Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Calvijn over het avondmaal (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Calvijn over het avondmaal (1)

11 minuten leestijd

Het zal op 10 juli 2009 Deo volente 500 jaar geleden zijn dat Jean Cauvin in het Noord-Franse Noyon werd geboren. De voorbereidingen voor de viering daarvan zijn wereldwijd in volle gang. Vooruitlopend op de vele congressen en publicaties die op stapel staan wil Protestants Nederland aandacht geven aan een belangwekkend en soms misverstaan onderdeel van Calvijns denken: de visie van de reformator op het sacrament van het Heilig Avondmaal. Calvijn raakte daarover zijn leven lang niet uitgedacht en maakte daarin een ontwikkeling door. Wat is nu precies kenmerkend voor hem? In dit eerste arikel trekken we een hoofdlijn vanuit de middeleeuwen.

De avondmaalsleer vormt niet een willekeurig hoofdstuk in Calvijns theologie. Integendeel, we raken met dit onderwerp aan de kern van zijn opvattingen. Dat geldt niet alleen de Geneefse reformator, maar alle belangrijke protestantse en katholieke theologen uit de zestiende eeuw. In hun sacramentstheologie kwamen de hoofdlijnen van hun denken samen, als in een prisma of kristallisatiepunt. Juist in dit hart van de theologie probeerde men dan ook overeenstemming met elkaar te bereiken. En juist de eucharistie of het avondmaal vormde doorgaans het breekpunt waarop katholieken en protestanten hun wegen zagen scheiden. Ook bij Calvijn houdt de visie op het avondmaal rechtstreeks verband met bijvoorbeeld de godsleer, de christologie (de leer over Christus), de pneumatologie (de leer over de heilige Geest) en de ekklesiologie (de leer over de kerk).

Godsleer en christologie
Om te beginnen met de leer over God. Ligt daarin het accent op Gods transcendentie (zijn overstijging van het aardse), op zijn immanentie (zijn inwoning in de wereld), of op beide en is Hij daarom in het sacrament tegelijk aanwezig en afwezig? Geeft Hij zichzelf ons daar in handen terwijl Hij tegelijk zich aan elke menselijke greep onttrekt? Ook met betrekking tot de christologie vielen in de avondmaalsleer belangrijke beslissingen. Was Christus alleen naar zijn goddelijke of ook naar zijn menselijke natuur in brood en wijn aanwezig (aldus veel lutheranen), of als God-menselijke persoon (zo Luthers naaste collega Philippus Melanchthon)? Bleef Calvijn met zijn belijdenis dat Christus’ lichaam of mensheid in de hemel verblijft maar dat Hij met zijn Geest of godheid in brood en wijn tegenwoordig is wel trouw aan de beslissing van het Concilie van Chalcedon uit het jaar 451? Dat stelde dat de twee naturen van Christus “ongescheiden en onverdeeld persoonlijk verenigd zijn, zonder vermenging of verandering”. Of beschuldigden lutheranen Calvijn terecht van het door Chalcedon veroordeelde nestorianisme, van het scheiden van beide naturen? In gereformeerde ogen kon de lutheranen op hun beurt het tegenovergestelde verweten worden, namelijk een neiging tot monofysitisme (monos = enig, alleen; fysis = natuur): vermengden zij de beide naturen niet tot één godmenselijke natuur, waardoor Christus ook met zijn mensheid in brood en wijn aanwezig werd geacht?

Pneumatologie en ekklesiologie
Niet alleen de godsleer en de christologie, maar ook de pneumatologie was in de avondmaalsleer in het geding. Impliceerde Christus’ aanwezigheid in het sacrament “door de Heilige Geest” zijn waarachtige tegenwoordigheid (zo Calvijn) òf verstond men de Heilige Geest ten diepste niet in bijbelspneumatologische maar in humanistisch-spiritualistische zin en verwees “geest” in feite naar de menselijke activiteit van het geestelijke gedenken van de afwezige Christus (zo Zwingli)? In de ekklesiologie of leer over de kerk hield de avondmaalsleer verband met vragen als: heeft de viering van de maaltijd een louter horizontale dimensie, dat wil zeggen, gaat zij op in een gemeenschapsbeleving tussen de avondmaalsgangers onderling, en creëert zij een kring van gelijkgezinden (zo de Dopers en ook Zwingli), òf heeft de viering tegelijk ook een verticale dimensie: namelijk die van een gemeenschap tussen de vierende gemeente en haar Hoofd, Christus en constitueert zich rond de tafel niets minder dan het lichaam van Christus, zijn gemeente (zo Martin Bucer en zijn leerling Calvijn)?

In bredere context
Met ons onderwerp doen we dus een greep naar de kern van Calvijns theologie. Daar komt nog iets bij. Theologie was in de zestiende eeuw niet maar een kwestie van overtuiging of geloof, theologie had te maken met identiteit. Ook avondmaalstheologie. Als wij een zestiende-eeuwer naar zijn sacramentsvisie zouden kunnen vragen, dan zou hij ons met zijn antwoord niet minder dan zijn theologische ID, zijn identiteitskaart tonen. Om het eigene van Calvijns avondmaalsleer in het vizier te krijgen is het daarom nodig, deze eerst te plaatsen in de bredere context van het katholiek-protestantse en vooral het intern-protestantse debat van zijn dagen. Als reformator van de tweede generatie ontwikkelde Calvijn zijn denken namelijk vooral in antwoord op en als middenweg tussen de lutherse en Zwitsers-gereformeerde discussies uit de jaren 1520. Welke standpunten trof Calvijn precies aan? In deze eerste aflevering schets ik daartoe allereerst een hoofdlijn vanuit de middeleeuwen. In het volgende nummer van Protestants Nederland signaleren we Calvijns positie tegenover enkele hoofdmomenten uit het reformatorische belijden. Deze aanpak betekent, dat we voorlopig Calvijn benaderen vanuit posities die anderen in zijn dagen innamen. In de derde aflevering analyseren we enkele representatieve avondmaalsteksten van Calvijn zelf: wat was nu typerend voor Calvijns eigen opvatting? In de vierde en laatste aflevering kijken we kort naar de ontwikkeling die hij in zijn avondmaalsdenken doormaakte en geef ik een beknopte systematisch-synthetische beschrijving van zijn avondmaalsleer. Ter afsluiting ga ik nog in op de specifieke vraag of er aan Calvijn een advies is te ontlenen inzake de vraag naar een gesloten of open avondmaalsviering.

Een middeleeuws dilemma: immanent of transcendent
Een centrale problematiek waarmee elke middeleeuwse theoloog of filosoof zich zag geconfronteerd was die van Gods transcendentie en immanentie. Oversteeg God de menselijke werkelijkheid of was Hij in zijn schepping present en viel Hij daar te vinden? Die vraag werd vanzelf toegespitst op de kerk als de traditionele vertegenwoordigster van God in de wereld, of, theologisch gezegd, op de kerk en haar sacramenten als genademiddelen. Transcendeerde God deze middelen of was Hij daarin voluit present? Ruwweg twee posities werden in deze kwestie ingenomen. De Dominicaan Thomas van Aquino (1224 of 1225-1274), die zijn stempel zou zetten op de theologie van het Concilie van Trente (1545- 1563), benadrukte de immanentie. Doorvertaald naar de sacramenten betekende dit, dat deze naar zijn inzicht Gods genade bevatten. De Franciscaan Johannes Duns Scotus (1265 of 1266-1308) benadrukte dar tegenover de transcendentie en stelde: de sacramenten begeleiden de genade – dat wil zeggen, de genade wordt wel door de sacramenten geschonken, maar zij valt er niet mee samen en is ook buiten de sacramenten voorhanden.

De stellingname van Luther
De zestiende-eeuwse hervormers gingen in hun studie allen door deze problematiek heen, kozen daarin positie en stempelden daarmee de respectievelijke hoofdstromen binnen de protestantse reformatie die later naar hen genoemd zouden worden. Luther (1483-1546) was bepaald geen vriend van Duns Scotus en onderstreepte met Thomas Gods immanentie: voor de genade moest je bij de genademiddelen van Woord en sacrament zijn. Om de troost van Gods aanwezigheid (die Luther in het klooster zo gemist had) niet kwijt te raken wilden Luther en zijn volgelingen Christus wel “in het vlees trekken” (ins Fleisch ziehen), Hem “met de tong voelen” en “tasten”. Zozeer zelfs, dat zij termen gingen gebruiken als Christus’ reële, substantiële, vleselijke of ruimtelijke tegenwoordigheid, zijn insluiting in brood en wijn (localis inclusio) of impanatie (impanatio, letterlijk “inbrood- ing”). Theologisch leidde dat tot de leerstukken van consubstantiatie en lichamelijke alomtegenwoordigheid. In onderscheid van de transsubstantiatieleer van het Vierde Lateraanse Concilie van 1215 erkende de lutherse consubstantiatieleer dat brood en wijn hun oorspronkelijke substantie (van water, meel, druivensap) behielden ook al waren zij intussen dragers van de waarachtige tegenwoordigheid (praesentia realis) van Christus’ lichaam en bloed in (in), met (cum) en onder (sub) hun substantie. De lichamelijke ubiquiteit – de alomtegenwoordigheid van Christus’ menselijke lichaam gelijktijdig op alle avondmaalstafels over heel de wereld – was de logische christologische konsekwentie van deze leer van reële presentie: als Christus met zijn lichaam in het brood aanwezig is, moet zijn lichaam net als zijn godheid dus alomtegenwoordig zijn. Al waren het vooral Luthers volgelingen (voorop Johannes Brenz) die deze conclusie trokken en de sacramentschristologie in deze zin uitwerkten. Voor Luther was Christus’ reële tegenwoordigheid in het sacrament nog eenvoudigweg gebaseerd op de instellingswoorden uit Mattheus 26 vers 26: “Neemt, eet, dit is Mijn lichaam”. “Dominus dixit”, zei Luther graag: “De Heer heeft het [zelf] gezegd”. En daarmee uit.

Zwingli’s positie
De Zwitserse hervormer Huldrych Zwingli (1484-1531) nam een radicaal tegengesteld standpunt in. Zwingli stond in de traditie van het neoplatoons-augustinianisme en het humanisme, bewegingen waarin men aan de dingen een lagere zichtbare “buitenkant” en een hogere of meer waardevolle onzichtbare “binnenkant” onderscheidde. Zwingli benadrukte de transcendentie (het onzichtbare, het wezenlijke, “waar het om ging”).

Voor hem was aan de avondmaalstafel eerder sprake van Christus’ reële absentie dan reële presentie. Het woordje est uit de inzettingswoorden (“Dit is Mijn lichaam”) vatte hij op als significat: “Dit betekent Mijn lichaam”. Volgens deze zogenaamde significatieve opvatting ontving de avondmaalsganger in zijn mond niets anders dan brood en wijn; met zijn geloof herdacht hij het offer dat Christus – nu aan Gods rechterhand – ooit op Golgotha had volbracht.

Het avondmaal was voor Zwingli dan ook achtereenvolgens (1) een herinneringsmaaltijd (Gedächtnismahl), (2) een betoning van onderlinge broederlijke gemeenschap (Gemeinschaftsmahl in horizontale zin: communio sanctorum, gemeenschap der heiligen), en (3) een belofte of eed van trouw en toebehoren aan Christus (belijdenis- en verplichtingsmaaltijd). Voor het laatste aspect gebruikte Zwingli het fraaie woord Pflichtzeichen, letterlijk: plicht-teken. Het Pflichtzeichen was de eed die de Zwitserse huursoldaat, die jaarlijks in wisselende krijgsdienst was, aflegde op het vendel van de krijgsheer die hem had ingehuurd, als belofte van trouw om in zíjn dienst te strijden en niet in die van de vijand. Zo zag Zwingli de avondmaalsviering graag: als distinctivum of teken waarmee de avondmaalsgangers zich van de wereld onderscheidden en zich tot de dienst van Christus committeerden. Theologisch gezegd gingen bij Zwingli de commemoratieve (= herinnerings-) aspecten van het sacrament voorop; daarna kwamen de ekklesiologische en tot slot de ethische aspecten ervan. Let wel, bij Zwingli ontbrak aan het avondmaal het aspect van het geschenk. De viering was een actie van beneden, niet van bovenaf: gemeenschap met Christus schonk het niet.

Martin Bucer
De Straatsburgse hervormer Martin Bucer (1491-1551) – hij oefende een beslissende invloed op Calvijn uit – initieerde de koninklijke middenweg tussen de zojuist geschetse posities die men in Wittenberg en Zürich innam. Wij kennen die middenweg als de gereformeerde. Bucer onderging in zijn ontwikkeling wisselende invloeden en wist deze harmonisch met elkaar te verbinden. Hij begon als thomist (immanentie) in het klooster in zijn geboorteplaats in de Elzas, werd Martiniaan (volgeling van Martin Luther) na het bijwonen van Luthers Heidelbergse Disputatie in 1518 (immanentie), ontwikkelde zich daarna tot Erasmiaan en Zwingliaan (transcendentie), om vervolgens tot de synthese te komen dat Christus reëel in het sacrament aanwezig is en geschonken wordt, maar “op de manier van de heilige Geest” (modo Spiritus sancti). Dat wil zeggen, spiritueel of geestelijk met een hoofdletter, heilige-Geestelijk, beter gezegd pneumatologisch: reëel, wis en waarachtig was Christus aanwezig, maar niet lichamelijk of vleselijk. Deze dialectiek van reëel en Geestelijk zou Bucer tot – overigens vergeefse – bruggenbouwer tussen Luther en Zwingli’s opvolger Heinrich Bullinger (1504-1575) maken.

Calvijn, de Dopers en Trente
De tweepoligheid in Bucers opvatting zou ook die van Calvijn kenmerken, al onderging de laatste anders dan Bucer blijvend de invloed van een oplevend scotisme (transcendentie). Ook Calvijn benadrukte het geschenk-karakter van het sacrament, de gemeenschap met de waarachtige Heer. Of, in sacramentstheologische termen, hij onderstreepte enerzijds het gevoed worden met Zijn lichaam, het deelhebben aan de substantie van Zijn lichaam en bloed, en anderzijds de rol van de Heilige Geest als de Auteur van deze sacramentele gemeenschap, een auteur die de afstand tussen Christus’ lichaam aan Gods rechterhand in de hemel en de vierende gemeente op aarde overbrugt. Met hun dualistische geringschatting van uiterlijkheden als kerk, bijbel, sacramenten en ceremoniën beleden de Dopers het spiritualisme nog radicaler dan Zwingli. Bij hen was het commemoratieve, communale (gemeenschaps-) en ethische aspect allesbeheersend. Het Trentse Concilie (1545- 1563) beleed voluit de thomistische visie en bevestigde het leerbesluit over de transsubstantiatie van het Vierde Lateranum van 1215 (zie boven). Binnen dit zojuist geschetste algemene spectrum wil ik in de volgende aflevering ingaan op enkele hoofdmomenten uit het protestantse belijden over het avondmaal. Het zal ons helpen om Calvijns positie binnen het geheel van de reformatorische zestiende-eeuwse sacramentstheologie nader te preciseren.



Op verzoek van de redactie bewerkte prof. dr. Wim Janse, hoogleraar kerkgeschiedenis en decaan aan de Vrije Universiteit, het college dat hij hierover gaf tijdens het Tiende Aziatische Congres voor Calvijnonderzoek in augustus 2007 in Tokio (Japan).

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2008

Protestants Nederland | 36 Pagina's

Calvijn over het avondmaal (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 2008

Protestants Nederland | 36 Pagina's

PDF Bekijken