Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BINNENLEIDEN IN HISTORIE VAN NATUURWETENSCHAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BINNENLEIDEN IN HISTORIE VAN NATUURWETENSCHAP

Prof. dr. R. Hooykaas schreef leerzaam boek

11 minuten leestijd

Professor R. Hooykaas werd kort na de bevrijding hoogleraar in de geschiedenis der natuurwetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en doceert thans dit vak aan de Rijks Universiteit te Utrecht. Het boek dat we hier bespreken behelst de stof van de colleges die prof. Hooykaas de afgelopen kwart eeuw heeft gegeven.

Aanvankelijk waren deze alleen bestemd voor studenten in de natuurwetenschappen. Het is één van de idealen van prof. Hooykaas om met zijn colleges een brug te slaan tussen de zogenaamde alfa-vakken (rechten, geschiedenis, theologie, letteren e.d.) en bêta-vakken (wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie e.d.).

Prof. Hooykaas ziet zijn boek als een eerste kennismaking met de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Zelf schrijft hij hierover in zijn voorwoord: „Voorop stond voor mij, dat een inleiding tot de geschiedenis der natuurwetenschappen niet moest worden opgevat in de gebruikelijke zin van een kort overzicht, waarin over alle dingen gesproken maar van ieder vrijwel niets gezegd werd, maar een inleiding moest zijn in de zin van een binnenleiden in de geschiedenis, een eerste kennismaking met belangrijke feiten en problemen die in de ontwikkeling der natuurwetenschap een rol gespeeld hebben, zodat men in staat zou zijn zich met meer vrucht tot de studie van bijzondere onderwerpen te begeven en deze in breder verband te bezien".

Korte inhoud

Het boek bestaat uit twee delen: de oude natuurwetenschap (blz. 15-112) en de moderne natuurwetenschap (blz. 115-277).

Het eerste deel valt uiteen in drie hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de natuurwetenschap in de oudheid, in de middeleeuwen en in de renaissance wordt behandeld.

In de eerste drie hoofdstukken van het tweede deel wordt het ontstaan en de groei van de nieuwe natuurwetenschap beschreven (Kepler, Galilei, Descartes, Pascal, Huygens e.a.). Dit groeiproces vindt zijn voorlopig eind- en hoogtepunt bij Newton. In de overige negen hoofdstukken worden de volgende onderwerpen besproken:

De chemische revolutie, behoudswetten, biologische theorieën en classificaties, natuur en geschiedenis, de atoomtheorie, Lavoisiers erfenis (de verdere ontwikkeling van de chemie), het licht, de elektriciteit, atoombouw.

Een uitvoerige bibliografie en een personenregister completeren het geheel.

Ik wil ook nog wijzen op de fraaie afbeeldingen (47 in getal) van diverse handschriften en originele tekeningen, e.d., die in het boek zijn opgenomen.

Oude natuurwetenschap

Na deze inhoudsopgave wil ik op een paar punten wat dieper ingaan. Aangezien de oude natuurwetenschap grotendeels beheerst wordt door de ideeën van Plato en Aristoteles, wordt aan hen relatief veel aandacht geschonken.

De natuurwetenschap van oudheid en middeleeuwen typeert professor Hooykaas als organistisch en rationalistisch, Organistisch, omdat in allerlei beschouwingen over de natuur de overeenkomst met organismen uit de levende natuur een belangrijke rol speelde. Rationalistisch, omdat velen meenden door de rede van te voren (à priori) vast te kunnen stellen wat mogelijk en wat onmogelijk is in de natuur. Het logisch redeneren nam een te grote plaats in vergeleken met waarneming en proefneming. Aan de natuur worden bij voorbaat allerlei beperkingen opgelegd, omdat ze in overeenstemming moet zijn met de menselijke rede: de banen van de planeten kunnen alleen maar cirkelvormig zijn, in de sterrenhemel kunnen zich geen veranderingen voordoen, in de tropen kunnen vanwege de hitte geen mensen wonen, enz.

Veel van deze gevestigde meningen werden gelogenstraft door de ontdekkingsreizen. Om een voorbeeld te noemen: de Portugese zeevaarders ontdekten dat er wél mensen woonden in de tropen. In 1572 verscheen er een nieuwe ster, waaruit bleek dat veranderingen in de sterrenhemel wél mogelijk waren.

Nieuwe natuurwetenschap

Veelal laat men de nieuwe natuurwetenschap beginnen bij Copernicus, omdat deze niet langer de aarde maar de zon als het middelpunt van het heelal beschouwdie. Het is echter historisch gezien onjuist om van een „Copernicaanse omwenteling" te spreken. Het boek van Copernicus (,,De Revolutionibus", over de banen van de hemellichamen) baarde aanvankelijk weinig opzien.

_________________________________________________________________

De auteur van nevenstaande boekbespreking, drs. C. de Pater, studeerde wiskunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en had als hoofdvak voor zijn doctoraal examen de geschiedenis van de natuurwetenschappen, af te leggen bij prof. dr. R. Hooykaas. De heer De Pater is momenteel verbonden als docent Driestar te Gouda, terwijl hij tevens part-time wetenschappelijk medewerker is aan het instituut voor de geschiedenis der wiskunde en der anorganische natuurwetenschappen van genoemde universiteit.

____________________________________________________________________

Over de zoëven genoemde verschijning van de nieuwe ster in 1572 is in de zestiende eeuw veel meer geschreven dan over het boek van Copernicus.

Professor Hooykaas schrijft hierover: „De astronoom Nicolaas Copernicus (1473-1543) wordt vrij algemeen beschouwd als de man die de grote revolutie in het denken begon, waardoor de wetenschap van Oudheid en Middeleeuwen gescheiden is van die van de moderne tijd. Want, zo zegt men, hij ontnam de aarde, en daarmee de aardbewoners, de centrale plaats in het heelal en maakte haar tot een planeet onder de planeten. De anthropocentrische en theleologische (en dus ook de christelijke) wereldbeschouwing (d.w.z. de wereldbeschouwing waarbij de mens centraal staat, en waarin alles een bepaald doel heeft, d.P.) zou door hem de eerste schok gekregen hebben, die tot haar ondergang moest leiden.

Misschien is het goed om tegenover deze gemeenplaatsen een citaat van Copernicus zelf te stellen: „Het begon mij te verdrieten, dat de filosofen... geen zekere grond zouden hebben voor de bewegingen van de wereldmachine, die toch om onzentwil door de grote Maker geschapen is".

Pas sinds Kepler (1571-1630) vinden de ideeën van Copernicus meer en meer ingang. Professor Hooykaas begint dan ook zijn behandeling van de moderne natuurwetenschap bij Kepler.

Rede of waarneming

Het kenmerkende van de nieuwe natuurwetenschap is dat waarneming en experiment de belangrijkste plaats innemen, terwijl in de oude natuurwetenschap de menselijike rede centraal staat.

De ontdekkingsreizen hebben velen de ogen er voor doen open gaan, dat we ons hebben te buigen voor de feiten, zoals die zich aan ons voordoen, en dat we niet van te voren met onze rede hebben te beslissen hoe de natuur is, of hoe ze zich gedragen moet.

De heraut van de nieuwe natuurwetenschap is Francis Bacon (1561-1626). Men moet feiten verzamelen en kunstmatige experimenten verrichten om de natuur te leren kennen. Het is voor Bacon hoogmoed om, zoals de oude natuurwetenschap deed, van te voren uit te maken, hoe de natuur is. God heeft alles geschapen naar zijn vrije wil, en wij hebben alleen maar als een kind de natuur te aanvaarden, zoals we die uit Zijn hand ontwingen.

In de negentiende eeuw schreef Huxley (!) iets dergelijks: „De natuurwetenschap leert mij de grote waarheid besloten in de christelijke opvatting van een totale onderwerping aan de wil Gods. Aanvaard de feiten als een kind, wees bereid elke vooropgezette mening prijs te geven, volg de natuur in nederigheid, tot welke afgrond zij u ook leiden moge, of ge zult niets leren".

Dit betekent niet dat de rede in de nieuwe natuurwetenschap geen rol speelt. Door uitsluitend feiten en gegevens te verzamelen, beoefenen we geen natuurwetenschap. De natuuronderzoeker trekt ook conclusies uit de verzamelde feiten. We spreken in dit verband van rationeel empirisme.

Reformatie

Opmerkelijk is het feit dat een groot aantal aanhangers van Copernicus de reformatie is toegedaan. Juist in reformatorische kringen leeft het besef, dat we de natuur niet van te voren allerlei beperkingen op kunnen leggen, die ontsproten zijn aan de menselijke rede. De natuur is zoals God haar wil.

In Engeland waren vele Puriteinen copernicanen, terwijl op het vaste land de ideeën van Copernicus vooral ingang vonden in de landen die de Zwitserse reformatie toegedaan waren. (In Nederland o.a. de Zeeuwse dominee Philippus van Lansbergen).

Professor Hooykaas schrijft hierover: „De merkwaardige openheid van veel astronomen en theologen in de landen die de Zwitserse Reformatie volgden, houdt verband met hun afwijzing van de letterlijke opvatting van de in het geding zijnde Bijbelteksten (zoals Jozua's „Zon sta stil"). Zij meenden in navolging van Calvijn, dat de Bijbel, als hij over zaken spreekt die het wereldbeeld betreffen, zich aanpast bij de in de tijd van de menselijke auteur gangbare kennis. „Men zoeke er niet de astronomie en andere verborgen wetenschappen; het is een boek voor leken" (Calvijn). Ook oudere theologen hadden een zekere „accommodatie" aangehangen, maar Calvijn ging verder dan zij en stelde vast, dat het gangbare wereldbeeld niet overeenstemde met de letter van het Oude Testament, maar daarom nog niet onjuist behoefde te zijn" (blz. 122).

Calvijn

Ik wil hiervan zelf nog een voorbeeld geven. In zijn Genesis-commentaar bespreekt Calvijn het probleem, dat zon en maan in de Schrift de twee grote lichten genoemd worden, terwijl de wetenschap ons leert, dat er hemellichten zijn groter dan de maan. Calvijn schrijft hierover het volgende: „Dit verschilt, omdat Mozes voor het volk datgene beschreef, wat zonder wetenschap en kennis alle leken met gewoon verstand begaafd, verstaan". (Commentaar op Gen., blz. 38, M'burg 1900).

Elders schrijft hij: „Dit moet in 't oog gehouden worden, dat Mozes niet zuiver wijsgerig over verborgenheden redeneert, maar dat hij verhaalt, wat algemeen en aan onkundigen bekend is, en in het volksgebruik is opgenomen". (Commentaar op Gen., blz. 36, M'burg, 1900).

Op college vertelde professor Hooykaas ons het merkwaardige feit, dat de theoloog Voetius, die een felle tegenstander was van Copernicus, het Genesis-commentaar van Calvijn verbood aan zijn studenten, en in plaats hiervan het commentaar van een anti-copernicaanse jezuïet liet gebruiken!

Newton

Naarmate de natuurwetenschappen zich verder ontwikkelen. worden ze steeds vaktechnischer, en daardoor steeds minder toegankelijk, niet in de laatste plaats doordat de wiskunde een steeds grotere plaats in het geheel gaat innemen.

In zijn hoofdstuk „Philosophiae naturalis principia mathematica" (wiskundige beginselen van de natuurwetenschap) bouwt Newton (1642-1727) voort op de grondslagen die door Galilei. Kepler en Huygens gelegd waren. Bekend is de zogenaamde gravitatiewet van Newton, volgens welke twee lichamen elkaar aantrekken met een kracht die evenredig is met hun massa's en omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun afstand.

Over het aantrekkingsbegrip is een felle strijd gevoerd tussen aanhangers van Descartes (1596-1650) en de volgelingen van Newton. De cartesianen beschuldigden de newtonianen ervan, dat ze met het aantrekkingsbegrip een occulte (verborgen) eigenschap invoerden.

Newton bedoelde echter met ziin „gravitatie"-begrip geen verklaring, maar slechts een beschrijving te geven van een waargenomen natuurverschijnsel. Wat aantrekking is, het wezen ervan, kennen we niet. Helaas zijn niet alle volgelingen van Newton zo voorzichtig geweest. Velen raken zo vertrouwd met de woorden „aantrekking" en „zwaartekracht", dat ze het onderscheid tussen de beschrijving van een natuurverschijnsel en het wezen ervan uit het oog verliezen.

Door de successen die men met de gravitatie boekte in de natuurwetenschappen gaat in de 18e eeuw meer en meer de mening postvatten dat de door Newton geformuleerde natuurwetten toepasbaar zijn op alle mogelijke problemen eerst binnen, later ook buiten de natuurwetenschappen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

BINNENLEIDEN IN HISTORIE VAN NATUURWETENSCHAP

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken