Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET PROCESSIEVERBOD OP DE HELLING (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET PROCESSIEVERBOD OP DE HELLING (II)

PRINCIPIEEL VERZET BLIJFT GEBODEN

22 minuten leestijd

Overeenkomstig de suggestie van de samenstellers van de Proeve van een nieuwe Grondwet stelt de staatscommissie inzake de grondwet en de kieswet voor, artikel 184 van de grondwet te wijzigen als volgt: „Het recht openbare godsdienstoefeningen te houden wordt erkend. De wet regelt de bevoegdheid een voorgenomen godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen te verbieden, indien dit ter handhaving van de openbare orde vereist is".

Voorts geeft de staatscommissie in overweging een additioneel artikel in de grondwet op te nemen van de volgende Inhoud: „De wet, bedoeld in het derde lid van artikel 6, wordt binnen 5 jaar voorgedragen. Tot haar inwerkingtreding blijft de volgende bepaling van kracht: „Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de nodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust. Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten".

Dit voorgestelde additionele artikel wijkt in zoverre af van het door de samenstellers van de Proeve in overweging gegeven aanvullend grondwetsartikel, dat in laatstbedoeld artikel niet de bepaling voorkomt, dat de in de/nieuwe grondwetsbepaling bedoelde wet binnen 5 jaar moet worden voorgedragen.

Regeringsvoorstel

Het door de regering voorgestelde grondwetsartikel wijkt redactioneel enigszins af van de door de staatscommissie aanbevolen grondwetsbepaling. Volgens laatstbedoelde bepaling kan een openbare processie worden verboden, indien dit ter handhaving van de openbare orde vereist Is. In de door de regering beoogde grondwetsbepaling zijn de laatste woorden vervangen door de woorden „ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden". De regering meent, dat de woorden „ter handhaving van de openbare orde" aanleiding kunnen geven tot misverstand. Immers, het begrip „openbare orde" wordt ook in andere grondwetsbepalingen gebezigd. In die bepalingen heeft dat begrip een ruime strekking, terwijl de term in het onderhavige artikel in veel beperktere zin is bedoeld. Die beperktere strekking wordt volgens de regering beter tot uitdrukking gebracht door het woord „wanordelijkheden".

Advies interkerkelijk contact in overheidszaken

Het laat zich aanzien, dat de voorgenomen opheffing van het in de grondwet vastgelegde processieverbod niet op weerstand van enige betekenis zal stuiten. In deze opvatting zijn wij gesterkt na lezing van het in december 1967 aan de regering uitgebrachte advies van het Interkerkelijk contact in overheidszaken. Ten aanzien van de processie wordt in dit advies onder meer het volgende opgemerkt: „Wat de processie betreft, niet te ontkennen valt, dat de tegenwoordige regeling — een „bevriezing" van de In 1848 geldende praktijk — (door de Hoge Raad overigens niet in strijd met het verdrag van Rome van 1950 verklaard) op zichzelf weinig elegant is. Praktisch heeft zij echter het voordeel gehad, dat voor deze, in de verhouding der kerken gevoelige materie een vaste lijn was gegeven. Een wijziging van de bepaling in dier voege, dat de toelaatbaarheid van een processie uit een oogpunt van openbare orde en rust van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld, schijnt dan ook op zichzelf niet erg aantrekkelijk te zijn. Intussen mag worden vastgesteld, dat in de verhouding van de protestantse kerken en de rooms-katholieke kerk hier te lande een ontwikkeling is te zien, die voor het begrip voor elkanders standpunt ook op dit punt gunstig mag worden geacht, zodat vertrouwd mag worden, dat conflicten zullen worden vermeden. Kn bovendien is wat in de katholieke kerk gaande Is van grote betekenis mede voor de vormen van godsdienstige uiting en beleving en mag worden verwacht, dat aldus in die Kerk zelve de processies hun betekenis zullen verliezen. De kerken menen daarom, dat tegen het voorstel in de „Proeve", welke anders dan het voorstel van de meerderheid van de commissie-Van Schaik

waarbij reeds aanstonds de bevoegdheid tot verbod in handen van de burgemeester werd gelegd — de bestaande situatie voorshands handhaaft, geen overwegend bezwaar behoeft te worden gemaakt".

Bezwaren

De bezwaren, die veelal tegen het houden van openbare proceesies plegen te worden aangevoerd, zijn van drieërlei aard: 

1. de plicht van de overheid om te waken tegen afgoderij op publiek terrein;

 2. gevaar voor ordeverstoring; 

3. aantasting van de geestelijke vrijheid van de niet-rooms-katholieken („andersdenkenden").

Volgens de klassieke AR-opvatting mag van de overheid niet worden gevergd, processies als uiting van afgoderij te moeten weren. In deze staatsopvatting is de rechtsgrond voor het processieverbod gelegen in de taak van de overheid om aantasting van de geestelijke vrijheid van andersdenkenden te voorkomen.

Om dit duidelijk te maken, willen wij in herinnering roepen hetgeen prof. dr. G. C. Berkhouwer ruim 20 jaar geleden in het dagblad „Trouw" met betrekking tot de taak van de overheid in dezen heeft opgemerkt: „Maar er is ook een taak voor de overheid. Want het gaat in de processie niet meer om het brengen van een boodschap, die stelt voor een beslissing, maar om een principieel in beslag nemen van het terrein van het openbare leven. Tegen deze beslaglegging heeft de overheid de vrijheid van geloof en geweten van de niet-roomsen te handhaven en te waarborgen, niet uit hoofde van een libertinistische of natuurrechtelijke vrijheidsidee, maar om het zuiver houden van de verhoudingen tussen kerk en volksleven. Stellig moet God ook in het openbare leven worden gediend. Maar de dienst, de litourgia, waartoe de overheid naar Romeinen XIII wordt geroepen, staat wel ver van de proclamatieve cultus der processie, die God met glans en praal wil indragen in het openbare leven".

Volgens het in ons vorig artikel reeds genoemd AR-rapport inzake het processieverbod, draagt de processie een ander karakter dan de straatprediking: de processie vergunt de burger niet meer in de sfeer der openbare vrijheid zijn beslissing te nemen, maar brengt de cultuur in absolutistische zin op straat en tast daardoor de godsdienstvrijheid aan. De rechtsgrond voor de handhaving van het processieverbod in de Grondwet is in vorenbedoeld rapport aldus aangegeven: „In de staat der rechtheid was de mens vrij, d.w.z. hij diende God in vrijheid. De val in zonde bracht de gebondenheid. De mensen werden, levende in boosheid en 'nijd, hatelijk en elkander hatende; voor haar doel heeft de overheid tot taak orde in dezen te handhaven. Daarvoor moet zij bindingen opleggen. Maar de bindingen hebben tot doel, de mens in beginsel te hergeven zijn oorspronkelijke vrijheid. Zijn Schepper, in Jezus Christus, de Verlosser, in alle levensverhoudingen te dienen. Daarom is de vrijheid van geweten, van godsdienst en godsdienstoefening een goed, waaraan de overheid niet behoort te raken... zolang deze vrijheid riiet de vrijheid van geweten, van godsdienst en van godsdienstoefening van de ander aantast. Dan behoort de overheid weer te binden om de vrijheid van die ander te herstellen. Hier ligt de grond voor het processieverbod. Niet de belemmering dergenen, die niet „van de ware religie zijn" in hun cultus — zoals op Rooms spoor in de 17e en 18e eeuw het motief was en in Roomse landen jegens de protestanten heden ten dage nog is — noch de wens uitbarstingen van godsdiensthaat te voorkomen — het overigens respectabele en onder omstandigheden zeker gerechtvaardigd motief der 19e eeuw — maar de bescherming der vrijheid van godsdienst tegen een cultus, die zich in absolutistische zin aan anderen tracht op te leggen, is voor ons heden ten dage het motief voor het processieverbod".

Hervormde kring

In Nederlandse Hervormde kringen zijn tegen een eventuele opheffing van het processie-verbod in het verleden bezwaren van de volgende strekking aangevoerd (zie Hervormd Nederland van 19 augustus 1961): 

1. Het processieverbod dient ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, d.w.z. van de niet-rooms-katholieken; 

2. opheffing van het processieverbod zou een ongewenste wijziging in onze staatsen levensorde teweeg brengen; 

3. De opheffing van het processieverbod zou de goede verstandhouding tussen de rooms-katholieken en de reformatorisch gezinde staatsburgers in gevaar kunnen brengen.

Het vroegere Chr. Hlst. Kamerlid F. A. de Wetering formuleerde zijn bezwaren tegen een vrije processleregeling aldus: „Wanneer we in de toelichting van het Concilie van Trente en de pauselijke encycliek van 1925 over het Koningschap van Christus op ons hebben laten inwerken, zo kunnen we objectief gesproken tot geen andere conclusie komen, dan dat 'n vrije processieregeling alleen thuis hoort in een rooms-katholiek staatsbestel. We leven in Nederland gelukkig niet onder zodanig staatsbestel".

„Wie zich stelt achter de Roomse eis tot volledige wettelijke opheffing van het processieverbod, daarmee de straat tot kerk maakt, de democratie geweld aan doet, de demonstratie in agressieve zin bevordert, werkt mee aan een snelle re-katholisering van ons volk en schaart zich achter hen die Schaepman's visie begeren: emancipatie, katholieke macht, Rooms-Nederland" (Zie „Koningin en Vaderland" van 25 februari 1955 en 4 maart 1955).

De conclusie, welke genoemd Kamerlid destijds trok, lijkt ons juist. In de encycliek over het Koningschap van Christus zegt de paus immers dat het Roomse volk Jezus als de door God gegeven Koning „uit de stilte en de verborgenheid van het gewijde kerkgebouw als een triomfator langs de straten der steden wil geleiden om Hem in al zijn Koninklijke rechten te herstellen". Voorts herinnert de paus in die encycliek aan het laatste oordeel, waarin Christus zijn wering uit het openbare leven zal wreken. De paus wenst dé straat tot kerk te zien verheven. 

In protestants-christelijke kringen heeft men vooral bezwaar tegen de zogenaamde sacramentsprocessie. Dit is o.i. niet verwonderlijk, wanneer men in dit verband kennis neemt van de conclusie van Trente, sessio XIII caput 5, waaraan wij het volgende ontlenen: de sacramentsprocessie wordt door de Rooms-Katholieken gezien „als een openlijke overwinning van de waarheid op de leugen en als de triomf over de ketterij, terwijl er van verwacht wordt, dat de tegenstanders der kerk, bij het aanschouwen van de glans en de schittering van de unieversele kerk krachteloos en gebroken zullen vergaan of beschaamd en ontdaan tot zichzelf komen". Men moet wel beseffen, dat deze pauselijke uitspraken nimmer zijn herroepen.

Ds. F. H. Landsman schreef in 1961 in „Hervormd Nederland" onder meer het volgende: „De ervaring hier te lande en over de grenzen leert, dat als er een sacramentsprocessie wordt gehouden ermee wordt gerekend, dat alle zakenmensen van hun „verdraagzaamheid" blijk geven door het aanbrengen van versieringen aan hun winkelpanden en dat alle voetgangers knielen of althans een teken van eerbied geven, dan wel... een straatje omlopen. De openbare weg, die voor allen is, is heiligdom geworden voor een cultus die evangelische christenen tegen de borst moet stuiten, en die bovendien hun vrijheid aantast. Als ook in .streken van ons land, waar een groot deel van de bevolking niet roomskatholiek is, sacramentsprocessies zouden worden gehouden, betekent dit het begin van een wijziging In onze staats- In levensorde, waarvan de betekenis niet moet worden onderschat".

Het AR-rapport

Door processies probeert Rome de straat onder zijn beslag te krijgen. Hierbij moeten we niet over het hoofd zien, dat we hier te doen hebben met een symptoom: de kerk van Rome en de Paus van Rome eisen in principe het recht op ook de staat aan het geestelijk gezag ondergeschikt te maken. (Toepassing van de leer der twee zwaarden).

In het destijds verschenen AR-rapport inzake het processieverbod werd gepleit voor de totstandkoming ^an een regeling, waarbij het toelaten van processies aan het plaatselijk bestuur wordt overgelaten echter onder hoger toezicht en wel met dien verstande dat het plaatselijk genomen besluit eerst effect kan hebben, nadat het hoger gezag is ingeschakeld. Een dergelijke regeling zou in ieder geval een opheffing van get processieverbod hebben betekend.

Aan genoemd rapport hebben de heren H. J. Lonkhuijsen en prof. dr. J. Severijn indertijd een minderheidsnota toegevoegd, waarin met klem de handhaving van het processieverbod werd verdedigd. Een markante passage uit die nota laten we hieronder volgen: „De overheid heeft er voor te waken, dat de heerschappij Gods, die gepredikt en geloofd wil worden, inderdaad vrij kan worden gepredikt en geloofd. Daarom heeft ze op te komen voor de vrijheid als de sfeer, welke bij de verkondiging past, omdat de mens, tot wie de verkondiging zich richt alleen dan een echte beslissing kan nemen. Daarom moet er voor alle Nederlanders zijn vrijheid van geweten, van eredienst, van propaganda. Maar de vrijheid, de straat tot kerk te maken, ware juist een aantasting op de vrijheid, daar zij de vrijheid der anderen om op straat zichzelf te zijn opheft. Daar de overheid de handhaafster der vrijheid in het publieke leven is, behoort zij het processieverbod te handhaven. Niet de tegenstand tegen opheïfing van het processieverbod is onverdraagzaam, maar juist het verzoek tot opheffing, (zie blz. 46 van het rapport).

In artikel 184 van de Grondwet kan niet een discriminatie en exceptie worden gezien ten nadele van de rooms-katholieken. In een uit historisch oogpunt belangwekkend artikel in „De Telegraaf" van 18 mei 1957 onder de titel „Godsdienstvrijheid en processieverbod" heeft prof. dr. C. Gerretson aangetoond, dat tijdens de periode van de oude Republiek de ongeschreven fundamentele wet was ontstaan, dat geen openbare eredienst buiten gebouwen werd gedoogd. De in 1848 tot stand gekomen grondwettelijke regeling inzake openbare godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen is dan ook niet een tegenover de rooms-katholieken in het noorden discriminerende maatregel, doch alleen een maatregel ter handhaving van de voor alle kerken, inclusief de vroeger heersende hervormde, sedert eeuwen geldende standregel: geen openbare eredienst op openbaar terrein plus een exceptie ten bate van de rooms-katholieken, die hierbij boven de overige landzaten werden begunstigd. Dat dit ook zo werd verstaan, blijkt duidelijk uit de redevoering van Van Lijnden in de dubbele Kamer: „In een land als het onze is het wellicht wijs en voorzichtig, alle openbare godsdienstoefeningen binnen de muren der gebouwen te beperken. Maar waarom dan een uitzondering toegelaten? Een uitzondering (ten gunste der r.-katholieken), die ik te meer moet afkeuren, omdat da rechten van anderen (de protestanten) „worden gekrenkt".

Standpunt-Verhrugh

In ons eerste artikel hebben wij reeds opgemerkt, dat de staatscommissie Cals-Donner unaniem heeft geadviseerd tot opheffing van het grondwettig processieverbod. Dit is opmerkelijk, omdat van deze commissie onder meer dr. A. J. Verbrugh, algemeen secretaris van het Gereformeerd Politiek Verbond en thans fractiegenoot van de heer Jongeling in de Tweede Kamer, deel uitmaakte. In het rapport van de Staatscommissie treft men geen motieven aan — ook niet in de vorm van een voetnoot — waarom dr. Verbrugh zich in dezen bij het oordeel van de commissie heeft aangesloten. Dit zou — zo dunkt ons — uit een oogpunt van duidelijkheid in de politiek wel wenselijk zijn geweest. Immers, zowel het Rapport Politieke Richtlijnen 1901 van het GPV als het Program van Richtlijnen voor de Nationaal Gereformeerde politiek van het GPV maakt in niet onmiskenbare bewoordingen bezwaar tegen de openbare processievrijheid.

In het rapport van 1961 wordt o.m. opgemerkt, dat het niet juist is, dat het toestaan van processies vrijheid van godsdienstig belijden betekent. Want dit is geen godsdienst belijden, maar inlijving van de openbare straat bij de R.K. Kerk en een aanmatiging van de wereldlijke macht door de R.K. Kerk, waardoor de scheiding van kerk en staat op dit punt wordt ongedaan gemaakt en het volk in de straten juist niet langer vrij is om zijn God te belijden. Vrijheid van godsdienstig belijden sluit daarom in dat processies niet kunnen worden toegestaan.

In art. 5 van het Richtlijnenprogram van het GPV staat o.m., dat de overheden erop moeten toezien, dat geen kerk of geestelijke secte een dwingende macht in de openbare samenleving vormt. In de Toelichting op genoemd program wordt o.a. gezegd, dat artikel 5 zich ook keert tegen processies (sacramentsprocessies), waarbij Christus in broodsgedaante op de openbare straat zou worden gebracht. Want vaak achten rooms-katholieken de voorbijgangers niet vrij zich hiervan iets aan te trekken. Tegen straatpredikers, houders van politieke optochten enz. keert het desbetreffende artikel zich niet, omdat deze groepen de vrijheid der voorbijgangers in het algemeen royaal erkennen.

De hoofdredactie van dit blad heeft er reeds in een hoofdartikel van 31 maart 1971 op gewezen, dat in dit opzicht een duidelijk verschil is tussen dr. Verbrugh en de SGP. Wij wagen het vooralsnog te betwijfelen, of de houding van dr. Verburgh in de staatscommissie op dit punt de onverdeelde instemming in SGV-kringen zal verwerven. Alhoewel het „Nederlands Dagblad" hieraan tot dusver voorbij is gegaan, nemen wij voorshands aan,dat de heer Jongeling, gezien diens artikelen-reeks over het processieverbod in genoemd blad van 25, 26, 27, 28 en 29 augustus 1964, met Verburgh's houding in de staatscommissie toch niet zo erg ingenomen zal zijn.

Verdediging

Ter verdediging van zijn standpunt in de staatscommissie wijst dr. Verbrugh — in een ingezonden stuk in het RD van 17 april 1971 — op hetgeen de staatscommissie op blz. 62 van het Tweede Interimrapport schrijft. „Zulks houdt overigens niet in, dat van de medeburgers een andere houding dient te worden gevergd ten aanzien van de openbare godsdienstoefening dan ten aanzien van de betoging; de voorgestelde bepaling heeft niet de strekking niet-deelnemers aan de openbare godsdienstoefening tot het betuigen van eerbied te verplichten. Dit neemt echter niet weg dat de grondwet tussen godsdienstoefeningen en betogingen dient te onderscheiden".

Volgens dr. Verbrugh zal het vorenstaande niet de instemming hebben van sommige, vooral oudere rooms-katholieken, die de burgers juist wel tot het betuigen van eerbied wilden dwingen. Van hun standpunt gezien is hier sprake van een compromis: wel processievrijheid, maar uitdrukkelijk vermelding, dat er geen werkelijke verplichting tot het betuigen van eerbied is.

Voorts wees dr. Verbrugh er op, dat, indien hij de methode van een minderheidsstandpunt zou hebben gevolgd, de kans groot zou zijn geweest, dat de grote meerderheid in de commissie voor de processievrijheid de kwestie van de eerbied wellicht ongemoeid zou hebben gelaten, in welk geval niets zou zijn bereikt.

Wij achten het aan gerede twijfel onderhevig, dat bedoelde passage in het rapport van de staatscommissie achterwege zou punt van de processievrijheid een minderzijn gebleven, indien dr. Verbrugh op het heidsstandpunt zou hebben vertolkt. Immers, reeds in het meerderheidsrapport van de staatscommissie — Van Schaik — kwam de passage voor, dat van andersdenkenden geen enkele betoon van instemming of eerbied wordt verlangd, niettegenstaande een minderheid in die commissie het processieverbod onverzwakt gehandhaafd wenst te zien en een andere minderheid de r.k. processies slechts wilde toelaten, indien genoemd kerkgenootschap in de betrokken burgerlijke gemeente tenminste tweederde der bevolking omvat.

Dr. Verbrugh had naar ons gevoelen er beter aan gedaan zich aan het minderheidsrapport van de staatscommissie Van Schaik te conformeren.

Ingeval de desbetreffende passage in het meerderheidsrapport dan inderdaad achterwege zou zijn gebleven, zou hij daarin een korte noot hebben kunnen doen plaatsen onder verwijzing naar bedoelde passage uit het meerderheidsrapport van de staatscommissie Van Schaik. Indien dr. Verbrugh een dergelijk standpunt op het punt van de processievrijheid in de staatscommissie zou hebben ingenomen, zou dit hem vooral in conservatief rooms-katholieke kringen niet in dank zijn afgenomen, omdat men juist in die roomse kringen nog sterk geporteerd is voor het regelmatig houden van sacramentsprocessies.

Wij betreuren het, dat dr. Verbrugh zijn medewerking heeft verleend aan de totstandkoming van een zeer twijfelachtig compromis op het stuk van de processievrijheid binnen de staatscommissie, om niet te spreken van een schijncompromis. In onze ontkerstende samenleving is het ten enenmale ondenkbaar, dat van de vele niet-christenen, alias ongelovigen, in redelijkheid kan worden verwacht, dat zij eerbied zullen betuigen met betrekking tot de door de r.k. clerus georganisserde openbare sacramentsprocessies. Mede om deze r eden menen wij, dat bedoelde passage ook wel in het rapport van de staatscommissie zou zijn opgenomen, indien dr. Verbrugh terzake een minderheidsstandpunt zou hebben ingenomen.

Hoofdbestuur SGP

In het voorlopig antwoord van de Contactvergadering GPV/NEV op vragen van de minister van Binnenlandse Zaken inzake de grondwetherziening naar aanleiding van het verschijnen van de „Proeve" werd niet met zoveel woorden bezwaar gemaakt tegen de eventuele opheffing van het grondwettelijk processieverbod. Wel werd daarin bepleit in de grondwet vast te leggen, dat geen kerkgenootschap een dwingende macht in de samenleving vormt. Het zou onzes inziens duidelijker zijn geweest, indien door genoemde Contactvergadering tegen het voorstel van de Proeve om het in de grondwet neergelegde processieverbod op te heffen nadrukkelijk bezwaar zou zijn gemaakt.

Dit heeft wel het hoofdbestuur van de SGP gedaan in zijn in januari 1968 aan de minister van Binnenlandse Zaken uitgebrachte advies in verband met de grondwetsherziening. Op blz. 3 van dit advies merkte dit hoo'xdbestuur — o.l. volkomen terecht — het volgende op: „Het hoofdbestuur kan zich op principiële gronden niet verenigen met de redactie van art. 5 der Proeve, voor zover deze de weg tot algemene processievrijheid opent, zij het dan dat ten gevolge van art. 1, lid 3, van de additionele artikelen de bestaande toestand voorshands niet wezenlijk wordt gewijzigd. Mede gezien de overweging, welke heeft geleid tot de openeming van bovenbedoelde additionele bepaling is de vraag gewettigd, of de opheffing van de begrenzing van de mogelijkheid tot het houden van processies, welke uit de redactie van art. 184 der bestaande grondwet kan voorvloeien, ook feitelijk wel gewenst is. Bovendien mogen we niet nalaten uit te spreken, dat in art. 5 der Proeve niet tot zijn recht komt de bijzondere roeping, die, naar onze overtuiging, de overheid heeft ten opzichte van de christelijke religie, die trouw is aan Gods Woord en de Nederlandse Geloofsbelijdenis".

In haar commentaar op het ingezonden stuk van dr. Verbrugh in het RD van 17 april 1971 wees de redactie er op, dat naar reformatorische opvatting de processie op de openbare weg niet kan worden geduld. Immers, in de (sacraments)processie wordt datgene rondgedragen, wat de HC in vraag en antwoord 80 veroordeelt als een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij. 

Nu is van AR-zijde steeds betoogd, dat van de overheid niet mag worden gevergd, processies als uiting van afgoderij te weren. Deze opvatting van de ARP hangt nauw samen met de betekenis van artikel 36 van de NGB voor de overheid. In dit artikel komen namelijk de bekende 21 woorden voor, die door de Generale Synode der Gereformeerde Kerken van 1905 zijn geschrapt. Daarin wordt gesteld, dat het tot het ambt van de overheid ook behoort de hand te houden aan de heilige kerkedienst om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst om het rijk des antochrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen.

Volgens Calvijn moet de overheid met het zwaardrecht ((dit is nog wat anders dan met het zwaard) de ketterij bedwingen. Ook prof. dr. K. Schilder heeft destijds erkend, dat de overheid een positieve taak heeft ten aanzien van de beteugeling van de ketterij. Volgens deze theoloog had de Synode van 1905 in art. 36 van de NGB moeten laten staan, dat de overheid met haar zwaardrecht een roeping heeft de ketterij — en dus ook de afgoderij — te bedwingen en te beteugelen. Daartoe behoort o.i. ook het weren van r.k. sacramentsprocessies op de openbare weg.

De redactie van het RD vestigde er nog de aandacht op, dat ook volgens Calvijn de overheid er voor moet zorgen dat er geen afgodendienst, geen heiligschennis van Goos Naam, geen lasteringen tegen Zijn waarheid en andere kwetsingen van de religie openlijk zouden opduiken en zich onder het volk verbreiden. Dit is o.i. ook de strekking van de 21 woorden uit art. 36 van de NGB. Uiteraard wordt daarin niet aangegeven, hoe en met welk middel de burgerlijke overheid die taak moet uitoefenen, want dat is een beleidsaangelegenheid van de overheid. Maar wel staat objectief vast, dat de overheid die positieve taak heeft te vervullen en van een christelijke overheid mag worden verwacht, dat zij die taak ook zal volbrengen.

Aanvechtbaar Advies

In het advies van Interkerkelijk contact in Overheidszaken werd er nog op gewezen, dat verwacht mag worden, dat in de r.k. kerk zelf de processies in betekenis zullen inboeten. Mede om deze reden heeft men thans er minder bezwaar tegen om het processieverbod uit de grondwet te lichten.

Ook al zou het juist zijn dat de processies geleidelijk in onbruik zouden raken en hun natuurlijke dood zouden sterven, een toegeven aan de algemene r.k. pretendan nog ligt in de vrijlating van processies tie, die achter deze zaak ligt. Ook hier geldt — aldus de heer Jongeling in het Gereformeerd Gezinsblad van 29 augustus 1964 — „aan de klauw kent men de leeuw". 

In genoemd advies wordt ook gesteld, dat, gezien het begrip voor elkanders standpunt er op mag worden vertrouwd, dat conflicten zullen worden vermeden. Daarmee wordt bedoeld, dat een eventuele opheffing van het processieverbod geen bezwaar meer zal opleveren voor aantasting van de openbare orde en rust. Wij tekenen hierbij aan, dat de rechtsgrond voor de handhaving van het processieverbod in de Grondwet in AR- en CH-kringen primair niet meer werd gezocht in de taak van de overheid om godsdienstconflicten tussen rooms-katholieken en protestanten te voorkomen, maar om de rechten en vrijheden van de niet-katholieken te beschermen. De oorzaak van de tolerante houding van de meeste protestanten moet vooral worden gezocht in het niet meer ernstig nemen van de Gereformeerde Belijdenisgeschriften en de daarmede samenhangende moderne oecumenische geest.

Ten slotte nog een opmerking over het regeringsvoorstel. Volgens dit voorstel zal — naar wij aannemen — de plaatselijke overheid in de toekomst het houden van processies nog alleen kunnen tegengaan ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Het maakt een groot verschil, of men voorgenomen processies kan verbieden ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden (negatieve omschrijving overheidstaak) dan wel ter handhaving van de openbare orde en rust d.w.z. ter handhaving van de ongestoorde uiterlijke rust en veiligheid in de staat en zijn delen (positieve omschrijving overheidstaak), In laatstbedoelde zin is de bevoegdheid van de overheid op het stuk van' het toelaten van processies belangrijk groter.

Derhalve zijn onze bezwaren tegen het regeringsvoorstel nog groter dan tegen het advies van de staatscommissie. Hierbij zij aangetekend, dat dit regeringsvoorstel deel uitmaakt van een groter geheel: een voorstel tot wijziging van de bepalingen inzake de grondrechten. De Kamerleden, die overwegende bezwaren koesteren tegen de processievrijheid, zullen mitsdien genoodzaakt zijn tegen het gehele regeringsvoorstel te stemmen.


Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 november 1971

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

HET PROCESSIEVERBOD OP DE HELLING (II)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 november 1971

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken