Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CONGRES POLITIEK-ECONOMISCHE MACHT IN NEDERLAND

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CONGRES POLITIEK-ECONOMISCHE MACHT IN NEDERLAND

Rapport Amsterdamse politicologen onvolledig

10 minuten leestijd

Waar wordt in Nederland de politiek-economische macht uitgeoefend? Wij nemen aan dat dit gebeurt in Den Haag door onze regering, die op haar beurt wordt gecontroleerd door het parlement. De regering kan alleen maar plannen uitvoeren die door de meerderheid van het parlement, dus door de meerderheid van het volk, acceptabel bevonden worden. Helaas worden door de regering meermalen voorstellen ingediend en door de volksvertegenwoordiging aanvaard, die de toets van Gods Wet niet kunnen doorstaan. De volksvertegenwoordigers die zich door de bijbel willen laten leiden, verzetten zich dan tegen dergelijke voorstellen en laten hun „tegen" horen als er gestemd wordt. Het is een goede zaak, dat de leden van de Staten-generaal mee kunnen denken over de plannen van de regering. Ook in de kerk is het niet zo dat alleen predikanten „regeren". Het „Formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen" zegt het in klassieke bewoordingen „Bovendien is het goed. dat bij de Dienaren des Woords zodanige mannen tot mede regeerders gevoegd worden, teneinde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worden alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken wanneer bij één alleen of bij zeer weinigen, de regering staat".

We kunnen het er dus mee eens zijn, dat er een parlement Is, dat toezicht houdt op en meedenkt met de regering.  Nu is er evenwel onlangs een onderzoek gepubliceerd van een politicologische werkgroep van de Universiteit van Amsterdam onder leiding van prof. dr. R. J. Mokken en drs. F. N. Stokman, waaruit men af zou kunnen leiden dat de eigenlijke beslissingen buiten de openbare controle om genomen worden. Enkele jaren geleden heeft vakbondsleider Mertens het gehad over 200 personen die in Nederland de touwtjes in handen zouden hebben. De Amsterdamse politicologen kwamen echter tot de conclusie dat het veel meer de instellingen, die door deze personen vertegenwoordigd worden, zijn die de macht vormen. Diezelfde personen worden dan in verschillende topfuncties of commissariaten benoemd waardoor zij dan een „netwerk" vormen. De betreffende studie beweert dan dat de grote banken in Nederland met de AMRObank aan de top een beslissende invloed op de Nederlandse economie uitoefenen. Prof. dr. J. R. van den Brink, president-directeur van de AMRO-bank wordt dan ook de „machtigste man van Nederland" genoemd.

Wat verwacht kon worden gebeurde: In een groot deel van de Nederlandse pers werd de lezer groot opgemaakt verteld dat hij via het parlement toch niets te vertellen had en dat de „geldcentra", de banken in ons vaderland, de dienst uitmaakten.

Het linkse weekblad „De Nieuwe Liniie" dat in grote financiële moeilijkheden verkeert — er zijn dit jaar 10.000 nieuwe abonnees nodig om het blad te laten voortbestaan — zag er wel iets in. Men organiseerde'deze-week in het gebouw van de Tweede Kamer een congres over „Het politiek-economische netwerk in Nederland". Onder voorzitterschap van het Eerste-Kamerlid voor de PPR, dr. Michel van Hulten, waren een groot aantal mensen uit allerlei sectoren van de samenleving bijeen om over dit onderwerp te spreken.

Deelnemers aan het congres waren onder meer: de Kamerleden Elsma (D'66), Van Amelsvoorts (KVP) en Nooteboom (D'66). De vafcbewegingsmensen Van Gorkum (hoofdbestuurslid CNV), Terpstra (economisch medewerker CNV) en Walravens (Actiegroep Naar een nieuwe vakbeweging). De welzijns-figuren Van Riemsdijk (Raad voor de Kunst), Wennen (lid Kritische Artsen), Eise Kalk (Werkgroep 2000) en Van der Lely (Vredesvraagstukken). Van der Pot, directeur-voorzitter van SALCO (Stichting Samenwerking Landelijk Centraal Orgaan voor vrijk-, buurt- en clubhuiswezen). De ambtenaren Koopmans (Inspecteur financiën voor de rijksbegroting) en Van Ommen (Hoofd Directie Jeugdzaken, Volksontwikkeling en Sport bij CRM). Wetenschappelijke wereld: Tijmes (filosofisch medewerker aan de Twentse TH). Oud-burgemeester Van Walsum van Rotterdam, die verscheidene commissariaten bekleedt. De ex-staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, Stijkel, directeur van de Nederlandse Dagblad Unie, mr. H. P. Talsma, vice-voorzitter van de VVD en directeur van de Telder-stichting. Dominee Spijkerboer uit Amsterdam.

Ook de secretaris van het VNO, de heer Hollander was aanwezig. Niet present waren de 57 personen die in het rapport genoemd worden als de „machtigen" in Nederland.

Dr. Van Hulten noemdie het begrijpelijk en aanvaardbaar dat velen van die personen geen tijd konden vrij maken. Vervelender vond hij het, dat verscheidenen onderling overleg pleegden. „De samenstelling van het congres mist nu een bepaald 'aspect, dat node gemist kan worden", aldus dr. Van Hulten.

Wel had dr. Van den Brink uitgebreid commentaar op het rapport gegeven in een gesprek dat hij had met de leiders van de studiegroep, de heren Mokken en Stokman. In het RD van woensdag hebben wij de kritiek van dr. Van den Brink reed. vermeld. Hij had er vooral bezwaar tegen, dat nu slechts een deelgebied onder de loep werd genomen, terwijl bij een verder onderzoek zou blijken, dat op andere gebieden soms veel meer macht uitgeoefend wordt. In dit gesprek had prof. Mokken erkend dat er in de publiciteit veel verdergaande conclusies waren getrokken, dan de projectgroep zelf had willen doen.

DRS. DE POUS

Voor de aanvang van het congres werd een ruim 23 pagina's tellende beschouwing van de voorzitter van de SER, drs. J. W. de Pous, uitgereikt.

De heer De Pous deelde in zijn beschouwing o.m. mee zeer wel te begrijpen dat de wetenschappelijke onderzoeker op het gebied van de invloeds- en machtsrelaties voor bijzonder grote moeilijkheden staat. Moeilijkheden in de eerste plaats met de objectieve waarneming, selectie en interpretatie van het feitenmateriaal, voorts met de verwerking van gegevens en het zoeken naar conclusies. Men is verder gedwon,gen te werken met een sterke schematisering en vereenvoudiging van de zeer gecompliceerde realiteit.

Zonder nader onderzoek is het zijns inziens niet geoorloofd te concluderen dat de Tweede Kamer een zeer zwakke positie in de politieke en economische elites inneemt. In een voetnoot noemt hij het ontbreken van het kabinet in de belangrijkste nationale economische en politieke instellingen die de projectgroep heeft opgesomd „een wat merkwaardige abstractie in een studie die de politieke elite wil opsporen".

Naar de mening, van de heer De Pous zijn de samenhang en het samenspel tussen overheid én .bedrijfsleven steeds inniger geworden. Zij moeten ook steeds inniger worden, wil een moderne samenleving functioneren en leefbaar blijven.

De heer De Pous merkte voorts op dat het ontoelaatbaar is bij een onderzoek naar beïnvloeding van de politieke en economische besluitvorming de communicatiemedia buiten beschouwing te laten. Ook de bedrijfstak medische en gezondheidsdiensten hoort zijns inziens bij zo'n onderzoek, evenals het accountantswezen.

Men is dan echter niet gerechtigd een conclusie met een normatieve tendens als: „zowel de Kamer als de (ex-)politieke partijen nemen een vrij marginale positie in dit hele netwerk in", of: „de AMRO gedraagt zich als een spil binnen het economische bestel", als een mammoet de bureaus der publiciteitsmedia te laten binnenvallen, zonder een dierenpark van voorbehouden mee te zenden, aldus drs. De Pous.

GOEDE RICHTING

Tenslotte stelde de SER-voorzitter de vraag of de groep zijn krachten wel in de goede richting had aangewend en of niet meer aansluiting had moeten worden gezocht bij de wegen naar maatschappijvernieuwing welke hier te lande momenteel reeds worden bewandeld, doch waaraan de samenstellers van het rapport helaas ten onrechte zijn voorbijgegaan. „In de rede die ik ter gelegenheid van de opening van het nieuwe SER-gebouw heb gehouden ben ik daarop ingegaan. Ik denk hierbij aan het nieuwe ondernemeningsrecht, aan de vernieuwing van het vennootschapsrecht, aan de Invoering van de fusie gedragsregels enz".

DISCUSSIE-GROEPEN

Op het congres, dat enkele malen in discussiegroepen uiteenviel en waaraan na loting ook een aantal bezoekers van de publieke tribune deelnam, werden vier kernvragen ter bespreking voorgelegd. Nagegaan moest worden, wat het effect van het netwerk voor de maatschappij is, met name op probleemgebieden als milieu, werkgelegenheid en regionale spreiding van de investeringen.

Voorts werd de vraag voorgelegd hoe de mensen, die in het netwerk zitten, het feit waarderen dat ze in het rapport getypeerd worden als buitenparlementaire beleidsbeslissers.

De derde vraag luidde in hoeverre een machtsconcentratie onvermijdelijk is bij de kapitaalverschaffirig en hoe de democratische controle daarop kan worden uitgeoefend.

Tenslotte stond bij de discussies centraal de vraag of onderzoeken als het onderhavige belangrijk zijn en ook op andere terreinen moeten worden ondernomen.

In de discussies kwam over het algemeen vrij snel naar voren, dat het verrichte onderzoek 'slechts een begin is. De discussiegroepen waren zo gevarieerd mogelijk samengesteld zodat er voldoende hoor en wederhoor mogelijk was. In één groep zaten bijvoorbeeld o.a. de PvdA-Kamerleden Ed van Thijn eri Scheffer, het KVP-Kamerlid Van Amelsvoort, die uit bankkringen afkomstig is en de VNO-voorzitter Hollander.

Vrij algemeen kwam uit de discussies in de groepen naar voren, dat het verrichte onderzoek nog maar een begin is. ET is niet onderzocht, hoe de aard is van de verbindingen en welke richting zij uitgaan. „Alleen de kanalen zijn aangewezen, maar er is niet gezegd, wat er door de kanalen vloeit", aldus een rapporteur.

Ook bleek de vraag gerezen te zijn of in het rapport de verwevenheid met de banken niet te overtrokken is voorgesteld, en of het wel juist is conclusies te trekken, als de grote concerns buiten de beschouwing blijven. Voorts waren er verscheidene discussiedeelnemers, die de aan commissarissen gedachte invloed te groot noemden.

MERTENS

Toen de heer P. J. Mertens meende, dat zijn indertijd gemaakte opmerking over het lijnenspel in de economische machtsverhoudingen bekend als „de 200 van Mertens" bevestigd is door de werkgroep van de Amsterdamse politicologen, merkte de economisch-directeur van AMRO fijntjes op, dat het tijd werd dat andere lijnen ook onderzocht werden, bijvoorbeeld wat de macht was van de „drie inclusief Mertens".

Algemeen was men het wel eens met de opmerking in het commentaar van drs. De Pous, dat in een moderne maatschappij het mondig geworden individu er recht op heeft te weten, hoe de samenleving waarin hij leeft en werkt in elkaar zit en functioneert. Elke bijdrage tot het meer doorzichtig maken van de maatschappijstructuren moet dan ook worden toegejuicht.

ONDERZOEKRAAD

Het „dagje Binnenhof" mondde uit in de aanvaarding van het voorstel om het weekblad „De nieuwe Linie", initiatiefnemer tot het congres, opdracht te geven een onderzoekraad in het leven te roepen die tot taak krijgt de door de universiteit van' Amsterdam verrichte studie op ruimere schaal voort te zetteii.

Uit de discussiegroepen van het congres kwam vrij algemeen de behoefte aan zo'n voortgezet onderzoek naar buiten. Een minderheid drong aan op het houden van een parlementaire enquête alvorens buiten het parlement aan hef werk te gaan. Met name de vroegere parlementariër drs. P. Janssen (PPR) meende dat het zonder een parlementaire enquête moeilijk valt vast te stellen of er sprake is van machtsmisbruik in onze samenleving.

Hel congres voelde echter meer voor de opvattingen van het socialistische Tweede-Kamerlid drs. H. van den Doel dat het onderzoek aan de universiteit moet kunnen worden voortgezet, maar dat er tevens plaats moet zijn voor een multidisciplinair onderzoek. Overigens wees hij de parlementaire enquate niet van de hand, aangezien deze de mogelijkheid inhoudt om mensen onder ede te horen.

De te vormen onderzoekraad, waarin allerlei maatschappelijke groeperingen een plaats moeten kunnen krijgen, zal onder meer gelden moeten verzamelen om de studie te kunnen bekostigen. De resultaten van het onderzoek moeten openbaar worden gemaakt.

Prof. Mokken was tevreden met deze dag. „Wij onderzoekers hebben misschien wel het meeste geleerd vandaag".

Bij verdere analyses zullen, naar «jn mening, ook andere indicaties dan commissariaten onder de loep genomen moeten worden, zoals bijvoorbeeld prijsafspraken. „Dit hangt echter sterk af van de toegankelijkheid van gegevens". Hij dacht ook aan machtsposities in andere sectoren die voor een onderzoek in aanmerking komen, zoals de vakbonden, de consumentenorganisaties, de invloed van de pers en de omroeporganisaties enz.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

CONGRES POLITIEK-ECONOMISCHE MACHT IN NEDERLAND

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1972

Reformatorisch Dagblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken