Bekijk het origineel

Klagen vanwege de zonde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Klagen vanwege de zonde

9 minuten leestijd

"Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden".Klaagliederen 3 vers 39.

"Wat klaagt dan een levend mens?" Deze vraag stelt zich de profeet Jeremia, de man die ellende gezien heeft. Niets dan ellende en moeite was er op zijn weg. Door zijn volk veracht en verdacht. Door de Heere bezocht met vele tuchtigingen. Met de overgeblevenen van Jeruzalem tenslotte waarschijnlijk in het verre Egypte gestorven. Ja, als er één mens reden tot klagen had was het Jeremia wel.

En toch zegt deze profeet: „Een ieder klage vanwege zijn zonden". Het klagen is meer algemeen dan ooit. Hoewel levende in een tijd van voorspoed hoort men toch allerwege het klagen. Zo oud de mensheid is heeft het klagen bij de mens geleefd. Alle volken klagen. De ene klacht is nog luider dan de andere. Het ene volk klaagt over verkwijning van de koophandel. Het andere volk klaagt over te hoge belastingen. Weer andere volken over onderdrukking en willekeur der regeerders. Er is klagen onder de mensheid. De profeet roept de volken echter toe daarover niet te klagen.

Wat bedoelt hij er mee? Moeten we dan maar weerloos overal in berusten. Leert de bijbel ons dan niet een ieder op zijn plaats te ijveren voor recht en waarheid. Natuurlijk! Maar de profeet wil ons de juiste weg wijzen om tot dit doel te komen. Verootmoediging voor God vanwege onze zonden alleen kan de basis zijn voor recht en vrede. De profeet behoefde slechts om zich heen te zien om de sterkste bewijzen te hebben dat geen toestand van ellende door klagen en opstaan verbeterd wordt. Ook wij behoeven slechts te zien en te horen om te erkennen, dat zijn woord waar is. De klacht, het oproer en de omwenteling brengt geen verbetering aan. Wat dan? Moeten wij dan maar lijdelijk toezien, dat wij en anderen verdrukt en uitgemergeld worden? Moet ook de billijkste en meest gegronde klacht in de boezem gesmoord worden?

Neen. zo zegt de profeet, u mag en moet klagen. Stort uw klachten en jammertranen maar uit, maar... vanwege uw zonden.
Dat is Jeremia's antwoord aan zijn volk verzonken in ellende van ballingschap en onderdrukking. "Een ieder klage vanwege zijn zonden". De zonde was de oorzaak van Israels ellende. Het breken met hun Bondsgod en het verlaten van Zijn wegen waren de directe oorzaak van hun wegvoering en onderdrukking. De zonde is de oorzaak aller ellende. Da Costa zei er zo terecht van:
    Op de bodem aller vragen
    Ligt der wereld zondeschuld.
Wel hoort men het klagen der volken. Men klaagt over onderdrukking. Men vertoornt zich over de verkrachting van de rechten van de mens. Maar waar klaagt men over de oorzaak aller vragen, nl. der wereld zondeschuld?

Het verlaten van het evangelie en de daarmede gepaard gaande versmading van Christus; dat is de zonde der volken; dat is de zonde van Nederland. Daarover alleen moet eerst geklaagd worden. Dat alleen opent de weg naar herstel en wederkeer van de gunst Gods. Leerden de natiën zo te klagen. Gewis, hoog en laag, blank en zwart zou elkaar vinden als schuldenaar aan Gods voeten.
Maar ook persoonlijk geldt ons dit antwoord van de profeet Jeremia. Wat een klagen is er niet in ons persoonlijke leven. Ook hier echter geldt het antwoord Gods: "Een ieder klage vanwege zijn zonden".
De ene mens klaagt over zijn kinderen, die hem niet eren. De ander over zijn personeel, dat onwillig is. Deze voelt zich achteruit gezet. Gene schijnt het toe, dat niemand zoveel te torsen heeft als juist hij. Wat een klagen: Ons leven is er vol van. Maar ook voor het persoonlijk klagen van een ieder mens geldt het woord van Jeremia: "Een ieder klage vanwege zijn zonden". Dit is de klacht, die de Heilige Geest werkt. Van Hem toch staat geschreven: „Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben en zij zullen over Hem rouwklagen als met een rouwklage over een enige zoon, en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitter kermt over een eerstgeborene". Zach. 12:10.
Als die Geest ons de ogen opent voor het kwaad dat wij bedreven, klaagt de mens niet meer over God of over zijn harde lot, maar klaagt hij vanwege zijn zonden. Dan heffen we een weeklacht over onszelf aan. Wat een droefheid geeft het niet, innerlijk waar te nemen, God kwijt te zijn. Dan gevoelen wc ons waarlijk één uit Zijn paradijs en nabijheid verdrevene. God te missen wordt ons daar voorwaar bitterder dan de dood.
Wat wordt dan ook de zonde bitter. Met de verloren zoon wordt het onder tranen beleden: „Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U". De mens schaamt zich dan met de tollenaar om naar de hemel op te zien en uit het diepst van de verwonde ziel stijgt de bede: „O God, wees mij zondaar genadig".
Dan klaagt de zondaar over zijn zonden. Deze zijn hem een oorzaak van bittere smart. Wie zal uitspreken de boetvaardigheid van die mens, die zijn zonden tegen God leerde kennen. Wee mijner, roepen zij, dat ik zo gezondigd heb.
Zij klagen voorts niet allen over hun zonden, maar ook over hun zondige aard. De onreine fontein, die ze waarnemen in hun hart doet hen in verslagenheid roepen: "Zie toch ik ben in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren".
Zij heffen een rouwklage aan als voorts die Schoonste aller mensenkinderen, Jezus Christus hen door de Heilige Geest wordt afgeschilderd, onder hen gekruisigd zijnde. Het oog, dat op Hem ziet, zal tegelijkertijd verblijd, maar ook tegelijkertijd bedroefd en vernederd zijn. Het is verblijd vanwege de verlossing, die dat zien met zich brengt. Maar is gelijk vernederd vanwege de boodschap, die de lijdende Christus hen predikt, namelijk: Zie, zoveel kosten Mij nu uwe zonden!
Zij zien, dat zij door hun zonden en schulden Hem de kroon hebben gevlochten en de beker gevuld. Hun ongeloof heeft Hem doorstoken. Hun strijden tegen het zalig worden uit genade, heeft Hem verworpen en bespuwd. De wonden zijn Hem geslagen in het huis Zijner liefhebbers. En Sion blijft de zonde, het ongeloof en het struikelen een oorzaak van klagen. Het is een volk van ach en wee, zo bespot men wel eens hen, die over hun zonden klagen leerden. Nu zeggen we niet, dat al dat gesteun en geklaag in het openbaar goed is. Laat ons dan liever goed van onze Koning en Zijn dienst sproken. Maar in het verborgen is de oprecht gelovige een mens van ach en wee.
Zij klagen over zichzelf en veroordelen zichzelf. Er is zoveel, dat reden geeft om zichzelf bij God aan te klagen. Maar dat brengt dan ook tot verlossing. Als Jezus bloed zich vermengt met de tranen der boetvaardigheid wordt het hier al vervuld: Zij, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Daar wil Jezus wonen en de kracht van Zijn verzoening toepassen aan de veroordeelde harten.
Zo bevat Jeremia's woord een boodschap voor ons allen. Geen andere weg naar verlossing, dan deze weg: "Een ieder klage vanwege zijn zonden".

Nu volk Gods, veel klaagt ge over duisternis, dodigheid, weinige opwas in de genade, kruis en tegenslag. Maar God lere ons met Jeremia klagen over onze zonden.

Dan zouden we langs die weg van al onze andere klachten verlost worden. Leerde voorts een ieder onzer klagen over zijn zonden, zo zouden we straks behoren bij hen, waarvan geschreven staat: „En God zal alle tranen van hun ogen afwissen".

Franklin Lakes (USA)                                                         ds. C. Harinck

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Klagen vanwege de zonde

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1972

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken