Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE „ZILVEREN KOORDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE „ZILVEREN KOORDE"

Financiële verhouding rijk - kerkgenootschappen

20 minuten leestijd

Door het kabinet De Jong is ook een grondwetswijziging aanhangig gemaakt ter zake van de financiële verhouding tussen het Rijk en de kerkgenootschappen. Deze grondwetswijziging is gebaseerd op het door de staatscommissie van advies inzake de grondwet en de kieswet uitgebrachte tweede interimrapport. Aan de bespreking van hierbedoelde grondwetswijziging zullen wij een korte historische schets van de financiële verhouding tussen de staat en de kerkgenootschappen vooraf laten gaan.

Historie

Bij decreet van 1808 bepaalde koning Lodewijk Napoleon, dat de geestelijke goederen aan het rijk werden getrokken. De predikanten van de hervormde kerk zouden bij voortduring echter in het genot blijven van de tractementen en inkomsten, welke hun tot die tijd waren toegezegd. Voorts werd betaling van de geestelijken van de andere gezindheden toegezegd. Hetzelfde gold voor emeriti en predikantsweduwen. Daarentegen moesten de kerken voortaan zelf zorgen voor de betaling van de kosten, voorzangers e.d. Deze regeling heeft gegolden tot de Inlijving van ons land bij Frankrijk.

Koning Willem I herstelde in 1814 de regeling van koning Lodewijk Napoleon. Kort daarop werd zij in de grondwet opgenomen. Sprak de grondwet van 1814 in het voetspoor van Lodewijk Napoleon nog afzonderlijk van de hervormde kerk en van de andere gezindheden, de grondwet van 1815 sprak daarentegen in het algemeen van „de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leraars".

Het huidige artikel 185, zoals dit sedert 1815 luidt, heeft de volgende inhoud:
„De tractementen, pensioenen en andere inkomsten, van welke aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leraars, welke tot nog toe uit 's lands kas geen, of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden."
Dit grondwetsartikel staat in de historie bekend als het zogenaamde zilveren koordenartikel.

Gezindheden

De in het zilveren koordenartikel gebezigde termen vragen enige uitleg. Allereerst: wat betekent de term „gezindheden?" In de artikelen 182 en 186, waar nu „kerkgenootschappen" staat, werd tot 1848 „gezindheden" geschreven. De vraag, wat onder gezindheden moet worden verstaan, deed zich indertijd voor bij de Waalse kerk te Amsterdam, De regering was destijds van oordeel, dat aldaar een predikant te veel was. In verband hiermede wilde zij de tractementen verminderen met dat van een der predikanten. Zij stelde zich daarbij op het standpunt, dat voldaan werd aan artikel 185 van de grondwet, indien de toelagen aan het gehele kerkgenootschap maar zo groot bleven, als ze in 1815 waren. De hoge raad besliste evenwel bij een op 5 mei 1848 gewezen arrest, dat „gezindheid" kerkelijke gemeente betekende. Dit arrest is van groot belang, omdat het uitspreekt, dat de grondwet subjectieve rechten op uitkeringen heeft gevestigd: ten behoeve van de predikant op zijn tractement en ten behoeve van de kerkelijke gemeente ten aanzien van de vacaturepenningen.

Het eerste lid van artikel 185 legt volgens de hoge raad voor altijd bepaalde financiële verplichtingen vast. Deze opvatting ontleent de hoge raad aan de passage „blijven aan dezelve gezindheden verzekerd".

Het tweede lid van artikel 195 gaat er van uit, dat nieuwe tractementen gerechtvaardigd kunnen zijn. Vermeerdering van behoefte kan dan voor de staat aanleiding zijn om die lasten op zich te nemen. Vermindering van behoefte ontlast de staat niet, omdat hij geen bestaande rechten mag aantasten.

Het woordje thans in het eerste Ud van artikel 185 slaat op het jaar 1815; in het tweede lid betekenen de woorden „totnogtoe" tot 1815 toe. Verder verdient het aandacht, dat het eerste lid van artikel 185, behalve van tractementen, ook nog van pensioenen (van emeriti en predikansvrouwen) en van andere inkomsten spreekt. Het tweede lid evenwel spreekt enkel van tractementen.

Het maakt uiteraard een groot verschil, of men een tractement krachtens het eerste lid dan wel krachtens het tweede lid van artikel 185 geniet. Immers, in het eerste geval heeft men een grondwettelijke waarborg voor de uitkering, terwijl in het tweede geval het nieuwe tractement of de verhoging van het bestaande weer ingetrokken kan worden.

„Tot nog toe"

In verband met de woorden „tot nog toe" wordt het tweede lid van artikel 185 zo uitgelegd, dat nieuwe tractementen of verhogingen van bestaande tractementen slechts aan gezindheden, welke in 1815 reeds bestonden, kunnen worden toegezegd. Dit laatste werd en wordt als zeer onbillijk gevoeld voor de na 1815 ontstane kerkgenootschappen en wel met name voor die nadien ontstane gereformeerde kerkgenootschappen. Daarom heeft de grondwetscommissie van 1910 gepoogd hierbedoelde regeling door een geheel nieuwe te vervangen, volgens welke aan de gezindten, die tot dusver niets ontvingen, toelagen op basis van het getal lidmaten zouden worden verzekerd, met de mogelijkheid van herziening van de toelagen voor alle gezindten eens per 10 jaar op diezelfde basis.

Dit denkbeeld stuitte indertijd vooral Op bezwaren in hervormde kring. Daarom werd het voorstel van de staatscommissie 1910 door de toenmalige regering niet overgenomen.

Bij andere gelegenheden is nog wel gesteld, dat men de scheiding van kerk en staat ook op financieel gebied moest doorvoeren en dat men in overleg met de gezindte, die thans toelagen geniet, tot afkoop van de gekapitaliseerde waarde moest overgaan. In 1920 heeft zulk overleg plaats gehad en er scheen over het beginsel van afkoop overeenstemming mogelijk, maar de moeilijkheid was, aan welk adres de uitkering van de gekapitaliseerde waarde moest plaats hebben. De staatscommissie Cals-Donner merkte hierover het volgende op: „Wil men daarentegen tot een gewijzigde opzet geraken van de in dit grondwetsartikel bedoelde financiële betrekkingen, dan zal dit naar het oordeel van de staatscommissie niet zonder grondwetsherziening mogelijk zijn. Het artikel garandeert bepaalde uitkeringen en staat daarmee elke vorm van aantasting van deze uitkeringen in de weg. Weliswaar zou verdedigbaar zijn, dat een kapitalisering van deze uitkeringen en uitbetaling van dit kapitaal aan de rechthebbenden zich met bedoelde garantie zou verdragen, zoals bij de behandeling van de begroting van financiën voor het jaar 1923 door de regering werd aangevoerd. Gezien de omstandigheid, dat de aanspraken voor het overgrote deel naar Standplaatsen en personen zijn geïndividualiseerd, zou dan echter de vraag, wie in de zin van het grondwetsartikel als rechthebbenden moeten worden aangemerkt, praktisch onoplosbare problemen oproepen. Zonder grondwetsherzieninig lijkt deze weg dan ook onbegaanbaar".

Ook jhr. mr. A. F. De Savornin Lehman heeft indertijd op deze moeilijkheden gewezen: „Van meer dan een zijde is het denkbeeld geopperd om aan de kerken het gekapitaliseerde bedrag van de inkomsten, die zij thans uit de staatskas genieten, uit te keren, doch dat dit ondier de bestaande grondwetsbepaling niet kan en dat door zulk een verwisseling van een uitkering e jure publio (volgens het publiekrecht) in een toekenning jure private (volgens het privaatrecht) de bestaande onrechtvaardigheid nog verergerd zou worden, behoeft geen betoog. Bovendien zou het maken van zulk een wet uitermate moeilijk zijn, zowel wat de vaststelling van het bedrag als wat de te begunstigen titularis betreft."

Afkoop van de verplichtingen voor het overgrote deel naar standplaatsen en personen geïndividualiseerd, stuit volgens mr. H. Mulderije op onoverkomelijke moeilijkheden. Men kan ook niet voorbij gaan aan sinds 1815 geconstitueerde kerkgenootschappen. (Mr. H. Mulderije: „Het Vraagstuk van de financiële verhouding van kerk en staat" in christelijk historische tijdschrift van okt./nov. 1969).

Staatscommissie Van Walsum

Bij Koninklijk Besluit van 21 maart 1946 werd een staatscommissie voor de zaken van de erediensten ingesteld. Deze commissie (beter bekend onder de naam van „Staatscommissie-Van Walsum") kreeg de opdracht over bestendiging of herziening van artikel 185 van de grondwet te rapporteren en zo nodig haar voorstellen in een ontwerp van wet neer te leggen.

In 1967 bracht de staatscommissie Van Walsum rapport uit. Dit rapport werd eerst begin 1969 gepubliceerd, vergezeld van een nota van de minister van financiën, waarin deze te kennen gaf, dat hij de oplossing van de bestaande problematiek in een andere richting wilde zoeken. De commissie Van Walsum stelde voor, de kerkgenootschappen gezamenlijk een — waardevast — bedrag van 50 miljoen gulden per jaar ter beschikking te stellen, verdeeld over de onderscheidene kerkgenootschappen naar evenredigheid van het aantal personen (tenminste 10.000 personen in één kerkgenootschap, tenzij dat genootschap reeds onder de bepaling van 1815 viel).

Aan de voorstellen van de staatscommissie-Van Walsum lagen de volgende overwegingen ten grondslag: 

a. Een afkoopregeling is uiterst moeilijk te realiseren; 

b. Het valt niet te verwachten, dat de leden van de in Nederland gevestigde kerken in vergelijkbare omvang de nodige gelden voor het kerkewerk zullen kunnen blijven opbrengen, zulks in verband met het feit, dat de landsoverheid heden ten dage via de belastingen een veel groter aandeel van het nationaal inkomen opeist; 

c. De overheid subsidieert in toenemende mate het geestelijk leven, de wetenschap, het onderwijs, de volksopvoeding en de kunst. Daarom vermag de staatscommissie niet in te zien, waarom het godsdienstig leven hierop een uitzondering zou moeten maken. Volgens die commissie valt niet te ontkennen, dat het godsdienstig leven voor brede lagen van de bevolking van grote waarde is en evenmin dat het de volkskracht ten goede komt.

Standpunt kabinet De Jong

In een nota van 19 februari 1969 heeft de minister van financiën zijn gevoelens aan de staatscommissie Cals-Donner kenbaar gemaakt. Het kabinet De Jong wijst de conclusies van de staatscommissie-Van Walsum af en staat een afkoopregeling voor op grondslag van het huidige jaarlijkse bedrag op de staatsbegroting voor tractementen, pensioenen en andere uitkeringen, wat neerkomt op een eenmalige uitkering van circa 60 miljoen gulden.

Het afwijzend standpunt van het kabinet-De Jong ten opzichte van de voorstellen van de staatscommissie-Van Walsum komt in hoofdzaak op het volgende neer: 

Het kabinet verwijt de commissie-Van Walsum, dat zij bijna ongemerkt en zonder nadere motivering overstapt van subsidiëring van maatschappelijke en culturele voorzieningen naar subsidiëring van verzorging van het godsdienstige leven zelf. Hier zit volgens het kabinet de principiële scheidslijn. 

2. Geloofsovertuiging en geloofsbeleving liggen bij uitstek in de persoonlijke levenssfeer. 

3. De overheid moet zelfs de schijn vermijden, alsof zij door permanente subsidiëring van de kerken invloed zou moeten, willen of kunnen uitoefenen in de eigen sfeer van deze kerken, waarvan het wezenlijke karakter als geloofsgemeenschappen algehele vrijheid en zelfstandigheid — uiteraard binnen de burgerlijke rechtsorde — vergt. Die vrijheid berust op de vrijwillige deelneming en de offervaardigheid' van de kerkleden. 

4. Opvolging van het advies van de commissie zou nog andere complicaties met zich brengen:
a. welke criteria zouden moeten worden aangelegd voor het te voeren subsidiebeleid;
b. het gevaar van de door de commissie beoogde subsidieregeling is, dat daardoor de eigen verantwoordelijkheid van de kerkleden zou worden uitgehold;
c. uitwerking van een dergelijke subsidieregeling levert grote moeilijkheden op: de norm voor de uitkering is moeilijk vast te stellen, alsook de norm voor de beantwoording van de vraag wat onder een kerk moet worden verstaan, terwijl de strijd over subsidiëring van niet-kerkelijke organisaties zou gaan oplaaien.

Kritiek op beide standpunten

Alvorens aandacht te schenken aan het uiteindelijke regeringsvoorstel tot schrapping van het huidige artikel 185 van de grondwet en tot opneming daarin van een zogenaamd additioneel artikel menen wij bij het vorenstaande enkele kritische notities te moeten plaatsen. 

De staatscommissie-Van Walsum stelt, dat het godsdienstig leven van grote waarde is en de volkskracht ten goede komt. Dit is juist, mits er dan wel sprake is van een gezond godsdienstig leven. Dit moet onder meer blijken uit de bereidheid van de kerkleden om het kerkewerk naar vermogen financieel te steunen. De slinkende offervaardigheid moet onzes inziens vooral worden toegeschreven aan de heden ten dage sterk op de produktie en consumptie georiënteerde maatschappij. Velen zijn helaas niet (meer) bereid om ter wille van hun kerk van een bepaald bestedingspatroon af te wijken. De prediking van het zuivere Evangelie is van grote waarde voor de samenleving als geheel en uiteraard ook voor de overheid, die evenzeer bij de uitoefening van haar ambt is gebonden aan de wet Gods. Echter, niet alles wat zich maar als godsdienst aandient heeft die waarde. Tenslotte, alles wat van waarde is voor de samenleving op zichzelf vormt nog geen rechtsgrond voor subsidiëring van overheidswege. 

2. De norm voor het doen van uitkeringen aan de kerken zoekt de staatscommissie in de gegevens, die bij de periodiek te houden volkstellingen worden verkregen. Zijn deze gegevens wel een eerlijke en bruikbare maatstaf, waarnaar de hoogte van de uitkeringen aan de kerken kan worden bepaald? Hoevelen zijn er niet, die in feite de band met de kerk hebben verbroken, maar die bij de volkstelling toch nog zullen opgeven, dat zij tot een of ander kerkgenootschap behoren Het enig juiste criterium ter bepaling van de hoogte van de jaarlijkse uitkeringen aan de onderscheidene kerkgenootschappen zou zijn een zeker percentage als toeslag op de giften aan de kerken, maar de toepassing van dit criterium is moeilijk Ie verwezenlijken zonder een vergaande overheidscontrole en dit laatste zou een niet toelaatbare overheidsinmenging in kerkelijke aangelegenheden tot gevolg hebben. Die inmenging zou overigens ook in strijd zijn met artikel 1, lid 1, van de wet op de kerkgenootschappen. Dit artikel bepaalt immers, dat aan alle kerkgenootschappen de volkomen vrijheid verzekerd is en blijft om alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft. 

3. De commissie-Van Walsum wil die kerken voor overheidssubsidie in aanmerking doen komen, die ten minste 10.000 leden tellen. Het kerk-zijn wordt niet door het ledental bepaald. In artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken van de 7000, die onder de gevaarlijke tijd van Achab hun knieën voor Baal niet gebogen hadden. 

4. De grondwet van 1814 verbond in artikel 139 aan enige betaling of toelage uit 's Lands kas het recht van de overheid om toezicht te houden op hem, die de totaling genoot. Hoewel deze opvatting heden ten dage wel door niemand meer zal worden gehuldigd, brengt het verlenen van subsidies wel mee, dat rekenschap kan worden gevraagd van de besteding van de toegekende overheidsgelden. 

5. Het door de regering aangevoerde argument, dat geloofsovertuiging en geloofsbeleving bij uitstek in de persoonlijke sfeer liggen, riekt wel erg sterk naar de liberale opvatting, dat godsdienst uitsluitend een privaatzaak is. De kerk heeft wel degelijk een functie naar buiten, omdat het Woord, dat zij dient te verkondigen, niet alleen de mens in zijn eigen prlvé-sfeer treft, maar ook veel te zeggen heeft voor de samenleving als geheel. In dit regeringsargument gaat de gedachte van de liberale neutrale staatsidee schuil. „Het is daarentegen juist de Franse revolutie geweest", aldus De Savornin Lohman, „die door haar oppervlakkige ontkenning van het verband tussen godsdienst en staat, uitgedrukt in de bekende formule scheiding van kerk en staat, tegen de regelmatige doorwerking en juiste toepassing van het ware en chrlstelijk beginsel een heftige tegenstand heeft doen ontstaan. Tegen die „scheiding" kwam men met recht in verzet, maar ten onrechte meende men te moeten terugkeren tot ene bemoeiing van de staat met de kerk, als in vroegere eeuwen had plaats gehad. De formule van „scheiding van Kerk en staat" is onjuist en steeds meer zal openbaar worden, dat er wel degelijk het nauwste verband is tussen godsdienst en recht, dus ook tussen kerk en staat, maar tevens, dat de wereldlijke overheid directe invloed niet uitoefenen kan omdat ene wet, hetzij men dit wil of niet, niet anders dan in overeenstemming kan zijn met datgene, wat leeft In de volksovertuiging.

Deconstitutionalisering

In eerste lezing hebben de beide kamers der Staten-Generaal het voorstel der regering aanvaard om artikel 185 uit de grondwet te schrappen en aan de grondwet een additioneel artikel toe te voegen, inhoudende, dat genoemde be-' paling van kracht blijft, totdat bij wettelijke regeling een voorziening zal zijn getroffen. Dit regeringsvoorstel impliceert, dat het vaststellen van het karakter van de nieuw te treffen regeling aan de gewone wetgever wordt overgelaten.

Tegen deze deconstitutionalisering rijzen bij ons toch wel enkele bedenkingen : 

a. Nadat artikel 185 uit de grondwet zal zijn geschrapt, wordt het mogelijk om een sedert het begin van de vorige eeuw In onze grondwet vastgelegde regeling Inzake de financiële verhouding tussen de staat en de kerkgenootschappen bij gewone wet op te heffen. Deze mogelijkheid wordt geschapen zonder dat men weet, welke regeling er voor in de plaats zal komen. Het is dus een sprong in het duister. 

b. Aangezien artikel 185, eerste lid, van de grondwet een regeling terzake van verkregen rechten op uitkeringen bevat, zou het beslist eleganter zijn geweest, indien in het voorgestelde additionele artikel was bepaald, dat voor de aanvaarding van de daarin bedoelde wettelijke regeling een 2/3 meerderheid zou zijn vereist. Juist omdat het hier een zeer delicate materie betreft, zou bijzondere rechtsbescherming zeker op zijn plaats zijn geweest. 

c. Het eerste lid van artikel 185 van de grondwet kan worden beschouwd als een specifieke uitwerking van artikel 165 van de grondwet: geen onteigening zonder schadeloosstelling. Het is een algemeen staatsrechtelijk beginsel, dat de vaststelling van de schadeloosstelling als gevolg van onteigening van objectieve rechten door een van de administratie onafhankelijk overheidsorgaan plaats vindt, inzonderheid de burgerlijke rechter. 

d. Het is fundamenteel onjuist om artikel 185 reeds uit de grondwet te schrappen, voordat in redelijkheid is vastgesteld, van wie en wat aan historisch verkregen rechten behoort te worden afgekocht. De ijlings door de regering ingestelde commissie-Verdam moet een technisch advies geven over de mogelijkheid van afkoop van de uitkeringen ex artikel 185 van de grondwet. Die mogelijkheid staat juridisch nog geenszins vast. Het valt overigens niet te voorzien, dat de commissie haar advies zal hebben uitgebracht en het (nog te vormen) nieuwe kabinet daaromtrent haar standpunt zal hebben bepaald, voordat de kamers der Staten-Generaal in tweede lezing geroepen worden over dit herzieningsvoorstel hun oordeel te geven. De Staten-Generaal kunnen hierover pas een verantwoorde beslissing nemen, als de mogelijkheid wordt geboden tegelijk over het grondwetsartikel en over de te treffen nieuwe wettelijke regeling een oordeel uit te spreken.- De schrapping van artikel 185 van de grondwet is geen dringende zaak, zodat er geen genoegzame gronden aanwezig zijn daartoe over te gaan, voordat zekerheid is verkregen omtrent de juridisch-technische mogelijkheid van een billijke afkoopregeling en inzicht is verschaft omtrent de Inhoud van die regeling.

Standpunt ds. Abma

De door ons onder a tot en met d geformuleerde bedenkingen tegen vorenbedoelde deconstitutionalisering worden ook door ds. Abma. getuige diens kamerredevoering (en trouwens ook door mr. Scholten van de CHU) volmondig gedeeld. Het principiële standpunt van ds. Abma kwam in hoofdzaak op het volgende neer.

Voor de SGP is de verhouding tussen kerk en staat een gewichtige aangelegenheid. Omtrent die verhouding dient een en ander in de grondwet verankerd te liggen. Daarom heeft ds. Abma overwegende bezwaren tegen een transportering van artikel 185 naar de overgangsbepalingen in de grondwet.

'Uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis blijkt volgens ds. Abma, dat de staat geroepen is bepaalde diensten te verrichten ten bate van de kerk. zonder dat de staat zich ook maar op enigerlei wijze mag bemoeien met de interne en essentiële taken en zaken van de kerk. Ook in de Heidelbergse Catechismus (Zondag 38) staat, dat de kerkedienst en de scholen moeten worden onderhouden. Daarbij is ook een taak voor de overheid weggelegd. Het is tegen de waardigheid van de kerk zonder meer de hand op te houden om uit een bepaalde subsidiepot een en ander te ontvangen. De kerk moet zich niet opstellen als een subsidiabele grootheid, alsof die kerk iets behoeft. Het gaat hierbij dus niet. zoals wel is betoogd, o.a. in het rapport van j3e commissie-Van Walsum. om een bepaalde maatschappelijke houding te honoreren of om vervangend staatswerk geldelijk tegemoet te treden.

Het kan ook stellig niet de bedoeling zijn het kerkewerk zo te kneden, dat het als een soort sociale of maatschappelijke bezigheid subsidiabel gaat worden. Het gaat in de eerste plaats niet om een gave, om geld; de Apostel zegt: Ik zoek niet de gave, maar de vrucht. Het is een roeping en ook een eer voor de staat om ten aanzien van de kerk diensten te verlenen. De staat mag ten aanzien van de kerk niet een neutrale houding aannemen. Hij (ds. Abma) bepleit dit in eerste Instantie niet ter wille van de kerk, maar ter wille van de staat zelve.

Tegen veel wat uit het rapport-Van Walsum naar voren is gekomen, heeft ds. Abma overwegende bezwaren. Hetgeen in dat rapport wordt aanbevolen, acht hij geenszins de oplossing.

Standpunt Jongeling

De heer Jongeling is geporteerd voor boedelscheiding tussen kerk en staat. Daarom is hij ook in principe voor schrapping van artikel 185 van de grondwet. Hij is wel een groot voorstander van vereniging van staat en Evangelie, vóór binding van de overheid aan de wet Gods, zoals die ons in 'de Tien Geboden is samengevat. De heer Jongeling is echter van mening, dat zowel om principiële als om praktische redenen subsidie aan de kerk een zeer hachelijke zaak is. De overheid zal dan moeten bepalen waar werkelijk het Evangelie wordt gebracht. Hoewel hij zich zeer goed overheidspersonen kan voorstellen die dat in bepaalde situaties naar de Schrift zouden kunnen doen, is dit niet hun ambt om dat te doen. Daartoe zijn zij niet geroepen. Daar heeft de Here God andere mensen voor aangesteld, die in de kerk toezicht moeten houden op de leer. Afgezien van deze principiële bezwaren, meent de heer Jongeling, dat men met al die uitkeringen ook in de praktijk zou vastlopen. 

Met de voorgestelde deconstitutionalisering kon de heer Jongeling zich verenigen, omdat dit kabinet het stuurt in de richting van een afkoop, waarmee hij het van harte eens is.

Tot besluit van dit artikel willen wij bij de verkorte weergave van de standpunten van ds. Abma en de heer Jongeling nog enkele opmerkingen onzerzijds plaatsen. 

1. Ook zelfs wanneer men in principe voorstander is van de schrapping van artikel 185 van de grondwet en de overheveling van dit artikel naar de additionele artikelen, dan achten wij deze deconstitutionalisering onder dr gegeven omstandigheden en in de gekozen vorm niet aanvaardbaar. Wij delen dan ook de bezwaren van ds. Abma op dit punt. 

2. In artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat, dat de overheid de hand moet houden aan de heilige kerkedienst. Dit wil uiteraard niet zeggen, dat zij deze dienst moet organiseren en inrichten. Wel behoort de overheid deze dienst te beschermen. De overheid moe*, de kerk van overlast vrijwaren en moet voor haar volle ruimte geven. Dit wordt ook gezegd in de woorden: „het Koninkrijk van Christus te doen vorderen en het Woord des Evangelies overal te doen prediken". 

Mr. Scholten (CHU) heeft in de Tweede Kamer o.a. opgemerkt, dat de overheid de taak heeft de kerk als van eigen rechte te erkennen en de ruimte te bieden haar werk te doen. Onder dit laatste valt z.i. ook de ruimte in financieel opzicht. 

3. Niet ontkend kan worden, dat de overheid thans op een aanzienlijk groter deel van de particuliere inkomens beslag legt dan vroeger. Daar komt bij, dat als gevolg van de sterk voortschrijdende ontkerkelijking en ontkerstening de stijgende financiële lasten van de kerken moeten worden gedragen door een steeds geringer wordend aantal lidmaten van die kerken. Er bestaat momenteel reeds een fiscale aftrekregeling voor giften. Deze regeling maakt echter geen onderscheid tussen giften en bijdragen aan de kerken en aan andere instellingen. De belastingwetgeving scheert de in Nederland gevestigde kerkelijke, liefdadige, culturele, wetenschappelijke en het algemeen nut beogende instellingen alle onder één kam. Dit lijkt ons niet juist. Wij zouden een bijzondere fiscale aftrekregeling voor giften en bijdragen aan de kerken willen bepleiten, bijvoorbeeld, dat door het geven van een bepaald bedrag aan de kerk een veelvoud daarvan voor belastingaftrek in aanmerking zou komen. Hierdoor zou voor de kerken meer financiële ruimte ontstaan, terwijl het geven van hogere particuliere bijdragen door de lidmaten der kerk én wordt mogelijk gemaakt én wordt gestimuleerd. Op deze wijze zou de overheid aan de kerken diensten bewijzen zonder dat het gevaar ontstaat van staatsinmenging in de eigen aangelegenheden van de kerken. Hier bedoelde regeling doet ook geen afbreuk aar. de offervaardigheid van de kerkleden. Tenslotte vormen de inkomsten van de lidmaten van de kerken een betere maatstaf ter bepaling van een billijke overheidsbijdrage in de kosten van het kerkelijk leven. Als de weg van overheidssubsidie zou worden ingeslagen, is het gevaar niet denkbeeldig, dat het subsidiepercentage zal stijgen naarmate de particuliere bijdragen zullen afnemen. Dit zou ertoe kunnen leiden, dat de overheidsbijdrage aan die kerkgenootschappen het grootst zou zijn, waar nog nauwelijks van een geestelijk leven, laat staan van een gezond geestelijk leven meer zou kunnen worden gesproken.




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 juni 1971

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

DE „ZILVEREN KOORDE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 juni 1971

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken