Bekijk het origineel

Gemengde huwelijkssluiting en een verklaring, die geen klaarheid bracht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gemengde huwelijkssluiting en een verklaring, die geen klaarheid bracht

7 minuten leestijd

Nu het huwelijk van prinses Christina en de heer Guillermo heeft plaats gehad, kunnen wij, in aansluiting aan het artikel „Gemengde huwelijkssluiting" in het juni/juli-nummer van dit blad, constateren, dat er in de Domkerk een canoniek huwelijk gesloten is. Aan de essentiële vereisten voor de geldigheid van een canoniek huwelijk werd voldaan: te midden van meer dan voldoende getuigen stelde een bevoegd R.K. priester de vragen aan het bruidspaar en aanvaardde de antwoorden. Het is begrijpelijk, ja vanzelfsprekend, dat een familie, afkomstig uit Cuba, dat vier eeuwen onder Spaanse heerschappij heeft gestaan, prijs stelde op een in canonieke vorm gesloten huwelijk.

In 1969 is een nieuwe „Orde voor de huwelijkssluiting" („Ordo celebrandi matrimonium") opgesteld door de Heilige Congregatie van de Riten en op pauselijk gezag uitgevaardigd. De nummers 39-54 hiervan bevatten de ritus voor een huwelijk tussen een R.K. en een gedoopte niet-R.K. partij. Ten aanzien van de betuiging van wederzijdse wilsovereenstemming laat de „Ordo" aan de priester de keuze tussen twee mogelijkheden. De priester kan bruidegom en bruid uitnodigen elk in een vrij lange formule te verklaren, de ander resp. als vrouw of als man te aanvaarden en te beloven de ander trouw te blijven onder alle omstandigheden en lief te hebben en te eren gedurende alle dagen van zijn of haar leven. Of de priester kan uit pastorale overwegingen deze verklaring en beloften in vragende vorm aan de huwenden voorleggen, die dan elk alleen maar te antwoorden hebben: ja ik wil. („volo"). In TROUW/KWARTET van 2 juni 1975 staat een uitvoerig interview met pater Bot, die uiteenzette hoe de dienst in de Domkerk zou verlopen. Alles wat in die trouwdienst gebeurt heeft een diepere achtergrond, aldus pater Bot. Zelf zou hij de eigenlijke inzegening op zich nemen. Kennelijk bedoelde hij, dat de eigenlijke canonieke huwelijkssluiting ten overstaan van hem zou geschieden; hij zei dit namelijk, toen hij het over de huwelijksvragen had. Maar misschien vond hij het te moeilijk dit alles uit te leggen aan een publiek, dat verondersteld wordt niets van het canonieke recht te weten. De tekst van de vragen was in detail besproken, zo deelde pater Bot in het interview mede:

„Ik merkte dat de prinses en Jorge dat niet als een bijkomstig onderdeel van het trouwen zien maar als een heel belangrijk iets, waarbij zij geen dingen willen zeggen of beloven, waar zij niet achter kunnen staan. Het zijn twee jonge mensen die deze grote dag in hun leven godsdienstig willen beleven.".... „Die inzegening zal in het Engels plaatsvinden. Het bruidspaar gaat ook in het Engels antwoorden.... Het bruidspaar zal alleen met ja antwoorden en geen uitgebreide huwelijksbeloften nazeggen. '"Wij zijn die dag natuurlijk een beetje zenuwachtig. Laten we het daarom maar zo eenvoudig mogelijk houden', vond prinses Christina.".... „De huwelijksdienst zal verlopen volgens de regeling die enige jaren geleden voor gemengde huwelijken tussen de rooms-katholieke en hervormde kerk is getroffen. Wij wijken daar in geen enkel opzicht van af. Niemand zal later kunnen zeggen dat er speciaal ten gerieve van dit bruidspaar extra rooms-katholieke elementen in de dienst zijn aangebracht........''

Pater Bot doelde hier op de „Gemeenschappelijke Verklaring over het kerkelijk-gemengd huwelijk", uitgegaan van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch- Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland anderzijds, gedateerd 8 mei 1971. De Verklaring werd uitgegeven met het oog op de roepiing der Kerken, haar leden ook in deze pastoraal te begeleiden. In deze Verklaring nu ligt de bron van de spraakverwarring in de pers, waar voortdurend gesproken wordt van huwelijksinzegening, ook als men het heeft over het sluiten van een canoniek huwelijk. Uit de tekst zelf is absoluut niet op te maken, wanneer bedoeld is de kerkelijke bevestiging van een als geldig erkend burgerlijk huwelijk en wanneer de sluiting van een canoniek huwelijk. Deze term wordt zelfs niet genoemd. De laatste alinea van no. 7 luidt:

„De Kerk, die het huwelijk inzegent, zal bereid zijn, de predikant of priester van de andere betrokken Kerk uit te nodigen, bij de dienst aanwezig te zijn en na overleg op verantwoorde wijze hieraan deel te nemen."

En de laatste zin van no. 8:

„De orde van dienst en het formulier, die in de dienst gebruikt worden, zullen als regel zijn van de Kerk, waarin het huwelijk wordt ingezegend."

Alleen meer gevorderden in het canonieke recht, zoals de trouwe lezers van „Protestants Nederland", begrijpen wat hier bedoeld wordt. De orde van dienst, vastgesteld door een Protestantse Kerk, kan op twee manieren functioneren. Als de predikant de vragen stelt, wordt een als geldig erkend burgerlijk huwelijk kerkelijk bevestigd. Als de R.K. priester precies dezelfde vragen stelt, wordt er ten overstaan van hem een canoniek huwelijk gesloten.

De vraag rijst: waarom staat dat er niet bij? De Verklaring was toch bedoeld om klaarheid te brengen, gezien de spraakverwarring, die in de zestiger jaren ontstaan was door wat men oecumenische huwelijken noemde. Kerkrechtelijk bestaan er evenwel geen oecumenische huwelijken. Het waren canonieke huwelijken, waarbij een predikant een ondergeschikte rol mocht vervullen. Niettemin werd er een ophef'van gemaakt, alsof het een belangrijke ontwikkeling in het leven van de Kerken betekende. Een foto van een bruidspaar in Drachten, geknield liggend voor een pater en een predikant, die met opgeheven arm in duet de zegen uitspraken, bracht het zelfs tot een plaats in een vitrine in het museum voor de geschiedenis van de godsdienst in Leningrad. (Bij zijn Motu Proprio van 31 maart 1970 heeft Paulus VI zulk gezamenlijk celebreren inmiddels verboden.) Bij een predikant, die in 1966 bij zo'n „oecumenisch" huwelijk betrokken was, werd eens geïnformeerd naar het al of niet afleggen van verklaringen en beloften ten overstaan van een R.K. priester. De predikanjt gaf de vragen door aan de betreffende pater. Diens reactie was, dat het beter was niet op de vragen te antwoorden, omdat men in een pastorale zeer gevoelige overgangssituatie verkeerde (n.1. tussen het stelling nemen van het Concilie voor gewetensvrijheid en de moeizame aanpassing van het kerkelijk recht). Het belang van de velen, die in deze overgangssituatie reeds tot een gemengd huwelijk kwamen, mocht geen gevaar lopen. Zo goed werd voor hun belang gezorgd, dat het kon voorkomen, dat zij na afloop van de plechtigheid tot hun verbazing in het trouwboekje lazen, een canoniek huwelijk gesloten te hebben. Het is te betreuren, dat de aan predikanten gezonden Verklaring van 8 mei 1971 niet duidelijker is. De Toelichting van de Nederlandse bisschoppen d.d. 10 november 1970 (die betrekking had op een eerdere tekst van de Verklaring) en het Motu Proprio van 31 maart 1970 hebben vele predikanten niet ontvangen. Misschien heeft men gedacht: sinds de bisschoppen op grond van het Motu Proprio dispensatie van de canonieke vorm van huwelijkssluiting kunnen geven, maakt het weinig verschil of er in de kerk een canoniek huwelijk gesloten wordt, dan wel een als geldig erkend burgerlijk huwelijk wordt bevestigd. In beide gevallen is het huwelijk aan het canonieke recht onderworpen. Zo'n huwelijk kan door de Heilige Rota (rechtbank in Rome) nietig verklaard worden op gronden, die ons Burgerlijk Wetboek niet kent. Voor de R.K. Kerk gelden de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek niet. Beslissend is, of er dispensatie van de canonieke vorm van huwelijkssluiting is verleend. Een gemengd huwelijk, dat alleen burgerlijk gesloten wordt zonder dispensatie, is voor de R.K. Kerk ongeldig. Zij beschouwt de aldus gehuwden als in concubinaat levenden. De R.K. partij kan niet tot de sacramenten worden toegelaten, maar kan gemakkelijk van zijn bisschop een ongeldigheidsverklaring verkrijgen en dan canoniek met een ander trouwen. Ook is „herstel in de wortel" van het huwelijk mogelijk, maar dan moet er geen bezwaar gemaakt worden tegen doop en R.K. opvoeding van de kinderen. Bij dit alles rijst de vraag: is de niet-R.K. partij altijd voldoende op de hoogte met de consequenties van een gemengd huwelijk?


18 augustus 1975,
de vierhonderdderde verjaardag van het eerste canonieke gemengde huwelijke in de geschiedenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1975

Protestants Nederland | 8 Pagina's

Gemengde huwelijkssluiting en een verklaring, die geen klaarheid bracht

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1975

Protestants Nederland | 8 Pagina's

PDF Bekijken