Met name genoemde burgers zouden hun leidende rol in het heldhaftig verzet moeten boeten met hun hoofden. De Duitse soldaten kregen vrije aftocht, doch de Waalse soldaten zouden allen worden omgebracht. Omdat zij bij de vrije aftocht uit Bergen in Henegouwen hadden beloofd niet meer tegen de Koning te zullen strijden. Gruwelijke taferelen: Vijf beulen werden moe van het zwaaien der zwaarden. Honderden werd naakt naar een grote kuil geleid: een massagraf. Wie biechtte werd onthoofd; de anderen gehangen. De edelsten werden rug aan rug gebonden en in het Spaarne geworpen. De geuzenjonkers waaronder Wigbold Ripperda en van Lanceloot van Brederode, marcheerden onder psalmgezang hun dood tegemoet. Ook twee predikanten werden omgebracht. Bisschop Van Mierlo celebreerde wederom de Mis in de herwijde Sint-Bavokerk.

Hooft heeft het drama van het beleg en de ondergang van Haarlem verwoord in machtig proza. Men leze het.

Wil men de keerzijde van deze Hollandse grootheid kennen, men leze het verweerschrift van Lumey. Deze toch was te Delft gevat en naar het kasteel te Gouda gebracht. Vanwege zijn vele oorlogsmisdaden. De Staten van Holland stelden een lijst met vele beschuldigingen op zonder echter een bepaalde eis te stellen. Het was ook moeilijk om deze man die zich er op beriep „naast God" de oorzaak der bevrijding te zijn, te straffen. Hoe ergerlijk zijn optreden ook was geweest. Hij beschuldigt de vele regenten van dubbelhartigheid. Slechts noodgedwongen hebben zij zich tot de Prins gekeerd doch wachten slechts op een gunstig ogenblik om de vijand binnen te halen. Hij klaagt een der statenleden aan die tijdens de Statenvergadering te Dordrecht met de kas, voor zijn leger bestemd, zou zijn gevlucht. Hij waarschuwt tegen halfslachtig optreden. Merkt op dat er ook vele gruwelen zijn geschied in streken van Holland waar hij nooit is geweest zodat hij daarvan toch moeilijk de schuld kan dragen. Schrijft ook aan de Prins dat hij zich niet kan voorstellen dat deze ondankbaar zou zijn jegens hem. Ook Sonoy, beschuldigd van militaire fouten tijdens het beleg van Haarlem, verweert zich en beroept zich op des Prinsen dankbaarheid onder citering van een volksrijmpje:

,,'t Loon dat de Pocken ende Heeren geven, Is kreupel, lam, ofte uit 't Land verdreven." Overigens, Sonoy blijft in functie en Lumey laat men geruisloos gaan.

Schrik en ontsteltenis in het Noorderkwartier - Noord-Holland, dat nu naast Amsterdam ook Haarlem Spaans was geworden, afgesneden Vv^as van het Zuiden. Sonoy, gouverneur van het Noorden, en zijn Raad schrijven een brandbrief aan de Prins. Van uit Dordrecht schreef de Prins op 9 augustus 1573 zijn beroemde brief waarvoor ons volk hem eeuwig dank moge heten:

„Gy schrijft ons dat men u zoude laten weten of v/ij ook met eenigen groten machtigen Potentaet in vasten verbonden staen, om alsso door eenig treffelijk ontset die grote geweldige macht van den vyand te mogen wederstaen, waer wy niet laten en willen u lieden voor antwoorde te geven, dat al eer wy oit dese sake en de beschermenisse der Christenen en andere verdrukten in desen lande aengevangen hebben, wy metten alderoppersten Potentaet der Potentaten alsulken vasten verbond hebben gemaekt, dat wy geheel versekert sijn dat wy en alle de gene die vastelijk daer op betrouwen, door sijne geweldige en machtige hand ten lesten noch ontset sullen worden, spijt alle sijne en onse vyanden, sonder nochtans dat wy middelertijd eenige andere middelen, die ons de Heere der Heerscharen toegeschikt heeft, hebben of alsnoch willen laten voorby gaen".

De Duitse Keizer had de Prins Duitse landen beloofd indien hij zijn verzet zou opgeven. De Prins antwoordde dat hij niet voor zichzelf de strijd was begonnen, 's Prinsen brief krijgt er te meer achtergrond door.

Terstond na de val van Haarlem wordt Alkmaar bedreigd. De stad, weifelmoedig, bereidt zich op het beleg voor, weigert eerst Geuzentroepen in te nemen. De Geuzenkapiteins Ruychaver en Cabelliau snauwen de wankelmoedige burgemeesters toe dat er geen tijd meer is. Dat zij het moeten doen of nalaten.

Het is dan één burgemeester, Floris van Teylingen, die opstaat de andere heren achter laat en de Geuzentroepen binnenlaat. Ter verdediging van de stad wordt de aarde rondom verschroeid. De Abdij van Egmond, Hollands oudste en heerlijkste abdij, waar tien graven en vele gravinnen van Holland begraven liggen, werd met de grond gelijk gemaakt; de archieven gingen verloren zodat van de oudste geschiedenis van het Graafschap Holland niets meer bekend is.

Sonoy zegde de stad toe dat de zeedijken in West- Friesland zouden worden doorstoken. De stad bereid zich op een langdurig beleg voor. De Spanjaarden vrezen een herhaling van Haarlem, het graf der Spanjaarden, waar zij hun keurtroepen en de besten hunner aanvoerders hadden verloren, en breken na enkele bloedige bestormingen onverhoeds op: van Alkmaar begint de Victorie.

Het gehele jaar door had ook de strijd in de Zeeuwse wateren gewoed. Middelburg, nog steeds Spaans, werd steeds meer geïsoleerd. De Vlissingers zeilden zelfs tot voor Antwerpen en voerden daar gemeerde Spaanse schepen als buit weg. Een grote zeeslag in de Zeeuwse wateren besliste het uiteindelijke lot van het gewest. Met doodsverachting streden de Zeeuwen. Liever vlogen zij met vriend en vijand de lucht in dan zich over te geven. Middelburg zou het volgende jaar vallen. De moedige kapitein Worst, een Vlissinger schipper die zich in 1572 zodanig had onderscheiden dat hij admiraal werd, stierf midden in die strijd. De strijd was belangrijk omdat het lot van Antwerpen werd beslist door Zeeland.

De strijd om de heerschappij op de Zuiderzee, in 1572 begonnen tussen de ,,Watersteden" van het Noorderkwartier en het machtige Amsterdam, werd einde 1573 ten gunste van 's Prinsen vloot beslecht. De slag op de Zuiderzee, een gruwelijk treffen, werd gewonnen. Bossu, de stadhouder van Koning Philips, werd gevangen genomen. Bij Maassluis daarentegen werd Marnix van Sint-Aldegonde gevangen genomen door de Spaanse troepen. Fraaie gevels aan het Hoornse Hop houden de herinnering aan het wapenfeit op de Zuiderzee levend.

Merkwaardig schriftuur zonden de Staten van Holland aan de Staten-Generaal die door Alva bijeengeroepen werden. De Hollandse Staten v/ijzen op de verantwoordelijkheid der Generale Staten. Alleen dank zij de steun die Alva van zovele Nederlanders krijgt kan hij zich staande houden. Zodat die Nederlanders de oorzaak zijn van de rampspoeden die Alva over de Nederlanden brengt.

,,Hoe is nu dat arme Nederland so seer veraert en verbastaert? waer is het edel gemoed van onse vromen voor-vaderen? die nooit en hebben willen gedogen, dat eenige vremde natiën heerschappie hier in 't land souden voeren, ja enige officie noch staten bedienen". In een magistraal betoog sommen zij de vele rampen op die over het land zijn gebracht en wijzen op de verantwoordelijkheid der collaborerende Nederlanders.

Ook aan de Koning wordt door de Prins en de Staten van Holland een smeekschrift aangebodeii waarin Alva's misdaden worden opgesomd: „Maer dat willen wy voor alle de wereld gerrne bekent staen, dat wy de wapenen hebben aangetrocken en de selve gevoert, als wy noch van noods wegen doen moeten, tegen de tyrannie en misbruiken des Hertogen van Alva en sijnes aenhanks, om ons, onse vrouwen en kinderen, ons goed en ons bloed, van sijne en sijner dienaers bloeddorstige handen te verlossen, of so hy ons te machtig valt, liever eenen eerlijken dood te sterven, en eenen loffelijken roem onsen navolgeren achter te laten, dan dat wy onse hals onder eenen alsulken tyran souden buigen, en onse lieve Vaderland in eenen alsulke schendige slavernye iaten komen".

In de herfst van 1573 verschijnen troepen vooi Leiden. Het zijn de voorboden voor het naderende beleg. Doch dat zal in 1574 zijn beslag krijgen. Op 2 december 1573 vertrekt Alva met zijn zoon Don Frederik voorgoed uit Brussel, Hij wordt vervangen door een der eerste Groten van Philips' Spaanse Hof, de Groot Commandeur van Castilië Don Louis de Requesens en Cuninga. Vier honderd jaar na zijn vertrek leeft Alva's naam nog voort als een vloek.

Zo eindigde het jaar 1573. Het was een jaar geweest van polarisatie. De extremen zijn Lumey en Alva; beiden zijn zij in dit jaar van het toneel verdwenen; de Prins bleef. In zijn voormelde brief had hij de rechtsgrond voor de voortzetting van de krijg neergelegd. Welke andere staat Kan zich beroepen op een betere rechtsgrond?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Protestants Nederland | 8 Pagina's

Het jaar 1573

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Protestants Nederland | 8 Pagina's

PDF Bekijken