Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BEELDENSTORM IN DORDRECHT (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BEELDENSTORM IN DORDRECHT (2)

Willem van Oranje liet drie beeldenstormers ophangen

8 minuten leestijd

Na de beloofde terughoudendheid van de landvoogdes, toegezegd op 5 april 1566, besloot het Antwerpse consistorie (kerkenraad) hun geheime samenkomsten te beëindigen en, evenals in veel andere steden in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, openbare diensten te beleggen buiten de stadsmuren in de vrije natuur (hagenpreken).

Daar de vrees nog overheerste, werden de bijeenkomsten, waar door diverse predikanten gelijktijdig werd gepreekt, zwaar bewaakt. Het effect van de hagenpreken was overweldigend op de Antwerpse bevolking. Tienduizenden trokken de velden in om de protestantse predikanten te beluisteren.

Hagenpreken geoorloofd, maar buiten Dordrecht verboden

In Holland vond één van de eerste hagenpreken plaats op 14 juli 1566 in Westerblokker bij Hoorn. Predikant was de Alkmaarse mandenmaker Jan Arentsz. Arentsz was door zijn patroon Albert Gerritsz ingewonnen voor de nieuwe leer en door pastoor Cornelis Cooltuyn onderwezen.

In augustus preekte Arentsz op verscheidene plaatsen in Holland en reisde ook naar Dordrecht. Volgens Matthijs Balen in zijn Beschryving der Stad Dordrecht (1677) had hij hier weinig succes: Als Jan Arendsz, Predikant der Hervormde, met noch vijf of zes van den zijnen, voor Dordrecht was gekomen, dede in de Stad bekend maken, dat men aldaar buyten de Vuylpoort zoude Prediken, toch liet sich niemand ten Gehoore aldaar vinden.

De katholieke burgemeester Arent van der Mijle, die steeds de rust in de stad trachtte te handhaven, wist te voorkomen dat nieuwsgierigen gehoor zouden geven aan de oproep van Jan Arentsz. Dordrecht stond bekend als goed rooms en koningsgezind, maar had bezwaar tegen het strenge beleid van Philips II.

Beeldenstorm met domino-effect

Zolang het goed weer was, was het preken in het open veld geen probleem, de naderende herfst zou het preken in de buitenlucht echter onmogelijk maken. Het lag voor de hand dat, nu de protestanten enige vrijheid hadden, ze ook binnen de steden in een kerkgebouw zouden willen samenkomen. Deze kerken moesten dan wel gezuiverd worden van de ‘roomse santenkraam’. Het gevolg was een Beeldenstorm.

De Beeldenstorm begon op het platteland van Zuidwest-Vlaanderen. Op zaterdag 10 augustus 1566 preekte een uit Engeland teruggekeerde calvinistische vluchteling, Sebastiaan Matte, voor zo'n tweeduizend volgelingen bij het dorp Steenvoorde. Na afloop van de hagenpreek trokken enkele tientallen toehoorders naar een nabijgelegen klooster en sloegen alle beelden aan stukken.

Deze Beeldenstorm had een ‘domino-effect’; rondtrekkende groepen vernielden binnen enkele weken de interieurs van honderden kerken en kloosters in de Nederlanden. 20 augustus sloeg de beweging over naar Antwerpen en werden kerken en kloosters vernield.

Een ooggetuige schreef: Het verwonderlijkste is echter dat de Beeldenstormers zo weinig in aantal waren, want ik zag er in sommige kerken niet meer dan tien of twaalf die braken, meestal kwajongens en ander gespuis: er stonden echter veel toeschouwers en aanstichters bij. In de stad zelf was alles zo rustig en stil, alsof er niets in de kerken te doen was geweest; de lieden stonden gekleed in hun deuren en zagen de Beeldenstormers van de ene kerk naar de andere trekken, ‘Vive le geus’ schreeuwende.

Willem van Oranje bevond zich op dat moment in Brussel, maar keerde 26 augustus 1566 terug naar Antwerpen. Onmiddellijk nam hij maatregelen en liet drie Beeldenstormers ophangen. Enkele anderen werden in ballingschap gezonden of kregen een andere straf opgelegd.

Om stadsbesturen in staat te stellen de orde te handhaven, kregen calvinisten een kerk toegewezen waar ze hun diensten mochten houden. Vijandigheden tussen calvinisten en katholieken werden streng verboden. Deze periode van godsdienstvrijheid was echter van korte duur. In 1567 arriveerde de hertog van Alva in de Nederlanden, die Margaretha opvolgde als landvoogd: het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

Geen Beeldenstorm in Dordrecht

Niet alle steden werden door de Beeldenstorm getroffen. In onder meer Brussel, Brugge, Leuven, Gouda en Dordrecht wist de overheid de orde te bewaren. De eerder genoemde burgemeester Van der Mijle wist een Beeldenstorm in Dordrecht te voorkomen; 5 september 1566 schreef landvoogdes Margaretha van Parma een bewijs van tevredenheid daarover aan de Dordtse magistraat:


Om stadsbesturen in staat te stellen de orde te handhaven, kregen calvinisten een kerk toegewezen waar ze hun diensten mochten houden.


Margrieta bij der gracyen Goods hertoghinne van Parma ende Plaisance etc., Regente ende governante.

Lieve bijzondere, wij hebben ontfanghen uwen brieff van den naestlesten dach des maents Augusti lestleeden ende vuyten selffden verstaen tgoet ende neerstigh devoir bij uw lieden ghedaen soe van wachten ende waecken bij daghe ende bij nachte als goede ordinancien ende verboden te maken ende onderhouden soe tot conservatie van de catholike religie ende sijne Maj.

Hoechheyt als tot bewaerenisse der steede dat als noch daer gheen niewichheden soe van spoliacie van eenighe kercken cloesteren goetshuysen ende capellen oft oock eenighe ruyminghe van beelden vuyt de kercken als van predicanten van enighe sectarisen off van enighe andere oproerte aldaer off daeromtrent in uwen bedryve gheschiet ofte gevallen sijn gheweest welck ons seer lieff is geweest om te hooren.

Toch Beeldenstorm in Dordrecht

Burgemeester Van der Mijle was zeer koningsgezind, maar wel anti- Spaans. Toen stadhouder Bossu in het voorjaar van 1572 met zijn beruchte Spaanse troepen Dordrecht wilde binnentrekken, wist hij dat te verhinderen om bloedvergieten en plundering te voorkomen.

Bossu, daarover zeer verontwaardigd, kreeg als antwoord dat hij, zoals hij al zo lang had gedaan, ook ditmaal de stad zonder soldaten in trouw aan de koning zou weten te bewaren. Als koningsgezinde regent maakte hij als een van de eersten gebruik van de bepaling in de op 25 juni 1572 met de Watergeuzen gesloten overeenkomst, die toestond dat katholieke burgers en geestelijken, indien zij dat wensten, de stad in vrijheid mochten verlaten. Van der Mijle vestigde zich in Delft, waar hij in 1580 overleed.

Dordrecht koos op 25 juni 1572 onder druk van de bevolking, die het beleid van Alva moe was, de zijde van prins Willem van Oranje, die zelf intussen de kant van de calvinisten had gekozen.

Met de watergeus Barthold Entens van Mentheda werd overeengekomen dat geen kerken, kloosters en kapellen beschadigd of afgebroken mochten worden; dat er vrijheid van godsdienst moest zijn en geen religieuzen, man noch vrouw, lastig gevallen mochten worden.

200 geuzen begaven zich binnen de stadsmuren. Tegen de afspraken in werden gardiaan Franciscus Mierbecanus en de augustijn prior Johannes Crabbe, gevangen genomen. Na vijftien maanden werden ze op bevel van Willem van Oranje vrij gelaten.

Op last van de Prins van Oranje werd in de maand juli in Dordrecht een vergadering belegd van de Staten van Holland (steden en edelen), waarvan de afgevaardigde van de Prins, Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde, de leiding had.

Tijdens deze vergadering stemden de leden in met het verzoek van de Prins tot vrijheid van godsdienst. Zodra de afgevaardigden Dordrecht hadden verlaten om vrijdag 25 juli verder te vergaderen in Rotterdam, werden juist die dag in de kloosterkerk van de augustijnen alle altaren en beelden verwijderd Twee dagen later, zondag 27 juli, vond in de kloosterkerk de eerste protestantse kerkdienst plaats.

Ook de Grote Kerk moest, voor er diensten konden worden gehouden, gezuiverd worden van de ‘paapse afgoderij’. Gezien het grote aantal altaren, zo'n vijftig, vergde dit meer tijd. De gilden, broederschappen en families mochten hun eigendommen in goed overleg verwijderen. 23 november 1572 werd in de Grote Kerk de eerste ‘Geusepredicatie’ gehouden.

In de maanden na de vergadering van de Staten van Holland (25 juli) konden de Watergeuzen het echter niet laten kerken en kapellen in de stad binnen te dringen en vernielingen aan te richten. In een kroniek uit die tijd staat, omgezet in hedendaags Nederlands, vermeld:

- 5 oktober 1572 kwamen de geuzen 's avonds in de Grote Kerk en leefden zich daar uit door onder meer hun behoefte te doen op de altaren.

- 7 oktober 1572 werden de Sint-Adriaanskerk en het Leprooshuis buiten de Vuilpoort verwoest en geheel afgebroken.

- 16 oktober 1572 werden met geweld het kerkkantoor en het kantoor van het Heilige Geest en Pesthuis opengebroken en meegenomen dat hen aanstond. Hoewel hierover werd geklaagd, werd er door de magistraat niets aan gedaan.

- 19 oktober 1572 werd de mis nog bediend in de Nieuwkerk; 's avonds kwamen de geuzen en braken de beelden af en vernielden Christus in de Hof, de beelden van de apostelen, enz.

- 25 februari 1573 klommen de geuzen door de ramen van het Sacraments-gasthuis aan de Visstraat en sloegen alles furieus aan stukken.


Ook de Grote Kerk moest, voor er diensten konden worden gehouden, gezuiverd worden van de ‘paapse afgoderij’.


In de tijd daarna veranderde er veel in de stad. De kerk van de Augustijnen en de Grote Kerk werden ingericht voor de gereformeerde eredienst. Kapellen werden afgebroken of omgebouwd tot pakhuis of woonhuis. Kloosters werden voor allerlei doeleinden gebruikt of afgebroken.

Hoewel er door de Staten van Holland een officieel besluit was genomen dat er vrijheid van godsdienst zou zijn voor zowel katholieken als protestanten, mochten voorlopig alleen de gereformeerden in het openbaar hun diensten houden.

Katholieken, Luthersen en Doopsgezinden werden gedoogd, maar moesten hun diensten beleggen in schuilkerken: ruimten die niet vanaf de straat zichtbaar mochten zijn. Wel kregen de Luthersen in 1689 een eigen kapel in de Vriesestraat, omdat in Dordrecht gevestigde welgestelde lutherse suikerraffinadeurs, die veel lutherse arbeiders uit vooral Duitsland aantrokken, dreigden met hun kapitaal Dordrecht te verlaten.

Het zou tot 1796, tijdens de Bataafse Republiek, duren voor er aan de bevoorrechte positie van de gereformeerde kerk een einde kwam. Vanaf 1815 kregen andere kerkgenootschappen officieel toestemming een kerk te bouwen. Zo werd 13 september 1826 de eerste rooms-katholieke kerk, de Sint-Bonifatiuskerk aan de Wijnstraat, ingewijd en kwamen de beelden weer terug in de kerk.

Onbeperkte vrijheid van godsdienst werd gewaarborgd met de grondwetsherziening van 1848. Toen pas werden de katholieken en doopsgezinden als volwaardig beschouwd. De wens van Willem van Oranje, vrijheid van godsdienst voor katholieken en protestanten, was, hoewel ruim 275 jaar later, hiermee in vervulling gegaan.


Herman A. van Duinen te Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 2016

Protestants Nederland | 24 Pagina's

BEELDENSTORM IN DORDRECHT (2)

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 augustus 2016

Protestants Nederland | 24 Pagina's

PDF Bekijken