Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onderschatting van de Bijbel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken

Onderschatting van de Bijbel

Doperdom, een derde weg tussen Rome en Reformatie – 4

11 minuten leestijd

Een van de grondkenmerken van de radicale reformatie was een gevoeligheid voor directe ingevingen van de Heilige Geest. In de praktijk leidde deze spiritualistische trek tot een onderwaardering van de Bijbel en alle heilsmiddelen. De eenvoudige gelovige beschikte over de Geest als absolute autoriteit waartegen geen andere gezagsinstantie tegenop kon.

Kenmerkend voor het dopers spiritualisme was de gedachte dat het aankomt op de werking en het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest. Dankzij de Hervorming kwam tegenover Rome de leek op, die de Heilige Schrift ontdekte om de exclusieve bemiddeling van de clerus te ontmaskeren. Maar náást die ontdekking van de Schrift groeide er in het reformatorische kamp volgens Goertz een scepsis tegenover een schriftgeloof, “zodat men de toevlucht nam tot een gezag dat achter het gezag van de Schrift lag.” 1
Dit accent op de Geest ging gepaard met een relativering van uitwendige heilsmiddelen, zoals kerk, sacramenten en prediking. Begeleidend verschijnsel van het doperdom was het spiritualisme. De term spiritualisme beduidt volgens Voolstra een vergaarbak van allerlei gelovigen die niet eenduidig met het etiket van rooms-katholiek, luthers, zwingliaans, dopers of calvinistisch voorzien kunnen worden.
Hij noemt het spiritualisme zelfs een vierde stroming naast de roomse, protestantse en doperse geloofsrichting. De nadruk op de innerlijkheid en bevindelijkheid was in het Nederlandse protestantisme volgens Voolstra niet alleen een erfenis van de Nadere Reformatie of het piëtisme, maar was vanaf het begin van de Hervorming kenmerkend voor de gereformeerde en doperse vroomheid. “De wedergeboorte is het centrale theologische thema van zowel de spiritualisten als de dopers”, zo merkt hij op. 2
Ook bij de reformatoren vinden we volgens Heinold Fast vrije uitingen over het werk van de Heilige Geest, maar spiritualistisch denken ontstaat dan pas als het geloof in de Geest tot ontkenning van het uiterlijke en zichtbare leidt. Fast onderscheidt tussen drie groepen spiritualisten. De eerste groep bestond uit evangelische spiritualisten (Denck, Schwenckfeld) die de nadruk legden op waarachtige geloof, vroomheid en een op het Evangelie gericht geweten.
De tweede groep bestond uit rationalistische spiritualisten. Zij hielden de rede voor de ware kern van alle theologie en voor de ware zetel van de aanwezigheid van de Geest (Franck, de anti-trinitariërs). De derde groep, de mystieke spiritualisten, verwierp de ‘kerk van muren’ en het ‘lettergeloof’, onder meer op grond van een mystieke natuurbeleving (Paracelsus, Weigel, Böhme).3

Geest contra letter
Een belangrijke consequentie van het spiritualistische denken onder de dopersen was de leer dat de Heilige Geest belangrijker was dan de Bijbel. De gedachte dat de letter doodt en de Geest levend maakt was daarbij leidend. Letter staat tegenover Geest, zichtbare tegenover onzichtbare kerk, innerlijk licht tegenover historische Christus. De geestelijke betekenis ligt verborgen onder de letter van de Schrift. Voor Melchior Hoffman is een waar verstaan van de Schrift alleen mogelijk door middel van de Geest, Die actief werkt in de harten van de kinderen van God.
In de kring van Müntzer en de zogenaamde Zwickauer profeten (genoemd naar de plaats Zwickau in Saksen) ontstond een lekenchristendom dat de leer van het priesterschap van alle gelovigen radicaliseerde. Iedere gelovige had directe toegang tot de Heilige Geest. Onderscheid maken tussen christenen op grond van afkomst, opleiding of ambten druisten volgens deze ‘profeten’ in tegen de wil van God. Tegenover het clericale gezag plaatste Müntzer het gezag van de Geest. Müntzer keerde zich impliciet tegen Luthers accent op het uiterlijke en hoorbare Woord. Hij kritiseerde de geleerden in de godsdienst (‘Schriftgeleerden’), die op zijn best alleen een ‘historisch’ geloof hebben. Luthers verwijzing naar het Woord voor de bijbelse verkondiging veroordeelde hij als schriftgeleerd zelfbedrog. De papisten (Pfaffen) hebben niet alleen de mens de mond gestopt, maar ook God en aanbidden een ‘stomme’ God.

Dode woord’
Maar ook de hervormers missen het licht. De Heilige Schrift is het ‘dode woord’ dat angstige gewetens slechts naar twijfel en wanhoop leidt. Alleen in de Bijbel geloven, betekent het bezit van een ‘zoete Jezus’ in plaats van een ‘bittere Christus’. Hij bedoelde daarmee de Christus die door de Geest in de ziel van de mens wordt geopenbaard. “Zij die de bittere Christus weigeren zullen zichzelf ten dode volstoppen met honing”.
Müntzer had een afkeer van een letterlijk (buchstabisch) geloof. “Het letterlijke geloof wordt zo opgesierd, dat het de genadige kracht, die God nú heeft, loochent en Hem daardoor stom, bot en tot een voorwerp van fantasie maakt door een zelfuitgevonden geloof.” Voor Müntzer is de Bijbel niet de bron van het geloof, maar (slechts) haar bevestiging. Het gaat niet om de relatie Bijbel en geloof, maar om Geest en ziel.
Müntzer keerde zich tegen de “zarte (lieve, fijne) schriftgeleerden” in Wittenberg. Voor Müntzer betekende het gezag van de Bijbel niets tenzij het menselijk hart en de ziel veranderd werd door Gods Geest. “God heeft mij Zijn wil geopenbaard door Zijn innerlijk Woord in de afgrond van de ziel, ik weet meer van Hem dan een Schriftgeleerde, al had hij 100.000 Bijbels gevreten.” Heel radicaal luidt het: “Met de Schrift is het niets gedaan. Wat Bibel, Bubel, Babel, men moet in een hoekje kruipen en met God spreken.”
De letterlijke Schrift was voor een andere spiritualist, Sebastian Franck, “het zwaard van de Antichrist”, dat Christus doodde; “ketterijen en sekten komen voort uit de letterlijke betekenis van de Schrift.” Hij geloofde dat de Schrift “verzegeld was met zeven zegelen”, zodat alleen de geestelijk ‘verlichten’ de zin ervan konden onderscheiden. Hij beriep zich op Paulus, die de Bijbel als melk voor kinderen beschouwde. Maar volwassenen en die gevorderd zijn in de kennis van Christus, kunnen afstand doen van al het uiterlijke en hebben genoeg aan de Heilige Geest als het levende Boek van God.

Wantrouwen tegenover theologie
De prominente plaats van de Geest tegenover het Woord leidde tot een wantrouwen ten opzichte van theologisch onderwijs en verstandelijke kennis van de waarheid. De genoemde Zwickauer profeten keken neer op alle theologische geleerdheid en Bijbelgeloof. Geleerde kennis van de Schrift was in hun optiek eerder een sta-in-de-weg dan een zegen.
Müntzer stelde dat hij nog nooit (!) iets had geleerd van het onderwijs van welke leraren ook. De theologen hebben gesproken van ‘enkel de Schrift’, die zij echter “gestolen hebben van de Bijbel als moordenaars en dieven … want zij hebben deze nooit uit de mond van God gehoord”, zo schrijft hij in het Praagse Manifest, zijn program van hervorming van de kerk. Het ware christendom is gebaseerd op het getuigenis van de Heilige Geest in de gelovige. Alleen zij die zijn onderwezen door God Zelf weten dat het onderwijs van Christus geen menselijk bedenksel is, maar gave van de levende God.
W. Balke drukt het zo uit: “Voor de doperse geestdrijvers wordt het gemis aan educatie zeer goed gecompenseerd door het ‘bezit’ van de Geest.” In Münster, toneel van radicale dopersen, werd daarom de stadsbibliotheek verbrand. Alle boeken behalve de Bijbel werden verboden. “De Münsterse Dopers gaan er prat op dat zij onschuldig zijn aan boekengeleerdheid.” 4 Voor Calvijn geldt echter het oude spreekwoord, zo citeert Balke, dat er niets hoogmoedigers is dan domheid. 5

Geestelijke zelfverheffing
Scherp was Müntzers kritiek op het ‘ingebeelde geloof’ van het gevestigde christendom, gevoed door ‘verharde harten’, met negatie van het Bijbelse getuigenis van de doop met de Heilige Geest. Verstandelijke kennis stond bij hem tegenover geestelijke kennis.
Deze doperse opvattingen leidden in de praktijk tot hoogmoed en geestelijke zelfverheffing. Müntzer stelde dat wanneer iemand krachtig de goddelijke openbaring heeft gekend, hij ook in staat is om het werk van God te onderscheiden van kwade geesten. Hij ging uit van de mogelijkheid om in deze aardse bedeling de staat van de uitverkorenen te onderscheiden van de verworpenen.
De radicale dopersen kenmerkten zich door een sterk anti-intellectualisme. God wordt niet gekend door verstand en wetenschap maar door bevinding (‘bevinden’). In doperse kringen waren de Gelehrten den Verkehrten’ en ‘Schriftgelehrten’: ‘Schriftstehlern’. De anti-clericale gezindheid die eerst de priester en het instituut gold, was nu van toepassing op de ‘geleerde’ reformator. In de ogen van Karlstadt en Müntzer was Luther een ‘nieuwe paus’, die de uitleg van de Schrift, zoals eens door de paus, had gemonopoliseerd.

Mystieke tendensen
Hier en daar leidden de spiritualistische denkbeelden tot ronduit mystieke tendensen. De spiritualistische richting onder de dopersen benadrukte een ingrijpende bekeringservaring. Slechts door een diepe geloofscrisis kon men zich een authentiek christen noemen. De doper Ulrich Stadler stelde dat het eeuwige Woord niet geschreven is op papier, noch wordt gesproken of gepreekt, maar alleen geopenbaard door God “in de afgrond (Abgrund) van de ziel”.
Het ging in deze kringen niet om de historische gebeurtenis van de verzoening, maar om de geboorte van Christus in de ziel. De ‘goddelijke inkomst’ in de ziel is niets iets dat de mens zelf kan bewerken, maar moet passief, in ‘Gelassenheit’ afgewacht worden. Gelassenheit is een belangrijk begrip in dopersspiritualistische kringen, dat een onvoorwaardelijke zelfovergave aanduidt.
“Wat Gelassenheit voor alles beoogt, is de deemoedige overgave aan de ondoorgrondelijke wil van God, om de zekerheid te verkrijgen dat wat God doet welgedaan is” 6 , zo stelt Voolstra. De liefde tot God moet zo sterk zijn dat zij alle liefde voor natuurlijke zaken afsnijdt. Maar om de mens niet te laten beroemen op de Gelassenheit, moet hij zelfs van de Gelassenheit ontledigd worden!
Müntzer ontleende aan de lijdensmystiek van Tauler en Theologia Deutsch de voorstelling van een louteringsproces dat op een smartelijke wijze verloopt. Via de kennis van de zonde wordt in het innerlijk, in de ‘afgrond van de ziel’, plaats gemaakt voor het werk van de Geest. Müntzer spreekt van de zevenvoudige gave van de Geest (Jes. 11: 1-5) als doel van de verlossing. Alleen de uitverkorenen ontvangen deze zegeningen van de Geest, maar voordat dit gebeurt, moeten zij eerst ontwaken.
De uitverkorenen moeten eerst hun geestelijke ellende en de afgrond van de wanhoop kennen en ‘de hel van het ongeloof’ beleefd hebben. Dan zijn zij rijp voor de tweede stap van de verlossing: het ontvangen van het persoonlijk kruis, voor Müntzer een genadige roede die de mens in de leerschool van het lijden opvoedt tot kennis van God.

Ondergaan van een hellevaart
Nog dieper en ‘spiritueler’ ging het bij dopersen als Pilgram Marbeck, die de bekering en boete beschrijft in termen van een resignatio ad infernum, het ondergaan van een ‘hellevaart’ waarin de mens zijn verdoemelijkheid voor God leert kennen. De mens erkent zich schuldig aan de eeuwige dood en ontdekt in zijn hulpeloze en troosteloze toestand in hemel en op aarde geen enkele hulp. “Wie Christus in deze Vertiefung (dat wil zeggen in deze rechte doop tot vergeving van zonde) niet vindt, die zal Hem in de verheerlijking en in de vreugde in eeuwigheid niet vinden.”
Toch laat God in deze ‘hellevaart’ de ziel die zich zo vernedert, niet helemaal los. Tegelijk met Zijn verdoemend oordeel geeft Hij de zondaar een kleine glans van hoop, zodat deze in lankmoedigheid uitziet naar de genade. De zondaar begeert echter van God niet dat hij gevrijwaard blijft van kruis en lijden, totdat hij geheel met de wil van God verzadigd wordt.
Interessant is dat binnen de kring van dopersen de een de ander soms verwijt dat hij niet de ware zelfontlediging kent en daarom niet het ware geloof heeft leren kennen.
Weyer verwijt de doopsgezinde Dirk Philips dat hij nog niet voldoende innerlijk aan de zonde is gestorven. Hij heeft zijn gewetensonrust slechts met de evangelische belofte van de zondevergeving gestild, in plaats van het kruis van Christus in het innerlijk van de ziel toe te laten.
Voolstra ziet in deze visie op de bekering een specifieke visie op de Schrift tot uitdrukking komen: voor Weyer is de Schrift niets anders dan getuigen van het leven dat God inwendig aan de ziel geeft, dat wil zeggen in een langdurig en pijnlijk afstervingsproces.
Niet veel Bijbellezen, maar het direct door God gebroken worden van de eigen wil, kan de mens redden. De Schrift lezen geeft geen innerlijke, maar alleen uitwendige troost met zijn belofte van zondevergeving.
Het is veelzeggend dat de nadruk op innerlijke ervaring een tweeërlei effect heeft. Bij de biblicist leidde dat tot een heftige strijd om de tucht uit te oefenen om zo een gemeente zonder vlek en rimpel te krijgen, bij de spiritualist leidde tot het “elkaar te overtroeven met het opbiechten van hun diepste ervaringen die met het afsterven van zonde te maken hadden.” 7


1 Hans-Jürgen Goertz, Radikalität der Reformation. Aufsätze und Abhandlungen, Göttingen 2007, p. 183.
2 Beeldenstormer uit bewogenheid. Verzamelde opstellen van Sjouke Voolstra, onder redactie van Anna Voolstra, Alle G. Hoekema en Piet Visser, Hilversum 2005, p. 94.
3 Heinold Fast (hrsg.), Der linke Flügel der Reformation. Glaubenszeugnisse der Täufer, Spiritualisten, Schwärmer und Antitrinitarier, Bremen 1962, p. XXVI, XXVII.
4 W. Balke, Calvijn en de doperse radikalen, Amsterdam 1973, p. 242.
5 W. Balke, Calvijn en de doperse radikalen, p. 243.
6 Sjouke Voolstra, Beeldenstormer uit bewogenheid, p. 194.
7 Sjouke Voolstra, Beeldenstormer uit bewogenheid, p. 2


dr. K. van der Zwaag te Barneveld

Dit artikel werd u aangeboden door: Protestants Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

Protestants Nederland | 28 Pagina's

Onderschatting van de Bijbel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

Protestants Nederland | 28 Pagina's

PDF Bekijken