Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Baptisten huiverig voor geloofsopvattingen in de „grote

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Baptisten huiverig voor geloofsopvattingen in de „grote" kerken

13 minuten leestijd

„HET WAS ONS ALSOF WIJ NU DOOR DE RECHTE POORT WAREN INGEGAAN waarvan Bunjan in zijn 'Christenreis' spreekt en niet over de muur geklommen, ofschoon die gewoonte reeds meer dan duizend jaar oud is". Deze regel schreef doctor Johannes Elias Feisser in een boekje waarin hij zijn belevenissen, als Hervormd predikant in Gasselternijveen die de eerste Baptist in Nederland werd, heeft verteld. De gebeurtenissen, waarvan Feisser in zulke hooggestemde woorden als hierboven geciteerd schreef, was de doop door onderdompeiling die aan hem en nog enkele getrouwen voltrokken werd op een zandagavond in mei 1845. De plaats van handeling was geen indrukwekkende kathedraal — of misschien juist toch .. — maar de onbeschoeide walkant van een veenvaart.

De bekende Baptistenpredikant ds. J. van Dam (Commanderij 45 te Sneek), de auteur van dit artikel, deed in 1970 bij de Unie van Baptisten in Nederland een boek verschijnen getiteld „Geschiedenis van het Baptisme in Nederland". Zo kort na de „algemene vergadering" van deze Baptisten, die eind vorige maand in Sneek werd gehouden, leek het ons nuttig u meer inzicht te geven betreffende een vrij onbekende bevolkingsgroep. Temeer daar het 300 pagina's tellende boek van perssecretaris ds. Van Dam niet in de boekhandel verkrijgbaar en mitsdien ontoegankelijk is. Vele van de illustraties op deze pagina komen ook voor in dit boek dat ƒ 12,95 kost. Uiteraard was binnen het bestek van dit artikel niet meer dan de schets van een ontwikkelingsgang mogelijk. Voor informatie omtrent de huidige situatie in het Nederlandse Baptisme mogen wij u wellicht verwijzen naar wat er n.a.v. de jongste A.V. op de kerknieuwspagina werd vermeld.


Wie was deze Feisser? Wat zijn Baptisten?
Om met ds. Feisser te beginnen: Johannes Elias Feisser zag op 10 december 1805 in het Groningse Winsum het levenslicht als zoon van Johannes Feisser en Anna Maria Bouer. Als kind van twee jaar verhuisde hij naar Veendam, waar zijn vader tot Rijksontvanger was benoemd. Daar groeide hij op en daar ontving hij de schoolopleiding, die hem in 1822 — nog maar zeventien jaar oud — leidde naar de Groningse universiteit om zich voor de theologische studie te laten inschrijven. Het is niet onwaarschijnlijk, dat Johannes Elias Feisser — hoewel daarover niets bekend is — die andere Groninger theoloog, Hendrik de Cock, bijzonder goed gekend heeft. Immers, ook De Cock groeide in diezelfde jaren in deze buurt op — hij werd in 1801 in het naburige Wildervank geboren als zoon van de landbouwer-burgemeester Tjaarda de Cock — en studeerde later eveneens aan de Groningse universiteit.

Promotie
Feisser studeerde met grote ijver. Terwijl hij regelmatig met goed gevolg zijn examens aflegde, vond hij ook nog tijd om een gouden erepenning te winnen door een verhandeling te schrijven over een door de fakulteit uitgeschreven prijsvraag. Nog maar 21 jaar oud legde hij zijn proponentsexamen af voor het Provinciaal kerkbestuur van Friesland, maar hij stelde zich nog niet beroepbaar. Hij zette zijn studie te Leiden nog één jaar voort om tenslotte op 21 juni 1828 te Groningen tot doctor in de kerkgeschiedenis te promoveren bij prof. dr. Th. A. Clarisse; de titel van zijn dissertatie luidde: „De Vita Basilii Magni, Caesareae in Capadocia Episcopi" (Het leven van Basilius de Grote, bisschop van Caesarea in Capadocie).
De jonge ds. Feisser begon zijn loopbaan als predikant van de Hervormde gemeenten in het Friese Lekkum en Miedum, dorpjes bij Leeuwarden aan de Dokkumer Ee. Zijn volgende gemeente, 1831—1833, was Winschoten; vervolgens vertrok hij naar de oude Friese akademiestad Franeker. Daar trof hem een groot verdriet: zijn beide kinderen stierven, en, alsof dat nog niet genoeg was, ook zijn jonge vrouw, Geertruida Barbara Orck, baronesse van Heeckeren ontviel hem door de dood. Feisser was een gebroken man. Ook zelf werd hij getroffen door ziekte: door een ontsteking aan zijn rechteroog werd hij bijna geheel blind. Als een gebroken man legde Feisser het ambt neer en trok zich terug in het ouderlijke huis te Veendam. Later zegt hij van deze periode, dat hem vooral toen „de waarheid des Woords dierbaar aan het hart werd gelegd." Feisser herstelde spoedig. Reeds een half jaar na zijn afscheid van Franeker zette hij zijn loopbaan als Hervormd predikant voort; ds H.K. Roessingh bevestigde zijn collega Feisser als predikant van Gasselternijveen — op 3 maart 1839. „De verwachtingen waren, terecht, hoog gespannen. Reeds in zijn vorige gemeenten had ds. Feisser zich doen kennen als een goed redenaar. Daarenboven was hij een man van ernstige studie, die niets liever wilde dan de vruchten van zijn studie zijn gemeente aan te bieden. Het lijden had hem reeds jong ernstig gemaakt en zijn geloof doorleefd ('Geschiedenis van het Baptisme in Nederland', blz 18).
In deze tijd komt ds. Feisser tot een definitieve breuk met de theologie van zijn tijd. Het moet vooral de invloed van de Engelse methodist John Newton — diens boek 'Cardiphonia, of Gemeenzame brieven' — zijn geweest die hem over de mens doet zeggen: „Geen goeds woont in hem; zijn natuur is een vat vol zonde, een papier gansch bemorst en beklad door den Vorst der duisternis, vijandig tegen God en levendig werkzaam om het goddelijke uit te roeien en te weerstaan, zoolang hij maar kan." Déze opvattingen predikte Feisser sindsdien en paste hij toe in zijn pastorale arbeid. Een radicaal verschil met zijn vroegere prediking. Geen wonder, dat er conflicten kwamen.
(Door ds. J. van Dam)

Ondanks de geestelijke verandering die zich bij ds. Feisser had voltrokken, bleef het werk in de Gasselternijveense gemeente bloeien. Tenminste, vond ds. Feisser, zo leek het. Zelf meende hij: „Wanneer iemand wat dieper doordrong met zijne blikken, wanneer iemand zich met de zoogenaamde leden der gemeente in gesprek begaf" over het ware leven der ziele; wanneer men zelfs maar over den inhoud van eene gehoudene leerrede wilde handelen, o! wat zag men zich dan jammerlijk teleurgesteld. Het was meest alles doode sleur en gewoontewerk. Ik stond verbaasd en verslagen, toen ik na een jaar werken en beproeven met volle overtuiging gewaar werd, dat er zich hier geen vijf ware Christenen bevonden, en geen tien zelfs die met den rechten weg des heils bekend waren. En dat onder een kleine tweehonderd lidmaten." Daar lag de conflictstof; daarom ging het Feisser uiteindelijk, als hij in een volgend stadium van zijn ontwikkeling zich de vraag stelt hoe de gemeente, die gemeente van gelovigen naar het Nieuwe Testament dient te zijn, zich moet constitueren. Op zoek naar de gestalte en de openbaring van de gemeente van gelovigen stuit hij op de vraag naar de Nieuwtestamentische legitimiteit van de kinderdoop.

Baptisten
Dat brengt ons bij de tweede vraag die wij hierboven stelden: wat zijn Baptisten. We kunnen in dit artikel uiteraard niet uitvoerig ingaan op de geschiedenis van het Baptisme in de wereld; Volstaan we ermee, dat het Baptisme zijn geschiedenis laat beginnen bij de zogenaamde Wederdopers, de Anabaptisten, in de zestiende eeuw — een oorsprong, die de Baptisten met de Doopsgezinden delen — en die via de Mennonieten omstreeks 1610 leidt tot de stichting van de eerste Baptistengemeente in Amsterdam. In dit verband zij verwezen naar het proefschrift van dr. J. Bakker, 'John Smyth. De stichter van het Baptisme' (H. Veenman & Zonen N.V., Wageningen, 1964). Deze eerste Baptistengemeente werd gevormd door Engelse vluchtelingen, die in Nederland verbleven en die hun doperse opvattingen bij terugkeer in Engeland verbreidden en tenslotte ook en vooral in de nieuwe wereld, Amerika.
Het was de Duitse koopman Johann Gerhard Oncken die, nadat het Baptisme op het Europese continent in de zeventiende eeuw was ontstaan om buiten het continent zijn uitbreiding te vinden, in 1834 in Hamburg een Baptistengemeente stichtte. Als jongeman was Oncken met een Baptistengemeente in Londen in aanraking gekomen; hij kwam er tot geloof en werd gedoopt. Na terugkeer in Duitsland ontpopte de jonge Oncken zich als een ijverig evangelist en een vurig Baptist. Samen met G.W. Lehmann uit Berlijn en Julius Köbner, een bekeerde Jood van Deense afkomst, werkte hij in geheel Europa en verbreidde er de Baptisten beginselen.
Ds. Feisser in Gasselternijveen had echter nog nooit van Baptisten gehoord, hoewel hij één van hun grote schrijvers, John Bunyan kende. Toch kwam hij met hen in aanraking. De conflicten waarin Feisser verwikkeld raakte, plaatsten hem voor de vraag, "welk begrip behooren wij ons te vormen van de gemeente des Heeren." Persoonlijke Bijbelstudie bracht hem er ten slotte toe om te concluderen:
„Alleen geloovigen mogen gedoopt worden. De kinderdoop is lang na de Apostolische tijden, tegen het bevel des Heeren aan, in de kerk ingeslopen. Indien het Gode behagen mag, wederom eene kerk tot stand te brengen, gefundeerd op den Heere Jezus en de Apostelen, dan zal ook wel eene der eerste bepalingen bij die kerk worden, dat men alleen de geloovigen doope. Men versta mij wel, niet de volwassenen of bejaarden, omdat die zoo oud zijn of zooveel weten; maar de geloovigen, die eerst van den Heer geroepen, en als zoodanig kenbaar geworden zijn. De doop der kinderen is, in betrekking tot kinderen, welke onbegenadigd in hunne zonden blijven, eene misdaad tegen God, doordien men alsdan het teeken van het genadeverbond aan dezulken geeft, met welke God zelve het verbond niet toont aan te gaan. Terwijl het doopen van begenadigde kinderen, op zijn zachtst genoemd, een vooruitloopen van den Heer is, hetwelk ons, die van die begenadiging vóór het geloof en de bekeering geene kennis kunnen dragen, geenszins betaamt of vrijstaat. Op den blooten waterdoop, voorzoover die in de plaats der besnijdenis is gekomen, zoude men voegzaam de woorden van den Apostel Paulus kunnen toepassen, 1 Cor. 7:19 en Rom. 2:25-29. Voor de plegtigheid des tegenwoordigen kinderdoops konde men dan in de plaats brengen het voorstellen aan den Heere naar Luk. 2:22-24 gepaard met de oplegging der handen naar Mark. 10:16."

Procedure
Om een lang verhaal kort te maken: Feisser weigerde de kindertjes te dopen, er kwam een kerkelijke procedure op gang die ertoe leidde dat het Provinciale kerkbestuur van Drenthe doctor Johannes Elias Feisser uit zijn ambt ontzette, „wegens stellige weigering van een gedeelte van zijn dienst en het stichten van ergernis en wanorde." Ingaande 1 januari 1844 stonden ds. Feisser en zijn vrouw — Feisser hertrouwde met Karsina Hovingh Wichers — op straat. De afzetting veroorzaakte veel opschudding. Sommigen verdachten hem van 'Cosksianerij' en velen, vooral uit zijn familie en vroegere vriendenkring, beschouwden hem als een dweper. De Afgescheidenen trachtten nog de begaafde dominee Feisser voor hun zaak te winnen — dominee A. Brummelkamp had op verzoek nog een ontmoeting met zijn collega Feisser — maar de Gereformeerden waren naar Feissers inzichten te schools: „'t zat hun anderhalve voet te hoog", vond hij, Zij dachten bovendien te verschillend over de doop.
Intussen had het gerucht over Feissers ontzetting uit het ambt ook Hamburg bereikt. Het is waarschijnlijk, dat rondreizende marskramers en Duitse hooiers, die door de veenkoloniën trokken om hun weg naar de 'greiden' van Friesland te vinden, het verhaal over Feisser vertelden. Ook de Baptisten van Hamburg werden ervan in kennis gesteld. In de zomer van 1844 reisden twee vooraanstaande Baptisten uit Hamburg naar Gasselternijveen — de reeds genoemde Köbner en A.F. Remmers — om een gesprek met ds. Feisser te hebben. „Voor Feisser openden zich nieuwe perspectieven! Uit hetgeen de Duitse bezoekers vertelden, kon hij slechts vaststellen dat in de gemeenten die zij dienden, werkelijkheid was geworden, wat hij eens als een vrome wens koesterde: „Indien het Gode behagen mag, wederom eene kerk tot stand te brengen, gefundeerd op den Heere Jezus en de Apostelen, dan zal ook wel eene der eerste bepalingen bij die kerk worden, dat men alleen de geloovigen doope." En wat de doopvorm betrof, groeide ook bij Feisser de stellige overtuiging, „dat de eenige, juiste vorm van de doop de onderdompeling in het water was", ('Geschiedenis van het Baptisme', blz. 26, 27).
Nadat Feisser zelf nog eens naar Hamburg reisde om kennis te maken met de Hamburgse Baptistengemeente, keerde Köbner in mei 1845 nog eens terug naar Nederland om er op zondagavond 15 mei ds. Feisser en zes getrouwen door onderdompeling te dopen in het water van een veenwijk. De eerste Baptistengemeente van Nederland — „Gemeente van Gedoopte Christenen" noemde ze zich aanvankelijk — was ontstaan.

Even leek het er op, dat Feisser's daad op meer plaatsen dadelijk navolging zou vinden. Zowel in Amsterdam als in Zutphen waren kleine groepen, die dezelfde ideeën en opvattingen hadden als Feisser. In Zutphen was het de bekende ds. Jan de Liefde, met wie Feisser veel contact had, die om zich heen een groep gelovigen had verzameld die voor een korte tijd als Baptislengemeente optrad. Helaas onttrok de zo begaafde De Liefde zich aan deze gemeenschap, die al spoedig daarna door onderlinge onenigheid uiteenviel. In Amsterdam daarentegen bleef de kleine groep Baptisten — de eersten werden eveneens door Köbner gedoopt tijdens diens verblijf in mei 1845 in Nederland — bestaan, maar het ontbrak hun aan overtuigingskracht. Ze bleven een klein huiskamer-gezelschap, dat op geen enkele wijze naar buiten trad. Spurgeon, die later bij een bezoek aan Amsterdam zijn mede-Baptisten wilde opzoeken, kon hun adres niet vinden en heeft hen daarna, in een aan hen gerichte brief, vermaand over hun vreesachtigheid. Een vermaan, dat overigens wel ter harte is genomen...

In de zestiger en zeventiger jaren — Feisser stierf op 2 juni 1865 — kwam er verandering. Er kwamen nieuwe impulsen, waarvoor twee bronnen zijn aan te wijzen.

Ds. J. de Liefde
We noemden reeds de naam van ds. Jan de Liefde. Deze zeer begaafde man — prediker, dichter en auteur — heeft indirect een grote invloed uitgeoefend op het Nederlandse Baptisme in de vorige eeuw en is van niet te onderschatten betekenis geweest voor zijn uitbreiding. Hij is weliswaar Baptist geweest — maar kon het er vanwege zijn rusteloze aard niet uithouden... — maar het is niet die persoonlijke relatie tot het Baptisme geweest waardoor zijn naam nadrukkelijk moet worden genoemd.
Jan de Liefde kwam na vele omzwervingen terug in de stad van zijn geboorte, Amsterdam, om er naast het vele werk dat hij als auteur reeds deed, zich in te zetten voor evangelisatie-arbeid. Hij stichtte de „Vereeniging tot Heil des Volks" — met vele afdelingen in het gehele land — en begon een opleidingsschool voor evangelisten, die na voltooide studie te werk gesteld werden in de afdelingen van de 'evangelisatie-vereniging'. Het zijn deze evangelisten geweest, die — het was in de tijd van Sankey en Moody! — op diverse plaatsen op zodanige wijze werkten dat uit hun arbeid Baptistengemeenten voortkwamen. Enkele namen: Eduard Gerdes (de dichter van 'Daar ruist langs de wolken'), die in Gasseltenijveen en later in Stadskanaal het werk van ds. Feisser voortzette; K. Witmond, eveneens een tijd lang werkzaam in Stadskanaal en wijde omgeving; Kors Helleman, in Leeuwarden die er op zijn beurt een evangelisatieschool stichtte en wiens leerlingen als Johannes Hom, Jan de Hart en anderen vurige evangelisten waren die, nadat ze overtuigd waren geworden van de Baptistische opvattingen, zich ontpopten als consequente Baptistenvoorgangers, vooral in de Gronings-Drentse veenkoloniën, maar ook in andere plaatsen: in Sneek, in Heeg, in Hengelo, in Deventer, etc. Zij vertegenwoordigden een stroming binnen het Nederlandse Baptisme, verwant aan Methodisme en activistisch Piëtisme, die typisch behoort tot de evangelisatie-traditie die in onze tijd voortgezet wordt door een bekende opwekkingsprediker als de Amerikaanse evangelist dr. Billy Graham.

De andere bron vond zijn oorsprong in Duitsland, bij de Duitse Baptisten van de vorige eeuw, en werd belichaamd in de persoon en het werk van Petrus Johannes de Neui. Deze De Neui, afkomstig uit het Duits-Nederlandse grensgebied, werkte met grote zegen als evangelist in zijn geboorteland, Oost-Friesland. Nadat hij in contact gekomen was met enkele gelovigen in het Friese Franeker, die met het 'doopvraagstuk' worstelden, reisde De Neui, een overtuigd Baptist, in 1865 naar Friesland om er te spreken en te discussiëren. De toeloop was bijzonder groot en reeds enkele dagen na zijn komst werden er enkele gelovigen gedoopt — in de stadsgracht van Franeker. De Neui vestigde zich in de oudeFriese stad, waar al spoedig een Baptistengemeente werd gesticht. Vanuit Franeker reisde de evangelist door heel de provincie, ja zelfs predikte en getuigde hij in steden als Amsterdam en Haarlem. Er ontstonden, mede door zijn arbeid, nieuwe Baptistengemeenten. die zich — in tegenstelling tot de gemeenten die indirect waren ontstaan uit de evangelistenschool van De Liefde — verwant voelden met de Calvinistische Duitse Baptisten en hun „Bond van gemeenten".

Unie
Pogingen om zowel de 'Friese' gemeenten (waartoe zich ook de gemeenten van Amsterdam en Haarlem aanvankelijk rekenden!) als de andere Baptistengemeenten in Nederland in één Unie of Bond te verenigen, liepen de eerste jaren op niets uit. Enkele 'Friese' gemeenten sloten zich aan bij de Duitse Bond, hetgeen later door allerlei omstandigheden weer ongedaan werd gemaakt. De andere Baptistengemeenten sloten zich evenwel aaneen. In 1880 kwam het tot stichting van de „Unie van Baptistengemeenten in Nederland".
Bij de totstandkoming van deze Unie, die de gemeenten in federatief verband bijeenhoudt, heeft H. Z. Kloekers een grote rol gespeeld. Hendrikadius Zwaantinus Kloekers. Baptisten voorganger te Stadskanaal, was als jongeman in 1854 als zendeling naar Shanghai, China vertrokken. Hij kwam er in aanraking met zendelingen van de Baptist Missionary Society uit Engeland — het oudste zendingsgenootschap ter wereld — en werd er gedoopt. Bij zijn terugkeer in Nederland sloot hij zich aan bij de Baptistengemeenten in Nederland en werd voorganger van de oude gemeente van ds. Feisser (wiens weduwe hij huwde).
Van de oude tegenstellingen, die eens sommige gemeenten buiten de Unie sloot, is thans niets meer te merken. Alle 'Friese' gemeenten zijn in de loop der jaren tot de Unie toegetreden, met uitzondering van de Baptistengemeente te Franeker die nog steeds bestaat maar intussen is gereduceerd tot slechts enkele leden. Dat wil niet zeggen, dat alle Nederlandse Baptistengemeenten tot de Unie behoren. Nog steeds zijn er enkele gemeenten buiten het verband van de Unie, maar hun afzijdigheid is niet door leerstellige verschillen te verklaren.

Samenwerking
Eén van de doelstellingen van de Unie was (en is) om eendrachtige samenwerking aan te kweken. Nadat de Unie ruim negentig jaar heeft bestaan, moet geconstateerd worden, dat men daarin is geslaagd. De in de Unie verbonden gemeenten geven sinds de oprichting een eigen blad uit — dat steeds „De Christen" heeft geheten — en publiceren reeds langer dan een halve eeuw het evangelisatiemaandblad "De Zaaier". Sinds de twintiger jaren drijven zij, al is het op bescheiden wijze, zending in Afrika, waar vooral het voormalige Belgische Congo, thans: Zaïre veel belangstelling van Nederlandse Baptistenzijde heeft ontvangen. Op het ogenblik zijn er ook Nederlandse Baptisten, officieel uitgezonden door de Unie Zendingscommissie, werkzaam in Kameroen en Sierra Leone.
Die 'eendrachtige samenwerking' blijkt ook op vele andere terreinen. Ontvingen de Baptistenpredikanten in de voor-oorlogse jaren hun theologische opleiding veelal aan buitenlandse seminaria — waarvan met name het seminarium te Hamburg moet worden genoemd — sinds 1956 hebben de Nederlandse Baptisten hun eigen theologische school, die te "Bosch en Duin" is gevestigd en voor een deel is geïntegreerd in de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Ook op het terrein van de evangelisatie, kerkenbouw en de sociale verzekeringen van de predikanten is de samenwerking binnen de Unie niet meer weg te denken. Het geheel wordt geadministreerd door de twee vrijgestelden, die de Unie voor deze werkzaamheden in dienst heeft — een algemeen-secretaris en een administrateur — die in het gebouw „De Vinkenhof" te Bosch en Duin in het daar gevestigde Uniebureau hun werkzaamheden verrichten.

Instelling
Uit de liederenbundel „Lofzangen en Gebeden", die bij de Unie aangesloten gemeenten in gebruik hebben — waarin opgenomen de psalmberijming van ds. Hasper — blijkt de voorliefde van vele Baptisten voor de eenvoudige geloofs- en opwekkingsliederen, zoals die aan het begin van deze eeuw werden geïntroduceerd door Joh. de Heer. De persoonlijke geloofsstructuur, die in deze liederen zo duidelijk is, is kenmerkend van vele Nederlandse Baptisten. Die structuur vooral doet hen vreemd en onwennig staan — en zelfs enigszins huiverig — tegenover de geloofsopvattingen zoals die met name in de 'grote' kerken worden geleerd en beleefd. Vaak is het hen te objectief, te weinig persoonlijk. In deze instelling moet onzes inziens de oorzaak worden gezocht van de vaak onberedeneerde, intuïtief afwijzende houding die in vele Baptistengemeenten ten opzichte van organisaties als „Wereldraad van Kerken" en „Oecumenische Raad van Kerken" gevonden wordt. Desondanks sloot de Nederlandse Unie zich bij de oprichting van de Wereldraad en de Oecumenische Raad — in 1948 — bij deze organisaties aan. Deze lidmaatschappen werden echter op een Algemene vergadering van de Unie in 1963 te Sneek weer ongedaan gemaakt. Nieuwe voorstellen om hierop terug te komen, werden tot nu telkens afgewezen.
Zonder enige terughoudendheid onderhouden de gemeenten, via de Unie, relaties met de Baptistengemeenten in het buitenland. De congressen, die de Baptisten-Wereldalliantie — omvattende ruim 311 miljoen Baptisten in de gehele wereld — regelmatig houdt, worden ook door meerdere Baptisten bijgewoond, terwijl ook in het Uitvoerende Comité van deze wereldorganisatie een Nederlandse Baptist zitting heeft. Aan de „Europese Baptisten Federatie", die ongeveer anderhalf miljoen Baptisten omvat — ruim vijfhonderdduizend in Rusland! — heeft de Nederlandse Unie reeds tweemaal een voorzitter geleverd!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1972

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Baptisten huiverig voor geloofsopvattingen in de „grote

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1972

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken