Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De strijd om de augustiniaanse genadeleer

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De strijd om de augustiniaanse genadeleer

Augustinus: De grootste kerkvader van het Westen (4)

17 minuten leestijd

Augustinus geldt als de grootste kerkvader van het Westen. Hij leefde ruim voor het schisma van Rome en Reformatie. Evenwel, beide geloofsrichtingen beroepen zich op hem. In hoeverre is het beroep van Rome én Reformatie op Augustinus terecht? In vijf artikelen willen we de verhouding tussen Augustinus en de Reformatie behandelen. Daarbij staan we ook stil bij de doorwerking van Augustinus in de Rooms-Katholieke Kerk en de visie van Rome op de vrije wil, de (erf)zonde en de genade. In dit vierde artikel: De strijd om de augustiniaanse genadeleer: Baius, Jansenius en Pascal

Gedurende de Middeleeuwen werd een andere visie gangbaar ten aanzien van de verhouding tussen natuur en genade. Beide terreinen werden min of meer verzelfstandigd als een soort onder- en bovenbouw. Door de toegenomen scheiding tussen natuur en genade rees echter in de moderne tijd het probleem om beide werkelijkheden met elkaar te verzoenen. In dat klimaat deed zich een nieuwe strijd voor, namelijk tussen de vertegenwoordigers van de jezuïetische en de augustiniaanse genadeleer. De eerste richting benadrukte de vrije wil en keerde zich tegen de alleenwerkzaamheid van de goddelijke genade. Hun woordvoerder was Lodewijk de Molina, die in 1588 een boek publiceerde over de vrije wil. Zijn standpunt leidde tot de richting van het molinisme waarin de verenigbaarheid van de alwerkzaamheid van Gods genade met de vrije wil verklaard wordt vanuit de voorwetenschap van God en de menselijke wil verbonden wordt met de goddelijke “concursus generalis”. Weliswaar schenkt de genade het vermogen tot het bovennatuurlijke, maar de wil werkt de beslissing uit in de mens. De Molina leerde een volstrekte gelijkwaardigheid van goddelijke genade en vrije wil en stelde dat de mens krachtens zijn vrije wil tot het geloof kan besluiten. Er was hier sprake van een zeer optimistische visie op de menselijke natuur. Tegenover deze opvattingen verhieven zich verklaarde voorstanders van de augustiniaanse genadeleer in de personen van Michaël Baius (1513- 1589) en Cornelius Jansenius (1585-1638), bisschop van Ieperen en hoogleraar in Leuven.

Natuurlijke toestand
Baius interpreteerde volgens Wortelboer de geschriften van Augustinus zodanig dat hij stelde dat de toestand van de mens vóór de zondeval uitsluitend natuurlijk was en dat door de zondeval de menselijke vrije wil alleen in staat is tot de zonde. De verlossing door Jezus Christus betekende louter het herstel van de natuurlijke toestand van de mens van vóór de zondeval en van het natuurlijk recht van de mens op het eeuwige heil, waarvoor hij is geschapen. Met andere woorden, dit herstel was in wezen geen bovennatuurlijke begenadiging.1 Baius stelde dat de wil van de zondaar onvrij is tot het goede. Alleen de kracht van de genezende Geest vermag het goede in de mens werken, maar dat geschiedt niet zonder ons, zonder “cooperantibus nobis”. Heidt vindt echter dat Baius Augustinus te eenzijdig interpreteerde.2 “Bovendien maakte hij de fout de leer van Augustinus geheel te vereenzelvigen met de leer van de kerk, terwijl de kerk zich in feite meermalen van Augustinus heeft gedistantieerd.” Veelzeggende woorden die laten zien dat Augustinus niet (meer) de onbetwistbare autoriteit binnen de kerk van Rome was! Paus Pius V veroordeelde in 1567 maar liefst 79 “dwalingen” van Baius, waaronder enkele typisch augustiniaanse stellingen, zoals: de vrije wil kan zonder de bijstand van de goddelijke genade alleen maar zondigen (stelling 27) en alles wat een zondaar doet, is enkel zonde (stelling 35). Het is volgens Seeberg tekenend dat Baius leerstellingen van Augustinus naar voren bracht die tot Trente in grote lijnen acceptabel waren geweest en die nu ineens als bedenkelijk werden gezien. Het is volgens hem symptomatisch voor een nieuwe geest dat enkele typisch augustiniaanse gedachten niet meer geaccepteerd werden.3

Rechtvaardiging
Overigens was Baius niet alleen een tegenstander van het jezuïetische denken maar ook van de Reformatie, met name van Calvijn. Zijn bezwaar gold vooral de verhouding tussen geloof en werken op het punt van de rechtvaardiging. De rechtvaardige leeft uit het geloof, maar het geloof wordt volgens Baius voltooid door de werken. Die voltooiing ziet Baius in de volledige gehoorzaamheid aan Gods wet. Cruciaal verschilpunt met de Reformatie is ook Baius’ leer van de verdienste. God geeft volgens Baius aan de mens ook de vrijheid om Zijn uitnodiging te aanvaarden en zelf over zijn lot te beslissen door verdienste of onverdienste. De opvattingen van Baius werkten door bij genoemde bisschop Jansenius. Deze schreef zijn befaamde werk Augustinus (postuum gepubliceerd), waarin Augustinus als een soort redder van de tijd ten tonele werd gevoerd.4 Van hem zegt de traditie dat hij meer dan dertig maal de geschriften van Augustinus tegen de pelagianen las en zo inspiratie vond voor het bovengenoemde werk. Jansenius wil daarin een getrouwe weergave van de augustijnse genadeleer geven. De overwinning van Augustinus op het pelagianisme zag Jansenius als een overwinning die elke tijd weer opnieuw bevochten moest worden. Jansenius nam van Baius de anti-protestantse polemiek over, gecombineerd met een anti-scholastische en anti-molinistische invalshoek. Hij bewandelde een middenweg tussen Calvijn en wat hij zag als het neo-pelagianisme. Jansenius’ stelling is dat door de zondeval de menselijke natuur door en door ziek is en uit eigen kracht nooit zijn genezing kan bewerkstelligen. Zonder de verlossing door Jezus Christus wordt de menselijke natuur als gevolg van de erfzonde beheerst door begeerte van het kwaad en heeft de mens verstandelijk geen kennis meer van het goede.

Innerlijke drang
Hij zondigt uit innerlijke drang maar toch vrijwillig, omdat hij er niet toe wordt gedwongen. Naar de mate van de mededeling van de genade wordt hij bewogen tot het goede. Maar niet ieder mens ontvangt voldoende genade om vrijwillig het goede te doen. Ook is Christus niet voor alle mensen gestorven. De leer van het (semi)pelagianisme werkte volgens Jansenius in de jezuïetische leer in ergere vorm door dan in de tijd van Augustinus. Des te ongehoorder was het volgens de Vlaamse bisschop dat Augustinus door De Molina en anderen van overdrijving werd beschuldigd. Jansenius onderschreef duidelijk de augustiniaanse genadeleer. De mens kan na de zondevol, zonder genade, alleen maar zondigen. De mens is door de erfzonde (peccatum originale) zo aangetast dat hij niet slechts een gratia habitualis of gratia sufficiens nodig heeft (om de vrije wil op te wekken de genade aan te nemen), maar een gratia actualis of gratia efficax, die de mens ook daadwerkelijk vernieuwt en geneest. Tegelijkertijd stelde Jansenius dat de genade, verstaan in de augustiniaanse zin, de vrijheid niet opheft. Hij neemt zijn uitgangspunt in de gedachte dat de wil als wil handelt en altijd vrij is in haar zelfbepaling, of het nu tot het goede of tot het kwade is. Onder de invloed van de genade kiest de mens het goede, maar de mens beslist zelf en wordt niet als een zielloos ding bewogen iets al of niet te doen.

Verheuging
Willen staat tegenover dwang (coactio). Jansenius stelde dat de goddelijke inwerking op de wil een onzegbare liefde en geestelijk genot geeft. Het is door deze verheuging (delectatio) dat de menselijke wil innerlijk wordt bewogen en God lief gaat krijgen. De opvattingen van Jansenius werden niet geaccepteerd in de Rooms-katholieke Kerk. Paus Innocentius X veroordeelde in 1653 de volgende vijf stellingen van Jansenius’ boek over Augustinus: 1. Sommige goddelijke geboden zijn door de met de erfzonde belaste mens niet te volbrengen; 2. Innerlijke dwang tast de vrije wil niet aan, uiterlijke dwang wel; 3. In de gevallen menselijke natuur is er geen innerlijke weerstand tegen de genade; 4. In het ontkennen daarvan zouden de semi-pelagianen ketters zijn; 5. Dat Christus voor alle mensen is gestorven, is een semi-pelagianistische onjuistheid. Met name de leer van de verkiezing zoals geformuleerd door Augustinus riep veel weerstand in de Rooms-katholieke Kerk op. De gedachten van Jansenius over het feit dat Christus niet voor allen is gestorven en dat de niet-gelovigen voor de eeuwige duisternis zijn bestemd, is ongetwijfeld augustijns, stelt Heidt, “maar door de kerk nooit ten volle aanvaard. Inderdaad, huldigt Jansenius, in navolging van Augustinus, op dit punt een rigoristische opvatting, die tot pessimisme of fatalisme zou kunnen leiden.”5 Overigens wil het hoofdwerk van Jansenius niet slechts de leer van Augustinus uiteenzetten, het wil ook de continuïteit met de rooms-katholieke traditie onderstrepen. In zoverre blijven zowel Baius als Jansenius rooms-katholiek in hun denken. De theologische vergissing van het calvinisme is volgens Jansenius dat het niet de actieve rol van de menselijke vrijheid binnen het kader van de genadeleer honoreert, zoals het de fout van het pelagianisme en het molinisme is dat zij de menselijke vrijheid als te autonoom beschouwt. Jansenius stelt dat de genade in augustiniaanse zin een genezende genade is, die een vrijwillige, in geen geval passieve of gedwongen medewerking van de menselijke vrijheid vereist.

Eenzijdigheid
Volgens de Nederlandse kardinaal J. de Jong (1885-1955) heeft Jansenius, zoals alle “dwaalleraren” (!), zich schuldig gemaakt aan eenzijdigheid. Hij legde te grote nadruk op de alwerkzaamheid van Gods ten koste van de menselijke natuur. Hij zocht bij Augustinus voortdurend teksten die zijn theologische mening schijnen te bevestigen. De Augustinus die de pelagianen streed, is volgens hem niet de hele Augustinus. “Hoe vurig en innig heeft hij (Augustinus) niet elders de eindeloze liefde van God verheerlijkt! Bij Jansenius echter maakt het de indruk, alsof God alleen de onbarmhartig strenge rechter, niet een liefdevolle vader is.”6 Een geheel andere visie op Jansenius dan de rooms-katholieke M. J. Scheeben, die stelt dat Jansenius de leer van de antipelagiaanse vaders en in het bijzonder Augustinus “correcter en vollediger heeft weergegeven dan vele katholieke theologen”7. De Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal mengde zich ook in de strijd rond Molina en Jansenius. Pascal voelde zich geïnspireerd door de stroming van het jansenisme. Zijn wens was de traditie van de kerk en met name de theologie van Augustinus opnieuw onder de aandacht te brengen. Hij wilde aantonen dat de jansenistische theologie zich terecht katholiek noemt maar zich ook onderscheidt van de Reformatie en de molinisten.

Pascals onderscheiding
In zijn Écrits sur la grace onderscheidt Pascal het standpunt van Augustinus van de calvinisten en molinisten. Hij vindt dat de calvinisten God zo opvatten dat Hij door Zijn absolute wil besloten heeft de ene mens te redden en de ander te verdoemen. Maar het gevolg is dat God de zondeval van Adam heeft gewild en zijn val heeft veroorzaakt. Pascal spreekt van calvinisten als “ketters” die met deze opvattingen onrecht doen aan God en een leer brengen die onacceptabel is voor mensen.8 De molinisten stellen volgens Pascal het tegenovergestelde, namelijk dat God (slechts) een voorwaardelijke wil heeft om mensen te redden maar dat het aan de menselijke wil ligt daarmee in te stemmen. Augustinus leerde volgens Pascal daarentegen dat Adam geheel verdorven is door de zondeval, maar dat God een absolute wil heeft om Zijn uitverkorenen te redden en een voorwaardelijke wil om de niet-uitverkorenen te verdoemen. Het heil komt door de genade van God (die een krachtdadige -“efficace”- genade is, zoals Pascal regelmatig zegt), maar de verdoemenis komt tot stand door de wil van de mens zelf. Pascal vindt de opvatting van de calvinisten te “wreed”, die van de molinisten te “zacht”. De katholieke kerk houdt daarentegen het juiste midden. Het bezwaar tegen Calvijn is volgens Pascal dat God de zonde heeft besloten en dat er geen vrije wil is. Er is bij Calvijn geen ruimte voor verdienste ten goede (zoals door het gebed) of ten kwade. Pascal beroept zich met name op die passages van Augustinus die ruimte laten aan zowel de vrije wil als de genade.

Manicheeërs
Hij kritiseert ook de luthersen vanwege het feit dat zij de genade zó verdedigen dat er geen ruimte is voor de vrije wil en dat de mens noodzakelijk zondigt. Pascal ziet hierin zelfs parallellen met de Manicheeërs. Het verschil is dat de Manicheeërs de zonde terugvoerden op een kwade en nietcorrigeerbare natuur, de luthersen op het onuitroeibare verderf van de menselijke natuur. De Manicheeërs waren de luthersen van hun tijd, zoals de luthersen de Manicheeërs van onze tijd zijn, aldus Pascal!9 Pascal doet echter hierin zowel Luther als Calvijn niet recht. Het problematische van zijn standpunt is dat hij de opvattingen van de reformatoren alleen citeert vanuit de canones van Trente, zonder directe kennis van de bronnen. Dat neemt niet weg dat volgens P. de Vries Pascal, “een van de grootste christelijke denkers”, juist wees op de overeenkomst tussen de genadeleer van het jansenisme (dat zich welbewust op Augustinus wilde oriënteren) en die van het protestantisme.10 Pascal laat duidelijk zien dat het initiatief om de mens te redden duidelijk van God komt. Maar de mensen maken het er zozeer naar dat ze dit niet waard zijn en dat God terecht sommigen wegens hun verstoktheid weigert wat Hij anderen, uit een barmhartigheid die ze niet verdienen, schenkt. “Men begrijpt niets van Gods werken wanneer men niet als uitgangspunt neemt dat Hij sommigen wilde verblinden en anderen verlichten”11, schrijft hij in zijn Pensées (Gedachten).

Bekoring of charme
Hoe dan ook, Pascal kiest tegenover de ‘wrede’ calvinisten en de ‘zachte’ molinisten voor de ‘katholieke’ augustinisten. Terwijl bij Calvijn de mens “als een steen” is, bij de molinisten de mens eenzijdig verantwoordelijk is, geldt bij de augustinianen de bijzondere genade van Jezus Christus de beslissende factor, maar wel zo dat de mens niet buiten spel staat, maar wordt ingeschakeld. Evenals Augustinus ziet Pascal de genade ook als een macht die juist door de liefde werkt, niet door dwang, maar door een zoete aantrekkingskracht. Pascal spreekt van bekoring of charme. Tegenover de pelagianen (zoals hij de molinisten soms noemt) en de lutheranen, die respectievelijk uitgaan van het natuurlijk vermogen of onvermogen van de mens, stelde Pascal dat de genade de manier is waarop de Heilige Geest inspeelt op het geluksverlangen van de mens. Hij vergelijkt dit met een genezingsproces. De vrije wil is als beslissingsmoment daarbij betrokken, omdat zij de genezende werking van de Heilige Geest kan toelaten of afwijzen. Er is echter geen sprake van neutraliteit. De menselijke wil kan niet anders dan het geluk verlangen, waarbij de zonde ingaat tegen het diepste verlangen van de mens. Het verlangen speelt een centrale rol in het samenspel tussen genade en de wil en hiervoor put hij uit Augustinus’ werken en de (Middeleeuwse) augustiniaanse traditie.

Veroordelingen
De veroordelingen van het jansenisme werden na het sterven van Jansenius nog scherper aangezet. Paus Innocentius X ging een stap verder dan Pius V, zo zagen we. Paus Clementius XI sprak vervolgens in zijn bul Unigenitus (1713) zijn anathema uit over een reeks stellingen die zuiver augustiniaans waren, ja zelfs letterlijke citaten uit de werken van de kerkvader waren. Hiertoe behoorden onder meer de opvatting dat de genade van Jezus Christus tot elk goed werk noodzakelijk is; dat God moet geven wat Hij beveelt; dat het geloof geheel een geschenk van de genade Gods is; dat de zondaar alleen door de genade en liefde tot God kan naderen en zonder deze genade alleen geneigd is tot het kwaad. Met deze loochening van genoemde fundamentele leringen van de kerkvader heeft Rome zich buiten de echte augustiniaanse traditie geplaatst, zo is te concluderen. “Men moet zich in alle ernst afvragen, met welk recht eigenlijk de Roomse Kerk Augustinus nog als haar grote kerkleraar eert”12, zo stelt Walter von Loewenich. “Nooit heeft zich de katholieke kerk zo ver van haar grootste kerkvader verwijderd als in dit publiek document (namelijk Unigenitus, vdZ.).”13 Seeberg ziet in de veroordeling van het jansenisme een overwinning van het jezuietische rationalisme en moralisme over de leer van Augustinus. Men heeft volgens hem gelijk met de klacht: “Pro dolor, Augustinus sub nomine Iansenii damnatur.” 14 Mausbach zegt dat de mogelijkheid van natuurlijke goede werken, ook in de heidenwereld, sedert Trente en de kerkelijke verklaringen tegen Baius en Jansenius de algemeen-kerkelijke leer is geworden. Hij legt er de nadruk op dat Augustinus een uitzonderingspositie is gaan innemen. 15

‘Doctor gratiae’
Volgens de Nederlandse aartsbisschop De Jong heeft de Rooms-Katholieke Kerk Augustinus de erenaam ‘doctor gratiae’ gegeven, maar was zich “zeer goed bewust” van zijn “zwakke” zijden. De kerk heeft zich daarom nooit met Augustinus vereenzelvigd. Na Augustinus heeft zich een “mildere” opvatting baan gebroken, vooral met Thomas van Aquino en het Concilie van Trente.16 Ook Van der Meer, die zo vol lof is over de kerkvader, laakt het zijns inziens dogmatisch rigorisme van Augustinus. “En sinds de canones van Trente, die de genade verheffen zonder de natuur te knotten, weten alle katholieke christenen dat hij in de vraagstukken van genade en vrijheid evenmin onfeilbaar was als zijn tegenstanders.” In de strijd tegen de pelagiaanse zelfoverschatting bleek Augustinus niet al te zeer gelovige, maar te veel logicus.

Het is de ironie van de geestesgeschiedenis dat deze man die zo “menselijk” was, verleid werd tot uitingen van “verbijsterend rigorisme”. “Het is een nog groter ironie dat deze radicale maar liefdevolle en bij tijd en wijle charmante christen eerst de mannelijke en meedogenloze schepper van het calvinisme beslissend heeft beïnvloed en later de overernstige maar bitse geest van Port- Royal opgewekt.”17 De polemiek tussen Augustinus en Pelagius is te zien als een ‘eeuwig’ debat dat in elke fase van de kerkgeschiedenis weer opduikt. “Altijd zal de genade op aarde zijn”, schrijft Pascal, “evenals de natuur, zodat zij in zekere zin natuurlijk is. En daarom zullen er altijd pelagianen zijn en altijd katholieken en altijd strijd.”18 Hij heeft gelijk!


Eindnoten
1 Hans Wortelboer, De Rooms-Katholieke Kerk. Het complete handboek, Kampen 2005, p. 134.

2 A. M. Heidt, Catholica. Geïllustreerd encyclopedisch vademacum voor het katholieke leven,
’s-Gravenhage 1961, p. 90.

3 R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte. Band IV/2. Die Fortbildung der reformatorischen Lehre und die gegenreformatorische Lehre, Leipzig 1920, p. 849, 850.

4 De volledige titel luidde Augustinus, of de leer van de H. Augustinus aangaande gezondheid, ziekte en genezing van de menselijke natuur tegenover pelagianen en massiliensen.

5 A. M. Heidt, Catholica, p. 665.

6 In: “Augustinus”. Feestnummer van de Studie Catholica 6/4 (mei 1930), p. 373.

7 M. J. Scheeben, Handbuch der katholischen Dogmatik, Freiburg 1925, deel 3, p. 875.

8 Blaise Pascal, “Écrits sur la grace”, in: Blaise Pascal, Oeuvres complètes, préface d’Henri Gouhier; présentation et notes de Louis Lafuma, Parijs 1963, p. 312.

9 Blaise Pascal, “Écrits sur la grace”, p. 340. Pascal beschouwt de luthersen en calvinisten als ketters en scheurmakers omdat ze bepaalde leerstellingen te eenzijdig benadrukken en de eenheid van de kerk op het spel zetten. Daarin lezen we iets van Augustinus’ kritiek op het donatisme. De volgende uitlating van Pascal zou Augustinus goed kunnen onderschrijven: “De Kerk heeft drie soorten vijanden: de Joden, die nooit tot haar lichaam behoord hebben, de ketters, die haar verlaten hebben, en de slechte christenen, die haar van binnenuit verscheuren” (B. Pascal, Gedachten, fragment 858).

10 Hervormd Kerkblad, 13 januari 2006.

11 B. Pascal, Gedachten, fragment 232.

12 W. von Loewenich, Von Augustin zu Luther. Beitrage zur Kirchengeschichte, Witten 1959, p. 114.

13 W. von Loewenich, Augustin, München/Hamburg 1965, p. 10.

14 R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte, Band IV/2, p. 863.

15 Geciteerd in: O. Noordmans, Verzamelde werken, deel 3, Kampen 1981, p. 158.

16 In: “Augustinus”. Feestnummer van de Studie Catholica 6/4 (mei 1930), p. 373.

17 F. van der Meer, Augustinus de zielzorger. Een studie over de praktijk van een kerkvader, Utrecht/Antwerpen 1957, deel 2, p. 274.

18 B. Pascal, Gedachten, fragment 662.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 January 2009

Protestants Nederland | 24 Pagina's

De strijd om de augustiniaanse genadeleer

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 January 2009

Protestants Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken